Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6283
2026-06-11
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/447623 / JE RK 26-735
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.438 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/447623 / JE RK 26-735 ([minderjarige 1] en [minderjarige 2])
C/02/447636 / JE RK 26-740 ([minderjarige 3])
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaken van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake JE RK 26-735:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 april 2026.
Inzake JE RK 26-740:
- Het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 april 2026.
1.2.
Op 11 juni 2026 heeft de kinderrechter, gelet op de onderlinge samenhang, de zaken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren gezamenlijk behandeld.
1.3.
Verschenen en gehoord is:
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.4.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn niet verschenen:
de vader;
de moeder.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben geen gebruik gemaakt van de hen geboden gelegenheid om hun mening te geven.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 7 april 2025 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] voorlopig onder
toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 april 2025 en tot 21 april 2025. De voorlopige ondertoezichtstelling is bij beschikking van 15 april 2025 verlengd tot 7 juli 2025.
2.4.
Bij beschikking van 30 juni 2025 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 30 juni 2025 en tot 30 juni 2026.
2.5.
Bij beschikking van 8 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 8 december 2025 en tot 8 juni 2026.
3Het verzoek
Inzake JE RK 26-735
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Inzake JE RK 26-740
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft de verzoeken. Zoals uit de overgelegde stukken volgt is sprake van een prille positieve ontwikkeling, maar er zijn recent ook zorgen naar voren gekomen over de opvoedsituatie bij de moeder. Gebleken is namelijk dat de moeder met momenten terugvalt in het oude patroon en weer vaker alcohol drinkt. Zowel de GI als de hulpverlening van MST-CAN heeft hierover gesproken met de moeder en naar aanleiding van deze gesprekken heeft de moeder aangegeven dat zij open staat voor persoonlijke hulpverlening. Dit vindt de GI erg belangrijk. Ten aanzien van de opvoedsituatie bij de vader licht de GI toe dat het contact tussen de vader en de minderjarigen goed verloopt en er geen zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de vader, maar dat het voor de vader lastig blijft om de randvoorwaarden op orde te krijgen. De GI heeft daarom ook met de vader gesproken over een persoonlijk hulpverleningstraject. Tot slot verklaart de GI dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] niet nodig is omdat [minderjarige 3] inmiddels weer bij de moeder woont en sprake is van een co-ouderschapsregeling.
5De beoordeling
Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter overweegt allereerst dat uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat de ouders in de afgelopen periode hard hebben gewerkt en positieve stappen hebben gezet. De onderlinge communicatie tussen de ouders is verbeterd en er is meer rust ontstaan in beide opvoedsituaties doordat er geen conflicten meer zijn tussen de ouders. Tegelijkertijd zijn er nog steeds zorgen over de opvoedsituatie bij de beide ouders. De kinderrechter overweegt dat er in de opvoedsituatie van de moeder zorgen zijn over de ruzies tussen de moeder en haar nieuwe partner, alsook over de omstandigheid dat de moeder sinds kort vaker alcohol drinkt en daardoor terugvalt in het oude patroon. Ook ten aanzien van de opvoedsituatie van de vader zijn er nog zorgen. Er heeft recent een politie-inval plaatsgevonden in de woning van de vader waarbij er middelen en gestolen goederen zijn aangetroffen. De vader wordt mogelijk zijn woning uit gezet en zal binnenkort een gevangenisstraf moeten uitzitten. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] nog niet zijn weggenomen.
5.5.
Voorts is de kinderrechter van oordeel is dat de vader en de moeder onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Hoewel de onderlinge communicatie tussen de vader en de moeder beter verloopt en de ouders in de afgelopen periode met de hulpverlening van MST-CAN gezamenlijke afspraken hebben gemaakt, is een overdracht naar het vrijwillige kader niet mogelijk. De kinderrechter neemt daarbij in overweging dat de ouders nog regie nodig hebben in het gedwongen kader en de recente zorgen ten aanzien van het alcoholgebruik van de moeder moeten worden opgevolgd. De kinderrechter komt daardoor tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is. Omdat [minderjarige 1] op [geboortedag 1] 2027 de meerderjarigheid bereikt, wordt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot [geboortedag 1] 2027. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt verlengd tot 30 juni 2027.
5.6.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] blijft bewaken. De kinderrechter vindt het daarbij van belang dat de recente zorgen over het alcoholgebruik van de moeder worden opgevolgd door de GI en dat met zowel de moeder als de vader wordt gesproken over de mogelijkheden voor een persoonlijk hulpverleningstraject. Daarnaast dient de GI zicht te houden op de stabiliteit in beide opvoedsituaties en moet worden bezien of het de ouders lukt om de ingezette positieve ontwikkeling voort te zetten.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
Inzake JE RK 26-735
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] met ingang van 30 juni 2026 en tot 30 juni 2027;
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 30 juni 2026 en tot [geboortedag 1] 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad
6.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Inzake JE RK 26-740
6.5.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] met ingang van 30 juni 2026 en tot 30 juni 2027;
6.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 24 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/447623 / JE RK 26-735 ([minderjarige 1] en [minderjarige 2])
C/02/447636 / JE RK 26-740 ([minderjarige 3])
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaken van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake JE RK 26-735:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 april 2026.
Inzake JE RK 26-740:
- Het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 april 2026.
1.2.
Op 11 juni 2026 heeft de kinderrechter, gelet op de onderlinge samenhang, de zaken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren gezamenlijk behandeld.
1.3.
Verschenen en gehoord is:
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.4.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn niet verschenen:
de vader;
de moeder.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben geen gebruik gemaakt van de hen geboden gelegenheid om hun mening te geven.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 7 april 2025 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] voorlopig onder
toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 april 2025 en tot 21 april 2025. De voorlopige ondertoezichtstelling is bij beschikking van 15 april 2025 verlengd tot 7 juli 2025.
2.4.
Bij beschikking van 30 juni 2025 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 30 juni 2025 en tot 30 juni 2026.
2.5.
Bij beschikking van 8 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 8 december 2025 en tot 8 juni 2026.
3Het verzoek
Inzake JE RK 26-735
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Inzake JE RK 26-740
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft de verzoeken. Zoals uit de overgelegde stukken volgt is sprake van een prille positieve ontwikkeling, maar er zijn recent ook zorgen naar voren gekomen over de opvoedsituatie bij de moeder. Gebleken is namelijk dat de moeder met momenten terugvalt in het oude patroon en weer vaker alcohol drinkt. Zowel de GI als de hulpverlening van MST-CAN heeft hierover gesproken met de moeder en naar aanleiding van deze gesprekken heeft de moeder aangegeven dat zij open staat voor persoonlijke hulpverlening. Dit vindt de GI erg belangrijk. Ten aanzien van de opvoedsituatie bij de vader licht de GI toe dat het contact tussen de vader en de minderjarigen goed verloopt en er geen zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de vader, maar dat het voor de vader lastig blijft om de randvoorwaarden op orde te krijgen. De GI heeft daarom ook met de vader gesproken over een persoonlijk hulpverleningstraject. Tot slot verklaart de GI dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] niet nodig is omdat [minderjarige 3] inmiddels weer bij de moeder woont en sprake is van een co-ouderschapsregeling.
5De beoordeling
Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter overweegt allereerst dat uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat de ouders in de afgelopen periode hard hebben gewerkt en positieve stappen hebben gezet. De onderlinge communicatie tussen de ouders is verbeterd en er is meer rust ontstaan in beide opvoedsituaties doordat er geen conflicten meer zijn tussen de ouders. Tegelijkertijd zijn er nog steeds zorgen over de opvoedsituatie bij de beide ouders. De kinderrechter overweegt dat er in de opvoedsituatie van de moeder zorgen zijn over de ruzies tussen de moeder en haar nieuwe partner, alsook over de omstandigheid dat de moeder sinds kort vaker alcohol drinkt en daardoor terugvalt in het oude patroon. Ook ten aanzien van de opvoedsituatie van de vader zijn er nog zorgen. Er heeft recent een politie-inval plaatsgevonden in de woning van de vader waarbij er middelen en gestolen goederen zijn aangetroffen. De vader wordt mogelijk zijn woning uit gezet en zal binnenkort een gevangenisstraf moeten uitzitten. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] nog niet zijn weggenomen.
5.5.
Voorts is de kinderrechter van oordeel is dat de vader en de moeder onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Hoewel de onderlinge communicatie tussen de vader en de moeder beter verloopt en de ouders in de afgelopen periode met de hulpverlening van MST-CAN gezamenlijke afspraken hebben gemaakt, is een overdracht naar het vrijwillige kader niet mogelijk. De kinderrechter neemt daarbij in overweging dat de ouders nog regie nodig hebben in het gedwongen kader en de recente zorgen ten aanzien van het alcoholgebruik van de moeder moeten worden opgevolgd. De kinderrechter komt daardoor tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is. Omdat [minderjarige 1] op [geboortedag 1] 2027 de meerderjarigheid bereikt, wordt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot [geboortedag 1] 2027. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt verlengd tot 30 juni 2027.
5.6.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] blijft bewaken. De kinderrechter vindt het daarbij van belang dat de recente zorgen over het alcoholgebruik van de moeder worden opgevolgd door de GI en dat met zowel de moeder als de vader wordt gesproken over de mogelijkheden voor een persoonlijk hulpverleningstraject. Daarnaast dient de GI zicht te houden op de stabiliteit in beide opvoedsituaties en moet worden bezien of het de ouders lukt om de ingezette positieve ontwikkeling voort te zetten.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
Inzake JE RK 26-735
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] met ingang van 30 juni 2026 en tot 30 juni 2027;
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 30 juni 2026 en tot [geboortedag 1] 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad
6.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Inzake JE RK 26-740
6.5.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] met ingang van 30 juni 2026 en tot 30 juni 2027;
6.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 24 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.