Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7249

2026-07-06 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448754 / JE RK 26-941
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-06
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448754 / JE RK 26-941
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.792 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/448754 / JE RK 26-941



Datum uitspraak: 6 juli 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .




Familie [de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats 3] .





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 juni 2026;


de toetsing van de Raad van 1 juli 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de pleegouders;
- een vertegenwoordigster van de GI.



1.3.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn niet verschenen:


de moeder;


de vader.







2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.
Bij beschikking van 31 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 31 juli 2024 en tot 31 juli 2025. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 25 juli 2025 verlengd tot 31 juli 2026.


2.3.
Bij beschikking van 31 juli 2024 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend met ingang van 31 juli 2024 en tot 31 januari 2025. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 31 juli 2026.



2.4.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De GI handhaaft het verzoek. Hoewel er veel is geprobeerd in het contact tussen [minderjarige] en de ouders, zijn de ouders al lange tijd niet in beeld. In de komende periode wil de GI de Raad verzoeken een onderzoek te verrichten naar de noodzaak voor een gezagsbeëindigende maatregel.


4.2.
De pleegouders stemmen in met het verzoek. Het gaat goed met [minderjarige] in het pleeggezin, maar de pleegouders merken wel dat er momenten zijn waarop hij zijn moeder mist.





5De beoordeling



Het wettelijk kader




5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.



5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



De inhoudelijke beoordeling





5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen. Hiertoe overweegt de kinderrechter dat zowel de moeder als de vader al langere tijd instabiliteit laten zien in hun persoonlijke situatie en in het contact met [minderjarige] . Inmiddels is er al langere tijd vrijwel geen contact geweest tussen [minderjarige] en beide ouders. Naast dat dit bij [minderjarige] leidt tot verdriet en onzekerheid, zorgt dit er ook voor dat zowel de vader als de moeder te weinig zicht hebben op de ontwikkeling van [minderjarige] en onvoldoende kunnen aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Bovendien is bij de moeder sprake van ernstige en langdurige psychische problematiek, waardoor haar situatie kwetsbaar blijft en de opvoedsituatie bij de moeder onvoldoende stabiel en veilig wordt geacht. Op basis van de wisselende beschikbaarheid van de vader, het niet nakomen van afspraken en het uitblijven van actieve betrokkenheid, is er op dit moment bij de vader evenmin sprake is van een veilige of stabiele opvoedsituatie. Het voorgaande maakt dat de vader en de moeder [minderjarige] onvoldoende de voorspelbaarheid, continuïteit en emotionele beschikbaarheid kunnen bieden die hij nodig heeft. Dit volgt ook uit de door de GI vastgestelde opvoedvisie, waarin het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin is bepaald.


5.6.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Hierbij betrekt de kinderrechter ook dat de pleegouders [minderjarige] de benodigde rust, continuïteit en veiligheid bieden en dat [minderjarige] in het pleeggezin gehecht is en zich daar veilig voelt. De kinderrechter zal het - onweersproken - verzoek daarom toewijzen en zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de verzochte duur van een jaar, te weten tot 31 juli 2027.

Uitvoerbaar bij voorraad





5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 31 juli 2026 en tot 31 juli 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 31 juli 2026 en tot 31 juli 2027;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2026.







































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.