Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6819

2026-06-23 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/444595 / JE RK 26-185
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-23
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/444595 / JE RK 26-185
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Resterende deel van het verzoek verlenging ondertoezichtstelling afgewezen omdat de ondertoezichtstelling niet langer doelmatig en effectief is

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.368 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/444595 / JE RK 26-185



Datum uitspraak: 23 juni 2026




Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van




WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat: mr. J.C. Heijmann te Papendrecht,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. A.J.C. Nuijten te Bergen op Zoom.



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.





1Het verdere verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


de beschikking van 24 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken;


de brief met bijlagen van mr. Nuijten van 15 juni 2026;


de briefrapportage van de GI van 16 juni 2026.




1.2.
Op 23 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.



1.3.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de moeder niet verschenen.




2De feiten


2.1.
Bij beschikking van 25 maart 2026 is bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de vader toekomt.


2.2.

[minderjarige] woont bij zijn vader.


2.3.
Bij beschikking van 8 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 maart 2024 en tot 8 maart 2025. De ondertoezichtstelling is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 8 juli 2026.


2.4.
Bij beschikking van 8 maart 2024 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootmoeder vaderszijde, verleend met ingang van 8 maart 2024 en tot 8 juni 2024. De machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 8 september 2025.


2.5.
Bij beschikking van 25 augustus 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met gezag verleend met ingang van 25 augustus 2025 en tot 8 maart 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.


3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, te weten voor de periode van 8 juli 2026 tot 8 maart 2027.





4De standpunten


4.1.
De GI geeft de rechtbank ter overweging mee de ondertoezichtstelling niet te verlengen, maar in te zetten op regie uit het vrijwillige kader. De GI ziet namelijk dat [minderjarige] veilig kan opgroeien bij de vader met ondersteuning vanuit het netwerk. Ook ziet de GI weinig verandermogelijkheden of veranderbereidheid bij de moeder, waardoor de GI zich afvraagt wat de meerwaarde van de ondertoezichtstelling is nu de moeder geen stappen neemt in de samenwerking en/of interne motivatie heeft om een band met [minderjarige] op te bouwen.


4.2.
De vader verzoekt het resterende deel van het verzoek af te wijzen. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn, voor zover mogelijk, behaald. [minderjarige] heeft een veilige thuissituatie bij de vader, het gaat goed met [minderjarige] op school en er zijn geen zorgen over zijn ontwikkeling. Het enige doel van de verlenging van de ondertoezichtstelling op 24 februari 2026 was om te onderzoeken of de moeder de omgangsregeling van één uur per week duurzaam kon nakomen. Gebleken is dat dit de moeder niet lukt. De vader heeft de afgelopen 2,5 jaar alles gedaan om het contact tussen de moeder en [minderjarige] mogelijk te maken, maar het is de moeder die eerst en vooral aan zichzelf moet gaan werken. Zij heeft de afgelopen 2,5 jaar meerdere terugvallen gehad, is maanden niet bereikbaar geweest voor de hulpverlening, is al jaren niet beschikbaar als moeder voor [minderjarige] en heeft niet aangetoond dat zij behandeling of hulpverlening heeft ondergaan. De moeder is opnieuw uit contact getreden en er worden al langere tijd geen stappen gezet. Bovendien heeft de vader weinig vertrouwen in de jeugdbeschermer en verloopt de communicatie tussen de vader en de jeugdbeschermer niet goed. Gelet op het voorgaande ziet de vader geen meerwaarde in een verlenging van de ondertoezichtstelling, waarbij hij benoemt dat hij vanuit het vrijwillige kader zal meewerken aan de benodigde hulpverlening. Omdat de vader het voor [minderjarige] belangrijk vindt dat hij contact heeft met zijn halfbroer moederszijde zal hij ook daar zijn medewerking aan verlenen.


4.3.
De moeder refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het resterende deel van het verzoek. De moeder heeft in het verleden verschillende hulpverleningstrajecten doorlopen, maar doordat er telkens onvoldoende nazorg is blijft de verslavingsproblematiek aanwezig. De moeder wil de strijd niet langer voeren en heeft aangegeven dat zij contact met [minderjarige] op dit moment niet aan kan.


4.4.
De Raad complimenteert de vader allereerst voor de stappen die hij in de afgelopen jaren heeft gezet. Vervolgens benoemt de Raad dat er verschillende punten zijn waaraan de GI nog niet heeft gewerkt. Zo is onvoldoende onderzocht of er een vorm van omgang is die wel haalbaar is voor de moeder. Dat het de moeder niet lukt om de omgangsregeling na te komen, komt namelijk voort uit onmacht en het ligt op de weg van de GI om de moeder daarin te ondersteunen. Ingeval zou blijken dat er geen omgang mogelijk is, is de inzet van Words en Pictures nodig om aan [minderjarige] uit te leggen waarom hij zijn moeder niet ziet en hem te ontschuldigen. Bovendien begrijpt de Raad dat de vader het gevoel heeft dat hij onvoldoende ondersteund is door de GI, terwijl de vader in een lastige situatie zit waarbij hij goede ondersteuning zou kunnen gebruiken. Gezien het voorgaande adviseert de Raad het resterende deel van het verzoek toe te wijzen zodat in de komende periode aan voornoemde punten kan worden gewerkt en vervolgens een overdracht naar het vrijwillige kader kan plaatsvinden.





5De nadere beoordeling



Het wettelijk kader




5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



De inhoudelijke beoordeling





5.3.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling volgt dat de vader in de afgelopen periode positieve stappen heeft gezet. De vader gebruikt geen middelen meer en er wordt gezien dat [minderjarige] zich positief ontwikkelt bij de vader. De kinderrechter wil de vader hiervoor een groot compliment geven.


5.4.
Vervolgens overweegt de kinderrechter dat de ondertoezichtstelling bij beschikking van 24 februari 2026 is verlengd voor de duur van vier maanden onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek, om te bezien of de moeder de huidige contactregeling met [minderjarige] structureel kan nakomen en zodat beoordeeld kan worden of een verlenging van de ondertoezichtstelling nog doelmatig is en te verwachten is dat er binnen afzienbare tijd (verdere) verandering en verbetering komt in de situatie van de moeder. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling volgt dat het de moeder in de afgelopen periode niet is gelukt om de omgangsregeling met [minderjarige] structureel na te komen, terwijl in de afgelopen jaren veel is geprobeerd om de omgang op regelmatige basis te laten plaatsvinden. Daarbij komt dat namens de moeder is verklaard dat de moeder op dit moment niet kan werken aan contactherstel met [minderjarige]. Evenmin ligt het in de lijn der verwachting dat de moeder in de komende periode haar medewerking zal verlenen aan het opstellen van een gedeeld verhaal voor [minderjarige] in het kader van Words en Pictures. De moeder wil namelijk niet in gesprek met de vader, hetgeen ook blijkt uit haar afzeggingen voor de startgesprekken bij SDW. Bovendien zijn de verschillende hulpverleningstrajecten van de moeder niet geslaagd, blijft sprake van verslavingsproblematiek bij de moeder en is er op dit moment geen zicht op een nieuw hulpverleningstraject voor de moeder. De kinderrechter verwacht daardoor niet dat er binnen afzienbare tijd verandering komt in de situatie en de houding van de moeder. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling niet doelmatig en effectief is. Het resterende deel van het verzoek zal daarom worden afgewezen.


5.5.
De kinderrechter verzoekt de GI met klem om in de komende twee weken het gesprek met de vader aan te gaan en hem de juiste handvatten te geven, zodat vervolgens een goede overdracht kan plaatsvinden naar het vrijwillige kader. De inzet van Words en Pictures is op dit moment wellicht te vroeg omdat dit een zekere samenwerking van de ouders vraagt, maar mogelijk kan hier in de toekomst vanuit het vrijwillige kader opnieuw naar worden gekeken. Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat er in de komende periode aandacht is voor het contact tussen [minderjarige] en zijn halfbroer moederszijde.





6De beslissing


De kinderrechter:


6.1.
wijst het resterende deel van het verzoek af.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.