Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7248
2026-07-06
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448914 / JE RK 26-983
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Restant verlenging ondertoezichtstelling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.123 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448914 / JE RK 26-983
Datum uitspraak: 6 juli 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van 25 juni 2026 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.
Op 6 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de vader;
de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI via een digitale verbinding.
1.3.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter waren tevens aanwezig:
mevrouw [persoon 1] , werkzaam bij [hulpverlening 1] , begeleidster van de vader;
mevrouw [persoon 2] , werkzaam bij de [hulpverlening 2] , begeleidster van de moeder.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven bij de vader.
2.3.
Bij beschikking van 1 juli 2022 zijn [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] onder toezicht
gesteld van de GI met ingang van 1 juli 2022 en tot 1 juli 2023. De maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 1 augustus 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 1 augustus 2026 en tot 1 januari 2027.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. De huidige jeugdbeschermer is pas sinds een aantal dagen betrokken en heeft daardoor nog geen kennis kunnen maken met de ouders. Wel heeft de jeugdbeschermer in de overgelegde stukken gelezen dat er recent zorgen naar voren zijn gekomen over het gedrag van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op de BSO+. Het is daarom belangrijk dat in de komende periode wordt bezien welke hulpverlening daarin passend kan zijn en dat wordt onderzocht welke vorm van opvoedondersteuning nodig is. Daarbij moet ook worden onderzocht of bij de minderjarigen sprake is van trauma. Als er vervolgens voldoende zicht is op de minderjarigen en duidelijk is dat het goed met hen gaat, kan worden toegewerkt naar een overdracht naar het vrijwillige kader. Daarvoor moet dan eerst een borgingsplan worden opgesteld.
4.2.
De vader is het niet eens met het verzoek. Hij vindt dat de ondertoezichtstelling kan worden afgesloten. De vader herkent de zorgen over het gedrag van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet. Deze zorgen zijn ook niet eerder met hem besproken. Het gaat in de thuissituatie juist erg goed met de minderjarigen. Ook de communicatie tussen de ouders en het contact tussen de moeder en de minderjarigen verloopt goed. Bovendien benoemt de vader dat hij er moeite mee heeft dat de GI de zaken tot nu toe onvoldoende heeft opgepakt en dat de nieuwe jeugdbeschermer nog geen contact met hem heeft opgenomen.
4.3.
De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij wil dat de ondertoezichtstelling wordt afgesloten.
4.4.
De begeleidster van de vader verklaart dat er op dit moment geen zorgen zijn over het welbevinden van de minderjarigen. Er is in de afgelopen periode meer rust gekomen in de opvoedsituatie van de minderjarigen, het contact tussen de ouders verloopt goed en de moeder ziet de minderjarigen regelmatig in de thuissituatie van de vader.
5De nadere beoordeling
Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter overweegt allereerst dat uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat de ouders in de afgelopen periode positieve stappen hebben gezet. De moeder wordt behandeld voor haar verslavingsproblematiek en woont al enige tijd op een woongroep van de [hulpverlening 2] waar zij kan herstellen en de vader heeft gewerkt aan het aannemen van een meer verzorgende rol en het aansluiten bij de minderjarigen. Ook is gebleken dat de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders is verbeterd en dat er meer rust is ontstaan in de opvoedsituatie van de minderjarigen. Tegelijkertijd zijn de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] nog niet geheel weggenomen. Deze zorgen komen met name voort uit het gedrag dat [minderjarige 3] en [minderjarige 2] tonen op de BSO+. Om hier meer zicht op te verkrijgen wil de GI in de komende periode opvoedondersteuning inzetten en onderzoeken of bij de minderjarigen sprake is van trauma- of hechtingsproblematiek, waarvoor indien nodig ook passende hulpverlening moet worden ingezet. Vervolgens moet worden bezien of de ondertoezichtstelling kan worden afgesloten, waarvoor eerst samen met de ouders een borgingsplan moet worden opgesteld. Dit maakt dat ook in de komende periode regie nodig is vanuit het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter komt daardoor tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is en zal het resterende deel van het verzoek daarom toewijzen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] wordt verlengd voor de verzochte duur van vijf maanden, te weten tot 1 januari 2027.
5.5.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] blijft bewaken. Ook verwacht de kinderrechter dat in de komende periode wordt gewerkt aan bovengenoemde punten, zodat vervolgens kan worden bezien of een overdracht naar het vrijwillige kader mogelijk is.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] met ingang van 1 augustus 2026 en tot 1 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 15 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448914 / JE RK 26-983
Datum uitspraak: 6 juli 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van 25 juni 2026 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.
Op 6 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de vader;
de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI via een digitale verbinding.
1.3.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter waren tevens aanwezig:
mevrouw [persoon 1] , werkzaam bij [hulpverlening 1] , begeleidster van de vader;
mevrouw [persoon 2] , werkzaam bij de [hulpverlening 2] , begeleidster van de moeder.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven bij de vader.
2.3.
Bij beschikking van 1 juli 2022 zijn [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] onder toezicht
gesteld van de GI met ingang van 1 juli 2022 en tot 1 juli 2023. De maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 1 augustus 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 1 augustus 2026 en tot 1 januari 2027.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. De huidige jeugdbeschermer is pas sinds een aantal dagen betrokken en heeft daardoor nog geen kennis kunnen maken met de ouders. Wel heeft de jeugdbeschermer in de overgelegde stukken gelezen dat er recent zorgen naar voren zijn gekomen over het gedrag van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op de BSO+. Het is daarom belangrijk dat in de komende periode wordt bezien welke hulpverlening daarin passend kan zijn en dat wordt onderzocht welke vorm van opvoedondersteuning nodig is. Daarbij moet ook worden onderzocht of bij de minderjarigen sprake is van trauma. Als er vervolgens voldoende zicht is op de minderjarigen en duidelijk is dat het goed met hen gaat, kan worden toegewerkt naar een overdracht naar het vrijwillige kader. Daarvoor moet dan eerst een borgingsplan worden opgesteld.
4.2.
De vader is het niet eens met het verzoek. Hij vindt dat de ondertoezichtstelling kan worden afgesloten. De vader herkent de zorgen over het gedrag van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet. Deze zorgen zijn ook niet eerder met hem besproken. Het gaat in de thuissituatie juist erg goed met de minderjarigen. Ook de communicatie tussen de ouders en het contact tussen de moeder en de minderjarigen verloopt goed. Bovendien benoemt de vader dat hij er moeite mee heeft dat de GI de zaken tot nu toe onvoldoende heeft opgepakt en dat de nieuwe jeugdbeschermer nog geen contact met hem heeft opgenomen.
4.3.
De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij wil dat de ondertoezichtstelling wordt afgesloten.
4.4.
De begeleidster van de vader verklaart dat er op dit moment geen zorgen zijn over het welbevinden van de minderjarigen. Er is in de afgelopen periode meer rust gekomen in de opvoedsituatie van de minderjarigen, het contact tussen de ouders verloopt goed en de moeder ziet de minderjarigen regelmatig in de thuissituatie van de vader.
5De nadere beoordeling
Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter overweegt allereerst dat uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat de ouders in de afgelopen periode positieve stappen hebben gezet. De moeder wordt behandeld voor haar verslavingsproblematiek en woont al enige tijd op een woongroep van de [hulpverlening 2] waar zij kan herstellen en de vader heeft gewerkt aan het aannemen van een meer verzorgende rol en het aansluiten bij de minderjarigen. Ook is gebleken dat de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders is verbeterd en dat er meer rust is ontstaan in de opvoedsituatie van de minderjarigen. Tegelijkertijd zijn de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] nog niet geheel weggenomen. Deze zorgen komen met name voort uit het gedrag dat [minderjarige 3] en [minderjarige 2] tonen op de BSO+. Om hier meer zicht op te verkrijgen wil de GI in de komende periode opvoedondersteuning inzetten en onderzoeken of bij de minderjarigen sprake is van trauma- of hechtingsproblematiek, waarvoor indien nodig ook passende hulpverlening moet worden ingezet. Vervolgens moet worden bezien of de ondertoezichtstelling kan worden afgesloten, waarvoor eerst samen met de ouders een borgingsplan moet worden opgesteld. Dit maakt dat ook in de komende periode regie nodig is vanuit het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter komt daardoor tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is en zal het resterende deel van het verzoek daarom toewijzen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] wordt verlengd voor de verzochte duur van vijf maanden, te weten tot 1 januari 2027.
5.5.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] blijft bewaken. Ook verwacht de kinderrechter dat in de komende periode wordt gewerkt aan bovengenoemde punten, zodat vervolgens kan worden bezien of een overdracht naar het vrijwillige kader mogelijk is.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] met ingang van 1 augustus 2026 en tot 1 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 15 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.