Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:3175

2026-03-19 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/445565 / JE RK 26-349
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-03-19
Publicatiedatum
2026-04-19
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/445565 / JE RK 26-349
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.466 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/445565 / JE RK 26-349



Datum uitspraak: 19 maart 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] (België).





[de gezinshuisouders] ,

hierna te noemen: de gezinshuisouders,
wonende te [woonplaats 3]



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.





1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 maart 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- twee vertegenwoordigsters van de GI;


de gezinshuismoeder;


een vertegenwoordigster van de Raad.





1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.



1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.
Bij beschikking van 5 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 5 maart 2024 en tot 5 oktober 2024. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 5 maart 2024 en tot 5 oktober 2024. Deze maatregelen zijn hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 19 maart 2025 voor de periode van 5 april 2025 en tot 5 april 2026.



2.3.

[minderjarige] verblijft in [gezinshuis] te [woonplaats 3] .





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.




4De standpunten

4.1.
De GI handhaaft de verzoeken. De GI acht een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder vooralsnog niet aan de orde. Er wordt op dit moment onderzocht wat de meest passende zorgregeling is tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij de GI nog wel zorgen heeft over de draagkracht van de moeder. [minderjarige] kan met momenten namelijk nog erg boos worden en er is geen zicht op hoe het zal gaan in de thuissituatie van de moeder als [minderjarige] dergelijk gedrag zal vertonen. Uit het verleden, en recente ervaringen, blijkt echter dat de moeder daar moeilijk mee kan omgaan en teruggrijpt naar het gezinshuis. In de komende periode wil de GI het contact tussen de moeder en [minderjarige] opbouwen en van daaruit het perspectief bepalen. Een volledige thuisplaatsing is op dit moment niet aan de orde. Over het contact met de vader verklaart de GI dat de vader heeft aangegeven dat hij eindelijk rust heeft in zijn leven en geen contact wil met [minderjarige] . De vader is voornemens een verzoek tot beëindiging van zijn gezag in te dienen.


4.2.

[minderjarige] vertelt dat hij het liefst bij zijn moeder wil wonen. Hij gaat op dit moment om de week van donderdag tot dinsdag naar zijn moeder. Dat gaat tot nu toe goed. In het gezinshuis gaat het ook goed en als [minderjarige] nog niet terug kan naar zijn moeder, wil hij daar blijven wonen. Met zijn vader heeft [minderjarige] op dit moment geen contact. Daar zou hij op zich wel voor open staan, maar daarin moet zijn vader de eerste stap zetten. Verder vertelt [minderjarige] dat hij minder vaak boos is, maar nog wel boos kan zijn.


4.3.
De gezinshuismoeder verklaart dat het moeilijk is voor [minderjarige] dat er na zo’n lange tijd in het gezinshuis nog steeds geen duidelijk perspectief is. Hierdoor kan [minderjarige] in het gezinshuis niet tot rust komen, hoewel hij daar verder wel op zijn plek zit. Mede doordat de contacten tussen de moeder en [minderjarige] op dit moment worden uitgebreid, heeft [minderjarige] zijn hoop gevestigd op een thuisplaatsing bij de moeder. Het is belangrijk dat er duidelijkheid komt voor [minderjarige] , waarbij de gezinshuismoeder wel bang is hoe [minderjarige] zal reageren als wordt besloten dat hij niet bij de moeder maar in het gezinshuis zal opgroeien.


4.4.
De Raad adviseert de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen. Het is in het belang van [minderjarige] dat er in het komende jaar een besluit wordt genomen ten aanzien van zijn perspectief. In het geval dat wordt besloten dat het perspectief van [minderjarige] bij het gezinshuis ligt, waar het nu naar uitziet, moet duidelijk aan [minderjarige] worden uitgelegd dat dit geen gevolgen heeft voor het contact met de moeder maar dat de basis in het gezinshuis ligt.





5De beoordeling



Het wettelijk kader




5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.


5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.



5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



De inhoudelijke beoordeling





5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen. [minderjarige] heeft namelijk al veel meegemaakt en gebleken is dat hij een negatief zelfbeeld heeft en moeite heeft met het reguleren van emoties en accepteren van hulp daarbij, hetgeen lijkt voort te komen uit hechtingsproblematiek. Ook is gebleken dat beide ouders zich in de afgelopen jaren wisselend hebben opgesteld ten opzichte van [minderjarige] , waardoor [minderjarige] wisselend contact heeft gehad met de ouders. Er is op dit moment geen contact tussen [minderjarige] en de vader en hoewel [minderjarige] hier wel voor open lijkt te staan, heeft de vader aangegeven dat hij geen contact wil met [minderjarige] . Hoewel de kinderrechter dit graag anders zou zien voor [minderjarige] , lijkt het uitblijven van contact met de vader momenteel wel rust te bieden aan [minderjarige] . De moeder heeft zich in de afgelopen periode ingezet om het contact met [minderjarige] uit te breiden. Dit heeft ertoe geleid dat de zorgregeling stapsgewijs wordt uitgebreid en op dit moment wordt onderzocht wat hierin passend en haalbaar is. Tijdens de zitting is gebleken dat de laatste twee contacten positief zijn verlopen. Tegelijkertijd zijn er nog zorgen over de draagkracht van de moeder, met name op het moment dat [minderjarige] moeilijk gedrag zal vertonen in de thuissituatie van de moeder. Dit komt ook doordat de moeder recent en in het verleden moeite heeft gehad met het gedrag van [minderjarige] , contactmomenten vroegtijdig heeft afgebroken en heeft moeten teruggrijpen naar het gezinshuis. Daar komt bij dat de moeder nog niet goed in samenwerking is met de GI, waardoor er nog geen zicht is op de thuissituatie van de moeder.


5.6.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Hierbij betrekt de kinderrechter ook dat [minderjarige] op zijn plek zit in het gezinshuis en een fijne band heeft met de gezinshuisouders, alsook dat [minderjarige] in het gezinshuis de benodigde stabiliteit, rust en duidelijkheid ervaart. De kinderrechter zal de - onweersproken – verzoeken daarom toewijzen en zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de verzochte duur van een jaar. Omdat [minderjarige] in een gezinshuis verblijft, zal de machtiging tot uithuisplaatsing worden beperkt tot een gezinsgerichte voorziening.



5.7.
De kinderrechter verwacht verder dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. Het is van groot belang dat er in de komende periode meer duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] . [minderjarige] verblijft immers al langere tijd (zeven jaar) in het gezinshuis en ervaart onrust door het gebrek aan perspectief. Het is belangrijk dat het perspectiefbesluit op een passende wijze met [minderjarige] wordt besproken, waarbij er aandacht moet zijn voor de manier waarop hij hier mogelijk op zou kunnen reageren. Ook moet verder worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn in het contact tussen [minderjarige] en de moeder en dient er zicht te komen op de thuissituatie van de moeder. Daarvoor is het van belang dat de moeder de samenwerking met de GI zal aangaan. Tot slot geeft de kinderrechter de GI gelet op de houding van de vader in overweging mee de Raad te verzoeken onderzoek te doen naar de noodzaak voor een gezagsbeëindigende maatregel.




Uitvoerbaar bij voorraad




5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 5 april 2026 en tot 5 april 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 5 april 2026 en tot 5 april 2027;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.