Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6591

2026-06-18 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/438492 / FA RK 25-4046
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-18
Publicatiedatum
2026-07-19
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/438492 / FA RK 25-4046
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Art. 1:266 lid 1 BW. Beeindiging ouderlijk gezag. Benoeming GI als voogd.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.982 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/438492 / FA RK 25-4046
Datum uitspraak: 18 juni 2026




Beschikking van de rechtbank over gezagsbeëindiging




in de zaak van




RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST BRABANT,
gevestigd te Breda,
hierna te noemen de Raad,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige] .



De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A. Goedkoop te Breda,




FAMILIE [de pleegouders],
hierna te noemen de pleegouders,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres;




WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),



De rechtbank merkt als informant aan:




FAMILIE [grootouders vaderszijde],
hierna te noemen de grootouders vaderszijde,
wonende te [woonplaats 3] .






1Het verloop van de procedure


1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 augustus 2025;


de stand van zakenbrief van de GI, ontvangen op 25 november 2025;


het F9-formulier van mr. Bronsveld, ontvangen op 2 december 2025;


het bericht van de Raad, ontvangen op 9 december 2025;


het gewijzigde verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2026;


de brief van de grootouders, ontvangen op 19 mei 2026.





1.2.
Aanvankelijk was de zitting in deze zaak gepland op 16 december 2025. Naar aanleiding van het hiervoor genoemde F9-bericht van mr. Bronsveld van 2 december 2025 en de reactie daarop van de Raad van 9 december 2025, heeft de rechtbank de behandeling van de zaak voor een periode van zes maanden aangehouden.



1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:


namens de moeder, mr. W.J. Jurgers als waarnemend advocaat voor mr. Bronsveld;


de vader, bijgestaan door zijn advocaat;


de pleegouders;


de grootouders vaderszijde;


- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.



1.4.
De moeder was niet aanwezig bij de zitting. Aan mevr. [persoon] , pleegzorgbegeleider van [pleegzorg] , is bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 25 juli 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. [minderjarige] verbleef op dat moment al enige tijd bij de grootouders vaderszijde en die plaatsing is op grond van diezelfde machtiging geformaliseerd. Deze maatregelen zijn sindsdien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 16 december 2025.



2.3.

[minderjarige] verblijft sinds december 2023 bij pleegouders in een perspectief biedend pleeggezin. In de periode daarvoor fungeerde dit gezin al als weekendpleeggezin.



2.4.
De GI heeft medio 2023 een perspectiefbesluit genomen en dat ter toetsing aan de rechtbank voorgelegd. Bij beschikking van 15 juli 2024 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank geoordeeld dat de GI op goede gronden het perspectiefbesluit heeft genomen en dat het perspectief van [minderjarige] niet langer bij de ouders ligt. Omdat daarmee duidelijk is geworden dat de GI niet meer zal inzetten op thuisplaatsing van [minderjarige] bij (één van) zijn ouders, heeft de rechtbank overwogen dat de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing in beginsel niet langer de geëigende maatregelen zijn. De rechtbank verwachtte dan ook van de GI dat zij zo snel mogelijk zou kijken welke vervolgstap noodzakelijk was: onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel of het toewerken naar de acceptatie van de ouders van een (vrijwillig) verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin.





3Het (gewijzigde) verzoek en de onderbouwing


3.1.
De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de rechtbank om het gezag van de ouders over [minderjarige] te beëindigen met benoeming van de GI als voogd. De Raad verzoekt verder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] staat al enkele jaren onder toezicht. [minderjarige] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin. Er is een goede samenwerking tussen pleegouders en grootouders vaderszijde, waar [minderjarige] ook geregeld verblijft (in het weekend en/of vakanties).



3.3.
De Raad handhaaft het verzoek ten aanzien van een gezagsbeëindiging voor de moeder. Nadat de rechtbank met instemming van de Raad de behandeling van het verzoek voor zes maanden had aangehouden heeft de Raad een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Het is de Raad niet gelukt om in dat kader contact met moeder te krijgen. Daarmee is er geen aanleiding om terug te komen op de conclusies die in het rapport van 1 augustus 2025 zijn neergelegd. Die luiden als volgt. Uit de afgelopen jaren blijkt dat de moeder onbetrouwbaar is als het gaat over het maken van afspraken. Moeder is veelal niet in staat gebleken om omgangsafspraken na te komen en heeft een defensieve houding aangenomen richting de betrokkenen rondom [minderjarige] . Ondanks meerdere pogingen is het niet gelukt om met moeder om tafel te gaan; zij is niet op afspraken verschenen en zij is al ruim een jaar volledig uit contact met [minderjarige] en met de betrokken hulpverlening. Moeder verblijft momenteel vanwege persoonlijke problematiek in een GGZ-instelling, maar de Raad heeft geen duidelijkheid over hoe zij bereikbaar is, hoe haar behandeling eruitziet en welke mogelijkheden of uitdagingen er zijn voor haar toekomstige rol in het contact met [minderjarige] . Het blijft daarmee onduidelijk wat er van moeder verwacht kan worden. Moeder is al jaren onvoldoende betrokken bij (de hulpverlening rondom) [minderjarige] . Daardoor heeft zij onvoldoende zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] en op wat hij nodig heeft. Gelet op de afwezigheid van moeder, op de vergeefse inzet die is gepleegd om haar te betrekken bij hulpverlening en [minderjarige] , en op de periode die reeds is verstreken, is de Raad van mening dat niet te verwachten is dat moeder binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid kan dragen voor zijn zorg en opvoeding en het uitoefenen van het gezag.



3.4.
Ten aanzien van vader verzoekt de Raad, na aanvullend onderzoek, ook tot gezagsbeëindiging. In het rapport van 1 augustus 2025 concludeerde de Raad dat vader wel bereid maar (nog) niet in staat was om zelfstandig invulling te geven aan zijn rol als gezagdragende ouder. Van vader werd verwacht dat hij die rol zou oppakken, te beginnen met betrouwbaar zijn in het nakomen van afspraken, zowel richting [minderjarige] als richting pleegouders en betrokken hulpverlening. Na het aanvullend onderzoek concludeert de Raad dat dat helaas niet is gelukt. De samenwerking tussen vader en de betrokkenen is niet verbeterd. Hij houdt zich onvoldoende aan afspraken, heeft geen persoonlijke hulpverlening gezocht en toont (te) weinig betrokkenheid. Ook in het contact met [minderjarige] , via een vooraf afgesproken omgangsregeling, lukt het vader niet de afspraken consequent na te komen. Dat zorgt voor verdriet en teleurstelling bij [minderjarige] , waardoor de frequentie van de omgang is verlaagd van eens per twee weken naar eens per maand. Door het gebrek aan betrokkenheid, initiatief en stabiliteit is vader onvoorspelbaar en onbetrouwbaar, niet alleen in contact met [minderjarige] , maar ook met pleegouders en hulpverlening.



3.5.
De Raad verzoek om in het belang van [minderjarige] de GI te belasten met de voogdij over [minderjarige] . Het is noodzakelijk dat een neutrale derde gezagsbeslissingen gaat nemen over [minderjarige] . De GI is al betrokken en bekend met de ouders en [minderjarige] . Het is van belang dat de GI, als voogd, regie gaat voeren op het invullen van een onbelast en fijn contact tussen beide ouders en [minderjarige] .





4De standpunten van ouders, pleegouders, grootouders vaderszijde en de GI


4.1.
De advocaat van moeder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat moeder de situatie graag anders zou zien, maar dat het op dit moment niet anders is. Zij legt zich bij de verzochte gezagsbeëindiging neer.



4.2.
Vader stemt niet in met het verzoek. Hij is niet gehoord in het nieuwe raadsonderzoek en heeft dus niet zijn mening kenbaar kunnen maken. Een gezagsbeëindiging is de zwaarste maatregel. Het oorspronkelijke verzoek richtte zich enkel op moeder, maar nu – negen maanden later – verzoekt de Raad ook een gezagsbeëindiging voor vader. Voor vader is de kern van het (aanvullend) raadsrapport dat hij niet consistent is in het opvolgen van afspraken en geen hulp heeft gezocht. Dat zijn vraagstukken die zijn functioneren betreffen, maar die los staan van de uitoefening van het ouderlijk gezag. Er zijn vader geen voorbeelden bekend waaruit blijkt dat er problemen ontstaan bij het nemen van gezagsbeslissingen. Vader wil laten zien dat hij er voor [minderjarige] kan zijn. Tijdens de omgangsregeling probeert hij zich zoveel mogelijk te richten op [minderjarige] . Volgens vader is het voldoende om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. Het in stand houden van het ouderlijk gezag bevestigt de band tussen hem en [minderjarige] .



4.3.
De pleegouders hebben, samengevat, aangegeven dat zij achter het verzoek staan. Zij vinden de rol van vader heel belangrijk in het leven van [minderjarige] en willen niet tegenover hem staan. Zij zien een liefdevolle vader en er is een fijne omgang tussen vader en [minderjarige] . Toch is dat ook het maximale wat mogelijk is. Het nakomen van de omgangsafspraken is lastig voor vader en het nemen van gezagsbeslissingen is voor hem niet haalbaar. Daarvoor is meer verantwoordelijkheidsbesef, zelfreflectie en eigen initiatief nodig. Vader verdiept zich niet in het leven van [minderjarige] en informeert bijvoorbeeld ook niet uit eigen beweging bij pleegouders hoe het met [minderjarige] gaat op school. De pleegouders benadrukken dat de vader ontzettend belangrijk is voor [minderjarige] , maar dat voor de belangrijke beslissingen een voogd noodzakelijk is. De samenwerking met de GI ervaren zij als zeer prettig. Zij steunen daarom het verzoek van de Raad om de GI te belasten met de voogdij.



4.4.
Namens de GI is, samengevat, naar voren gebracht dat zij achter het onderzoek van de Raad staat en instemt met de verkrijging van de voogdij. Vader speelt een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] , en de GI zal zich inzetten om dat contact te ondersteunen. Ook richting moeder bestaat een inspanningsverplichting om te werken aan (het herstel van) het contact. In de toekomst staan er veel belangrijke beslissingen te wachten, onder andere over het inzetten van hulpverlening voor de vermoedelijke kindeigen problematiek van [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat de onderlinge verstandhoudingen tussen ouders, pleegouders en grootouders vaderszijde niet onder druk komen te staan.



4.5.
De grootouders vaderszijde hebben tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij in het eerste onderzoek wel, maar in het tweede onderzoek niet zijn gehoord. Ook heeft de Raad niet met hun zoon, de vader van [minderjarige] , gesproken. Dat maakt dat de grootouders vaderszijde twijfelen aan de kwaliteit van het onderzoek. Al sinds de geboorte van [minderjarige] spelen de grootouders vaderszijde voor hem een beschermende rol. Zij hebben opgemerkt dat het niet goed ging met [minderjarige] , zijn op zoek gegaan naar hulp en hebben de ouders geprobeerd te begeleiden in de opvoeding van [minderjarige] . Ook verbleven de ouders en [minderjarige] maandenlang in huis bij de grootouders vaderszijde omdat (professionele) hulp uitbleef. De grootouders vaderszijde hebben [minderjarige] bijna twee jaar als pleegkind in huis gehad. Gelet daarop voelen grootouders vaderszijde zich verantwoordelijk voor het welzijn van [minderjarige] en verzoeken zij – indien de kinderrechter besluit tot een gezagsbeëindigende maatregel voor beide ouders – grootvader vaderszijde als voogd aan te stellen. Zij staan niet achter het verzoek van de Raad om de GI te belasten met de voogdij.





5De beoordeling



Wat zegt de wet?



5.1.

Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.




5.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. De rechtbank moet de verzoeken ook toetsen aan artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de mens blijkt dat artikel 8 van het EVRM vereist dat indien het doel (het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging) met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen moet worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd. In het geval van een gezagsbeëindiging moet daadwerkelijk gebleken zijn dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Een gezagsbeëindiging is namelijk een zeer zwaar middel dat alleen in uitzonderlijke gevallen mag worden toegepast.



Inhoudelijke beoordeling




5.3.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen naar voren is gebracht tijdens de zitting overweegt de rechtbank als volgt. [minderjarige] woont sinds 2023 in het huidige, perspectief biedende, pleeggezin. In 2024 heeft de rechtbank het perspectiefbesluit van de GI beoordeeld en bekrachtigd. Sindsdien is voor alle betrokkenen duidelijk dat de hulpverlening niet meer is gericht op een terugkeer van [minderjarige] bij (één van) zijn ouders. [minderjarige] zal opgroeien bij pleegouders. Vervolgens heeft de GI de Raad verzocht onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel. De Raad heeft op 1 augustus 2025 de rechtbank verzocht het gezag van moeder te beëindigen. Na aanvullend onderzoek in mei 2026, heeft de Raad ook beëindiging van het gezag van vader verzocht.



Beslissing ten aanzien van de moeder




5.4.
De rechtbank stelt vast dat moeder geen verweer voert tegen het verzoek van de Raad. Tijdens het (aanvullend) onderzoek is de Raad er niet in geslaagd contact met moeder te krijgen. Moeder is al ruim een jaar volledig uit beeld, zowel voor [minderjarige] als voor de GI, pleegouders en de Raad. Vanwege haar persoonlijke problematiek, waaronder haar mentale gezondheid en middelengebruik, is zij – ook eerder – niet in staat (geweest) adequaat voor [minderjarige] te zorgen. Moeder is al jaren onvoldoende betrokken bij [minderjarige] en zijn hulpverlening. Zij heeft daarmee voor de rechtbank laten zien over een lange periode niet te kunnen aansluiten bij datgene wat [minderjarige] nodig heeft voor een gezonde ontwikkeling en hem niet een omgeving te kunnen bieden waarbij stabiliteit, structuur, rust en veiligheid centraal staan. Moeder heeft geen enkel zicht op de ontwikkeling en behoeften van [minderjarige] en weet daarmee onvoldoende van [minderjarige] om op een verantwoorde wijze invulling te geven aan het ouderlijk gezag over hem. Dat is niet in [minderjarige] belang. Integendeel, de afwezigheid van moeder in het leven van [minderjarige] maakt dat de situatie waarin zij belast blijft met het gezag over hem, zijn ontwikkeling ernstig schaadt. Daarbij komt dat er geen zicht is op een verbetering van de huidige situatie, terwijl de leeftijd van [minderjarige] (inmiddels 6 jaar) meebrengt dat er duidelijkheid moet komen over de rol die zijn moeder in zijn leven kan spelen. Daarmee is voor de rechtbank voldaan aan de voorwaarden van artikel 1:266, eerste lid, BW.



5.5.
De rechtbank ziet geen minder ingrijpende alternatieven dan een gezagsbeëindiging van moeder. Het handhaven van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing dan wel het voorzetten van de plaatsing van [minderjarige] in het vrijwillig kader zijn beide geen aanvaardbaar alternatief. Bij beschikking van 15 juli 2024 heeft de rechtbank bepaald dat het perspectief van [minderjarige] is gelegen in het pleeggezin waar hij nu verblijft. Het voortduren van het gezag van moeder zou tot gevolg hebben dat de maatregelen jaarlijks zouden moeten worden verlengd. Dit brengt onrust en onzekerheid bij betrokkenen, waaronder [minderjarige] , teweeg. Omdat moeder al geruime tijd onbereikbaar is voor de GI, pleegouders en de Raad, is een voortzetting in het vrijwillig kader ook geen optie. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de gezagsbeëindiging daarom proportioneel is en voldoet aan de eisen van artikel 8 EVRM.



5.6.
De rechtbank zal het onweersproken verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder daarom toewijzen.



Beslissing ten aanzien van de vader




5.7.
Ten aanzien van de vader overweegt de rechtbank als volgt. In de zomer van 2025, zo blijkt uit het raadsrapport van 1 augustus 2025, zag de Raad nog een prille positieve ontwikkeling bij vader na terugkomst uit een afkickkliniek. De Raad hoopte dat vader, met ondersteuning van hulpverlening, zijn leven op de rit zou krijgen en de verantwoordelijkheden die bij het ouderlijk gezag horen zou oppakken. Negen maanden later concludeert de Raad dat vader die positieve ontwikkeling niet heeft weten door te zetten. De rechtbank onderschrijft die conclusie. Het lukt vader niet om de met het ouderlijk gezag verweven verantwoordelijkheid te nemen. Vader komt afspraken niet na, toont uit eigen beweging geen interesse in bijvoorbeeld de school van [minderjarige] en is vaak niet of nauwelijks bereikbaar. Voor de rechtbank is tekenend dat het vader niet is gelukt in contact te treden met de Raad tijdens het aanvullend onderzoek. Hoewel de Raad vader in maart, april en mei 2026 meermaals de kans heeft gegeven om in gesprek te gaan, heeft vader daar geen gehoor aan gegeven. Van het ontbreken van de mogelijkheid van hoor en wederhoor tijdens het aanvullend onderzoek door de Raad, zoals vader heeft gesteld, is dan ook geen sprake.



5.8.
Ook in contact met [minderjarige] is vader onbetrouwbaar. Sinds oktober 2025 is hij op zeven omgangsmomenten niet aanwezig geweest. Om de teleurstellingen voor [minderjarige] te beperken, heeft de GI besloten de frequentie van de omgangsmomenten terug te brengen naar eenmaal per maand, waarna vader het contact met de GI en pleegouders (tijdelijk) volledig heeft verbroken. Al met al blijkt voor de rechtbank voldoende dat vader te weinig betrokkenheid heeft bij het leven van [minderjarige] om zicht te hebben op wat [minderjarige] nodig heeft. Daarmee is vader niet in staat als gezagdragende ouder aan [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. De rechtbank ziet bij vader geen onwil, maar onmacht. Het lukt hem al jaren niet om een stabiele, betrouwbare en voorspelbare factor in het leven van [minderjarige] te zijn. Het voortduren van het ouderlijk gezag van vader zal de ontwikkeling van [minderjarige] dan ook ernstig schaden. Gelet op de duur van de periode waarin al hulpverlening betrokken is en op de leeftijd van [minderjarige] , heeft de rechtbank niet de verwachting dat vader binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn in staat zal zijn om de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding te dragen. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde om het gezag van vader te beëindigen.



5.9.
Onder verwijzing naar overweging 5.5. hiervoor, overweegt de rechtbank dat ook voor de gezagsbeëindiging van vader geen minder ingrijpende alternatieven voor handen zijn. De rechtbank zal ook dat verzoek van de Raad dus toewijzen.



Ouders blijven ouders




5.10.
De rechtbank wenst te benadrukken dat ouders altijd de ouders van [minderjarige] zullen blijven, en daarom erg belangrijk zijn in zijn leven. Een wijziging in het gezag maakt dat niet anders. Van het verlies van een (familie)band is in zoverre geen sprake. De rechtbank gunt [minderjarige] ook een goede band met zijn ouders en hoopt dat ouders zich in de toekomst ten volle kunnen toeleggen op het hebben van een fijn contact met [minderjarige] , zodat hij zich blijvend een goed beeld van zijn ouders kan vormen en de ouders een waardevolle rol in zijn leven kunnen vervullen.



Benoeming voogd




5.11.
Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem te benoemen. De rechtbank zal in navolging van het verzoek van de Raad de GI benoemen tot voogd over [minderjarige] . De GI heeft zich daartoe bereid verklaard. De rechtbank vindt het in [minderjarige] belang dat een neutrale derde partij de voogdij op zich neemt en de regie gaat voeren op onder meer het ontwikkelen van een onbelast en fijn contact tussen beide ouders en [minderjarige] .



5.12.
De rechtbank begrijpt dat grootouders vaderzijde zich (mede) verantwoordelijk voelen voor het welzijn van [minderjarige] en daarom liever zien dat grootvader vaderszijde als voogd wordt benoemd. Tijdens de zitting heeft de rechtbank erop gewezen dat grootouders vaderszijde, die als informant in deze procedure zijn betrokken, daartoe niet zelf een verzoek kunnen doen. De Raad heeft tijdens de zitting uitgelegd waarom het juist in het belang is van [minderjarige] als grootouders vaderszijde enkel de rol van opa en oma voor hem kunnen vervullen, zonder belast te zijn met het gezag over hem en de problematiek die dat meebrengt, waaronder het onderhouden/herstellen van het contact tussen [minderjarige] en de beide ouders. De rechtbank sluit zich daarbij aan en benadrukt op deze plaats het belang van de rol die grootouders vaderszijde in het leven van [minderjarige] hebben gespeeld en nog zullen spelen.



5.9.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 BW worden de ouders waarvan het gezag wordt beëindigd, er vanuit gaande dat zij het bewind voerden over het vermogen van [minderjarige] , veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan hun opvolger in dit bewind.



5.10.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



Uitvoerbaar bij voorraad




5.11.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



5.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.





6De beslissing


De rechtbank:



6.1.

beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder], geboren op [geboortedag 2] 1988 in [geboorteplaats 2] , en [de vader], geboren op [geboortedag 3] 1986 in [geboorteplaats 3] ,
over:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats 1] ;




6.2.
benoemt tot voogd over genoemde minderjarige: de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering;



6.3.
veroordeelt de ouders tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de GI over het gevoerde bewind over [minderjarige] ;



6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



6.5.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het gezagsregister.









Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Zie bijvoorbeeld de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 januari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:76.


Artikel 2 Besluit gezagsregisters.