Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6537
2026-06-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448794 / JE RK 26-951
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging OTS
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.778 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448794 / JE RK 26-951
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van 3 juni 2026 met bijlagen.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft met gesloten deuren op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 2 juli 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 2 juli 2025 en tot 2 januari 2026. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd, voor het laatst bij beschikking van 16 december 2025 met ingang van 2 januari 2026 en tot 2 juli 2026.
2.3.
[minderjarige] woont bij zijn vader.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden.
4De standpunten
4.1
De GI handhaaft het verzoek. [minderjarige] is blootgesteld geweest aan langdurige spanningen tussen de ouders met een risico op een loyaliteitsconflict. Inmiddels is er een verbetering in het contact tussen de ouders. Het lukt ze beter om samen afspraken te maken over [minderjarige] en de communicatie verloopt rustiger. Ook spreekt [minderjarige] positief over de thuissituatie en over de onderlinge relatie tussen de ouders. Hiernaast komt [minderjarige] verzorgder naar school en gaat het goed met hem op de praktijkschool. Voor wat betreft de omgang heeft de vader wel bezwaar tegen overnachtingen van [minderjarige] bij de moeder tijdens schooldagen. Hij vreest dat [minderjarige] bij de moeder meer vrijblijvendheid zal ervaren wat het risico op schoolverzuim of te laat komen vergroot. De moeder wil [minderjarige] echter wel tijdens weekdagen bij zich hebben. Het is in de komende periode belangrijk dat er een borgingsplan wordt opgesteld, zodat de positieve ontwikkeling bestendig blijft.
4.2.
De vader is het eens met het verzoek van de GI. Het gaat goed met [minderjarige] en ook tussen de ouders gaat het steeds beter.
4.3.
De moeder is het eens met het verzoek van de GI. Het gaat goed tussen de ouders.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Door het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:260 van het BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het steeds beter gaat tussen de ouders. De communicatie verloopt rustiger en ze zijn beter in staat om samen afspraken over [minderjarige] te maken. De kinderrechter geeft hen hier een compliment voor. Ook met [minderjarige] lijkt het steeds beter te gaan. De omgang met de moeder verloopt goed, het gaat goed op school en hij oogt vrolijker. Ook verloopt het contact tussen [minderjarige] en zijn halfzussen beter. Omdat deze positieve ontwikkeling nog erg pril is, vindt de kinderrechter het belangrijk dat de huidige situatie doorzet en stabiliseert. Ze zal de ondertoezichtstelling dan ook verlengen voor de duur van zes maanden. Hierbij vindt ze het belangrijk dat er in de komende periode een borgingsplan wordt opgesteld. Indien nodig kan er een mediationtraject of ouderschapsbemiddeling worden opgestart, zodat de ouders afspraken kunnen maken over de toekomst, maar ook over de omgangsregeling waar ze momenteel nog niet helemaal uit lijken te komen. Hierbij is het belangrijk dat de omgangsregeling past bij de belangen van [minderjarige] . Hiernaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat er in de komende periode wordt onderzocht wat [minderjarige] nog nodig heeft aan hulpverlening en dat dit wordt ingezet wanneer dit nodig blijkt.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.3.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 2 juli 2026 tot 2 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier, en op schrift gesteld op 30 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448794 / JE RK 26-951
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van 3 juni 2026 met bijlagen.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft met gesloten deuren op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 2 juli 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 2 juli 2025 en tot 2 januari 2026. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd, voor het laatst bij beschikking van 16 december 2025 met ingang van 2 januari 2026 en tot 2 juli 2026.
2.3.
[minderjarige] woont bij zijn vader.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden.
4De standpunten
4.1
De GI handhaaft het verzoek. [minderjarige] is blootgesteld geweest aan langdurige spanningen tussen de ouders met een risico op een loyaliteitsconflict. Inmiddels is er een verbetering in het contact tussen de ouders. Het lukt ze beter om samen afspraken te maken over [minderjarige] en de communicatie verloopt rustiger. Ook spreekt [minderjarige] positief over de thuissituatie en over de onderlinge relatie tussen de ouders. Hiernaast komt [minderjarige] verzorgder naar school en gaat het goed met hem op de praktijkschool. Voor wat betreft de omgang heeft de vader wel bezwaar tegen overnachtingen van [minderjarige] bij de moeder tijdens schooldagen. Hij vreest dat [minderjarige] bij de moeder meer vrijblijvendheid zal ervaren wat het risico op schoolverzuim of te laat komen vergroot. De moeder wil [minderjarige] echter wel tijdens weekdagen bij zich hebben. Het is in de komende periode belangrijk dat er een borgingsplan wordt opgesteld, zodat de positieve ontwikkeling bestendig blijft.
4.2.
De vader is het eens met het verzoek van de GI. Het gaat goed met [minderjarige] en ook tussen de ouders gaat het steeds beter.
4.3.
De moeder is het eens met het verzoek van de GI. Het gaat goed tussen de ouders.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Door het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:260 van het BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het steeds beter gaat tussen de ouders. De communicatie verloopt rustiger en ze zijn beter in staat om samen afspraken over [minderjarige] te maken. De kinderrechter geeft hen hier een compliment voor. Ook met [minderjarige] lijkt het steeds beter te gaan. De omgang met de moeder verloopt goed, het gaat goed op school en hij oogt vrolijker. Ook verloopt het contact tussen [minderjarige] en zijn halfzussen beter. Omdat deze positieve ontwikkeling nog erg pril is, vindt de kinderrechter het belangrijk dat de huidige situatie doorzet en stabiliseert. Ze zal de ondertoezichtstelling dan ook verlengen voor de duur van zes maanden. Hierbij vindt ze het belangrijk dat er in de komende periode een borgingsplan wordt opgesteld. Indien nodig kan er een mediationtraject of ouderschapsbemiddeling worden opgestart, zodat de ouders afspraken kunnen maken over de toekomst, maar ook over de omgangsregeling waar ze momenteel nog niet helemaal uit lijken te komen. Hierbij is het belangrijk dat de omgangsregeling past bij de belangen van [minderjarige] . Hiernaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat er in de komende periode wordt onderzocht wat [minderjarige] nog nodig heeft aan hulpverlening en dat dit wordt ingezet wanneer dit nodig blijkt.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.3.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 2 juli 2026 tot 2 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier, en op schrift gesteld op 30 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.