Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6435

2026-06-15 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447713 / JE RK 26-761
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-15
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447713 / JE RK 26-761
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.822 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/447713 / JE RK 26-761
Datum uitspraak: 15 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van



de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen: de GI,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.M.M. Heesmans uit Roosendaal,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .



De kinderrechter merkt als informanten aan:




mr. C.J.W.F. DEKKERS,
advocaat in Tilburg,hierna te noemen: de Gezinsadvocaat,




mw. [de gedragswetenschapper],
hierna te noemen: de gedragswetenschapper.







1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 april 2026;


het van de GI op 22 mei 2026 ontvangen verslag van 22 april 2026 en e-mail van 13 mei 2026 van Kindertherapie Brabant;


de op 22 mei 2026 ontvangen brief van de Gezinsadvocaat;




het van de GI op 2 juni 2026 ontvangen verslag van de gedragswetenschapper van 12 mei 2026;


een e-mail van de moeder van 5 juni 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:


de moeder met haar advocaat;


de vader;




twee vertegenwoordigers van de GI;


de Gezinsadvocaat;


de gedragswetenschapper.





1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven. Bij e-mail van 5 juni 2026 heeft de moeder medegedeeld dat [minderjarige] verhinderd is in verband met vakantie in Spanje en dat [minderjarige] haar mening al heeft gegeven aan de jeugdbeschermer op 17 april 2026, zoals ook is terug te lezen in het verslag van de jeugdbeschermer.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] woont bij de moeder.


2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 16 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 16 juni 2025 tot 16 oktober 2025. Deze maatregel is laatstelijk bij beschikking van 5 maart 2026 verlengd met ingang van 16 maart 2026 tot 16 juni 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De GI voert ter onderbouwing van het verzoek aan dat de doelen van de ondertoezichtstelling niet zijn bereikt en dat er nog onvoldoende is geprofiteerd van de ingezette hulpverlening. Er is sprake van een complexe scheidingsproblematiek. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje. Zij is heel loyaal aan de moeder en lijkt in een loyaliteitsconflict te verkeren. [minderjarige] heeft eerder uitspraken gedaan over (seksueel) grensoverschrijdend gedrag door de vader. [minderjarige] heeft al jaren geen contact met de vader. In januari 2026 was er een incident waarbij zij op het online spel Roblox heeft gezegd dat zij het leven niet meer zag zitten waarna een melding bij de politie is gedaan en er een huisbezoek aan [minderjarige] is gebracht. [minderjarige] is gedurende drie maanden geobserveerd en behandeld geweest bij [kindtherapie] . De therapeut ziet een bedreigde algemene ontwikkeling die een behandeltraject rechtvaardigt dan wel noodzakelijk maakt. [minderjarige] gaf bij de kindertherapeut wisselende signalen af over de vader. Zij was de ene keer opgewekt en enthousiast over contact met de vader en vervolgens kon zij zich ook negatief over hem uitlaten. De kindertherapeut heeft signalen gezien die duiden op coalitievorming richting de vader met ouderonthechting tot gevolg. Daarnaast gaf de therapeut aan dat er sprake is van parentificatie. [minderjarige] is zeer zorgzaam voor de moeder en zij neemt mogelijk de negatieve gevoelens ten opzichte van de vader over van de moeder. Er is een langdurig traject van behandeling nodig om [minderjarige] hier uit te laten komen, haar eigenheid te geven en meer zelfvertrouwen. Ook zal er enig contactherstel tussen [minderjarige] en de vader moeten gaan komen.De moeder geeft geen emotionele toestemming voor contact tussen [minderjarige] en de vader en door de negatieve informatie wordt het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader belemmerd. De Gezinsadvocaat is in januari 2026 gestart met de eerste gesprekken met de ouders. De vader werkt constructief mee aan afspraken, levert gegevens aan, is coachbaar, maar kan niet wachten tot er beweging komt in de eindeloze situatie. De vader wil zijn betrokkenheid bij [minderjarige] wel blijvend laten merken. De moeder wijst elk contact met de vader af en houdt zich niet aan de informatieplicht.



4.2.
De Gezinsadvocaat heeft aangegeven dat dezelfde patronen worden gezien als de Raad en de GI al eerder hebben gesignaleerd en waarvoor de doelen van de ondertoezichtstelling zijn opgesteld. Nu [minderjarige] tijdens de therapie ook positieve ervaringen kon voelen ten opzichte van de vader, zijn de Gezinsadvocaat en de gedragswetenschapper van mening dat deze patronen kunnen en ook moeten worden doorbroken en dat niet langer voor de veilige weg van geen contact moet worden gekozen. Er zal begeleid contact moeten gaan plaatsvinden tussen [minderjarige] en de vader. Los van wat de waarheid is, zal [minderjarige] het trauma moeten aangaan omdat het anders haar ontwikkeling in de weg staat. Rust en vermijding is in dit geval niet helpend. De hulpverlening ten behoeve van het contactherstel met de vader zal parallel moeten gaan plaatsvinden met de overgang van [minderjarige] naar het voortgezet onderwijs. Er zal eerst toegewerkt moeten gaan worden naar begeleid contact.



4.3.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat het haar juist duidelijk is geworden dat [minderjarige] geen contact meer wil met de vader en geen bemoeienis meer wil van de GI. [minderjarige] wil een normaal leven leiden en dingen doen die passen bij een kind in groep 8. [minderjarige] wil volgens de moeder ook niet meer naar therapie. Thuis wordt er niet meer over de vader gesproken. De moeder voelt zich overvallen door de informatie en de visie van de Gezinsadvocaat en de GI dat zij nu begeleid contact met de vader willen doorzetten. De communicatie tussen de moeder enerzijds en de GI en de Gezinsadvocaat anderzijds verloopt niet altijd soepel. De moeder is tegen begeleid contact tussen [minderjarige] en de vader omdat zij [minderjarige] wil beschermen en het [minderjarige] gunt om met rust en focus op de nieuwe school te starten. De moeder erkent dat zij zich niet aan de informatieplicht heeft gehouden. De moeder heeft geen bezwaar tegen verlenging van de ondertoezichtstelling maar vraagt zich wel af wat er het komende jaar dan gedaan zal worden. Het belang van [minderjarige] moet voorop staan. Duidelijk is dat zij geen contact met de vader wil.



4.4.
De vader is gefrustreerd en heeft veel verdriet dat hij [minderjarige] al vier jaar niet heeft gezien. Hij werkt al die tijd mee met de GI en is blij met het standpunt van de GI en de Gezinsadvocaat. De vader hoopt dat er nu beweging komt in het contact met [minderjarige] en als de moeder hier niet aan mee wil werken, er een boeteclausule aan haar kan worden opgelegd.




5De beoordeling


5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.


5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



5.3.
Uit de stukken en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] nog altijd ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. De verstandhouding tussen de ouders is fors verstoord. [minderjarige] verkeert in een loyaliteitsconflict. [minderjarige] lijkt de negatieve houding en gevoelens van de moeder ten opzichte van de vader over te nemen en heeft al jarenlang geen contact met de vader. Door de therapeut, de Gezinsadvocaat en de gedragswetenschapper wordt echter ook gezien dat zij, los van de moeder, wel positief over de vader kan spreken en ook fijne ervaringen met hem en gedachten over hem kan delen. De moeder wil niet dat [minderjarige] contact met de vader heeft en er wordt zelfs niet meer met [minderjarige] over de vader gesproken. De moeder voldoet bovendien niet aan haar informatieplicht jegens de vader, waardoor hij niet op de hoogte is van hetgeen speelt in het leven van [minderjarige] . De kinderrechter is met de GI en de Gezinsadvocaat van oordeel dat dit patroon moet worden doorbroken. Er zal individuele hulpverlening voor [minderjarige] ingezet moeten worden. Toewerken naar begeleid contact met de vader is een eerste stap. De betrokken professionals zijn het erover eens dat het in het belang van [minderjarige] is om haar trauma’s aan te gaan in plaats van af te blijven wachten en alle contact met de vader te vermijden. Gezien de fors verstoorde verhoudingen tussen de ouders zal dit niet in het vrijwillig kader slagen. Naar het oordeel van de kinderrechter is het dan ook van belang dat de GI betrokken blijft om een en ander verder vorm te geven.


5.4.
Op grond van het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] moet worden verlengd. Gezien de doelen waar nog aan moet worden gewerkt, wordt de verzochte termijn van een jaar passend geacht.



5.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



5.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.









6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 16 juni 2026 tot 16 juni 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 1 juli 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.