Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6631

2026-06-19 Civiel recht C/02/446316 / JE RK 26-493
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-19
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/446316 / JE RK 26-493
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.658 tekens)
beschikking




RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Zittingsplaats: Middelburg



Zaaknummer: C/02/446316 / JE RK 26-493



datum uitspraak: 19 juni 2026




beschikking betreffende ondertoezichtstelling


in de zaak van





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,



betreffende





[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



Als belanghebbende in onderhavige zaak wordt aangemerkt:





[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.C. Buntsma te Middelburg.



Als informant in onderhavige zaak wordt aangemerkt:




Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd te Middelburg.



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.






1Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 17 maart 2026 ontvangen verzoek tot ondertoezichtstelling met bijlagen;
- het op 21 mei 2026 ontvangen verweerschrift;
- het op 27 mei 2026 ontvangen bericht, met producties, van mr. Kalle.



1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 1 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en een vertegenwoordiger van de GI.



1.3
Gelet op de nauwe samenhang tussen dit verzoek en het door de vader ingediende verzoek in de zaak met kenmerk C/02/445808 FA RK 26-1216, zijn de zaken tijdens de zitting gelijktijdig behandeld. In beide zaken wordt bij separate beschikking beslist.





2De feiten


2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.




2.2
De man heeft de minderjarige erkend.



2.3
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige





3Het verzoek


3.1
De vader verzoekt, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaring:
- [minderjarige] onder toezicht te stellen van een GI, zijnde Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, dan wel een andere door de rechtbank te benoemen GI;
- dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in deze juist acht.



3.2
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek af te wijzen.



3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.





4De beoordeling



Het juridisch kader




4.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



4.2
Op grond van artikel 1:255 lid 2 BW kan een ouder een verzoek tot ondertoezichtstelling indienen wanneer de Raad niet tot indiening van zo’n verzoek overgaat. Uit de overgelegde stukken en de zitting blijkt dat de Raad hiertoe geen aanleiding ziet. De vader kan daarom worden ontvangen in zijn verzoek.



Standpunten van partijen





4.3
Voor de onderbouwing van zijn verzoek geeft de vader aan dat hij zich zorgen maakt over [minderjarige] . [minderjarige] zit klem tussen zijn ouders. De vader stelt dat er nagenoeg geen communicatie tussen de ouders mogelijk is en dat [minderjarige] belast wordt en onder druk gezet wordt door de moeder. Ook [minderjarige] zelf doet zorgelijke uitspraken over de vader waardoor het lijkt alsof [minderjarige] kampt met een loyaliteitsconflict. Dit is ook zichtbaar bij de overdrachtsmomenten in het kader van de zorgregeling. Deze verlopen in toenemende mate moeizaam en [minderjarige] ervaart hierdoor spanning. De ouders verschillen van zienswijze over de zorgregeling en de uitvoering daarvan, kunnen onvoldoende met elkaar communiceren en blijven elkaar dingen verwijten. Eerder ingezette vrijwillige hulpverlening is niet van de grond gekomen. De ouders hebben geen ouderschapsplan bij [hulpverlening] kunnen opstellen en ook het Uniforme Hulpaanbod (UHA) heeft geen effect gehad. De ouders staan wel open voor hulpverlening, maar komen er samen niet uit. Om hier verandering in te brengen, vindt de vader het nodig dat een onafhankelijke derde betrokken raakt die regie kan voeren in het proces, zodat er daadwerkelijk hulpverlening van de grond komt.



4.4
De moeder ziet geen grondslag voor een ondertoezichtstelling. Indien dit noodzakelijk wordt geacht, zal de moeder zich hier niet tegen verzetten, maar de moeder heeft de voorkeur voor de inzet van hulpverlening in het vrijwillig kader. De moeder is het met de vader eens dat de ouders een andere zienswijze hebben en dat zij onvoldoende met elkaar kunnen communiceren. De voorbeelden die staan beschreven in de overgelegde stukken laten zien dat het wringt tussen partijen. Omdat er regelmatig sprake is van onduidelijkheid zou de moeder het liefst alleen schriftelijk met de vader communiceren en zou zij het liefst zien dat er wordt ingezet op Parallel Solo Ouderschap (PSO). De moeder merkt dat [minderjarige] klem komt te zitten tussen zijn ouders. De moeder staat open voor de inzet van hulpverlening en zou graag via het Centrum Jeugd & Gezin (CJG) hulp vragen voor [minderjarige] , maar de vader stelt hier strikte voorwaarden aan waardoor het niet van de grond komt. Uiteindelijk is er in de afgelopen twee jaar geen hulpverlening betrokken geweest, waardoor de moeder een ondertoezichtstelling op dit moment een te vergaande maatregel vindt.



4.5
De Raad stelt zich op het standpunt dat een ondertoezichtstelling op dit moment nog te voorbarig is. [minderjarige] heeft last van de spanningsvolle overdrachtsmomenten, hetgeen een risico op een loyaliteitsconflict met zich meebrengt. De hulpverlening in het vrijwillig kader is inmiddels twee jaar geleden en in de tussentijd is er niets van de grond gekomen. [minderjarige] heeft het nodig dat de ouders onderling goed met elkaar kunnen communiceren, zodat hij onbelast contact kan hebben met zijn beide ouders. De Raad vindt het van belang dat de ouders via de gemeente zich aanmelden voor hulpverlening, zodat dit op korte termijn kan worden ingezet. De ouders zullen zelf aan de slag moeten. Wanneer dit niet blijkt te werken, kan er alsnog via de jeugdbeschermingstafel om een ondertoezichtstelling worden verzocht.



4.6
De GI sluit zich aan bij hetgeen de Raad ter zitting naar voren heeft gebracht. De GI ziet nog mogelijkheden voor hulp in het vrijwillig kader.



Inhoudelijke beoordeling rechtbank





4.7
Naar het oordeel van de kinderrechter wordt [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Omdat de belevingen van de ouders ver uit elkaar liggen en zij niet constructief met elkaar kunnen communiceren, is er een risico dat [minderjarige] loyaliteitsproblemen heeft ontwikkeld dan wel (verder) zal ontwikkelen. Gezien wordt dat [minderjarige] moeite heeft met de overgang van de moeder naar de vader en hij het lastig vindt om terug te gaan naar de moeder als hij bij de vader is geweest. Dit is in toenemende mate zichtbaar in zijn gedrag en in zijn uitspraken. Wanneer de situatie en de verstandhouding tussen de ouders niet verbeterd, komt [minderjarige] alleen nog maar meer klem te zitten. Dit baart de kinderrechter zorgen.



4.8
De kinderrechter twijfelt er niet aan dat de ouders het beste willen voor [minderjarige] . Dat zij hulp nodig hebben om de belangen van [minderjarige] voorop te blijven stellen, is duidelijk. De ouders erkennen dit ook en staan hiervoor open. De vader stelt dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om verandering teweeg te brengen, maar het met succes doorlopen van een nieuw traject door de ouders valt of staat vooral met hun intrinsieke motivatie en dat is met een ondertoezichtstelling niet af te dwingen. Nu beide ouders graag een verandering teweeg willen brengen, heeft de kinderrechter er vertrouwen in dat de ouders de betrokken hulpverlening in het vrijwillig kader zullen accepteren. Het niet van de grond komen van eerdere vrijwillige hulpverlening vanuit het UHA en [hulpverlening] , dateert van ruim twee jaar geleden. De afgelopen twee jaar is er geen hulpverlening op vrijwillige basis geweest. Gelet hierop is het op dit moment nog te voorbarig om over te gaan tot een ondertoezichtstelling.



4.9
De kinderrechter vindt het van belang dat de ouders zelf hulpverlening op vrijwillig basis initiëren. De ouders zullen zich moeten wenden tot de gemeente en daar open de vraag neerleggen dat zij hulp nodig hebben bij (in ieder geval) het verbeteren van de oudercomunicatie. Het is hierbij van belang dat de ouders open staan voor de hulpverlening die noodzakelijk wordt geacht door de professionals. De ouders mogen hierbij hun wensen uitspreken wat hen goed lijkt voor [minderjarige] , maar uiteindelijk zullen zij moeten accepteren dat het de professioals zijn die weten wat in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter verwacht dat de ouders hun medewerking hieraan zullen verlenen.



4.10
Gelet op het voorgaande komt de kinderrechter tot de conclusie dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. Dit maakt dat zij het verzoek van de vader tot het verlenen van een ondertoezichtstelling zal afwijzen. Mocht in de toekomst blijken dat de hulp in het vrijwillig kader niet voldoende is en alsnog een gedwongen kader nodig is, dan kan via de jeugdbeschermingstafel door de Raad een verzoek tot ondertoezichtstelling worden ingediend.



Uitvoerbaar bij voorraad





4.11
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.



4.12
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.





5De beslissing


De rechtbank



5.1
wijst het verzoek af.









Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Merbel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Verplanke, griffier.















































Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.