Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6818

2026-06-23 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447992 / JE RK 26-801
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-23
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447992 / JE RK 26-801
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.640 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/447992 / JE RK 26-801



Datum uitspraak: 23 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Etten-Leur,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats 1] (Eritrea),
hierna te noemen: [minderjarige 1].





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats 2] (Niger),
hierna te noemen: [minderjarige 2],



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer uit Middelburg.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 mei 2026;


het gewijzigde verzoek, ontvangen op 17 juni 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk Tigrinya;
- een vertegenwoordigster van de GI.



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om zijn mening te geven.







2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].



2.2.
Bij beschikking van 17 april 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 april 2025 en tot 1 mei 2025. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een gezinshuis verleend met ingang van 17 april 2025 en tot 1 mei 2025.



2.3.
Bij beschikking van 25 april 2025 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 1 mei 2025 en tot 17 juli 2025. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een gezinshuis verleend met ingang van 1 mei 2025 en tot 17 juli 2025.


2.4.

Bij beschikking van 14 juli 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld
van de GI met ingang van 14 juli 2025 en tot 14 juli 2026. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 14 juli 2025 en tot 14 april 2026. Deze machtiging is bij beschikking van 30 maart 2026 verlengd tot 14 juli 2026.






3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI, na wijziging, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van twaalf maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het gewijzigde verzoek. De GI constateert dat door de moeder niet wordt gewerkt aan de voorwaarden voor een thuisplaatsing, dat de samenwerking met de moeder vastloopt en dat de moeder weerstand blijft tonen. Er zijn daardoor geen mogelijkheden voor een thuisplaatsing en de GI verwacht hierin geen verbetering in de nabije toekomst. Ook levert de houding van de moeder forse belemmeringen op in de opvoeding en verzorging van de minderjarigen. Zo heeft de moeder de reisdocumenten voor de minderjarigen nog steeds niet willen afgeven en weigert zij toestemming te verlenen voor de benodigde medische zorg voor [minderjarige 2]. Zo is [minderjarige 2] vorige week met een ambulance opgehaald bij de dagbesteding, waarbij sprake leek te zijn van een epileptische aanval. Het bleken ernstige koortsstuipen te zijn die hij al vaker heeft gehad. Er dient door een kinderneuroloog onderzoek te worden verricht, maar de moeder weigert daarvoor toestemming te geven. De Raad voor de Kinderbescherming zal verzocht worden een onderzoek in te stellen naar de noodzaak voor een gezagsbeëindigende maatregel.


4.2.
De moeder refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing brengt de moeder naar voren dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met behulp van ambulante begeleiding weer thuis kunnen wonen. De moeder begrijpt niet waarom de minderjarigen uit huis zijn geplaatst en meent dat zij in staat is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verzorgen en hen een veilig thuis te bieden. Daarom verzoekt de moeder primair de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. Subsidiair wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te beperken tot zes maanden.




5De beoordeling



Rechtsmacht en toepasselijk recht




5.1.
De kinderrechter constateert dat de moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de Eritrese nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.


5.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.


5.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.



Het wettelijk kader





5.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



5.5.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.


5.6.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.



5.7.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



De inhoudelijke beoordeling





5.8.
De kinderrechter overweegt als volgt. Hoewel tijdens de zitting is gebleken dat de moeder veel van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] houdt en graag voor hen wil zorgen, constateert de kinderrechter ook dat er nog steeds forse zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zo zijn er zorgen over de psychische toestand van de moeder en is in de afgelopen periode gebleken dat de moeder veel wantrouwen en weerstand blijft hebben voor de benodigde (persoonlijke) hulpverlening, ondanks intensieve inzet van de GI en de interculturele begeleiding vanuit Inara Jeugdhulp. Er is tot op heden onvoldoende vooruitgang zichtbaar bij de moeder en het lukt niet om te werken aan de voorwaarden voor een thuisplaatsing. De zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder en de fysieke en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wanneer zij bij de moeder zouden verblijven, zijn daardoor nog niet weggenomen. Daar komt bij dat aanvankelijk weliswaar sprake was van een voorzichtige positieve vooruitgang in de contacten tussen de moeder en de minderjarigen, maar dat een videobelmoment in maart 2026 erg onrustig is verlopen waarbij de moeder erg verward over kwam. Omdat [minderjarige 1] hier veel last van heeft gehad en [minderjarige 2] al voor dit videobelmoment trauma gerelateerd gedrag liet zien na contact met de moeder, heeft de GI besloten de contactmomenten voorlopig geen doorgang te laten vinden. Om te komen tot contactherstel dient de moeder haar medewerking te verlenen aan het opstellen van veiligheidsvoorwaarden, maar hier heeft zij tot op heden niet aan willen meewerken. Ook weigert de moeder haar medewerking te verlenen aan verschillende zaken aangaande de minderjarigen, ondanks eerdere rechterlijke beslissingen en ingezette hulpverlening. Zo weigert de moeder de verblijfsdocumenten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te geven waardoor de procedure voor het aanvragen van reisdocumenten niet kan worden afgerond en heeft zij, ook nog ter zitting, aangegeven geen toestemming te willen verlenen voor de benodigde medische zorg voor [minderjarige 2], hetgeen de kinderrechter veel zorgen baart. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beschikken daardoor immers nog altijd niet over een identificatiedocument en zij krijgen onnodig lang niet de juiste medische zorg. Dit maakt ook dat de kinderrechter twijfels heeft over de bereidheid en het vermogen van de moeder om het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorop te stellen.


5.9.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter vindt het gezien voornoemde zorgen belangrijk dat de jeugdbeschermer regie blijft voeren in het belang van de minderjarigen en zicht houdt op hun veiligheid. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling daarom verlengen voor de verzochte duur van een jaar. Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook in de komende periode in het gezinshuis zullen verblijven. De kinderrechter neemt hierbij in overweging dat het goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het gezinshuis, alsook dat zeer recent door de GI is besloten dat niet meer gewerkt zal worden aan een thuisplaatsing bij de moeder. Anders dan namens de moeder is verzocht, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de verzochte duur van een jaar. Hiertoe overweegt de kinderrechter dat door de GI is toegelicht dat in de komende periode een verzoek tot onderzoek naar de noodzaak voor een gezagsbeëindigende maatregel zal worden ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming en dit onderzoek zal naar verwachting enige tijd in beslag zal nemen. Bovendien hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoefte aan duidelijkheid. Dit maakt dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur niet in hun belang wordt geacht.



5.10.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijft bewaken. Daarbij vindt de kinderrechter het belangrijk dat in de komende periode opnieuw wordt geprobeerd om veiligheidsafspraken te maken met de moeder, zodat het contact tussen de moeder en de minderjarigen kan worden hersteld.



Uitvoerbaar bij voorraad





5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met ingang van 14 juli 2026 en tot 14 juli 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 14 juli 2026 en tot 14 juli 2027;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 1 juli 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.