Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6210
2026-06-09
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/447886 / JE RK 26-789
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling. Er bestaan nog zorgen over de communicatie tussen de ouders en de omgang van de vader.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.421 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447886 / JE RK 26-789
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige]
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.M.H. Vriesde uit Rotterdam,
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 14 maart 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 12 juni 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Sindsdien is die maatregel steeds verlengd. Laatstelijk, bij beschikking van 9 maart 2026, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 12 maart 2026 tot 12 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de GI
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is een kwetsbaar kind vanwege de kind-eigenproblematiek. De afgelopen periode is ingezet op logopedie, fysiotherapie en orthopedie. De moeder krijgt ambulante begeleiding in huis om aan te sluiten bij [minderjarige] . De verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk omdat het traject voor parallel solo ouderschap is gestart, maar het traject nog een aantal maanden zal duren. De ouders hebben beiden een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Er is meer stabiliteit sinds de start van het traject. Daarnaast is de verlenging noodzakelijk vanwege de omgang van de vader met [minderjarige] . Deze omgang is om de maandag en bestaat uit twee uur begeleide omgang en twee uur onbegeleide omgang. De begeleiding ziet dat er veel goed gaat bij de omgang. De vader kan [minderjarige] goed lezen, is zorgzaam en stelt grenzen. De GI heeft echter wel zorgen over de reactietijd van [minderjarige] . [minderjarige] is altijd vier dagen ontregeld na de omgang met zijn vader. Dat is veel tijd op twee weken. [minderjarige] komt die dagen niet tot ontwikkelen. Deze ontregeling zou kunnen ontstaan door spanningen tijdens de omgang, een loyaliteitsconflict of een combinatie van beide. Deze ontregeling bestaat uit slapen in de auto vanwege de spanning, bedplassen, dwarser gedrag op school en het minder goed kunnen reguleren van zijn emoties. De GI ziet dat deze signalen samenhangen met de omgang met de vader. De GI verwacht dat de ouders het plafond zullen bereiken met betrekking tot de omgang. Er zal worden onderzocht wat de maximaal haalbare omgang is. Gelet op de reactietijd zal dat mogelijk een uitbreiding van de duur, maar een vermindering in frequentie inhouden. Ook verwacht de GI dat het contact tussen de ouders niet zal verbeteren in de mate waarin de moeder daaraan behoefte heeft. De ouders overleggen informatie aan de andere ouder, maar er ontbreekt met regelmaat informatie zeker met betrekking tot de omgang tussen de vader en [minderjarige] . De GI vult deze informatie niet meer aan. De GI speelt daarmee in op het feit dat de GI op een gegeven moment niet betrokken zal zijn.
4.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van negen maanden, omdat de GI voor ogen heeft om nog tweemaal de omgang tussen de vader en [minderjarige] te wijzigen. Om de wijzigingen op een goede manier te kunnen evalueren, moeten beide wijzigingen drie maanden worden uitgevoerd voordat deze worden geëvalueerd. Daarna zal een verzoek worden ingediend om de omgang vast te leggen.
5. Het standpunt van belanghebbende
5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verzoek, maar zij verzoekt de duur te beperken. Er moeten goede afspraken worden gemaakt over de omgang. De moeder vindt het belangrijk dat de vader omgang heeft met [minderjarige] , maar zij vindt dat dit op een veilige manier moet plaatsvinden. [minderjarige] heeft veel last na de omgangsmomenten, terwijl hij voordat de omgang plaatsvindt een vrolijk en rustig kind is. De moeder moet [minderjarige] opvangen, maar zij weet niet precies wat er gebeurt bij de omgang. De verslagen die de moeder van de vader ontvangt over de omgang zijn namelijk kort en komen vaak te laat. Aangezien [minderjarige] niet praat is het belangrijk dat de ouders elkaar informatie geven. De ondertoezichtstelling duurt al drie jaar. De moeder begrijpt dat de GI een langere duur van de verlenging wil, maar zij vindt dat de GI veel tijd heeft gehad om hulpverlening in te zetten met betrekking tot de omgang. De vader zit nog steeds in zijn boosheid. Dit is voelbaar voor [minderjarige] . De moeder hoopt dat de vader zich leerbaar opstelt en dat de overdrachten volgens de afspraken kunnen verlopen, zodat de ondertoezichtstelling sneller afgerond kan worden. Wat de moeder betreft is een verlenging voor de duur van zes maanden voldoende om alle stappen te nemen die noodzakelijk zijn en waarin kan worden toegewerkt naar afronding van de ondertoezichtstelling.
6Het standpunt van informant
6.1.
Door en namens de vader is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De vader is het niet eens met het verzoek. De vader wil niet meer dat de GI betrokken is omdat er wordt gelogen en de vader onterecht wordt beschuldigd. De vader vindt dit onterecht aangezien de jeugdbeschermer niet bij de gesprekken aanwezig is en de vader niet kent. [minderjarige] is altijd blij om de vader te zien. De moeder stuurt de vader niet altijd de informatiemails.
7De beoordeling
Wettelijk kader
7.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
7.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan. Er bestaan forse zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Deze zorgen zijn deels inherent aan de kind-eigenproblematiek van [minderjarige] die maken dat hij speciale zorg nodig heeft van de ouders. Verder bestaan er zorgen over de communicatie tussen de ouders en de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Er zijn stappen gemaakt in de positieve richting, maar de situatie is nog kwetsbaar en de doelen zijn nog niet behaald. [minderjarige] laat signalen van spanning zien na de omgang met de vader. Hij plast in bed, schreeuwt en laat complex gedrag op school zien. Dit zijn zorgelijke signalen die bovendien structureel vier dagen aanhouden, waardoor [minderjarige] elke twee weken een halve week ontregeld is en hij niet aan ontwikkelen toekomt.
7.4.
De ouders zijn op dit moment niet in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] heeft, meer dan andere kinderen, structuur en stabiliteit nodig. Dat maakt het des te belangrijker dat de ouders goed communiceren en er goede afspraken zijn met betrekking tot de omgang. Het lukt de ouders echter niet om samen te overleggen en beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Ook in de zittingszaal is de voortdurende strijd, met name vanuit de vader, voelbaar. Het is positief dat de ouders zijn begonnen met een traject voor parallel solo ouderschap en dat er meer stabiliteit is sinds de start van het traject. De verwachting is dat dit traject nog enige maanden zal duren. Zo lang dit traject bezig is, blijft het noodzakelijk dat er een ondertoezichtstelling is. Er moet voorkomen worden dat het traject, om wat voor reden dan ook, niet wordt afgerond. De GI dient de regie te houden met betrekking tot de communicatie tussen de ouders en de omgang van de vader met [minderjarige] .
7.5.
Gelet op de problematiek van [minderjarige] is het belangrijk dat met grote zorgvuldigheid wordt onderzocht welke wijzigingen in de omgang haalbaar zijn en wat de hoogst haalbare vorm van de omgang is. De GI zal moeten blijven onderzoeken waar de signalen van spanning bij [minderjarige] na de omgang vandaan komen. De kinderrechter merkt op dat zij begrijpt dat dit voor de vader ingewikkeld is en dat hij [minderjarige] graag wil zien, en [minderjarige] hem ook. De ervaring van de vader dat de GI hem onterecht beschuldigt vindt echter geen steun in de stukken. De GI vindt juist dat er sprake is van een positieve ontwikkeling met betrekking tot de omgang van de vader met [minderjarige] . Het is belangrijk dat de vader vertrouwen krijgt en blijft houden in de GI. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de vader de moeder uitgebreider zal informeren over wat er gebeurt tijdens de omgangsmomenten. Hoe meer openheid van zaken de vader geeft over de omgang hoe meer de moeder kan aansluiten bij [minderjarige] en hoe beter de GI kan onderzoeken welke hulp moet worden ingezet om de omgang uit te breiden. De behoeften van [minderjarige] moeten hierbij op elk moment centraal staan. Dat geldt ook voor het onderzoek van de GI of het mogelijk is om toe te werken naar de overdracht naar het vrijwillig kader. Nu er de komende periode nog veel moeten gebeuren, is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is voor de verzochte duur van negen maanden.
Uitvoerbaar bij voorraad
7.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
8De beslissing
De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 juni 2026 tot 12 maart 2027;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447886 / JE RK 26-789
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige]
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.M.H. Vriesde uit Rotterdam,
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 14 maart 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 12 juni 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Sindsdien is die maatregel steeds verlengd. Laatstelijk, bij beschikking van 9 maart 2026, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 12 maart 2026 tot 12 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de GI
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is een kwetsbaar kind vanwege de kind-eigenproblematiek. De afgelopen periode is ingezet op logopedie, fysiotherapie en orthopedie. De moeder krijgt ambulante begeleiding in huis om aan te sluiten bij [minderjarige] . De verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk omdat het traject voor parallel solo ouderschap is gestart, maar het traject nog een aantal maanden zal duren. De ouders hebben beiden een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Er is meer stabiliteit sinds de start van het traject. Daarnaast is de verlenging noodzakelijk vanwege de omgang van de vader met [minderjarige] . Deze omgang is om de maandag en bestaat uit twee uur begeleide omgang en twee uur onbegeleide omgang. De begeleiding ziet dat er veel goed gaat bij de omgang. De vader kan [minderjarige] goed lezen, is zorgzaam en stelt grenzen. De GI heeft echter wel zorgen over de reactietijd van [minderjarige] . [minderjarige] is altijd vier dagen ontregeld na de omgang met zijn vader. Dat is veel tijd op twee weken. [minderjarige] komt die dagen niet tot ontwikkelen. Deze ontregeling zou kunnen ontstaan door spanningen tijdens de omgang, een loyaliteitsconflict of een combinatie van beide. Deze ontregeling bestaat uit slapen in de auto vanwege de spanning, bedplassen, dwarser gedrag op school en het minder goed kunnen reguleren van zijn emoties. De GI ziet dat deze signalen samenhangen met de omgang met de vader. De GI verwacht dat de ouders het plafond zullen bereiken met betrekking tot de omgang. Er zal worden onderzocht wat de maximaal haalbare omgang is. Gelet op de reactietijd zal dat mogelijk een uitbreiding van de duur, maar een vermindering in frequentie inhouden. Ook verwacht de GI dat het contact tussen de ouders niet zal verbeteren in de mate waarin de moeder daaraan behoefte heeft. De ouders overleggen informatie aan de andere ouder, maar er ontbreekt met regelmaat informatie zeker met betrekking tot de omgang tussen de vader en [minderjarige] . De GI vult deze informatie niet meer aan. De GI speelt daarmee in op het feit dat de GI op een gegeven moment niet betrokken zal zijn.
4.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van negen maanden, omdat de GI voor ogen heeft om nog tweemaal de omgang tussen de vader en [minderjarige] te wijzigen. Om de wijzigingen op een goede manier te kunnen evalueren, moeten beide wijzigingen drie maanden worden uitgevoerd voordat deze worden geëvalueerd. Daarna zal een verzoek worden ingediend om de omgang vast te leggen.
5. Het standpunt van belanghebbende
5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verzoek, maar zij verzoekt de duur te beperken. Er moeten goede afspraken worden gemaakt over de omgang. De moeder vindt het belangrijk dat de vader omgang heeft met [minderjarige] , maar zij vindt dat dit op een veilige manier moet plaatsvinden. [minderjarige] heeft veel last na de omgangsmomenten, terwijl hij voordat de omgang plaatsvindt een vrolijk en rustig kind is. De moeder moet [minderjarige] opvangen, maar zij weet niet precies wat er gebeurt bij de omgang. De verslagen die de moeder van de vader ontvangt over de omgang zijn namelijk kort en komen vaak te laat. Aangezien [minderjarige] niet praat is het belangrijk dat de ouders elkaar informatie geven. De ondertoezichtstelling duurt al drie jaar. De moeder begrijpt dat de GI een langere duur van de verlenging wil, maar zij vindt dat de GI veel tijd heeft gehad om hulpverlening in te zetten met betrekking tot de omgang. De vader zit nog steeds in zijn boosheid. Dit is voelbaar voor [minderjarige] . De moeder hoopt dat de vader zich leerbaar opstelt en dat de overdrachten volgens de afspraken kunnen verlopen, zodat de ondertoezichtstelling sneller afgerond kan worden. Wat de moeder betreft is een verlenging voor de duur van zes maanden voldoende om alle stappen te nemen die noodzakelijk zijn en waarin kan worden toegewerkt naar afronding van de ondertoezichtstelling.
6Het standpunt van informant
6.1.
Door en namens de vader is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De vader is het niet eens met het verzoek. De vader wil niet meer dat de GI betrokken is omdat er wordt gelogen en de vader onterecht wordt beschuldigd. De vader vindt dit onterecht aangezien de jeugdbeschermer niet bij de gesprekken aanwezig is en de vader niet kent. [minderjarige] is altijd blij om de vader te zien. De moeder stuurt de vader niet altijd de informatiemails.
7De beoordeling
Wettelijk kader
7.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
7.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan. Er bestaan forse zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Deze zorgen zijn deels inherent aan de kind-eigenproblematiek van [minderjarige] die maken dat hij speciale zorg nodig heeft van de ouders. Verder bestaan er zorgen over de communicatie tussen de ouders en de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Er zijn stappen gemaakt in de positieve richting, maar de situatie is nog kwetsbaar en de doelen zijn nog niet behaald. [minderjarige] laat signalen van spanning zien na de omgang met de vader. Hij plast in bed, schreeuwt en laat complex gedrag op school zien. Dit zijn zorgelijke signalen die bovendien structureel vier dagen aanhouden, waardoor [minderjarige] elke twee weken een halve week ontregeld is en hij niet aan ontwikkelen toekomt.
7.4.
De ouders zijn op dit moment niet in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] heeft, meer dan andere kinderen, structuur en stabiliteit nodig. Dat maakt het des te belangrijker dat de ouders goed communiceren en er goede afspraken zijn met betrekking tot de omgang. Het lukt de ouders echter niet om samen te overleggen en beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Ook in de zittingszaal is de voortdurende strijd, met name vanuit de vader, voelbaar. Het is positief dat de ouders zijn begonnen met een traject voor parallel solo ouderschap en dat er meer stabiliteit is sinds de start van het traject. De verwachting is dat dit traject nog enige maanden zal duren. Zo lang dit traject bezig is, blijft het noodzakelijk dat er een ondertoezichtstelling is. Er moet voorkomen worden dat het traject, om wat voor reden dan ook, niet wordt afgerond. De GI dient de regie te houden met betrekking tot de communicatie tussen de ouders en de omgang van de vader met [minderjarige] .
7.5.
Gelet op de problematiek van [minderjarige] is het belangrijk dat met grote zorgvuldigheid wordt onderzocht welke wijzigingen in de omgang haalbaar zijn en wat de hoogst haalbare vorm van de omgang is. De GI zal moeten blijven onderzoeken waar de signalen van spanning bij [minderjarige] na de omgang vandaan komen. De kinderrechter merkt op dat zij begrijpt dat dit voor de vader ingewikkeld is en dat hij [minderjarige] graag wil zien, en [minderjarige] hem ook. De ervaring van de vader dat de GI hem onterecht beschuldigt vindt echter geen steun in de stukken. De GI vindt juist dat er sprake is van een positieve ontwikkeling met betrekking tot de omgang van de vader met [minderjarige] . Het is belangrijk dat de vader vertrouwen krijgt en blijft houden in de GI. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de vader de moeder uitgebreider zal informeren over wat er gebeurt tijdens de omgangsmomenten. Hoe meer openheid van zaken de vader geeft over de omgang hoe meer de moeder kan aansluiten bij [minderjarige] en hoe beter de GI kan onderzoeken welke hulp moet worden ingezet om de omgang uit te breiden. De behoeften van [minderjarige] moeten hierbij op elk moment centraal staan. Dat geldt ook voor het onderzoek van de GI of het mogelijk is om toe te werken naar de overdracht naar het vrijwillig kader. Nu er de komende periode nog veel moeten gebeuren, is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is voor de verzochte duur van negen maanden.
Uitvoerbaar bij voorraad
7.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
8De beslissing
De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 juni 2026 tot 12 maart 2027;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.