Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6583
2026-06-17
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448425 / JE RK 26-884 C/02/448906 / JE RK 26-981 C/02/449164 / JE RK 26-1022
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
OTS is verlengd, MUHP bij vader afgewezen en MUHP accommodatie is verlengd voor 4 maanden onder aanhouding restant, restant spoedMUHP is afgewezen
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.302 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/448425 / JE RK 26-884
C/02/448906 / JE RK 26-981
C/02/449164 / JE RK 26-1022
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. C.G.A. Mattheussens uit Roosendaal,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In zaaknummer C/02/448425 / JE RK 26-884:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 mei 2026.
In zaaknummer C/02/448906 / JE RK 26-981:
- de beschikking van 5 juni 2026 met alle daarin vermelde stukken.
In zaaknummer C/02/449164 / JE RK 26-1022:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder (via een teamsverbinding) met haar advocaat;
- de vader;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] naar haar mening gevraagd. Zij heeft een brief aan de kinderrechter geschreven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 18 juni 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 juni 2024 en tot 18 juni 2025. Deze ondertoezichtstelling is daarna verlengd, voor het laatst bij beschikking van 16 juni 2025, te weten met ingang van 18 juni 2025 en tot 18 juni 2026.
2.3.
Bij beschikking van 23 april 2026 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 23 april 2026 en tot 7 mei 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Bij beschikking van 30 april 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met ingang van 7 mei 2026 en tot 18 juni 2026.
2.4.
Bij beschikking van 5 juni 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 5 juni 2026 en tot 18 juni 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van de GI.
3De verzoeken
In zaaknummer C/02/448425 / JE RK 26-884:
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In zaaknummer C/02/448906 / JE RK 26-981:
3.2.
De GI verzoekt een brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
voor zowel een voorziening voor pleegzorg als voor een accommodatie van een
jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te
verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.3.
Ter beoordeling ligt voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing met ingang van heden, alsmede het resterende deel van het verzoek van de GI, te weten een brede machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 18 juni 2026 en tot 3 juli 2026.
In zaaknummer C/02/449164 / JE RK 26-1022:
3.4.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI geeft aan de kinderen steeds meer beginnen te vertellen over de onveilige situaties die zij bij de moeder en stiefvader hebben meegemaakt. Hier mag nog niet op worden ingegaan, omdat het zedenonderzoek en het onderzoek naar fysiek geweld nog loopt. De verlenging van beide maatregelen is nodig om de ontwikkelingsbedreiging weg te kunnen nemen en de kinderen nu een veilige plek te geven. Helaas is de situatie bij de vader thuis na een begeleid bezoekmoment van de moeder met de kinderen, waarbij de moeder en de kinderen enkele minuten alleen zijn geweest, geëscaleerd. Daardoor lukt het de vader niet meer om de kinderen in zijn thuissituatie op te vangen. De kinderen verblijven nu in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De vader is nauw betrokken bij de kinderen en haalt en brengt de kinderen naar de scouting en zwemmen. Met de moeder is na het laatste contactmoment met de kinderen nog geen contact geweest. Onlangs zijn de bodemeisen voor dit contact met de moeder besproken en op korte termijn worden de contactmomenten weer opgestart.
4.2.
Namens en door de moeder wordt aangegeven dat de moeder achter het verzoek van de GI staat om de ondertoezichtstelling te verlengen. Ook staat de moeder achter het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verlengen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Zij begrijpt, gelet op de huidige situatie waarbij het zedenonderzoek nog lopende is, dat de kinderen nog niet terug naar huis kunnen. Zij mist de kinderen ontzettend. Zij verzoekt de GI om ook oog te houden voor de contacten van de kinderen met haar. Het lijkt erop dat de vader alles mag in het kader van de contacten met de kinderen en de moeder niets. De moeder hoopt dat er rekening wordt gehouden met de belangen van de kinderen, zeker nu de GI aangegeven heeft dat de kinderen mogelijk op aparte groepen worden geplaatst.
4.3.
De vader heeft aangegeven dat hij zich in de (spoed)beschikking van 5 juni 2026 niet herkent, doordat de daarin vermelde informatie over de escalaties bij hem thuis uit de context is getrokken. Het doet hem enorm veel verdriet dat het in zijn thuissituatie niet meer ging. De vader heeft alles gedaan wat hij kon doen, maar beseft dat de kinderen meer hulp nodig hebben dan een vader bieden kan. De kinderen hebben met name specialistische hulp nodig. Hoewel het voor de vader voelt als falen, staat hij achter het verzoek van de GI om de kinderen te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter zal eerst de spoedbeslissing en daarna de verlengingsverzoeken beoordelen.
In zaaknummer C/02/448906 / JE RK 26-981:
5.6.
Bij beschikking van 5 juni 2026 is een spoedmachtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 5 juni 2026 en tot 18 juni 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 17 juni 2026 in de gelegenheid gesteld hun standpunt naar voren te brengen. Naar aanleiding daarvan is het de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel.
5.7.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht stelt de kinderrechter vast dat die spoedbeslissing op goede gronden is gegeven. Het was voor de vader gelet op het gedrag van de kinderen na het contactmoment met de moeder niet meer mogelijk om hen in zijn thuissituatie te (be)houden. Zo was er bij [minderjarige 1] sprake van externaliserend gedrag, terwijl [minderjarige 2] juist meer internaliserend gedrag liet zien. Het gedrag dat de kinderen hebben laten zien in de thuissituatie bij de vader vergt een professionele aanpak en begeleiding. De veiligheid van de kinderen zelf, maar ook van de zwangere partner, de vader en de dieren in het huishouden van de vader kon ondanks de inzet van de vader, niet, althans niet voldoende geborgd worden bij een voortzetting van het verblijf van de kinderen bij de vader.
5.8.
Nu de spoedbeslissing van 5 juni 2026 loopt tot aan het einde van de lopende ondertoezichtstelling (18 juni 2026) zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de GI afwijzen.
In zaaknummer C/02/448425 / JE RK 26-884 en zaaknummer C/02/449164 / JE RK 26-1022:
5.9.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.10.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er is de afgelopen maanden veel gebeurd. Zo zijn de kinderen in eerste instantie uit huis geplaatst, omdat er bij de moeder en de partner van de moeder sprake was van onveiligheid voor de kinderen. De kinderen hebben onafhankelijk van elkaar verteld over huiselijk geweld, seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel misbruik door de stiefvader. De zedenpolitie is hierbij betrokken geraakt en er loopt een onderzoek. Ondertussen doen de kinderen steeds meer uitingen over wat er in het huishouden van de moeder is gebeurd. De moeder herkent deze uitingen van de kinderen niet.
5.11.
Hoewel het in eerste instantie met de kinderen bij de vader thuis beter ging, is de situatie in zijn huishouden dusdanig geëscaleerd dat het onmogelijk is geworden om de veiligheid van de kinderen en alle betrokkenen daar te borgen. [minderjarige 1] uit zijn boosheid op zijn omgeving. Bij [minderjarige 2] wordt er zelfbeschadiging gezien. De escalatie van de kinderen wordt door de GI in direct verband gebracht met het contactmoment dat de kinderen met de moeder hebben gehad, waarbij zij enkele minuten met de kinderen alleen is geweest. De problematiek van de kinderen is dusdanig dat professionele hulp noodzakelijk is. Zij moeten traumasensitief opgevoed worden. Daarnaast moeten beide kinderen de juiste hulpverlening gaan krijgen, echter kan dit pas nadat ze zijn gehoord in de kinderstudio.
5.12.
De zorgen over de kinderen zijn groot. De vraag is niet alleen wat er is gebeurd wat maakt dat deze kinderen ieder op hun eigen manier zo heftig reageren, de vraag is ook vooral wat hebben deze kinderen nodig om de gebeurtenissen te verwerken en weer verder tot ontwikkeling te komen. Daarbij zijn de resultaten uit het politieonderzoek van belang.
5.13.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De situatie is daarvoor te complex. De ouders hebben ieder een andere visie op wat de kinderen hebben verteld. De kinderrechter vindt het bewonderenswaardig dat de ouders desondanks hun best blijven doen om op een zo goed mogelijke manier met elkaar te communiceren. Al heeft de vader ook toegegeven dat hem dit vanwege alle emoties niet op ieder moment is gelukt.
5.14.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter wijst het onweersproken verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar te verlengen toe.
5.15.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. Nu de kinderen niet meer bij de vader kunnen verblijven, zal het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader worden afgewezen. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van vier maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter doet dit om op die manier een vinger aan de pols te houden. Er is op dit moment veel gaande. De komende periode moet er duidelijkheid komen over de bij de politie lopende zedenzaak en over welke verblijfplaats voor de kinderen, gezamenlijk of apart, in hun belang is. Ook is het daarbij van belang dat de kinderen voor hen passende hulpverlening ontvangen. En mogelijk is er ook al zicht bij de GI het perspectief voor deze kinderen en waar naartoe gewerkt kan gaan worden.
5.16.
De kinderrechter zal alvast een zitting bepalen op de hieronder vermelde datum. Mocht de GI, de (advocaat van de) moeder of de vader verhinderd zijn op deze datum dan verzoekt de kinderrechter dit binnen twee weken na ontvangst van deze beschikking door te geven (onder opgave van verhinderdata), zodat een andere zittingsdatum gezocht kan worden, welke (kort) gelegen is voor 18 oktober 2026, zijnde afloopdatum van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.17.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
In zaaknummer C/02/448906 / JE RK 26-981:
6.1.
wijst het resterende deel van het (spoed)verzoek van de GI af;
In zaaknummer C/02/448425 / JE RK 26-884:
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 18 juni 2026 en tot 18 juni 2027;
6.3.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, af;
In zaaknummer C/02/449164 / JE RK 26-1022:
6.5.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 18 juni 2026 en tot 18 oktober 2026;
6.6.
houdt het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] bij de kinderrechter (mr. Van de Merbel) van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in het gerechtsgebouw aan de Kousteensedijk 2 (4331 JE) te Middelburg voor de duur van 45 minuten in afwachting van een korte briefrapportage van de GI over het verloop van de ondertoezichtstelling;
6.7.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep voor de GI, de (advocaat van de) moeder en de vader voor de zitting van [datum] 2026 om [uur];
6.8.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 6 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/448425 / JE RK 26-884
C/02/448906 / JE RK 26-981
C/02/449164 / JE RK 26-1022
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. C.G.A. Mattheussens uit Roosendaal,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In zaaknummer C/02/448425 / JE RK 26-884:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 mei 2026.
In zaaknummer C/02/448906 / JE RK 26-981:
- de beschikking van 5 juni 2026 met alle daarin vermelde stukken.
In zaaknummer C/02/449164 / JE RK 26-1022:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder (via een teamsverbinding) met haar advocaat;
- de vader;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] naar haar mening gevraagd. Zij heeft een brief aan de kinderrechter geschreven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 18 juni 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 juni 2024 en tot 18 juni 2025. Deze ondertoezichtstelling is daarna verlengd, voor het laatst bij beschikking van 16 juni 2025, te weten met ingang van 18 juni 2025 en tot 18 juni 2026.
2.3.
Bij beschikking van 23 april 2026 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 23 april 2026 en tot 7 mei 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Bij beschikking van 30 april 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met ingang van 7 mei 2026 en tot 18 juni 2026.
2.4.
Bij beschikking van 5 juni 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 5 juni 2026 en tot 18 juni 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van de GI.
3De verzoeken
In zaaknummer C/02/448425 / JE RK 26-884:
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In zaaknummer C/02/448906 / JE RK 26-981:
3.2.
De GI verzoekt een brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
voor zowel een voorziening voor pleegzorg als voor een accommodatie van een
jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te
verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.3.
Ter beoordeling ligt voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing met ingang van heden, alsmede het resterende deel van het verzoek van de GI, te weten een brede machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 18 juni 2026 en tot 3 juli 2026.
In zaaknummer C/02/449164 / JE RK 26-1022:
3.4.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI geeft aan de kinderen steeds meer beginnen te vertellen over de onveilige situaties die zij bij de moeder en stiefvader hebben meegemaakt. Hier mag nog niet op worden ingegaan, omdat het zedenonderzoek en het onderzoek naar fysiek geweld nog loopt. De verlenging van beide maatregelen is nodig om de ontwikkelingsbedreiging weg te kunnen nemen en de kinderen nu een veilige plek te geven. Helaas is de situatie bij de vader thuis na een begeleid bezoekmoment van de moeder met de kinderen, waarbij de moeder en de kinderen enkele minuten alleen zijn geweest, geëscaleerd. Daardoor lukt het de vader niet meer om de kinderen in zijn thuissituatie op te vangen. De kinderen verblijven nu in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De vader is nauw betrokken bij de kinderen en haalt en brengt de kinderen naar de scouting en zwemmen. Met de moeder is na het laatste contactmoment met de kinderen nog geen contact geweest. Onlangs zijn de bodemeisen voor dit contact met de moeder besproken en op korte termijn worden de contactmomenten weer opgestart.
4.2.
Namens en door de moeder wordt aangegeven dat de moeder achter het verzoek van de GI staat om de ondertoezichtstelling te verlengen. Ook staat de moeder achter het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verlengen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Zij begrijpt, gelet op de huidige situatie waarbij het zedenonderzoek nog lopende is, dat de kinderen nog niet terug naar huis kunnen. Zij mist de kinderen ontzettend. Zij verzoekt de GI om ook oog te houden voor de contacten van de kinderen met haar. Het lijkt erop dat de vader alles mag in het kader van de contacten met de kinderen en de moeder niets. De moeder hoopt dat er rekening wordt gehouden met de belangen van de kinderen, zeker nu de GI aangegeven heeft dat de kinderen mogelijk op aparte groepen worden geplaatst.
4.3.
De vader heeft aangegeven dat hij zich in de (spoed)beschikking van 5 juni 2026 niet herkent, doordat de daarin vermelde informatie over de escalaties bij hem thuis uit de context is getrokken. Het doet hem enorm veel verdriet dat het in zijn thuissituatie niet meer ging. De vader heeft alles gedaan wat hij kon doen, maar beseft dat de kinderen meer hulp nodig hebben dan een vader bieden kan. De kinderen hebben met name specialistische hulp nodig. Hoewel het voor de vader voelt als falen, staat hij achter het verzoek van de GI om de kinderen te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter zal eerst de spoedbeslissing en daarna de verlengingsverzoeken beoordelen.
In zaaknummer C/02/448906 / JE RK 26-981:
5.6.
Bij beschikking van 5 juni 2026 is een spoedmachtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 5 juni 2026 en tot 18 juni 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 17 juni 2026 in de gelegenheid gesteld hun standpunt naar voren te brengen. Naar aanleiding daarvan is het de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel.
5.7.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht stelt de kinderrechter vast dat die spoedbeslissing op goede gronden is gegeven. Het was voor de vader gelet op het gedrag van de kinderen na het contactmoment met de moeder niet meer mogelijk om hen in zijn thuissituatie te (be)houden. Zo was er bij [minderjarige 1] sprake van externaliserend gedrag, terwijl [minderjarige 2] juist meer internaliserend gedrag liet zien. Het gedrag dat de kinderen hebben laten zien in de thuissituatie bij de vader vergt een professionele aanpak en begeleiding. De veiligheid van de kinderen zelf, maar ook van de zwangere partner, de vader en de dieren in het huishouden van de vader kon ondanks de inzet van de vader, niet, althans niet voldoende geborgd worden bij een voortzetting van het verblijf van de kinderen bij de vader.
5.8.
Nu de spoedbeslissing van 5 juni 2026 loopt tot aan het einde van de lopende ondertoezichtstelling (18 juni 2026) zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de GI afwijzen.
In zaaknummer C/02/448425 / JE RK 26-884 en zaaknummer C/02/449164 / JE RK 26-1022:
5.9.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.10.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er is de afgelopen maanden veel gebeurd. Zo zijn de kinderen in eerste instantie uit huis geplaatst, omdat er bij de moeder en de partner van de moeder sprake was van onveiligheid voor de kinderen. De kinderen hebben onafhankelijk van elkaar verteld over huiselijk geweld, seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel misbruik door de stiefvader. De zedenpolitie is hierbij betrokken geraakt en er loopt een onderzoek. Ondertussen doen de kinderen steeds meer uitingen over wat er in het huishouden van de moeder is gebeurd. De moeder herkent deze uitingen van de kinderen niet.
5.11.
Hoewel het in eerste instantie met de kinderen bij de vader thuis beter ging, is de situatie in zijn huishouden dusdanig geëscaleerd dat het onmogelijk is geworden om de veiligheid van de kinderen en alle betrokkenen daar te borgen. [minderjarige 1] uit zijn boosheid op zijn omgeving. Bij [minderjarige 2] wordt er zelfbeschadiging gezien. De escalatie van de kinderen wordt door de GI in direct verband gebracht met het contactmoment dat de kinderen met de moeder hebben gehad, waarbij zij enkele minuten met de kinderen alleen is geweest. De problematiek van de kinderen is dusdanig dat professionele hulp noodzakelijk is. Zij moeten traumasensitief opgevoed worden. Daarnaast moeten beide kinderen de juiste hulpverlening gaan krijgen, echter kan dit pas nadat ze zijn gehoord in de kinderstudio.
5.12.
De zorgen over de kinderen zijn groot. De vraag is niet alleen wat er is gebeurd wat maakt dat deze kinderen ieder op hun eigen manier zo heftig reageren, de vraag is ook vooral wat hebben deze kinderen nodig om de gebeurtenissen te verwerken en weer verder tot ontwikkeling te komen. Daarbij zijn de resultaten uit het politieonderzoek van belang.
5.13.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De situatie is daarvoor te complex. De ouders hebben ieder een andere visie op wat de kinderen hebben verteld. De kinderrechter vindt het bewonderenswaardig dat de ouders desondanks hun best blijven doen om op een zo goed mogelijke manier met elkaar te communiceren. Al heeft de vader ook toegegeven dat hem dit vanwege alle emoties niet op ieder moment is gelukt.
5.14.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter wijst het onweersproken verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar te verlengen toe.
5.15.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. Nu de kinderen niet meer bij de vader kunnen verblijven, zal het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader worden afgewezen. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van vier maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter doet dit om op die manier een vinger aan de pols te houden. Er is op dit moment veel gaande. De komende periode moet er duidelijkheid komen over de bij de politie lopende zedenzaak en over welke verblijfplaats voor de kinderen, gezamenlijk of apart, in hun belang is. Ook is het daarbij van belang dat de kinderen voor hen passende hulpverlening ontvangen. En mogelijk is er ook al zicht bij de GI het perspectief voor deze kinderen en waar naartoe gewerkt kan gaan worden.
5.16.
De kinderrechter zal alvast een zitting bepalen op de hieronder vermelde datum. Mocht de GI, de (advocaat van de) moeder of de vader verhinderd zijn op deze datum dan verzoekt de kinderrechter dit binnen twee weken na ontvangst van deze beschikking door te geven (onder opgave van verhinderdata), zodat een andere zittingsdatum gezocht kan worden, welke (kort) gelegen is voor 18 oktober 2026, zijnde afloopdatum van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.17.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
In zaaknummer C/02/448906 / JE RK 26-981:
6.1.
wijst het resterende deel van het (spoed)verzoek van de GI af;
In zaaknummer C/02/448425 / JE RK 26-884:
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 18 juni 2026 en tot 18 juni 2027;
6.3.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, af;
In zaaknummer C/02/449164 / JE RK 26-1022:
6.5.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 18 juni 2026 en tot 18 oktober 2026;
6.6.
houdt het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] bij de kinderrechter (mr. Van de Merbel) van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in het gerechtsgebouw aan de Kousteensedijk 2 (4331 JE) te Middelburg voor de duur van 45 minuten in afwachting van een korte briefrapportage van de GI over het verloop van de ondertoezichtstelling;
6.7.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep voor de GI, de (advocaat van de) moeder en de vader voor de zitting van [datum] 2026 om [uur];
6.8.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 6 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.