Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:2776

2026-03-10 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/444524 / JE RK 26-174
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-03-10
Publicatiedatum
2026-04-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/444524 / JE RK 26-174
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.792 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/444524 / JE RK 26-174
Datum uitspraak: 10 maart 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van



de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .






1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 januari 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:



de vader,


een vertegenwoordigster van de GI;





1.3.
Hoewel correct opgeroepen, is de moeder niet verschenen.




1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hier geen gebruik van gemaakt.






2De feiten


2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .



2.2.

[minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij hun vader.



2.3.
Bij beschikking van 22 maart 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, met ingang van 22 maart 2024 en tot 22 maart 2025.



2.4.
Bij beschikking van 14 maart 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd voor de duur van een jaar, te weten tot 22 maart 2026.






3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.






4De standpunten


4.1.
De GI handhaaft tijdens de zitting het verzoek. De GI voert aan dat er nog steeds sprake is van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat de doelen nog niet zijn behaald. Hoewel het op dit moment naar omstandigheden goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat, hebben zij in het verleden veel meegemaakt waaronder blootstelling aan huiselijk geweld en instabiele opvoedsituaties. Volgens de GI wordt de ernst van deze voorgeschiedenis door de ouders nog steeds onvoldoende gezien. Er bestaat een reëel risico op onderliggende traumaproblematiek bij de kinderen wat volgens de GI nader onderzocht dient te worden. Dit diagnostisch onderzoek en eventueel daarop aansluitende hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn echter nog niet echt opgestart. De GI geeft verder aan dat zij positief is over de inzet van de vader en zijn medewerking aan de hulpverlening. Tegelijkertijd ziet de GI dat afspraken niet altijd consequent worden nagekomen en dat er meer structurele inzet van de vader nodig is om de noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] echt van de grond te krijgen. Ten aanzien van de moeder stelt de GI dat er een voorzichtige positieve ontwikkeling zichtbaar is nu zij de begeleide contactmomenten met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nakomt. Deze ontwikkeling is alleen nog wel pril en kwetsbaar. De GI vindt het van belang dat deze contacten onder regie en begeleiding blijven plaatsvinden en indien mogelijk worden uitgebreid. De moeder kan dan laten zien dat zij structureel beschikbaar en betrouwbaar is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tot slot uit de GI nog zorgen over de situatie rondom de (ex-)partner van de moeder. Deze situatie kan invloed hebben op de veiligheid en stabiliteit van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en op het verloop van de contactmomenten. De GI acht een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om in de komende periode de ontwikkelingen te kunnen blijven monitoren. Ook het diagnostisch onderzoek en eventuele behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet zo snel mogelijk van de grond komen. De GI vindt verdere regie overde omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig De GI acht het risico aanwezig dat zonder ondertoezichtstelling de ingezette lijn zal verslappen en noodzakelijke stappen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet worden gezet.



4.2.

De vader stelt dat het naar omstandigheden goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de thuissituatie. Hij draagt de dagelijkse zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en geeft aan dat hij zich volledig voor hen inzet. De vader merkt op dat de situatie met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zwaar voor hem is maar dat hij hiermee om kan gaan en zijn verantwoordelijkheid neemt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben behoefte aan contact met hun moeder en de vader vindt het voor hen belangrijk dat dit contact op een goede en structurele manier blijft plaatsvinden. De vader vindt het van belang dat de GI betrokken blijft met name om de moeder te blijven sturen in haar verantwoordelijkheid richting [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodat deze contacten door blijven gaan. Ten aanzien van de hulpverlening merkt de vader op dat hij bereid is mee te werken en dat hij dit ook in het verleden heeft gedaan. De veelheid aan hulpverlening ziet de vader soms wel als belastend.
De vader is akkoord met een verlenging van de ondertoezichtstelling omdat hij begrijpt dat deze nodig is gelet op de situatie en de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader zou graag zien dat er in de toekomst meer duidelijkheid en stabiliteit komt met name in het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun moeder.







5De beoordeling



Wettelijk kader




5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



De beoordeling





5.3.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria zoals hierboven vermeld. Dit betekent dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van een jaar. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.



5.4.
De kinderrechter stelt op basis van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting vast dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds aanwezig is. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in het verleden blootgesteld aan huiselijk geweld en een instabiele opvoedsituatie. De kinderrechter constateert dat het weliswaar op dit moment naar omstandigheden goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lijkt te gaan, maar dat er nog onvoldoende zicht is op hun sociaal-emotionele ontwikkeling en eventuele traumaproblematiek. Noodzakelijk diagnostisch onderzoek en daarop aansluitende hulpverlening zijn tot op heden nog niet of onvoldoende van de grond gekomen. De kinderrechter stelt verder vast dat de vader de dagelijkse zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] draagt en hen een stabiele opvoedomgeving biedt. De kinderrechter complimenteert de vader voor zijn inzet . Tegelijkertijd is gebleken dat de ondersteuning van zowel de vader als de moeder noodzakelijk blijft om de benodigde hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daadwerkelijk tot stand te brengen. Er is onvoldoende bereidheid gebleken om mee te werken aan genoemd diagnostisch onderzoek en traumagerichte hulpverlening.



5.5.
Verder is het de kinderrechter gebleken dat er ten aanzien van de moeder nog steeds zorgen bestaan. In het verleden is gebleken dat zij onvoldoende in staat was de afspraken rondom de contactmomenten met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na te komen en was er sprake van een instabiele leefsituatie deels in verband met problematische partnerrelaties. De kinderrechter acht het positief dat de moeder thans de begeleide contactmomenten met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nakomt. Deze ontwikkeling is echter recent en nog kwetsbaar. Daarnaast blijven er zorgen bestaan over de invloed van de (ex-)partner van de moeder en de stabiliteit van haar situatie. Ook is gebleken dat de ouders er nog onvoldoende in slagen om gezamenlijk invulling te geven aan hun ouderschap en beslissingen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te nemen.



5.6.
Vanwege het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald ondanks dat het op dit moment goed lijkt te gaan met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De betrokkenheid van de GI is nog noodzakelijk om regie te voeren op het opstarten en uitvoeren van diagnostisch onderzoek en eventuele behandeling, de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te monitoren en de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te begeleiden en verder vorm te geven. Ook de situatie rondom de moeder en haar ex-partner moet worden gemonitord en indien nodig moet de moeder hierin worden ondersteund. Op die manier kan de veiligheid en de ontwikkeling rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden gewaarborgd. De kinderrechter zal het verzoek dan ook toewijzen voor de verzochte duur van een jaar.



5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



5.8.
Dit leidt tot de volgende beslissing.






6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 22 maart 2026 en tot 22 maart 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 24 maart 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.