Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5168

2026-05-12 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/445983 / JE RK 26-428
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-05-12
Publicatiedatum
2026-06-12
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/445983 / JE RK 26-428
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging OTS, nog geen constructieve communicatie tussen ouders, voortzetten OSb traject en verdere hulpverlening, geen tijdsdruk op de zaak, verlengd met een jaar

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.731 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/445983 / JE RK 26-428
Datum uitspraak: 12 mei 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van



de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen :de GI,



over





[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. F.J.I. van den Branden uit Terneuzen,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Janse uit Halsteren.



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.





1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 maart 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.



1.4.
De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer C/02/396568 / FA RK 22-1657. Op de verzoeken in dit zaaknummer wordt per separate beschikking beslist.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.



2.3.
Bij beschikking van 14 mei 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 mei 2025 en tot 14 mei 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.

De GI stelt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De ouders zijn op dit moment nog niet in staat om op een constructieve manier met elkaar te communiceren in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Daarom heeft de jeugdbeschermer opnieuw passende hulpverlening ingezet in de vorm van ouderschapsbemiddeling. De jeugdbeschermer wil vanwege het oud zeer dat er speelt tussen de ouders het traject van ouderschapsbemiddeling uitbreiden met een individueel traject voor beide ouders. Daarnaast zal de jeugdbeschermer hier strakker regie op voeren, met als doel te komen tot duidelijke en concrete afspraken. Deze afspraken moeten ouders houvast bieden en als leidraad dienen in hun onderlinge samenwerking.
Verder is er nog geen definitief oordeel en geen duidelijkheid over de uiteindelijke hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
Daarnaast is het noodzakelijk dat de eerste resultaten van de ingezette hulpverlening zichtbaar worden voor de jeugdbeschermer. De hulpverlening bevindt zich momenteel nog in de opstart- en intakefase, maar om goed te kunnen beoordelen wat passend is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , moet er inzicht komen in de voortgang, de inzet van ouders en de eerste effecten op het functioneren van de kinderen.
Het is van groot belang dat de ouders op korte termijn tot concrete en werkbare afspraken
komen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit betreft niet alleen de grote beslissingen, maar juist ook de praktische, dagelijkse zaken die rust en duidelijkheid voor de kinderen creëren. Hierbij kan worden gedacht aan heldere afspraken over de overdracht van de kinderen, het meegeven van kleding en andere benodigde spullen, en de onderlinge communicatie bij bijzonderheden, maar ook financiële afspraken, zoals de alimentatiebetalingen en de verdeling van het kindgebonden budget.




4.2.
Namens en door de moeder is aangegeven dat de moeder instemt met de verlenging van de ondertoezichtstelling.



4.3.
Namens en door de vader is aangegeven dat hij in kan stemmen met de verlenging van de ondertoezichtstelling voor een kortere duur, te weten zes maanden.



4.4.
De Raad adviseert om het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van één jaar toe te wijzen.





5De beoordeling



Wettelijk kader



5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



Inhoudelijke beoordeling




5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er is nog steeds sprake van een ernstig verstoorde communicatie tussen de ouders. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben daar last van en zitten klem tussen de ouders. Het gaat daarnaast niet goed met [minderjarige 2] op school en er is sprake van een verstoorde relatie tussen [minderjarige 2] en de moeder. Deze verstoorde relatie heeft vervolgens weer impact op [minderjarige 1] , die tussen de moeder en [minderjarige 2] in zit. Bij de moeder is bovendien sprake van overbelasting en individuele problematiek.



5.5.
De verlenging van de ondertoezichtstelling is nodig, omdat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Voor vrijwillige hulpverlening is er minstens een vorm van constructief overleg tussen de ouders noodzakelijk. De ouders zijn bezig met een ouderschapsbemiddelingstraject en deze dient gevolgd en afgerond te worden. Er moet hulpverlening voor de kinderen komen en de draaglast van de moeder moet in de gaten gehouden worden.



5.6.
Daarnaast is het van belang dat er tussen de ouders een procedure loopt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen en de kinderalimentatie. Het lukt de ouders niet om daarin stappen te zetten die (al dan niet tijdelijk) in het belang van de kinderen zijn. De rechtbank zal hierin beslissingen gaan nemen. Als de huidige zorgregeling wordt aangepast, zal de opvoedsituatie van de vader gemonitord moeten worden. Sowieso zullen de door de rechtbank nog te nemen beslissingen, door de GI gemonitord moeten gaan worden, zodat de situatie voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verbeterd en er rust ontstaat.



5.7.
Van belang is dat dit allemaal op een zorgvuldige manier moet gebeuren en dat er geen tijdsdruk ontstaat. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom voor de duur van een jaar.



Uitvoerbaar bij voorraad




5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 14 mei 2026 en tot 14 mei 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door mr. Hopmans, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Krocké, griffier, en op schrift gesteld op 20 mei 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.