Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4800

2026-04-30 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/446846 / JE RK 26-597
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-30
Publicatiedatum
2026-05-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/446846 / JE RK 26-597
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek eerste ondertoezichtstelling na voorlopige ondertoezichtstelling toegewezen

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.774 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/446846 / JE RK 26-597
Datum uitspraak: 30 april 2026




Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling




in de zaak van




RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] , Verenigd Koninkrijk,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. B.P.A. van Beers uit Roosendaal,



de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Etten-Leur.






1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026;


het bericht van de Raad met bijlagen, ontvangen op 13 april 2026;


de brief van [minderjarige 1] , ontvangen op 29 april 2026.





1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij waren aanwezig:


de moeder (via een Teams-verbinding), bijgestaan door haar advocaat (via een Teams-verbinding) en een tolk in de Engelse taal;


de vader (telefonisch), bijgestaan door zijn advocaat;


- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.


Daarnaast heeft de kinderrechter aan mw. de Graaff, een collega van de griffie, bijzondere toestemming verleend om de mondelinge behandeling bij te wonen.




1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. Daarnaast heeft [minderjarige 1] op 29 april 2026 een brief gestuurd naar de kinderrechter.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.2.

[minderjarige 2] verblijft bij de moeder, [minderjarige 1] bij de vader.



2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 30 januari 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 30 januari 2026 en tot 30 april 2026.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.

[minderjarige 2] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, dat het voor hem normaal is dat hij weinig contact heeft met de vader en dat [minderjarige 1] weinig contact heeft met de moeder. [minderjarige 2] vindt het daarnaast prima dat hij [minderjarige 1] alleen op school ziet. Hij regelt het contact met [minderjarige 1] zelf. Hij heeft zaterdag voor het laatst contact gehad met [minderjarige 1] met een begeleidster erbij. Dit vond [minderjarige 2] fijn. Een aantal dagen geleden heeft [minderjarige 2] gevideobeld met de vader. Dit voelde voor hem niet veilig. [minderjarige 2] vindt het leuk bij de moeder en wil daar graag blijven wonen. Hij vindt het niet leuk bij de vader, omdat hij gemene dingen zegt, in het verleden [minderjarige 2] heeft geslagen en tegen de moeder heeft geschreeuwd. Het liefst wil [minderjarige 2] met de vader praten via Whatsapp in plaats van videobellen. Hij weet niet of hij de vader op een later moment wel fysiek wil zien.



4.2.

[minderjarige 1] schrijft in zijn brief aan de kinderrechter, samengevat, dat hij geen contact met de moeder wil, omdat zij hem heeft geslagen. Het lukt hem niet om normaal te communiceren met de moeder. Hij kreeg ook vaak het gevoel dat hij dingen niet goed deed en dat [minderjarige 2] werd voorgetrokken. Daarnaast schrijft [minderjarige 1] dat hij [minderjarige 2] erg mist. Het contact met [minderjarige 2] is anders sinds het begeleid wordt. Hij lijkt meer afwezig. [minderjarige 1] hoopt dat het contact met [minderjarige 2] in de toekomst beter kan worden. Tot slot schrijft [minderjarige 1] dat hij zich graag wil focussen op de toekomst en zijn studie. Hij heeft hier rust voor nodig.



4.3.
De Raad handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat er veel zorgen zijn over de kinderen. Zij hebben allebei geen contact met de ouder waar zij niet wonen en beperkt contact met elkaar. Er is geen zicht op de veiligheid van de opvoedomgevingen van de kinderen. Het is positief dat de ouders achter de ondertoezichtstelling staan. Tot slot hoopt de Raad dat er op korte termijn contactherstel kan plaatsvinden.



4.4.
Door en namens de moeder wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat de moeder geen verweer voert tegen het verzoek. Ze is van mening dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is, omdat er veel dingen niet goed gaan en dit van invloed is op de kinderen. De communicatie met de jeugdbeschermer verloopt prettig. De betrokkenheid en adviezen zijn fijn. De kinderen vinden het fijn dat zij elke zaterdag contact hebben met elkaar.



4.5.
Door en namens de vader wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat de vader geen verweer voert tegen het verzoek. Voorheen ging de bezoekregeling met [minderjarige 2] altijd heel goed, maar nu heeft de vader hem al een lange tijd niet meer gezien. Het belangrijkste is dat de kinderen veilig zijn en stabiliteit ervaren. Het gaat momenteel niet goed met de kinderen. [minderjarige 2] ziet er bijvoorbeeld verdrietig en moe uit op school. De vader geeft voorts aan dat hij geen goede ervaringen heeft met de GI. De betrokkenheid van de huidige jeugdbeschermer is echter wel fijn en hij wil het daarom een kans geven. Er is sprake van een groot wantrouwen tussen de ouders. De betrokkenheid van hulpverlening is noodzakelijk, zodat stappen kunnen worden gezet naar contactherstel.



4.6.
De GI staat achter het verzoek van de Raad. Er is veel wantrouwen tussen de ouders. Dit maakt het lastig om toe te werken naar gezamenlijk ouderschap. De kinderen zitten in een loyaliteitsconflict en kiezen de meest veilige situatie door de andere ouder af te stoten. [minderjarige 2] wil graag contact met de vader, maar geen fysiek contact. [minderjarige 1] staat niet open voor contact met de moeder. Het is van belang dat er wordt toegewerkt naar een veilig fysiek contact. Ook is het belangrijk dat de ouders worden ondersteund bij het maken van afspraken. De GI zal de komende periode onderzoeken welke hulpverlening hieromtrent passend is, zodat bijvoorbeeld kan worden toegewerkt naar parallel solo ouderschap. Voorts geven beide kinderen aan dat er huiselijk geweld heeft plaatsgevonden, wat door de desbetreffende ouders wordt ontkend. Er zijn aanmeldingen gedaan voor interviews om hier meer zicht op te krijgen, maar er is sprake van een wachtlijst.





5De beoordeling



Wettelijk kader



5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:


de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;


de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders die het gezag uitoefenen of de ouder die het gezag uitoefent binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn of is te dragen.





Inhoudelijke beoordeling




5.2.
Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 BW. Dit licht de kinderrechter als volgt toe.



5.3.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen groeien op in een complexe en langdurige echtscheidingssituatie en strijd van de ouders. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in hun jonge leven al veel meegemaakt, zoals het zijn van getuigen van huiselijk geweld en het ontbreken van emotionele veiligheid. Daarnaast vertelt [minderjarige 2] dat hij door de vader is geslagen, terwijl [minderjarige 1] aangeeft dat de moeder hem juist heeft geslagen. Beide ouders ontkennen dit. Er is geen zicht op de opvoedsituatie van beide ouders. Verder is het de kinderrechter gebleken dat er geen sprake is van constructieve communicatie en samenwerking tussen de ouders in het belang van de kinderen. Er is sprake van veel onderling wantrouwen en het lukt hen niet om afspraken te maken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit zorgt voor veel onduidelijkheid bij de kinderen. Ook is het de kinderrechter gebleken dat de kinderen in een loyaliteitsconflict zitten, hetgeen maakt dat zij onvoldoende kunnen toekomen aan hun eigen ontwikkelingstaken. Het gevolg is dat [minderjarige 2] voor de moeder lijkt te hebben gekozen en de vader lijkt te verstoten, terwijl [minderjarige 1] voor de vader lijkt te hebben gekozen en de moeder juist lijkt te verstoten. Hierdoor is er sprake van een langdurige en plotseling contactbreuk tussen [minderjarige 1] en de moeder en [minderjarige 2] en de vader. Tot slot is het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als gevolg hiervan ernstig verstoord (geweest).



5.4.
De kinderrechter stelt daarnaast vast dat het de ouders onvoldoende lukt om in het vrijwillige kader voornoemde zorgen te doen wegnemen. Ondanks de inzet van verschillende hulpverleningstrajecten is het immers niet gelukt om positieve veranderingen teweeg te brengen. De betrokkenheid van de GI is nog altijd noodzakelijk, zodat de GI de belangen van de kinderen voorop kan blijven stellen. Ook is het van belang dat de GI duidelijke afspraken maakt met de ouders en toeziet op de naleving daarvan. Voorts draagt de GI zorg voor de inzet en continuering van de noodzakelijke hulpverleningstrajecten. De kinderrechter vindt het hierbij van belang dat er in ieder geval een hulpverlener voor de kinderen (bijvoorbeeld een kindbehartiger) wordt betrokken, zodat de kinderen iemand hebben met wie zij kunnen praten. Ook is het noodzakelijk dat er zicht wordt verkregen op de opvoedsituatie van beide ouders, mede door de afname van NICHD-interviews, zodat een beeld ontstaat over de opvoedmogelijkheden van de ouders en de veiligheid van de kinderen. Verder dient de GI op korte termijn te onderzoeken of en op welke wijze tot een veilig contactherstel kan worden gekomen tussen [minderjarige 1] en de moeder en [minderjarige 2] en de vader, waarbij de belangen en het tempo van de kinderen voorop staan. Ook is het van groot belang dat de (begeleide) contactmomenten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] doorgang blijven vinden. Tot slot dient de GI de komende periode te onderzoeken op welke wijze de ouders, al dan niet door middel van de inzet van hulpverlening, kunnen werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie, met als doel dat een ouderschapsplan kan worden opgesteld.



5.5.
De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, in dit geval nodig. De kinderrechter stelt daarom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] – onweersproken – onder toezicht van de GI voor de verzochte duur van een jaar. Er moeten immers nog veel stappen worden gezet.



5.6.
De komende periode dient gewerkt te worden aan de volgende doelen:



[minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een zowel fysiek en emotioneel veilige omgeving, waarbij niet fysiek wordt gestraft, zij voldoende rust, stabiliteit en ruimte ervaren om zich binnen hun eigen mogelijkheden optimaal te kunnen ontwikkelen;


De kinderen hebben onbelast contact met beide ouders; zij durven open te zijn over hun beleving in het contact met de ouders. De ouders ondersteunen de kinderen hierbij;


De kinderen hebben onbelast contact met elkaar. De ouders ondersteunen en stimuleren dit;


De kinderen ervaren de ruimte om zichzelf te richten op hun eigen ontwikkelingstaken die passend zijn bij de leeftijd en de kinderen worden niet belast door spanningen en de communicatie tussen de ouders;


De kinderen kunnen de ervaringen (ruzies en het getuige zijn van ruzies) uit het verleden bespreken en verwerken;


De ouders hebben inzicht op de impact van hun gedrag op de ontwikkeling van de kinderen, voeren ouderschap in hun eigen huis, geven geen oordeel over de andere ouder en beseffen dat ze geen invloed hebben op de andere ouder en handelen hiernaar.





Uitvoerbaar bij voorraad




5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 30 april 2026 tot 30 april 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.










Deze beslissing is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en in het openbaar uitgesproken en op schrift gesteld op 30 april 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.