Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4550

2026-04-24 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/445551 / JE RK 26-342
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-24
Publicatiedatum
2026-05-25
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/445551 / JE RK 26-342
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

1e OTS

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.131 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/445551 / JE RK 26-342
Datum uitspraak: 24 april 2026




Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming,
Breda,
hierna te noemen de Raad,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. R. Joosen uit Oosterhout,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. G.A.P. Avontuur uit Oosterhout.



De kinderrechter merkt als informant aan de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna te noemen de GI.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 februari 2026;


de brief namens de vader met bijlage, ontvangen op 20 april 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een brief geschreven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vader.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.

Door de Raad is middels het verzoek en op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat tussen de ouders sprake is van een ouderstrijd, waarbij de ouders [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit het oog lijken te zijn verloren. Het lukt de ouders (vaak) niet om afspraken te maken over de kinderen, met verzoeken aan de rechtbank om vervangende toestemming als gevolg. De ouders zijn het er over eens dat er ondersteuning moet komen, maar houden vervolgens hulpverlengingstrajecten af waardoor de kinderen geen of later hulp krijgen. Het meest zorgelijk is dat het fysieke contact tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al langere tijd uitblijft. De ouders zijn het erover eens dat het contact tussen de moeder en de kinderen moet worden hersteld maar worden het niet eens over de manier waarop dit gerealiseerd moet worden. Hier hebben de kinderen last van, zij willen contact met de moeder. Doordat contact al zo lang uit blijft bestaat de kans dat contactverlies zal optreden en dit is niet wenselijk. Bij de kinderen bestaat veel onduidelijkheid, zo weten zij niet waarom de situatie nu is zoals hij is, waarom de ouders zijn gescheiden, waarom het contact met de moeder begeleid dient te worden, en of, wanneer en hoe dit opgestart gaat worden. De Raad maakt zich hierom ernstige zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. Ook zorgelijk is dat de moeder een belast verleden heeft, beperkt belastbaar is en wisselvallig is in haar emoties, afspraken en eisen stelt waardoor de samenwerking met de vader en hulpverlening niet tot stand komt. De moeder is er ook van overtuigd dat hulpverlening in haar nadeel werkt en vindt het moeilijk om hulp aan te nemen.
De Raad heeft er gelet op alle ingezette hulpverlening in het verleden niet voldoende vertrouwen in dat het de ouders samen binnen het vrijwillig kader nog gaat lukken om de zorgen rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Zij komen onvoldoende tot samenwerking en worden het niet eens over bepaalde zaken, waaronder het contactherstel tussen de moeder en de kinderen. De ouders dienen met ondersteuning en sturing van de GI te gaan onderzoeken hoe zij gezamenlijk het gezag uit kunnen gaan voeren. Het door de vader voorgestelde alternatieve scenario om binnen de gezag en omgang procedure te gaan werken aan contactherstel is, gelet op het verleden, naar het oordeel van de Raad niet haalbaar. De Raad handhaaft het verzoek.
De Raad merkt tot slot op dat het opleggen van een doel voor de moeder en haar persoonlijke ontwikkeling niet mogelijk is. De ondertoezichtstelling richt zich op de kinderen. De kinderen hebben recht op veilig contact met de ouders en het is aan de ouders om in hun gedrag en houding te laten zien dat zij dit waar kunnen maken. Wanneer dit de ouders niet zal lukken zal hierover gesproken worden en worden bekeken wat de consequenties zijn en waar vervolgens aan gewerkt moet worden.




4.2.
Door en namens de moeder is op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat de problemen tussen haar en de vader niet zitten in het niet kunnen uitvoeren van het gezamenlijk gezag, maar in de manier waarop de communicatie tussen hen wordt vormgegeven. De moeder mist gelijkwaardigheid in haar rol als ouder, doordat de vader eenzijdig beslissingen neemt, bijvoorbeeld het verplaatsen van belcontact, waar de moeder geen invloed op heeft. Het is niet alleen aan de moeder te wijten dat de hulpverlening tot op heden niet heeft geleid tot verbetering, ook de vader is hier debet aan geweest. De moeder heeft de afgelopen periode ook hard aan zichzelf gewerkt, en wil er alles aan doen om het contact tussen haar en de kinderen weer tot stand te brengen. De moeder mist haar kinderen, en zij missen haar. Op 12 oktober 2023 is door de rechtbank besloten dat er begeleide omgang moet plaatsvinden, maar dit is niet gebeurd, er is op dit moment zelfs geen omgang. Er is te lang aangemodderd, het is nu twee voor twaalf en er moet actie worden ondernomen. Het verzoek om ondertoezichtstelling ligt voor toewijzing gereed. Het is een utopie om te denken dat de ouders er binnen het vrijwillige kader nog samen uit gaan komen binnen het door de vader alternatieve geschetste traject, nu hen dit al jaren lang binnen het vrijwillige kader niet is gelukt.



4.3.

Door en namens de vader is op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat binnen het kader van de gezag en omgang procedure gewerkt moet worden aan contactherstel tussen de moeder en de kinderen waarbij de moeder aan de slag gaat met persoonlijke hulpverlening. De kern van het probleem is niet de complexe echtscheiding, maar de langdurige zorg aangaande de moeder en hier moet op worden ingezet om tot verandering te kunnen komen. De vader wil ook graag contactherstel maar is van mening dat de moeder hiervoor hulpverlening moet aangaan en aan zichzelf moet werken. Nu de ondertoezichtstelling zich hier niet op zal focussen, zal er niets veranderen aan de werkwijze die de afgelopen drie jaar is gehanteerd - waarbij de maximale inzet tot contactherstel is afgeketst door de moeder -, waardoor een ondertoezichtstelling niets zal uithalen. Verzocht wordt het verzoek om ondertoezichtstelling af te wijzen.
Indien het verzoek toch zal worden toegewezen ziet de vader graag dat als extra doel wordt opgenomen dat het contact tussen de moeder en de kinderen voorspelbaar en veilig moet zijn, en dat de moeder in staat moet zijn om in de basisbehoeften van de kinderen te voorzien.






5De beoordeling


5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd, omdat het contact tussen hen en de moeder al langere tijd uitblijft. De kans bestaat dat wanneer niet wordt ingegrepen contactverlies zal ontstaan hetgeen schadelijk zal zijn voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Voorts is zorgelijk dat er voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veel onduidelijkheid bestaat over de situatie nu (waarom zijn de ouders gescheiden, waarom moet het contact met de moeder begeleid en waarom vindt dit nu niet plaats) en over hoe hun toekomst eruit zal zien (komt er weer contact met de moeder en zo ja, wanneer en op welke manier). De kinderen hebben hier last van, en het belemmert hen in hun ontwikkeling. Dat de ouders niet nader tot elkaar komen en het hen niet lukt om beslissingen te nemen over en voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] speelt hierbij ook een rol. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen hierdoor niet de hulp en begeleiding die zij nodig hebben in deze complexe situatie en krijgen spanningen hieromtrent mee.



5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening nu gebleken is dat de jarenlange inzet van hulpverlening binnen het vrijwillige kader geen tot nauwelijks resultaat heeft gehad. Het is de ouders niet gelukt om het contact tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de moeder te herstellen en om samen beslissingen over en voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te nemen. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De ouders kunnen binnen het verplichte kader met behulp van de GI hun jarenlange patroon doorbreken waardoor de zorgen rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen worden weggenomen. De kinderrechter verwacht dat het de ouders met de juiste hulp en inzet weer zal lukken om binnen een voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanvaardbare termijn, de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding weer zelf te kunnen dragen. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.



5.5.
De kinderrechter stelt vast dat de ouders hard aan het werk zullen moeten om dit te bewerkstelligen. Er moeten strakke kaders worden gesteld en er moet gekeken worden naar wat er voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Als dit betekent dat er hulpverlening voor de moeder (maar mogelijk ook voor de vader) nodig is dan zal dit worden aangedragen. Het is aan de moeder om deze hulpverlening te accepteren. Wanneer zij dit niet doet, en dit gevolgen heeft voor het hebben van veilig contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zal de GI hier vanzelfsprekend op acteren. De kinderrechter ziet hierom geen reden een extra doel op te nemen, zoals door de vader verzocht.



5.6.
Gedurende de ondertoezichtstelling dient er te worden gewerkt aan de volgende doelen:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben onbelast contact met hun beide ouders;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden niet belast met volwassen zaken;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen uitleg over hoe en waarom dingen in hun leven zijn gegaan als het gaat over de scheiding en het contact met moeder.



5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 24 april 2026 tot 24 april 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 6 mei 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:255 BW.