Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7247
2026-07-06
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/442593 / JE RK 25-2138, C/02/449692 / JE RK 26-1116, en C/02/449895 / JE RK 26-1166
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Opheffing ondertoezichtstelling, vervanging gecertificeerde instelling en restant verzoek verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.374 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/442593 / JE RK 25-2138 (restant verlenging machtiging tot uithuisplaatsing), C/02/449692 / JE RK 26-1116 (vervanging gecertificeerde instelling) en C/02/449895 / JE RK 26-1166 (opheffing ondertoezichtstelling)
Datum uitspraak: 6 juli 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing, vervanging van de gecertificeerde instelling en opheffing van de ondertoezichtstelling
in de zaken van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
verzoeker in de zaak met kenmerk JE RK 25-2138 en JE RK 26-1116,
belanghebbende in de zaak met kenmerk JE RK 26-1166,
en
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof uit Goes,
verzoeker in de zaak met kenmerk JE RK 26-1166,
belanghebbende in de zaak met kenmerk JE RK 25-2138 en JE RK 26-1116,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt in alle zaken als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. J.C. van den Doel uit Zierikzee,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren.
1Het (verdere) verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake JE RK 25-2138:
- de beschikking van 18 december 2025 en alle daarin genoemde stukken;
de briefrapportage van de GI met bijlagen van 29 mei 2026;
het verweerschrift van mr. Planthof van 1 juli 2026;
het bericht met bijlage van mr. Planthof van 6 juli 2026.
Inzake JE RK 26-1116:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 juni 2026.
Inzake JE RK 26-1166:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 juli 2026.
1.2.
Op 6 juli 2026 heeft de kinderrechter deze zaken, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het verzoek van [minderjarige 3] in de zaak met kenmerk C/02/448477 / FA RK 26-2646, tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. In die zaak is afzonderlijk beslist.
1.3.
Verschenen en gehoord zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
twee vertegenwoordigsters van de GI;
een vertegenwoordiger van de Raad.
1.4.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was de heer [persoon] , de partner van de moeder, aanwezig tijdens de zitting.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft een brief geschreven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld en geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
Bij beschikking van 10 januari 2025 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2025 en tot 10 januari 2026. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 18 december 2025 verlengd tot 10 januari 2027.
2.3.
Bij beschikking van 24 februari 2025 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 24 februari 2025 en tot 10 maart 2025. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 juli 2026.
2.4.
Op grond van voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader.
3Het verzoek
Inzake JE RK 25-2138
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 10 juli 2026 tot 10 januari 2027.
Inzake JE RK 26-1116
3.3.
De GI verzoekt de kinderrechter om de GI, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door de gecertificeerde instelling [stichting] , met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Inzake JE RK 26-1166
3.4.
De vader verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De vader handhaaft zijn verzoek ten aanzien van het opheffen van de ondertoezichtstelling. De betrokkenheid van de GI heeft vooral stress opgeleverd en de vader heeft de ondertoezichtstelling als teleurstellend ervaren. Doordat de GI heeft nagelaten te handelen, hebben de ouders elkaar in april 2026 opgezocht na een incident met [minderjarige 3] . De ouders hebben toen goed met elkaar gepraat en sindsdien verloopt de communicatie beter. Zij hebben vervolgens een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend, waarin duidelijke afspraken over de verdeling van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen zijn opgenomen. Hierin is goed geluisterd naar de wensen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Doordat de ouders bereid zijn de gemaakte afspraken uit te voeren, er over en weer begrip bestaat voor elkaar en zij met elkaar communiceren, is het ouderschapsbemiddelingstraject afgesloten. Daarnaast geldt dat de minderjarigen, op initiatief van de ouders nadat handelen van de GI uitbleef, traumatherapie hebben gevolgd bij [therapeut] en positief hebben afgerond. Volgens [therapeut] zijn de minderjarigen positief veranderd en hebben zij geen therapie meer nodig. Wel ontvangen de minderjarigen nog hulpverlening bij [hulpverlening 1] . Omdat de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] goed verloopt, vindt de vader de door de GI aangevraagde Intensieve Pedagogische Thuishulp (IPT) vanuit Incluzo niet nodig. De vader is van mening dat is voldaan aan de overwegingen die hebben geleid tot de ondertoezichtstelling van de minderjarigen; er zijn immers duidelijke afspraken over de zorgregeling, de oudercommunicatie verloopt goed genoeg, over het hoofdverblijf van de minderjarigen bestaat duidelijkheid, de minderjarigen hebben traumabehandeling gevolgd en er is een neutraal persoon die met [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kan praten over hun wensen. Gelet daarop is de vader van mening dat alle doelen zoals beschreven in de beschikking van 18 december 2025 zijn behaald en de minderjarigen niet langer ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De ondertoezichtstelling dient geen doel meer en is derhalve niet langer noodzakelijk. Om die reden verzoekt de vader de ondertoezichtstelling op te heffen.
4.2.
[minderjarige 1] wil dat de ondertoezichtstelling wordt beëindigd. Zij is het eens met de door de ouders afgesproken zorgregeling waarbij zij wisselend twee weken bij de vader en twee weken bij de moeder verblijft.
4.3.
[minderjarige 3] wil dat de ondertoezichtstelling wordt beëindigd. [minderjarige 3] heeft inmiddels hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] en wil deze hulpverlening graag voortzetten. Deze hulpverlening is op dit moment voldoende, waardoor [minderjarige 3] een opname bij [kliniek] niet langer nodig vindt. Verder vertelt [minderjarige 3] dat haar ouders beter met elkaar communiceren. Zij hebben afspraken gemaakt en [minderjarige 3] is het eens met deze afspraken; zij wil graag bij haar vader blijven wonen en zelf beslissen wanneer zij naar haar moeder gaat.
4.4.
[minderjarige 2] is het eens met de afspraken die de ouders hebben gemaakt in het ouderschapsplan. Hij is blij dat zijn ouders weer goed met elkaar omgaan.
4.5.
De GI kan achter het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling staan, mits er duidelijke afspraken zijn gemaakt over het hoofdverblijf en de zorgregeling die in het belang van de minderjarigen zijn. Of de in het ouderschapsplan gemaakte afspraken in het belang van de minderjarigen zijn en aansluiten bij hun wensen en behoeften is niet duidelijk, omdat de GI [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet heeft gesproken. Verder vindt de GI het voor het opheffen van de ondertoezichtstelling van belang dat de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] wordt voortgezet en dat de aangevraagde IPT vanuit Incluzo binnenkort kan starten in de thuissituatie van de vader. Dit vindt de GI belangrijk ter ondersteuning van de vader en zodat er zicht is op de opvoedsituatie bij de vader. Het verloop van deze hulpverlening moet worden gemonitord, maar dat kan wat de GI betreft vanuit het vrijwillige kader.
4.6.
De moeder is het eens met het verzoek van de vader tot opheffing van de ondertoezichtstelling. De moeder is namelijk van mening dat de GI gedurende de ondertoezichtstelling ernstig tekort is geschoten en hoewel zij had gehoopt dat de ondertoezichtstelling helpend zou zijn voor de minderjarigen en voor het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie, is dit niet het geval. Integendeel, toen de communicatie tussen de ouders via de GI verliep was regelmatig sprake van een miscommunicatie waardoor de ouders botsten. Inmiddels communiceren de ouders direct met elkaar en hebben zij samen een ouderschapsplan opgesteld. De samenwerking tussen de ouders verloopt sindsdien erg goed. Van de GI heeft de moeder al langere tijd niks vernomen, waarbij zij opmerkt dat de minderjarigen meer rust ervaren sinds de GI geen contact heeft opgenomen. Ook benoemt de moeder dat zij achter de ingezette hulpverlening voor de minderjarigen staat en dat er bij haar in de thuissituatie IPT vanuit Juvent is ingezet voor haar twee jongste kinderen, waarbij [minderjarige 1] zou kunnen aansluiten.
4.7.
De Raad kan instemmen met het opheffen van de ondertoezichtstelling.
5De (nadere) beoordeling
Inzake JE RK 26-1166
Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Gelet op artikel 1:261 BW kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW, niet langer is vervuld. De kinderrechter kan dit doen op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft. Indien deze gecertificeerde instelling niet tot een verzoek overgaat, zijn de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder bevoegd tot het doen van het verzoek
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de kinderrechter van oordeel dat niet langer wordt voldaan aan de grond voor een ondertoezichtstelling. Hiertoe overweegt de kinderrechter dat er in de afgelopen periode een visieverschil is ontstaan tussen de vader, de moeder en hun partners enerzijds en de GI anderzijds, waardoor de samenwerkingsrelatie ernstig verstoord is geraakt. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de vader en de moeder weer samen in gesprek zijn gegaan, waarna zij samen positieve stappen hebben gezet. Het lukt de ouders sindsdien beter om samen te werken, met elkaar te communiceren en de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorop te stellen. De ouders hebben - zelfstandig en zonder de tussenkomst van hulpverlening - een ouderschapsplan opgesteld, waarin duidelijke afspraken over onder andere het hoofdverblijf van de minderjarigen en de zorgregeling zijn vastgelegd. Dit heeft ertoe geleid dat het ouderschapsbemiddelingstraject bij [hulpverlening 2] is afgerond. Ook neemt de kinderrechter in overweging dat de minderjarigen de ingezette traumatherapie bij [therapeut] positief hebben afgerond en dat er hulpverlening voor [minderjarige 3] is ingezet vanuit [hulpverlening 1] , die goed bij [minderjarige 3] aansluit en passend is. Omdat de ouders de hulpverlening voor de minderjarigen bij één zorgaanbieder wilden beleggen, zal binnenkort ook voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] worden ingezet. Door de ouders is tijdens de zitting toegezegd dat zij deze hulpverlening voor de minderjarigen zullen accepteren en dat zij niet langer achter het eerder gewenste traject bij [kliniek] staan voor [minderjarige 3] . Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de grond voor een ondertoezichtstelling niet langer is vervuld. Daarbij betrekkende dat de GI en de Raad instemmen met het opheffen van de ondertoezichtstelling, zal de kinderrechter het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling met ingang van heden toewijzen.
5.4.
Aan de ouders geeft de kinderrechter nog mee dat het belangrijk is dat zij met elkaar blijven samenwerken en communiceren en dat zij de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorop blijven stellen. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat de ingezette hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] voor [minderjarige 3] wordt voortgezet en voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wordt ingezet.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing tot opheffing van de ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Inzake JE RK 26-1116
5.6.
Door het opheffen van de ondertoezichtstelling, is er geen belang meer bij de beoordeling van het verzoek tot vervanging van de GI. De kinderrechter zal dit verzoek daarom afwijzen.
Inzake JE RK 25-2138
5.7.
Door het opheffen van de ondertoezichtstelling, is er geen belang meer bij de beoordeling van het resterende deel van het verzoek verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter zal dit verzoek daarom afwijzen.
6De beslissing
De kinderrechter:
Inzake JE RK 26-1166
6.1.
heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op met ingang van heden;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Inzake JE RK 25-2138:
6.3.
wijst het resterende deel van het verzoek af.
Inzake JE RK 26-1116
6.4.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 21 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/442593 / JE RK 25-2138 (restant verlenging machtiging tot uithuisplaatsing), C/02/449692 / JE RK 26-1116 (vervanging gecertificeerde instelling) en C/02/449895 / JE RK 26-1166 (opheffing ondertoezichtstelling)
Datum uitspraak: 6 juli 2026
(nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing, vervanging van de gecertificeerde instelling en opheffing van de ondertoezichtstelling
in de zaken van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
verzoeker in de zaak met kenmerk JE RK 25-2138 en JE RK 26-1116,
belanghebbende in de zaak met kenmerk JE RK 26-1166,
en
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof uit Goes,
verzoeker in de zaak met kenmerk JE RK 26-1166,
belanghebbende in de zaak met kenmerk JE RK 25-2138 en JE RK 26-1116,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt in alle zaken als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. J.C. van den Doel uit Zierikzee,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren.
1Het (verdere) verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake JE RK 25-2138:
- de beschikking van 18 december 2025 en alle daarin genoemde stukken;
de briefrapportage van de GI met bijlagen van 29 mei 2026;
het verweerschrift van mr. Planthof van 1 juli 2026;
het bericht met bijlage van mr. Planthof van 6 juli 2026.
Inzake JE RK 26-1116:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 juni 2026.
Inzake JE RK 26-1166:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 juli 2026.
1.2.
Op 6 juli 2026 heeft de kinderrechter deze zaken, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het verzoek van [minderjarige 3] in de zaak met kenmerk C/02/448477 / FA RK 26-2646, tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. In die zaak is afzonderlijk beslist.
1.3.
Verschenen en gehoord zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
twee vertegenwoordigsters van de GI;
een vertegenwoordiger van de Raad.
1.4.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was de heer [persoon] , de partner van de moeder, aanwezig tijdens de zitting.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft een brief geschreven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld en geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
Bij beschikking van 10 januari 2025 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2025 en tot 10 januari 2026. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 18 december 2025 verlengd tot 10 januari 2027.
2.3.
Bij beschikking van 24 februari 2025 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 24 februari 2025 en tot 10 maart 2025. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 juli 2026.
2.4.
Op grond van voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader.
3Het verzoek
Inzake JE RK 25-2138
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 10 juli 2026 tot 10 januari 2027.
Inzake JE RK 26-1116
3.3.
De GI verzoekt de kinderrechter om de GI, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door de gecertificeerde instelling [stichting] , met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Inzake JE RK 26-1166
3.4.
De vader verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De vader handhaaft zijn verzoek ten aanzien van het opheffen van de ondertoezichtstelling. De betrokkenheid van de GI heeft vooral stress opgeleverd en de vader heeft de ondertoezichtstelling als teleurstellend ervaren. Doordat de GI heeft nagelaten te handelen, hebben de ouders elkaar in april 2026 opgezocht na een incident met [minderjarige 3] . De ouders hebben toen goed met elkaar gepraat en sindsdien verloopt de communicatie beter. Zij hebben vervolgens een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend, waarin duidelijke afspraken over de verdeling van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen zijn opgenomen. Hierin is goed geluisterd naar de wensen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Doordat de ouders bereid zijn de gemaakte afspraken uit te voeren, er over en weer begrip bestaat voor elkaar en zij met elkaar communiceren, is het ouderschapsbemiddelingstraject afgesloten. Daarnaast geldt dat de minderjarigen, op initiatief van de ouders nadat handelen van de GI uitbleef, traumatherapie hebben gevolgd bij [therapeut] en positief hebben afgerond. Volgens [therapeut] zijn de minderjarigen positief veranderd en hebben zij geen therapie meer nodig. Wel ontvangen de minderjarigen nog hulpverlening bij [hulpverlening 1] . Omdat de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] goed verloopt, vindt de vader de door de GI aangevraagde Intensieve Pedagogische Thuishulp (IPT) vanuit Incluzo niet nodig. De vader is van mening dat is voldaan aan de overwegingen die hebben geleid tot de ondertoezichtstelling van de minderjarigen; er zijn immers duidelijke afspraken over de zorgregeling, de oudercommunicatie verloopt goed genoeg, over het hoofdverblijf van de minderjarigen bestaat duidelijkheid, de minderjarigen hebben traumabehandeling gevolgd en er is een neutraal persoon die met [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kan praten over hun wensen. Gelet daarop is de vader van mening dat alle doelen zoals beschreven in de beschikking van 18 december 2025 zijn behaald en de minderjarigen niet langer ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De ondertoezichtstelling dient geen doel meer en is derhalve niet langer noodzakelijk. Om die reden verzoekt de vader de ondertoezichtstelling op te heffen.
4.2.
[minderjarige 1] wil dat de ondertoezichtstelling wordt beëindigd. Zij is het eens met de door de ouders afgesproken zorgregeling waarbij zij wisselend twee weken bij de vader en twee weken bij de moeder verblijft.
4.3.
[minderjarige 3] wil dat de ondertoezichtstelling wordt beëindigd. [minderjarige 3] heeft inmiddels hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] en wil deze hulpverlening graag voortzetten. Deze hulpverlening is op dit moment voldoende, waardoor [minderjarige 3] een opname bij [kliniek] niet langer nodig vindt. Verder vertelt [minderjarige 3] dat haar ouders beter met elkaar communiceren. Zij hebben afspraken gemaakt en [minderjarige 3] is het eens met deze afspraken; zij wil graag bij haar vader blijven wonen en zelf beslissen wanneer zij naar haar moeder gaat.
4.4.
[minderjarige 2] is het eens met de afspraken die de ouders hebben gemaakt in het ouderschapsplan. Hij is blij dat zijn ouders weer goed met elkaar omgaan.
4.5.
De GI kan achter het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling staan, mits er duidelijke afspraken zijn gemaakt over het hoofdverblijf en de zorgregeling die in het belang van de minderjarigen zijn. Of de in het ouderschapsplan gemaakte afspraken in het belang van de minderjarigen zijn en aansluiten bij hun wensen en behoeften is niet duidelijk, omdat de GI [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet heeft gesproken. Verder vindt de GI het voor het opheffen van de ondertoezichtstelling van belang dat de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] wordt voortgezet en dat de aangevraagde IPT vanuit Incluzo binnenkort kan starten in de thuissituatie van de vader. Dit vindt de GI belangrijk ter ondersteuning van de vader en zodat er zicht is op de opvoedsituatie bij de vader. Het verloop van deze hulpverlening moet worden gemonitord, maar dat kan wat de GI betreft vanuit het vrijwillige kader.
4.6.
De moeder is het eens met het verzoek van de vader tot opheffing van de ondertoezichtstelling. De moeder is namelijk van mening dat de GI gedurende de ondertoezichtstelling ernstig tekort is geschoten en hoewel zij had gehoopt dat de ondertoezichtstelling helpend zou zijn voor de minderjarigen en voor het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie, is dit niet het geval. Integendeel, toen de communicatie tussen de ouders via de GI verliep was regelmatig sprake van een miscommunicatie waardoor de ouders botsten. Inmiddels communiceren de ouders direct met elkaar en hebben zij samen een ouderschapsplan opgesteld. De samenwerking tussen de ouders verloopt sindsdien erg goed. Van de GI heeft de moeder al langere tijd niks vernomen, waarbij zij opmerkt dat de minderjarigen meer rust ervaren sinds de GI geen contact heeft opgenomen. Ook benoemt de moeder dat zij achter de ingezette hulpverlening voor de minderjarigen staat en dat er bij haar in de thuissituatie IPT vanuit Juvent is ingezet voor haar twee jongste kinderen, waarbij [minderjarige 1] zou kunnen aansluiten.
4.7.
De Raad kan instemmen met het opheffen van de ondertoezichtstelling.
5De (nadere) beoordeling
Inzake JE RK 26-1166
Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Gelet op artikel 1:261 BW kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW, niet langer is vervuld. De kinderrechter kan dit doen op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft. Indien deze gecertificeerde instelling niet tot een verzoek overgaat, zijn de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder bevoegd tot het doen van het verzoek
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de kinderrechter van oordeel dat niet langer wordt voldaan aan de grond voor een ondertoezichtstelling. Hiertoe overweegt de kinderrechter dat er in de afgelopen periode een visieverschil is ontstaan tussen de vader, de moeder en hun partners enerzijds en de GI anderzijds, waardoor de samenwerkingsrelatie ernstig verstoord is geraakt. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de vader en de moeder weer samen in gesprek zijn gegaan, waarna zij samen positieve stappen hebben gezet. Het lukt de ouders sindsdien beter om samen te werken, met elkaar te communiceren en de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorop te stellen. De ouders hebben - zelfstandig en zonder de tussenkomst van hulpverlening - een ouderschapsplan opgesteld, waarin duidelijke afspraken over onder andere het hoofdverblijf van de minderjarigen en de zorgregeling zijn vastgelegd. Dit heeft ertoe geleid dat het ouderschapsbemiddelingstraject bij [hulpverlening 2] is afgerond. Ook neemt de kinderrechter in overweging dat de minderjarigen de ingezette traumatherapie bij [therapeut] positief hebben afgerond en dat er hulpverlening voor [minderjarige 3] is ingezet vanuit [hulpverlening 1] , die goed bij [minderjarige 3] aansluit en passend is. Omdat de ouders de hulpverlening voor de minderjarigen bij één zorgaanbieder wilden beleggen, zal binnenkort ook voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] worden ingezet. Door de ouders is tijdens de zitting toegezegd dat zij deze hulpverlening voor de minderjarigen zullen accepteren en dat zij niet langer achter het eerder gewenste traject bij [kliniek] staan voor [minderjarige 3] . Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de grond voor een ondertoezichtstelling niet langer is vervuld. Daarbij betrekkende dat de GI en de Raad instemmen met het opheffen van de ondertoezichtstelling, zal de kinderrechter het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling met ingang van heden toewijzen.
5.4.
Aan de ouders geeft de kinderrechter nog mee dat het belangrijk is dat zij met elkaar blijven samenwerken en communiceren en dat zij de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorop blijven stellen. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat de ingezette hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] voor [minderjarige 3] wordt voortgezet en voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wordt ingezet.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing tot opheffing van de ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Inzake JE RK 26-1116
5.6.
Door het opheffen van de ondertoezichtstelling, is er geen belang meer bij de beoordeling van het verzoek tot vervanging van de GI. De kinderrechter zal dit verzoek daarom afwijzen.
Inzake JE RK 25-2138
5.7.
Door het opheffen van de ondertoezichtstelling, is er geen belang meer bij de beoordeling van het resterende deel van het verzoek verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter zal dit verzoek daarom afwijzen.
6De beslissing
De kinderrechter:
Inzake JE RK 26-1166
6.1.
heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op met ingang van heden;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Inzake JE RK 25-2138:
6.3.
wijst het resterende deel van het verzoek af.
Inzake JE RK 26-1116
6.4.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 21 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.