Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6617

2026-06-18 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448164 / JE RK 26-840
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-18
Publicatiedatum
2026-07-19
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448164 / JE RK 26-840
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling - onvoldoende is komen vast te staan dat er nog sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.690 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/448164 / JE RK 26-840
Datum uitspraak: 18 juni 2026




beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van




STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna: de gecertificeerde instelling (GI),



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Erkens uit Den Haag,





[de stiefvader]
,
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende in [woonplaats] .





1Het verdere procesverloop


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 13 mei 2026;


de brief met bijlagen van de GI van 16 juni 2026, ingekomen bij de griffie op 17 juni 2026;


het bericht van mr. Erkens van 16 juni 2026;


de pleitaantekeningen van mr. Erkens, overhandigd tijdens de zitting.





1.2.
Op 18 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:


de moeder, bijgestaan door haar advocaat;


de stiefvader;


- een vertegenwoordigster van de GI.



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening over het verzoek kenbaar te maken. Hiervan heeft hij geen gebruik gemaakt.




2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] woont bij de moeder en de stiefvader.



2.3.
Bij beschikking van 21 december 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De maatregel is sindsdien steeds verlengd. Laatstelijk, bij beschikking van 18 december 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 27 december 2025 tot 27 juni 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.



3.2.
De GI verzoekt de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4Het standpunt van de GI


4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] heeft in zijn leven meerdere ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. In het verleden was sprake van huiselijk geweld tussen de ouders, waarvan [minderjarige] getuige was. Ook zijn er meldingen bij Veilig Thuis uit het verleden over woedeaanvallen van de moeder en het onder invloed zijn in het bijzijn van [minderjarige] . De moeder was wisselend beschikbaar voor [minderjarige] , zowel fysiek als emotioneel. [minderjarige] is tweemaal uit huis geplaatst geweest, voor het laatst in 2024.



4.2.
Er is sprake van een hoog schoolverzuim van [minderjarige] . Daarnaast komt hij regelmatig te laat op school. Volgens de moeder gaat hij niet graag naar school, omdat hij zou worden gepest. De school herkent dit zelf niet. De leerplichtambtenaar is inmiddels bij [minderjarige] betrokken geraakt. Ook wordt gezien dat [minderjarige] regelmatig zonder ontbijt naar school komt en de moeder soms op school eten komt brengen wanneer zij boodschappen heeft gedaan. Dit kan een negatieve invloed hebben op het welbevinden van [minderjarige] op school. De moeder ziet dit niet in. Door het hoge schoolverzuim kan [minderjarige] weinig aansluiting vinden bij zijn leeftijdsgenoten. Tijdens een MDO van 3 maart 2026 zijn er afspraken gemaakt over de schoolgang van [minderjarige] . Hierna was een kortdurende verbetering zichtbaar.



4.3.
Binnen de ondertoezichtstelling is hulpverlening ingezet van [psychologenpraktijk] . Deze hulpverlening is gestopt, omdat [minderjarige] geen tot weinig informatie deelt. De behandelaar van [minderjarige] heeft geadviseerd om de behandeling nu af te ronden en in de toekomst aan te sluiten bij de behoefte van [minderjarige] , namelijk wanneer hij vanuit intrinsieke motivatie behoefte krijgt om over gebeurtenissen te praten. Overwogen wordt om voor [minderjarige] PMT in te zetten, zodat hij zijn emoties op een passende manier kan uiten. Dit voornemen moet nog met de moeder worden besproken. Bemerkt wordt echter dat de moeder uit contact is met de GI. De samenwerking met de moeder verloopt daardoor moeizaam. Dit stagneert en belemmert de hulpverlening. Gezien wordt ook dat de moeder de zorgen onvoldoende inziet en zij de impact daarvan minimaliseert. De moeder wil het liefst geen bemoeienis van de GI. Zij verschijnt niet op afspraken, houdt de GI niet op de hoogte en geeft geen inzicht in haar medische toestand. De GI acht het daarnaast noodzakelijk, zoals eerder al is besproken, dat de moeder een persoonlijkheidsonderzoek ondergaat. De moeder geeft hieraan echter geen gehoor.



4.4.
De GI handhaaft het verzoek en acht een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk zodat verder kan worden gewerkt aan de bij de ondertoezichtstelling vastgestelde doelen, zoals het oplossen van het hoge schoolverzuim van [minderjarige] en het inzetten van de juiste hulpverlening voor [minderjarige] . Daarnaast is de GI bezig om te onderzoeken of [minderjarige] naar een andere school kan gaan. De GI heeft korte lijnen met de leerplichtambtenaar. Ook hoopt de GI zicht te krijgen op de thuissituatie. De GI heeft er geen vertrouwen in dat de moeder in een vrijwillig kader tot het organiseren van hulpverlening komt en zij zich aan afspraken zal houden.



4.5.
Op de vraag van de kinderrechter in hoeverre de GI de ondertoezichtstelling uitvoerbaar acht, geeft de GI aan dat de uitvoering daarvan lastig is. De moeder laat sinds het begin van de ondertoezichtstelling een patroon zien, waarbij zij niet meewerkt en geen openheid van zaken geeft. De GI komt hierdoor niet verder. De vraag is dan ook in hoeverre de moeder leerbaar is en waarom bepaalde (praktische) zaken niet lukken of van de grond komen. Een persoonlijkheidsonderzoek kan hierover opheldering geven. Wanneer de ondertoezichtstelling zal worden verlengd, overweegt de GI om de moeder een schriftelijke aanwijzing te geven. Ook heeft de GI intern overleg gehad in hoeverre een machtiging tot uithuisplaatsing tot de mogelijke vervolgstappen behoort.





5Het standpunt van belanghebbenden


5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende aangevoerd. In de visie van de moeder is er geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De moeder ontkent niet dat er sprake is van schoolverzuim. Uit zijn rapport blijkt dat de schoolresultaten van [minderjarige] goed zijn. Ook van het missen van aansluiting met leeftijdsgenoten is geen sprake. Het schoolverzuim wat er is, is volgens de moeder verklaarbaar, onder andere door het pesten. Dit vind ook plaats buiten school. De moeder heeft bovendien goed contact met de leerplichtambtenaar, met wie wordt gesproken over een nieuwe school voor [minderjarige] . Er wordt actief gezocht naar een passende school. Voor het schoolverzuim is geen overheidsingrijpen middels een ondertoezichtstelling nodig, omdat minder ingrijpende alternatieven voorhanden zijn, namelijk via leerplicht. Waar de GI aanvoert dat er onvoldoende zicht is op de thuissituatie, betwist de moeder dit. Er is voldoende zicht. [jeugdzorg] is bij de moeder thuis geweest. Bovendien is het verkrijgen van zicht op de thuissituatie geen doel op zichzelf. De wens van ‘zicht’ wordt niet feitelijk onderbouwd met actuele zorgen op basis van recente feiten. Ten aanzien van de behandeling van [minderjarige] merkt de moeder op dat de stelling van de GI dat de behandeling is gestopt en vroegtijdig is beëindigd onjuist is. Er heeft behandeling van [minderjarige] plaatsgevonden. De behandeling is afgesloten. Gebleken is dat er ook geen behandeling nodig is, waarbij de moeder verwijst naar het eindverslag van [psychologenpraktijk] . Op basis van het voorgaande concludeert de moeder dat er van een ernstige ontwikkelingsbedreiging geen sprake is, wat maakt dat er niet aan de wettelijke vereisten is voldaan en het verzoek dient te worden afgewezen. Wanneer de leerplichtambtenaar vindt dat er PMT voor [minderjarige] nodig is, zal de moeder hieraan meewerken. In een persoonlijkheidsonderzoek ziet de moeder geen meerwaarde. Bovendien heeft haar medische toestand voorrang.



5.2.
De stiefvader brengt, samengevat, naar voren dat het verzoek moet worden afgewezen. De stiefvader bevestigt dat [minderjarige] wordt gepest. Dit is onder andere een reden geweest om [minderjarige] tussen de middag thuis te laten eten. Daarnaast geeft een ondertoezichtstelling de moeder stress. Zij heeft het gevoel dat zij op haar tenen moet lopen. De stress die de moeder ervaart, heeft ook gevolgen voor haar ziekte. Hierover zijn veel zorgen. Dat de GI niet van de moeder aanneemt dat er op medisch gebied zorgen zijn, vindt de stiefvader kwalijk. Dit doet wat met het vertrouwen.





6De beoordeling



Wettelijk kader




6.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de
kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van
de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.




6.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



Inhoudelijke beoordeling





6.3.
Uit de overlegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is gebleken dat er nog steeds zorgen zijn om [minderjarige] , waarbij met name zijn hoge schoolverzuim een punt van zorg is. Dit wordt door de moeder en de stiefvader niet ontkend. Gebleken is dat de leerplichtambtenaar inmiddels bij [minderjarige] betrokken is geraakt en dat wordt gezocht naar een passende school. De moeder en de stiefvader werken hieraan actief mee. In haar verslag van 21 mei 2026 meldt de leerplichtambtenaar dat zij geen proces-verbaal zal opmerken, omdat dit niet tot een oplossing zal leiden. De leerplichtambtenaar adviseert verder dat noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige] wordt ingezet in de vorm van PMT. De moeder zegt toe hieraan mee te zullen werken. Dat het hoge schoolverzuim leidt tot een stagnatie in ontwikkeling – en dat daarmee sprake zou zijn van een ernstige ontwikkelingsbedreiging – is onvoldoende gebleken. De stelling van de moeder dat de schoolresultaten van [minderjarige] ondanks zijn verzuim goed zijn, wordt door de GI niet weerlegd.



6.4.
Tevens is gebleken, anders dan de GI stelt, dat de behandeling van [minderjarige] bij [psychologenpraktijk] is voltooid. De kinderrechter volgt de moeder in haar stelling dat er geen sprake is van een vroegtijdige beëindiging van de behandeling, dan wel een stopzetting. Uit het verslag van de behandelaar blijkt immers dat [minderjarige] een plek heeft gehad waar hij zich op zijn gemak voelde en hij heeft kunnen praten over zijn gedachten en gevoelens. Door de behandelaar wordt geconcludeerd dat er geen indicatie is om verdere traumaverwerking in te zetten en [minderjarige] geen signalen laat zien dat hij verdere verwerking nodig heeft. De behandeling wordt om die reden afgesloten. Ook hieruit maakt de kinderrechter op dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Dat [minderjarige] in de toekomst mogelijk een behandeling nodig zal hebben, zoals de GI stelt, doet hier niets aan af.



6.5.
Ter onderbouwing van het verzoek stelt de GI verder dat een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig is om zicht te krijgen op de thuissituatie. De kinderrechter overweegt dat daarvoor geldt dat het voor de hand had gelegen om de moeder eerder een schriftelijke aanwijzing te geven. Immers, de ondertoezichtstelling loopt inmiddels drie jaar. Klaarblijkelijk zijn de zorgen over de thuissituatie in de afgelopen jaren niet zodanig geweest dat de GI ingrijpendere maatregelen, zoals een schriftelijke aanwijzing, heeft ingezet. Ook andere instanties zoals school, [jeugdzorg] of [psychologenpraktijk] hebben in de afgelopen jaren geen reden gezien om zorgen te melden over de thuissituatie. De kinderrechter ziet dan ook onvoldoende reden om aan te nemen dat er zicht moet komen op de thuissituatie, dan wel dat er sprake is van ernstige zorgen die leiden tot een ernstige ontwikkelingsbedreiging.



6.6.
Het voorgaande leidt ertoe dat niet is komen vast te staan dat [minderjarige] nog ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Gelet daarop wordt niet voldaan aan de wettelijke criteria uit artikel 1:255 BW, wat betekent dat het verzoek van de GI zal worden afgewezen.



Tot slot





6.7.
De kinderrechter geeft de moeder en de stiefvader nog het volgende mee. Dat het verzoek van de GI nu zal worden afgewezen, betekent niet dat er geen zorgen om [minderjarige] zijn. Het schoolverzuim van [minderjarige] is een gegeven en dat verdient aandacht. De medische toestand van de moeder, waarover ook zorgen bestaan, maakt dit niet anders. De kinderrechter gaat dan ook uit van de toezegging dat meegewerkt zal worden aan wat de leerplichtambtenaar voor [minderjarige] nodig vindt.





7De beslissing


De kinderrechter:



7.1.
wijst het verzoek af.









Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.











































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:


degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.