Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6249
2026-06-10
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/434897 / JE RK 25-812 - C/02/399339 / FA RK 22-3029
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Nadere beschikking- beeïndiging gezag, omgangsregeling en informatieregeling. Vader verzoekt zelf OTS; afwijzing, geen ontwikkelingsbedreiging.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.269 tekens)
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaak-/rekestnummers: C/02/434897 / JE RK 25-812 (ondertoezichtstelling)C/02/399339 / FA RK 22-3029 (gezag, zorgregeling en informatieregeling)
(nadere) beschikking betreffende wijziging gezag, zorg- en contactregeling, informatieregeling en een ondertoezichtstelling
in de zaak met kernmerk C/02/399339 / FA RK 22-3029
[de man]
, hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,
tegen
[de vrouw] , hierna te noemen de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen.
ouders van het nog minderjarige kind:
-
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
In de zaak met kenmerk C/02/434897 / JE RK 25-812
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vrouw]
,
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen.
1Het verdere procesverloop
1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikkingen van deze rechtbank van 21 juli 2025 met alle daarin genoemde stukken;
- op 24 oktober 2025 ingekomen rapport en advies van de Raad.
1.2.
De zaak is verder behandeld op de mondelinge behandeling van 29 oktober 2025. De zaak is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de man met zaaknummer C/02/434897 / JE RK 25-812. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
Voor deze mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige] gesproken over het verzoek. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De verdere beoordeling
2.1.
De rechtbank verwijst naar haar beschikkingen van 21 juli 2025. Hierin is bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw. Tevens heeft de rechtbank de Raad verzocht om een beschermingsonderzoek uit te voeren en daarover te rapporten. Gelet daarop heeft de rechtbank iedere verdere beslissing op het verzoek aangehouden tot een nader te bepalen zittingsdatum begin november 2025.
2.2.
Op 24 oktober 2026 heeft de Raad de rechtbank geadviseerd. Kort samengevat heeft de Raad ten aanzien van het ouderlijk gezag geadviseerd om het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] af te wijzen. Ten aanzien van de zorg- en contactregeling adviseert de Raad om het verzoek van de man om een zorgregeling vast te stellen met [minderjarige] af te wijzen. Daarnaast adviseert de Raad om een informatieregeling vast te stellen, waarbij de man ieder kwartaal door de vrouw wordt geïnformeerd over de schoolse ontwikkeling van [minderjarige] . Verder ziet de Raad op basis van het onderzoek geen aanleiding om een verzoek in te dienen tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] .
2.3.
Thans is in de zaak met kenmerk C/02/399339 / FA RK 22-3029 nog aan de orde de verzoeken van de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de man gerechtigd is tot het hebben van contact met de minderjarige, gedurende de eerste twee maanden op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur, waarna de zorg- en contactregeling wordt uitgebreid naar één weekend per veertien dagen van vrijdagavond 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, alsmede gedurende de helft van de vakantie en de feestdagen, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie zal bepalen, en
II. te bepalen dat de vrouw een opeisbare dwangsom verbeurt van € 500,- per dag of gedeelte van een dag, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere keer dat de vrouw in gebreke blijft om aan deze regeling haar medewerking te verlenen;
III. te bepalen dat de vrouw de man éénmaal per maand schriftelijk informeert omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot de minderjarige, en te bepalen dat daarbij informatie wordt verstrekt aan de man over de ontwikkeling en de gezondheid, de schoolgang, schoolresultaten, sport, hobby’s en het algemeen welzijn van de persoon van de minderjarige, en te bepalen dat daarbij aan de man een recente en goed gelijkende foto van de minderjarige wordt verstrekt;
IV. te bepalen dat de vrouw, voor iedere dag dat zij met het verstrekken van de bedoelde informatie in gebreke blijft, een opeisbare dwangsom verbeurt van € 250,- per dag, althans een zodanige beslissing te nemen en zodanige dwangsom op te leggen als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
De man voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw ten aanzien van het wijzigen van het ouderlijk gezag en verzoekt dit verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
2.4.
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandige verzoeken heeft de vrouw verzocht:
- te bepalen dat het gezag over de minderjarige met uitsluiting van de man alleen aan de vrouw toekomt.
2.5.
In de zaak met kenmerk C/02/434897 / JE RK 25-812 is nog aan de orde het verzoek van de man om [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Standpunten van de betrokkenen
2.6.
Door [minderjarige] is tijdens het gesprek met de kinderrechter naar voren gebracht dat het goed met haar gaat. Ze had een brief naar de man geschreven, maar ze heeft hier geen antwoord op gekregen. Ondertussen wil [minderjarige] niet meer in contact komen met de man; daar heeft ze geen behoefte aan. Ook zou ze het vreemd vinden als de man gezagsbeslissingen over haar mag nemen, terwijl hij haar niet kent. Mocht ze in de toekomst wel contact met haar vader willen, dan weet [minderjarige] zeker dat haar moeder en stiefvader haar zouden steunen om dit contact te realiseren.
2.7.
Door en namens de man is tijdens de zitting gesteld dat hij graag een rol wil spelen in het leven van [minderjarige] . Inmiddels heeft hij haar al elf jaar niet gezien en zou haar graag, op haar tempo, willen leren kennen. De man maakt zich zorgen om wat de situatie, waarin [minderjarige] haar vader niet kent, met haar doet. Zij heeft inmiddels een negatief vaderbeeld, wat ten koste gaat van haar eigen identiteitsontwikkeling. De man heeft het vermoeden dat het negatieve vaderbeeld aan [minderjarige] ingegeven wordt door de vrouw. Ook heeft hij het vermoeden dat de vrouw hem overal buitensluit doordat ze hem geen informatie over [minderjarige] , bijvoorbeeld over haar schoolgang, verstrekt. Er is dan ook sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging nu er sprake is van ouderverstoting. Het is van belang dat het contact tussen [minderjarige] en de man zo spoedig mogelijk hersteld wordt met inzet van de hulpverlening, het liefst in het kader van de ondertoezichtstelling. Tot op heden is het in het vrijwillige kader niet gelukt om met behulp van hulpverlening contact tussen [minderjarige] en de vader te realiseren. Er dient regievoering door een jeugdbeschermer plaats te vinden en gekeken moet worden waar de weerstand van [minderjarige] tegen het contact met haar vader uit voortkomt. De man stelt zich op het standpunt de zaak aan te houden door de duur van zes maanden, om te bezien wat de inzet van de hulpverlening op gaat leveren. Voor wat betreft het verzoek van de vrouw om haar eenhoofdig met het gezag over [minderjarige] te belasten bepleit de man afwijzing van dit verzoek. De man vreest ervoor dat als hij niet meer met het gezag over [minderjarige] belast is, iedere band verbroken wordt. Daartegenover staat dat hij gezagsbeslissingen nimmer heeft tegengehouden en dat ook in de toekomst niet zal doen. Ook is de man altijd bereikbaar voor de vrouw. Nu er geen onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen haar ouders bij instandhouding van het gezamenlijk gezag en ook niet blijkt dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, ligt de vrouw haar verzoek voor afwijzing gereed. Volledigheidshalve merkt de man op dat hij het liefst eerder een procedure gestart was om weer in contact met [minderjarige] te komen, maar hij toen niet de financiële middelen had om een procedure te starten. Ook bevestigt de man dat hij niet geantwoord heeft op de brief van [minderjarige] . Hij had hulp van [jeugdhulp] ingeschakeld zodat hij een antwoord op de brief aan [minderjarige] kon afgeven, maar [jeugdhulp] heeft uiteindelijk geen concrete stappen gezet om dit te bewerkstelligen. Ook was de man bang dat, als hij op de brief van [minderjarige] had geantwoord, deze nooit bij [minderjarige] zou aankomen.
2.8.
Door en namens de vrouw is verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man. Voor wat betreft de door de man verzochte zorgregeling kan de vrouw zich vinden in het advies van de Raad, zoals volgt uit het raadsrapport. Ook zij is van mening dat het vaststellen van een zorgregeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is. Het gaat op dit moment goed met [minderjarige] ; zij voelt zich goed en behaalt goede resultaten op school. Desalniettemin geeft zij consequent aan geen behoefte te hebben aan contact met haar vader. Het dwingen tot contact met de man, ook in het kader van een ondertoezichtstelling, zal naar alle waarschijnlijkheid een averechts effect hebben op [minderjarige] . De vrouw acht de kans dat er ruimte bij [minderjarige] zal ontstaan op het moment dat hij een stapje terug doet groter. Voor wat betreft het advies van de Raad omtrent het instandhouding van het gezamenlijk gezag kan de vrouw zich daar niet in vinden. Doordat de man al geruime tijd feitelijk niet meer betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] is hij niet in staat om beslissingen te nemen over [minderjarige] die passen bij haar belevingswereld en die recht doen aan haar belangen. Daarnaast heeft [minderjarige] er last van dat de man beslissingen over haar mag nemen. De door haar gewenste achternaam mocht ze van de man op de scouting niet dragen. Ook was [minderjarige] bang dat ze van de man niet mee mocht naar een reisje naar het buitenland georganiseerd vanuit de scouting. Bij instandhouding van het gezamenlijk gezag bestaat dan ook de kans dat [minderjarige] klem en verloren zal raken tussen de ouders. Mocht de vrouw eenhoofdig belast worden met het gezag over [minderjarige] , dan wil de vrouw de man informatie verschaffen over de ontwikkelingen van [minderjarige] , inhoudende dat zij eens per kwartaal schoolgegevens van [minderjarige] aan de man verstrekt. Andere zaken aangaande [minderjarige] , zoals haar gezondheid en welzijn onder begeleiding van foto’s wil [minderjarige] liever niet dat dat verstrekt wordt aan de man. De vrouw wil niet aan deze wens van [minderjarige] voorbij gaan, omdat dit anders mogelijke gevolgen heeft voor haar band met [minderjarige] .
2.9.
De vertegenwoordiger van de Raad heeft tijdens de zitting het navolgende naar voren gebracht. [minderjarige] spreekt duidelijk uit dat ze voor nu geen ruimte voelt voor contactherstel met haar vader. Gelet op haar leeftijd, is het niet in haar belang om een contactregeling vast te stellen. Een eventuele contactregeling zal voor veel onrust en weerstand bij [minderjarige] zorgen en zij zal naar verwachting ook niet gaan meewerken aan een contactregeling. Vanuit de Raad wordt ook gezien dat de vrouw en diens partner de benodigde ruimte aan [minderjarige] geven om zelf een mening te vormen over de man. Een zorg vanuit de Raad is dat als er geen contact is tussen [minderjarige] en de man en hij geen gezag meer over haar uitoefent, dat [minderjarige] geen beeld meer van de man kan vormen. Het advies is daarom het gezamenlijke gezag in stand te houden, zodat aan [minderjarige] een signaal kan worden gegeven dat de man – weliswaar op afstand – een rol speelt in haar leven. Daarvoor is het wel belangrijk dat de man geen gezagsbeslissingen gaat blokkeren dan wel vertragen. Daarbij merkt de vertegenwoordiger van de Raad op dat zij geen ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] zien; zij ontwikkelt zich goed. De enige zorg die er is, is dat [minderjarige] geen contact met haar vader heeft en geen eigen beeld over hem kan vormen. Daarnaast acht de Raad het in deze situatie passend dat de vrouw de man ieder kwartaal informeert over de schoolse ontwikkeling van [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
Ondertoezichtstelling;
2.10.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
2.11.
Op grond van artikel 1:255, tweede lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of het openbaar ministerie. Tevens zijn een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad voor de Kinderbescherming niet tot indiening van het verzoek overgaat.
2.12.
Nu de Raad niet overgaat tot het verzoeken van een ondertoezichtstelling, is de man ontvankelijk in zijn verzoek.
2.13.
De kinderrechter is, gelet op de ingediende stukken en de mondelinge behandeling, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid BW genoemde gronden niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn. De kinderrechter ziet en hoort de zorgen van de man. Vaststaat dat [minderjarige] geen contact met haar vader heeft en daardoor geen eigen beeld van hem kan vormen. Dit kan op termijn nadelige gevolgen hebben voor haar identiteitsontwikkeling. Dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging is echter niet vast komen te staan. De kinderrechter betrekt hierin dat de Raad geen aanleiding ziet voor een ondertoezichtstelling; zelfs niet nadat zij een beschermingsonderzoek hebben gedaan. Ook de ingezette hulpverleningsinstanties of de school van [minderjarige] hebben geen reden gezien om zich met zorgen over [minderjarige] te melden bij de Raad. Uit de stukken blijkt dan ook dat het goed gaat met [minderjarige] ; zij ontwikkelt zich sociaal-emotioneel goed.
2.14.
Gelet op het voorstaande, wijst de kinderrechter het verzoek van de man om [minderjarige] onder toezicht te stellen af.
Gezamenlijk gezag;
2.15.
De rechtbank dient te beoordelen of het gezamenlijk gezag van de ouders moet worden beëindigd, zoals verzocht door de vrouw. Uit artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in samenhang gelezen met artikel 1:251a, eerste en tweede lid, BW volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond van waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.16.
De rechtbank is van oordeel dat sinds het uiteengaan van partijen sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu is gebleken dat partijen niet meer met elkaar communiceren en de man al geruime tijd geen contact meer heeft gehad met [minderjarige] . Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan het vereiste van artikel 1:253n lid 1 BW en kan derhalve de vrouw worden ontvangen in haar verzoek.
2.17.
Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarig kind (blijven) uitoefenen. Voor de uitvoering van gezamenlijk gezag is wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situatie die zich rond de minderjarige kunnen voordoen.
2.18.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de zitting komt duidelijk naar voren dat er sprake is van strijd tussen de ouders en dat zij over en weer elkaar van alles verwijten. De vrouw heeft geen vertrouwen om samen met de man beslissingen over [minderjarige] te nemen. De man vertrouwt daarentegen de vrouw niet dat zij hem volledig over [minderjarige] informeert. Er is op geen enkele wijze communicatie tussen de man en vrouw mogelijk en de rechtbank verwacht niet dat daar op korte termijn ook geen wijziging zal in komen, terwijl in de komende jaren nog verschillende gezagsbeslissingen over [minderjarige] zullen moeten worden genomen. Daarnaast is gebleken dat de man al geruime tijd feitelijk niet meer betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Doordat de man al geruime tijd op afstand van [minderjarige] staat, heeft hij geen zicht meer op haar ontwikkeling en is niet op de hoogte is van haar leefwereld. Dat bepaalde gezagskwesties vragen bij de man oproept, is dan ook begrijpelijk. Echter, door het ontbreken van het contact tussen de man en de vrouw en het gegeven dat de man niet op de hoogte is van de ontwikkelingen van [minderjarige] , is het aannemelijk dat dit in de praktijk tot problemen leidt bij de uitoefening van het gezag. De vrouw heeft dan ook onbetwist gesteld dat zij in de afgelopen jaren hinder heeft ondervonden bij de uitvoering van haar taken als verzorgend ouder en van het feit dat tussen partijen gezamenlijk gezag bestaat. Ook [minderjarige] zelf heeft bij de uitvoering van het gezag van de man hinder ondervonden en er is bij haar een angst ontstaan dat de man bijvoorbeeld in de toekomst wederom geen toestemming geeft voor uitjes in het buitenland.
2.19.
Gelet op het vorenstaande, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders, indien zij worden gedwongen om met elkaar gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. Nu de rechtbank niet verwacht dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zal komen, betekent dat dat de rechtbank het gezamenlijk gezag van ouders zal beëindigen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en haar alleen met het gezag over [minderjarige] belasten.
Omgangsregeling;
2.20.
De man heeft verzocht een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen. De rechtbank erkent dat contact tussen een kind en ouder in beginsel in het belang van het kind is, mede in het licht van de identiteitsontwikkeling, maar gebleken is dat er op dit moment bij [minderjarige] geen ruimte bestaat voor contact met de man. Mede gelet op de leeftijd van [minderjarige] , zou het forceren of afdwingen van contact met de man naar verwachting een averechts effect kunnen hebben en wordt daarom niet in het belang van [minderjarige] geacht. De rechtbank hoopt dat als er rust in de situatie ontstaat, op termijn mogelijk wel ruimte ontstaat voor contactherstel. De man heeft kenbaar gemaakt dat hij graag een rol wil spelen in het leven van [minderjarige] en dat hij wenst dat zij hem en zijn familie leert kennen. Van de vrouw verwacht de rechtbank dat zij niet alleen berust in een eventueel toekomstig contact tussen de man en [minderjarige] , maar [minderjarige] daarvoor ook emotionele toestemming geeft, zodat zij zich vrij voelt om – indien en zodra zij daaraan toe is – contact met de man aan te gaan.
2.21.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling afwijzen.
Informatieregeling en dwangsom;
2.22.
De man heeft verzocht om een informatieregeling vast te leggen, inhoudende dat de vrouw de man minstens éénmaal per maand schriftelijk dient te informeren over de belangrijke ontwikkelingen en aangelegenheden in het leven van [minderjarige] en dat daarbij aan de man een recente en goed gelijkende foto van [minderjarige] wordt verstrekt.
2.23.
Ingevolge artikel 1:377b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is de ouder, die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen, zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
2.24.
De rechtbank is onvoldoende gebleken dat sprake is van contra-indicaties voor het vaststellen van een informatieregeling. Nu de man niet meer is belast met het gezag over [minderjarige] , acht de rechtbank het juist van belang dat hij de ontwikkeling van [minderjarige] kan volgen door middel van een informatieregeling. Op die manier kan de man kennismaken met [minderjarige] op afstand en kan hij zien wie zij is, in welke ontwikkelingsfase zij zich bevindt en wat er gebeurt in haar leven. De rechtbank benadrukt hierbij dat het van belang is dat er zorgvuldig met de informatie moet worden omgegaan en dat de man niet dient te reageren op deze informatieve e-mailberichten van de vrouw over [minderjarige] . Het is daarnaast niet de bedoeling dat de man de vrouw of [minderjarige] zal benaderen op basis van de informatie die wordt verstrekt. De informatie is uitdrukkelijk bedoeld ter kennisname.
2.25.
De rechtbank zal bepalen dat de vrouw de man schriftelijk dient te informeren op elke eerste dag van een kwartaal, te weten 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober, over de algehele ontwikkeling, de gezondheid, de schoolgang, schoolresultaten, sport, hobby’s en het algemeen welzijn van [minderjarige] . Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat de vrouw eens per jaar de meest recente schoolfoto van [minderjarige] aan de man verstrekt.
2.26.
De rechtbank zal het verzoek van de man, inhoudende te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt voor iedere keer dat zij in gebreke blijft aan de omgangsregeling te voldoen, afwijzen. Niet gebleken is dat de vrouw de informatieregeling niet zal nakomen. Bovendien acht de rechtbank de toepassing van de door de man verzochte dwangsom niet in het belang van [minderjarige] .
Uitvoerbaar bij voorraad
2.27.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat de rechtbank in het belang van [minderjarige] acht dat de beslissing meteen uitgevoerd wordt.
3De beslissing
De rechtbank:
In de zaak C/02/434897 / JE RK 25-812 (ondertoezichtstelling)
3.1.
wijst het verzoek van de man af.
In de zaak C/02/399339 / FA RK 22-3029 (gezag, zorgregeling en hoofdverblijf)
3.2.
beëindigt het gezamenlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] , en bepaalt dat het gezag over de minderjarige voortaan wordt uitgeoefend door de vrouw alleen;
3.3.
bepaalt dat de vrouw – op elke eerste dag van een kwartaal (te weten 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober) – schriftelijk informeert over belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige] , waarbij informatie wordt verstrekt over haar algehele ontwikkeling, de gezondheid, de schoolgang, schoolresultaten, sport, hobby’s en het algemeen welzijn van [minderjarige] , alsmede onder eens per jaar overlegging van een recente, duidelijke, herkenbare, goedgelijkende schoolfoto van [minderjarige] , zulks met inachtneming hetgeen in rechtsoverweging 2.25. is overwogen;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
De beslissing in de zaak met kenmerk C/02/434897 / JE RK 25-812 is mondeling gegeven door mr. Verschoor- Bergsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing in de zaak met kenmerk C/02/399339 / FA RK 22-3029 is gegeven door mr. Verschoor- Bergsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaak-/rekestnummers: C/02/434897 / JE RK 25-812 (ondertoezichtstelling)C/02/399339 / FA RK 22-3029 (gezag, zorgregeling en informatieregeling)
(nadere) beschikking betreffende wijziging gezag, zorg- en contactregeling, informatieregeling en een ondertoezichtstelling
in de zaak met kernmerk C/02/399339 / FA RK 22-3029
[de man]
, hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,
tegen
[de vrouw] , hierna te noemen de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen.
ouders van het nog minderjarige kind:
-
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
In de zaak met kenmerk C/02/434897 / JE RK 25-812
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vrouw]
,
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen.
1Het verdere procesverloop
1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikkingen van deze rechtbank van 21 juli 2025 met alle daarin genoemde stukken;
- op 24 oktober 2025 ingekomen rapport en advies van de Raad.
1.2.
De zaak is verder behandeld op de mondelinge behandeling van 29 oktober 2025. De zaak is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de man met zaaknummer C/02/434897 / JE RK 25-812. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
Voor deze mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige] gesproken over het verzoek. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De verdere beoordeling
2.1.
De rechtbank verwijst naar haar beschikkingen van 21 juli 2025. Hierin is bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw. Tevens heeft de rechtbank de Raad verzocht om een beschermingsonderzoek uit te voeren en daarover te rapporten. Gelet daarop heeft de rechtbank iedere verdere beslissing op het verzoek aangehouden tot een nader te bepalen zittingsdatum begin november 2025.
2.2.
Op 24 oktober 2026 heeft de Raad de rechtbank geadviseerd. Kort samengevat heeft de Raad ten aanzien van het ouderlijk gezag geadviseerd om het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] af te wijzen. Ten aanzien van de zorg- en contactregeling adviseert de Raad om het verzoek van de man om een zorgregeling vast te stellen met [minderjarige] af te wijzen. Daarnaast adviseert de Raad om een informatieregeling vast te stellen, waarbij de man ieder kwartaal door de vrouw wordt geïnformeerd over de schoolse ontwikkeling van [minderjarige] . Verder ziet de Raad op basis van het onderzoek geen aanleiding om een verzoek in te dienen tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] .
2.3.
Thans is in de zaak met kenmerk C/02/399339 / FA RK 22-3029 nog aan de orde de verzoeken van de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de man gerechtigd is tot het hebben van contact met de minderjarige, gedurende de eerste twee maanden op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur, waarna de zorg- en contactregeling wordt uitgebreid naar één weekend per veertien dagen van vrijdagavond 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, alsmede gedurende de helft van de vakantie en de feestdagen, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie zal bepalen, en
II. te bepalen dat de vrouw een opeisbare dwangsom verbeurt van € 500,- per dag of gedeelte van een dag, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere keer dat de vrouw in gebreke blijft om aan deze regeling haar medewerking te verlenen;
III. te bepalen dat de vrouw de man éénmaal per maand schriftelijk informeert omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot de minderjarige, en te bepalen dat daarbij informatie wordt verstrekt aan de man over de ontwikkeling en de gezondheid, de schoolgang, schoolresultaten, sport, hobby’s en het algemeen welzijn van de persoon van de minderjarige, en te bepalen dat daarbij aan de man een recente en goed gelijkende foto van de minderjarige wordt verstrekt;
IV. te bepalen dat de vrouw, voor iedere dag dat zij met het verstrekken van de bedoelde informatie in gebreke blijft, een opeisbare dwangsom verbeurt van € 250,- per dag, althans een zodanige beslissing te nemen en zodanige dwangsom op te leggen als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
De man voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw ten aanzien van het wijzigen van het ouderlijk gezag en verzoekt dit verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
2.4.
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandige verzoeken heeft de vrouw verzocht:
- te bepalen dat het gezag over de minderjarige met uitsluiting van de man alleen aan de vrouw toekomt.
2.5.
In de zaak met kenmerk C/02/434897 / JE RK 25-812 is nog aan de orde het verzoek van de man om [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Standpunten van de betrokkenen
2.6.
Door [minderjarige] is tijdens het gesprek met de kinderrechter naar voren gebracht dat het goed met haar gaat. Ze had een brief naar de man geschreven, maar ze heeft hier geen antwoord op gekregen. Ondertussen wil [minderjarige] niet meer in contact komen met de man; daar heeft ze geen behoefte aan. Ook zou ze het vreemd vinden als de man gezagsbeslissingen over haar mag nemen, terwijl hij haar niet kent. Mocht ze in de toekomst wel contact met haar vader willen, dan weet [minderjarige] zeker dat haar moeder en stiefvader haar zouden steunen om dit contact te realiseren.
2.7.
Door en namens de man is tijdens de zitting gesteld dat hij graag een rol wil spelen in het leven van [minderjarige] . Inmiddels heeft hij haar al elf jaar niet gezien en zou haar graag, op haar tempo, willen leren kennen. De man maakt zich zorgen om wat de situatie, waarin [minderjarige] haar vader niet kent, met haar doet. Zij heeft inmiddels een negatief vaderbeeld, wat ten koste gaat van haar eigen identiteitsontwikkeling. De man heeft het vermoeden dat het negatieve vaderbeeld aan [minderjarige] ingegeven wordt door de vrouw. Ook heeft hij het vermoeden dat de vrouw hem overal buitensluit doordat ze hem geen informatie over [minderjarige] , bijvoorbeeld over haar schoolgang, verstrekt. Er is dan ook sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging nu er sprake is van ouderverstoting. Het is van belang dat het contact tussen [minderjarige] en de man zo spoedig mogelijk hersteld wordt met inzet van de hulpverlening, het liefst in het kader van de ondertoezichtstelling. Tot op heden is het in het vrijwillige kader niet gelukt om met behulp van hulpverlening contact tussen [minderjarige] en de vader te realiseren. Er dient regievoering door een jeugdbeschermer plaats te vinden en gekeken moet worden waar de weerstand van [minderjarige] tegen het contact met haar vader uit voortkomt. De man stelt zich op het standpunt de zaak aan te houden door de duur van zes maanden, om te bezien wat de inzet van de hulpverlening op gaat leveren. Voor wat betreft het verzoek van de vrouw om haar eenhoofdig met het gezag over [minderjarige] te belasten bepleit de man afwijzing van dit verzoek. De man vreest ervoor dat als hij niet meer met het gezag over [minderjarige] belast is, iedere band verbroken wordt. Daartegenover staat dat hij gezagsbeslissingen nimmer heeft tegengehouden en dat ook in de toekomst niet zal doen. Ook is de man altijd bereikbaar voor de vrouw. Nu er geen onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen haar ouders bij instandhouding van het gezamenlijk gezag en ook niet blijkt dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, ligt de vrouw haar verzoek voor afwijzing gereed. Volledigheidshalve merkt de man op dat hij het liefst eerder een procedure gestart was om weer in contact met [minderjarige] te komen, maar hij toen niet de financiële middelen had om een procedure te starten. Ook bevestigt de man dat hij niet geantwoord heeft op de brief van [minderjarige] . Hij had hulp van [jeugdhulp] ingeschakeld zodat hij een antwoord op de brief aan [minderjarige] kon afgeven, maar [jeugdhulp] heeft uiteindelijk geen concrete stappen gezet om dit te bewerkstelligen. Ook was de man bang dat, als hij op de brief van [minderjarige] had geantwoord, deze nooit bij [minderjarige] zou aankomen.
2.8.
Door en namens de vrouw is verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man. Voor wat betreft de door de man verzochte zorgregeling kan de vrouw zich vinden in het advies van de Raad, zoals volgt uit het raadsrapport. Ook zij is van mening dat het vaststellen van een zorgregeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is. Het gaat op dit moment goed met [minderjarige] ; zij voelt zich goed en behaalt goede resultaten op school. Desalniettemin geeft zij consequent aan geen behoefte te hebben aan contact met haar vader. Het dwingen tot contact met de man, ook in het kader van een ondertoezichtstelling, zal naar alle waarschijnlijkheid een averechts effect hebben op [minderjarige] . De vrouw acht de kans dat er ruimte bij [minderjarige] zal ontstaan op het moment dat hij een stapje terug doet groter. Voor wat betreft het advies van de Raad omtrent het instandhouding van het gezamenlijk gezag kan de vrouw zich daar niet in vinden. Doordat de man al geruime tijd feitelijk niet meer betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] is hij niet in staat om beslissingen te nemen over [minderjarige] die passen bij haar belevingswereld en die recht doen aan haar belangen. Daarnaast heeft [minderjarige] er last van dat de man beslissingen over haar mag nemen. De door haar gewenste achternaam mocht ze van de man op de scouting niet dragen. Ook was [minderjarige] bang dat ze van de man niet mee mocht naar een reisje naar het buitenland georganiseerd vanuit de scouting. Bij instandhouding van het gezamenlijk gezag bestaat dan ook de kans dat [minderjarige] klem en verloren zal raken tussen de ouders. Mocht de vrouw eenhoofdig belast worden met het gezag over [minderjarige] , dan wil de vrouw de man informatie verschaffen over de ontwikkelingen van [minderjarige] , inhoudende dat zij eens per kwartaal schoolgegevens van [minderjarige] aan de man verstrekt. Andere zaken aangaande [minderjarige] , zoals haar gezondheid en welzijn onder begeleiding van foto’s wil [minderjarige] liever niet dat dat verstrekt wordt aan de man. De vrouw wil niet aan deze wens van [minderjarige] voorbij gaan, omdat dit anders mogelijke gevolgen heeft voor haar band met [minderjarige] .
2.9.
De vertegenwoordiger van de Raad heeft tijdens de zitting het navolgende naar voren gebracht. [minderjarige] spreekt duidelijk uit dat ze voor nu geen ruimte voelt voor contactherstel met haar vader. Gelet op haar leeftijd, is het niet in haar belang om een contactregeling vast te stellen. Een eventuele contactregeling zal voor veel onrust en weerstand bij [minderjarige] zorgen en zij zal naar verwachting ook niet gaan meewerken aan een contactregeling. Vanuit de Raad wordt ook gezien dat de vrouw en diens partner de benodigde ruimte aan [minderjarige] geven om zelf een mening te vormen over de man. Een zorg vanuit de Raad is dat als er geen contact is tussen [minderjarige] en de man en hij geen gezag meer over haar uitoefent, dat [minderjarige] geen beeld meer van de man kan vormen. Het advies is daarom het gezamenlijke gezag in stand te houden, zodat aan [minderjarige] een signaal kan worden gegeven dat de man – weliswaar op afstand – een rol speelt in haar leven. Daarvoor is het wel belangrijk dat de man geen gezagsbeslissingen gaat blokkeren dan wel vertragen. Daarbij merkt de vertegenwoordiger van de Raad op dat zij geen ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] zien; zij ontwikkelt zich goed. De enige zorg die er is, is dat [minderjarige] geen contact met haar vader heeft en geen eigen beeld over hem kan vormen. Daarnaast acht de Raad het in deze situatie passend dat de vrouw de man ieder kwartaal informeert over de schoolse ontwikkeling van [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
Ondertoezichtstelling;
2.10.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
2.11.
Op grond van artikel 1:255, tweede lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of het openbaar ministerie. Tevens zijn een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad voor de Kinderbescherming niet tot indiening van het verzoek overgaat.
2.12.
Nu de Raad niet overgaat tot het verzoeken van een ondertoezichtstelling, is de man ontvankelijk in zijn verzoek.
2.13.
De kinderrechter is, gelet op de ingediende stukken en de mondelinge behandeling, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid BW genoemde gronden niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn. De kinderrechter ziet en hoort de zorgen van de man. Vaststaat dat [minderjarige] geen contact met haar vader heeft en daardoor geen eigen beeld van hem kan vormen. Dit kan op termijn nadelige gevolgen hebben voor haar identiteitsontwikkeling. Dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging is echter niet vast komen te staan. De kinderrechter betrekt hierin dat de Raad geen aanleiding ziet voor een ondertoezichtstelling; zelfs niet nadat zij een beschermingsonderzoek hebben gedaan. Ook de ingezette hulpverleningsinstanties of de school van [minderjarige] hebben geen reden gezien om zich met zorgen over [minderjarige] te melden bij de Raad. Uit de stukken blijkt dan ook dat het goed gaat met [minderjarige] ; zij ontwikkelt zich sociaal-emotioneel goed.
2.14.
Gelet op het voorstaande, wijst de kinderrechter het verzoek van de man om [minderjarige] onder toezicht te stellen af.
Gezamenlijk gezag;
2.15.
De rechtbank dient te beoordelen of het gezamenlijk gezag van de ouders moet worden beëindigd, zoals verzocht door de vrouw. Uit artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in samenhang gelezen met artikel 1:251a, eerste en tweede lid, BW volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond van waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.16.
De rechtbank is van oordeel dat sinds het uiteengaan van partijen sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu is gebleken dat partijen niet meer met elkaar communiceren en de man al geruime tijd geen contact meer heeft gehad met [minderjarige] . Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan het vereiste van artikel 1:253n lid 1 BW en kan derhalve de vrouw worden ontvangen in haar verzoek.
2.17.
Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarig kind (blijven) uitoefenen. Voor de uitvoering van gezamenlijk gezag is wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situatie die zich rond de minderjarige kunnen voordoen.
2.18.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de zitting komt duidelijk naar voren dat er sprake is van strijd tussen de ouders en dat zij over en weer elkaar van alles verwijten. De vrouw heeft geen vertrouwen om samen met de man beslissingen over [minderjarige] te nemen. De man vertrouwt daarentegen de vrouw niet dat zij hem volledig over [minderjarige] informeert. Er is op geen enkele wijze communicatie tussen de man en vrouw mogelijk en de rechtbank verwacht niet dat daar op korte termijn ook geen wijziging zal in komen, terwijl in de komende jaren nog verschillende gezagsbeslissingen over [minderjarige] zullen moeten worden genomen. Daarnaast is gebleken dat de man al geruime tijd feitelijk niet meer betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Doordat de man al geruime tijd op afstand van [minderjarige] staat, heeft hij geen zicht meer op haar ontwikkeling en is niet op de hoogte is van haar leefwereld. Dat bepaalde gezagskwesties vragen bij de man oproept, is dan ook begrijpelijk. Echter, door het ontbreken van het contact tussen de man en de vrouw en het gegeven dat de man niet op de hoogte is van de ontwikkelingen van [minderjarige] , is het aannemelijk dat dit in de praktijk tot problemen leidt bij de uitoefening van het gezag. De vrouw heeft dan ook onbetwist gesteld dat zij in de afgelopen jaren hinder heeft ondervonden bij de uitvoering van haar taken als verzorgend ouder en van het feit dat tussen partijen gezamenlijk gezag bestaat. Ook [minderjarige] zelf heeft bij de uitvoering van het gezag van de man hinder ondervonden en er is bij haar een angst ontstaan dat de man bijvoorbeeld in de toekomst wederom geen toestemming geeft voor uitjes in het buitenland.
2.19.
Gelet op het vorenstaande, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders, indien zij worden gedwongen om met elkaar gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. Nu de rechtbank niet verwacht dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zal komen, betekent dat dat de rechtbank het gezamenlijk gezag van ouders zal beëindigen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en haar alleen met het gezag over [minderjarige] belasten.
Omgangsregeling;
2.20.
De man heeft verzocht een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen. De rechtbank erkent dat contact tussen een kind en ouder in beginsel in het belang van het kind is, mede in het licht van de identiteitsontwikkeling, maar gebleken is dat er op dit moment bij [minderjarige] geen ruimte bestaat voor contact met de man. Mede gelet op de leeftijd van [minderjarige] , zou het forceren of afdwingen van contact met de man naar verwachting een averechts effect kunnen hebben en wordt daarom niet in het belang van [minderjarige] geacht. De rechtbank hoopt dat als er rust in de situatie ontstaat, op termijn mogelijk wel ruimte ontstaat voor contactherstel. De man heeft kenbaar gemaakt dat hij graag een rol wil spelen in het leven van [minderjarige] en dat hij wenst dat zij hem en zijn familie leert kennen. Van de vrouw verwacht de rechtbank dat zij niet alleen berust in een eventueel toekomstig contact tussen de man en [minderjarige] , maar [minderjarige] daarvoor ook emotionele toestemming geeft, zodat zij zich vrij voelt om – indien en zodra zij daaraan toe is – contact met de man aan te gaan.
2.21.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling afwijzen.
Informatieregeling en dwangsom;
2.22.
De man heeft verzocht om een informatieregeling vast te leggen, inhoudende dat de vrouw de man minstens éénmaal per maand schriftelijk dient te informeren over de belangrijke ontwikkelingen en aangelegenheden in het leven van [minderjarige] en dat daarbij aan de man een recente en goed gelijkende foto van [minderjarige] wordt verstrekt.
2.23.
Ingevolge artikel 1:377b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is de ouder, die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen, zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
2.24.
De rechtbank is onvoldoende gebleken dat sprake is van contra-indicaties voor het vaststellen van een informatieregeling. Nu de man niet meer is belast met het gezag over [minderjarige] , acht de rechtbank het juist van belang dat hij de ontwikkeling van [minderjarige] kan volgen door middel van een informatieregeling. Op die manier kan de man kennismaken met [minderjarige] op afstand en kan hij zien wie zij is, in welke ontwikkelingsfase zij zich bevindt en wat er gebeurt in haar leven. De rechtbank benadrukt hierbij dat het van belang is dat er zorgvuldig met de informatie moet worden omgegaan en dat de man niet dient te reageren op deze informatieve e-mailberichten van de vrouw over [minderjarige] . Het is daarnaast niet de bedoeling dat de man de vrouw of [minderjarige] zal benaderen op basis van de informatie die wordt verstrekt. De informatie is uitdrukkelijk bedoeld ter kennisname.
2.25.
De rechtbank zal bepalen dat de vrouw de man schriftelijk dient te informeren op elke eerste dag van een kwartaal, te weten 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober, over de algehele ontwikkeling, de gezondheid, de schoolgang, schoolresultaten, sport, hobby’s en het algemeen welzijn van [minderjarige] . Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat de vrouw eens per jaar de meest recente schoolfoto van [minderjarige] aan de man verstrekt.
2.26.
De rechtbank zal het verzoek van de man, inhoudende te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt voor iedere keer dat zij in gebreke blijft aan de omgangsregeling te voldoen, afwijzen. Niet gebleken is dat de vrouw de informatieregeling niet zal nakomen. Bovendien acht de rechtbank de toepassing van de door de man verzochte dwangsom niet in het belang van [minderjarige] .
Uitvoerbaar bij voorraad
2.27.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat de rechtbank in het belang van [minderjarige] acht dat de beslissing meteen uitgevoerd wordt.
3De beslissing
De rechtbank:
In de zaak C/02/434897 / JE RK 25-812 (ondertoezichtstelling)
3.1.
wijst het verzoek van de man af.
In de zaak C/02/399339 / FA RK 22-3029 (gezag, zorgregeling en hoofdverblijf)
3.2.
beëindigt het gezamenlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] , en bepaalt dat het gezag over de minderjarige voortaan wordt uitgeoefend door de vrouw alleen;
3.3.
bepaalt dat de vrouw – op elke eerste dag van een kwartaal (te weten 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober) – schriftelijk informeert over belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige] , waarbij informatie wordt verstrekt over haar algehele ontwikkeling, de gezondheid, de schoolgang, schoolresultaten, sport, hobby’s en het algemeen welzijn van [minderjarige] , alsmede onder eens per jaar overlegging van een recente, duidelijke, herkenbare, goedgelijkende schoolfoto van [minderjarige] , zulks met inachtneming hetgeen in rechtsoverweging 2.25. is overwogen;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
De beslissing in de zaak met kenmerk C/02/434897 / JE RK 25-812 is mondeling gegeven door mr. Verschoor- Bergsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing in de zaak met kenmerk C/02/399339 / FA RK 22-3029 is gegeven door mr. Verschoor- Bergsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.