Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5930
2026-06-02
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/447271 / JE RK 26-669
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging ondertoezichtstelling.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.034 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447271 / JE RK 26-669
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. R. Wouters uit Middelburg,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. M. Kalle uit Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 april 2026.
1.2.
Op 2 juni 2026 heeft de kinderrechter deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het verzoek van de moeder in de zaak met kenmerk C/02/441395 / FA RK 25-5573, tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. In die zaak wordt afzonderlijk beslist.
1.3.
Verschenen en gehoord zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 27 september 2024 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de
GI gesteld met ingang van 27 september 2024 en tot 27 december 2024.
2.4.
Bij beschikking van 16 december 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI
met ingang van 16 december 2024 en tot 16 juni 2025. Deze maatregel is bij beschikking van 13 juni 2025 verlengd tot 16 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek. In de afgelopen periode heeft de GI zich vooral gefocust op de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] . Hoewel er geen zorgen zijn over de inhoud van de contactmomenten, blijkt het stelselmatig nakomen van de zorgregeling moeilijk voor de vader. Omdat het de vader, ook na een gesprek hierover, niet lukte om de zorgregeling consequent na te komen, is de zorgregeling in maart 2026 beperkt naar één keer per maand. De GI realiseert zich dat dit een beperkte contactregeling is, vooral omdat in het gedrag van [minderjarige] zichtbaar is dat hij een vaderfiguur mist in zijn leven. In de komende periode wil de GI onderzoeken wat de vader nodig heeft om de zorgregeling consequent na te komen.
4.2.
De moeder stemt in met het verzoek. Zij vindt het belangrijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft om de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] te monitoren.
4.3.
De vader staat achter het verzoek. Het gaat inmiddels beter met de vader en hij wil in de komende periode graag laten zien dat hij de contactmomenten met [minderjarige] consequent kan nakomen. Door dit te laten zien hoopt de vader dat de zorgregeling op termijn kan worden uitgebreid zodat hij [minderjarige] vaker kan zien. Daarnaast hoopt dat de vader dat de onderlinge oudercommunicatie in de komende periode kan worden verbeterd.
4.4.
De Raad adviseert het verzoek toe te wijzen omdat de samenwerking tussen de ouders moeizaam verloopt en de GI de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] zeer recent heeft moeten wijzigen. In de komende periode moet blijken of de vader de contacten met [minderjarige] consequent kan nakomen. Het is daarom noodzakelijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft.
5De beoordeling
Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . Deze zorgen zien met name op het contact tussen de vader en [minderjarige] . De vader is namelijk wisselend betrokken in het leven van [minderjarige] . Er was sprake van een contactregeling waarbij de vader en [minderjarige] elkaar eenmaal per twee weken zagen voor de duur van één uur, onder begeleiding van [hulpverlening] . Hoewel werd gezien dat deze contactmomenten goed verliepen, is ook gebleken dat de vader de contactmomenten in de afgelopen periode meermaals niet is nagekomen. Dit heeft ertoe geleid dat de GI in maart 2026 heeft besloten de zorgregeling te beperken tot één keer per maand. Sindsdien zijn er twee contactmomenten gepland, waarbij het de vader eenmaal niet gelukt is om te komen. Dit baart de kinderrechter zorgen omdat het niet consequent en consistent nakomen van de zorgregeling maakt dat het contact met de vader voor [minderjarige] onvoorspelbaar en onveilig is. [minderjarige] kan daardoor namelijk niet op de vader vertrouwen en bouwen. Dit terwijl duidelijk is dat [minderjarige] een vaderfiguur mist. Daarnaast heeft de kinderrechter zorgen over de moeizame communicatie en het onderlinge wantrouwen tussen de ouders, nu is gebleken dat er geen sprake is van samenwerking tussen de ouders en zij onderlinge spanningen, boosheid en frustraties blijven voelen richting elkaar. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen.
5.5.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de vader en de moeder onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Zoals hierboven overwogen verloopt de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de vader en de moeder nog erg moeizaam. Zij zijn nu niet in staat om samen afspraken te maken over en in het belang van [minderjarige] . Daarbij betrekkende dat het de vader niet altijd lukt om de zorgregeling met [minderjarige] na te komen en regie van de GI hierin nodig is, heeft de kinderrechter er onvoldoende vertrouwen in dat zonder de betrokkenheid van de jeugdbeschermer zal worden gewerkt aan het wegnemen van bovengenoemde zorgen. De kinderrechter komt daardoor - met alle betrokkenen - tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is en zal het verzoek daarom toewijzen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt verlengd voor de verzochte duur van een jaar, te weten tot 16 juni 2027.
5.6.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. Het is van belang dat de GI regie blijft voeren over de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] en het verloop van de contactmomenten blijft monitoren. Ook verwacht de kinderrechter dat wordt onderzocht of hulpverlening voor het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders passend is. Daarnaast geeft de kinderrechter aan de vader mee dat hij contact kan opnemen met de jeugdbeschermer ingeval bepaalde zaken onduidelijk zijn. Daarnaast is tijdens de mondelinge behandeling door de vader toegelicht dat hij graag meer informatie zou willen ontvangen over [minderjarige] . Ook daarover kan de vader met de GI in gesprek gaan.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 16 juni 2026 tot 16 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 19 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447271 / JE RK 26-669
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. R. Wouters uit Middelburg,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. M. Kalle uit Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 april 2026.
1.2.
Op 2 juni 2026 heeft de kinderrechter deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het verzoek van de moeder in de zaak met kenmerk C/02/441395 / FA RK 25-5573, tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. In die zaak wordt afzonderlijk beslist.
1.3.
Verschenen en gehoord zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 27 september 2024 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de
GI gesteld met ingang van 27 september 2024 en tot 27 december 2024.
2.4.
Bij beschikking van 16 december 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI
met ingang van 16 december 2024 en tot 16 juni 2025. Deze maatregel is bij beschikking van 13 juni 2025 verlengd tot 16 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek. In de afgelopen periode heeft de GI zich vooral gefocust op de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] . Hoewel er geen zorgen zijn over de inhoud van de contactmomenten, blijkt het stelselmatig nakomen van de zorgregeling moeilijk voor de vader. Omdat het de vader, ook na een gesprek hierover, niet lukte om de zorgregeling consequent na te komen, is de zorgregeling in maart 2026 beperkt naar één keer per maand. De GI realiseert zich dat dit een beperkte contactregeling is, vooral omdat in het gedrag van [minderjarige] zichtbaar is dat hij een vaderfiguur mist in zijn leven. In de komende periode wil de GI onderzoeken wat de vader nodig heeft om de zorgregeling consequent na te komen.
4.2.
De moeder stemt in met het verzoek. Zij vindt het belangrijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft om de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] te monitoren.
4.3.
De vader staat achter het verzoek. Het gaat inmiddels beter met de vader en hij wil in de komende periode graag laten zien dat hij de contactmomenten met [minderjarige] consequent kan nakomen. Door dit te laten zien hoopt de vader dat de zorgregeling op termijn kan worden uitgebreid zodat hij [minderjarige] vaker kan zien. Daarnaast hoopt dat de vader dat de onderlinge oudercommunicatie in de komende periode kan worden verbeterd.
4.4.
De Raad adviseert het verzoek toe te wijzen omdat de samenwerking tussen de ouders moeizaam verloopt en de GI de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] zeer recent heeft moeten wijzigen. In de komende periode moet blijken of de vader de contacten met [minderjarige] consequent kan nakomen. Het is daarom noodzakelijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft.
5De beoordeling
Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . Deze zorgen zien met name op het contact tussen de vader en [minderjarige] . De vader is namelijk wisselend betrokken in het leven van [minderjarige] . Er was sprake van een contactregeling waarbij de vader en [minderjarige] elkaar eenmaal per twee weken zagen voor de duur van één uur, onder begeleiding van [hulpverlening] . Hoewel werd gezien dat deze contactmomenten goed verliepen, is ook gebleken dat de vader de contactmomenten in de afgelopen periode meermaals niet is nagekomen. Dit heeft ertoe geleid dat de GI in maart 2026 heeft besloten de zorgregeling te beperken tot één keer per maand. Sindsdien zijn er twee contactmomenten gepland, waarbij het de vader eenmaal niet gelukt is om te komen. Dit baart de kinderrechter zorgen omdat het niet consequent en consistent nakomen van de zorgregeling maakt dat het contact met de vader voor [minderjarige] onvoorspelbaar en onveilig is. [minderjarige] kan daardoor namelijk niet op de vader vertrouwen en bouwen. Dit terwijl duidelijk is dat [minderjarige] een vaderfiguur mist. Daarnaast heeft de kinderrechter zorgen over de moeizame communicatie en het onderlinge wantrouwen tussen de ouders, nu is gebleken dat er geen sprake is van samenwerking tussen de ouders en zij onderlinge spanningen, boosheid en frustraties blijven voelen richting elkaar. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen.
5.5.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de vader en de moeder onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Zoals hierboven overwogen verloopt de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de vader en de moeder nog erg moeizaam. Zij zijn nu niet in staat om samen afspraken te maken over en in het belang van [minderjarige] . Daarbij betrekkende dat het de vader niet altijd lukt om de zorgregeling met [minderjarige] na te komen en regie van de GI hierin nodig is, heeft de kinderrechter er onvoldoende vertrouwen in dat zonder de betrokkenheid van de jeugdbeschermer zal worden gewerkt aan het wegnemen van bovengenoemde zorgen. De kinderrechter komt daardoor - met alle betrokkenen - tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is en zal het verzoek daarom toewijzen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt verlengd voor de verzochte duur van een jaar, te weten tot 16 juni 2027.
5.6.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. Het is van belang dat de GI regie blijft voeren over de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] en het verloop van de contactmomenten blijft monitoren. Ook verwacht de kinderrechter dat wordt onderzocht of hulpverlening voor het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders passend is. Daarnaast geeft de kinderrechter aan de vader mee dat hij contact kan opnemen met de jeugdbeschermer ingeval bepaalde zaken onduidelijk zijn. Daarnaast is tijdens de mondelinge behandeling door de vader toegelicht dat hij graag meer informatie zou willen ontvangen over [minderjarige] . Ook daarover kan de vader met de GI in gesprek gaan.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 16 juni 2026 tot 16 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 19 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.