Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:2319

2026-02-26 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/438459
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-02-26
Publicatiedatum
2026-03-29
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/438459
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling. Het afgelopen half jaar zijn de zorgen niet afgenomen en de hulpverlening is nog niet van start gegaan. Er moet een toekomstbestendig plan komen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.234 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/438459 / JE RK 25-1434
Datum uitspraak: 26 februari 2026




Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van




STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),



over





[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M.C.G. Voogt uit Breda.





1Het verdere verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


De in deze zaak gegeven beschikking van 26 augustus 2025 en alle daarin genoemde stukken;


het briefrapport van de GI van 6 januari 2026;


het bericht van mr. M.C.G. Voogt van 19 januari 2026.





1.2.
Op 26 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder met haar advocaat (via teams);
- een vertegenwoordiger van de GI.



1.3.
Op 18 februari 2026 heeft mr. Voogt de rechtbank verzocht of zij en haar cliënt digitaal aanwezig mogen zijn bij de zitting. De kinderrechter is hiermee akkoord gegaan.





2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] woont bij de moeder.


3. De kinderrechter heeft bij beschikking 3 september 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij de in deze zaak gegeven beschikking van 26 augustus 2025 tot 3 maart 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.






4Het (resterende) verzoek


4.1.
Thans ligt het resterende deel van het verzoek nog ter beoordeling voor. Het gaat daarbij om een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden



4.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





5Het standpunt van de GI


5.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Er zijn nog steeds grote zorgen over [minderjarige] . Zij gaat sinds december weer minder vaak naar school en is in januari zelfs nauwelijks naar school gegaan. De school uit zorgen over de afwezigheid van [minderjarige] en het contact met de moeder. De ambulante behandeling van de moeder is niet toereikend. Ook de financiële situatie van de moeder baart zorgen. De moeder heeft vier dagen in de week begeleiding thuis vanuit de [zorggroep] . Zij zien dat de moeder vastloopt wanneer sprake is van een moeilijke situatie. Er is sturing nodig bij de hygiëne en het eetpatroon van [minderjarige] De GI zou vijf dagen begeleiding willen voor de moeder, maar de gemeente wil dat niet financieren omdat zij dit geen toekomstbestendige oplossing vinden. De gemeente vindt een moeder-kind-opname toekomstbestendig, maar de moeder staat daar sinds de afgelopen periode niet meer voor open. De moeder deelt de visie van de GI niet. Dat maakt het samenwerken ingewikkeld. De moeder wantrouwt de GI en bepaalde vormen van hulpverlening. De PMT voor [minderjarige] is nog steeds niet van de grond gekomen, omdat er geen akkoord wordt gegeven. De hulpverlenende instantie wil niet van start gaan zonder een handtekening van de moeder. De GI zou om vervangende toestemming kunnen vragen. De GI wil echter het liefst samen met de moeder een beslissing nemen, aangezien de moeder ook mee zal moeten gaan naar de therapie. Gelet hierop vindt de GI dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden want hulpverlening is op dit moment niet mogelijk in een vrijwillig kader.





6Het standpunt van belanghebbende


6.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij zich niet kan vinden in het verzoek. De moeder doet enorm haar best en begrijpt dat er nog stappen gezet moeten worden. Er is begeleiding bij de moeder thuis op de piekmomenten. Moeder accepteert de hulp. Dat de PMT niet van de grond is gekomen ligt buiten de schuld van de moeder en [minderjarige] . Er zijn zichtbaar stappen gezet. Dat wordt ook teruggekoppeld door school. Het verzuim is afgenomen en [minderjarige] haalt goede cijfers. [minderjarige] is in januari tien dagen ziek geweest, maar is daarna weer naar school gegaan. De moeder heeft goed contact met de school en biedt [minderjarige] structuur. [minderjarige] is rustiger en is aan het groeien. Er is geen sprake van een ontwikkelingsbedreiging. Volgens de GI zou deze bedreiging ontstaan indien het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling zou wegvallen. Er zou meer tijd nodig zijn om zeker te weten dat het goed gaat en om te onderzoeken of een vrijwillig kader mogelijk is. De moeder ziet niet in waarom dat niet in het vrijwillig kader kan plaatsvinden. De moeder wil de kans krijgen om te laten zien dat zij in een vrijwillig kader de betrokken hulp voortzet. De moeder vindt onvoldoende onderbouwd waarom sprake zou zijn van wantrouwen aan haar zijde ten aanzien van de samenwerking met de GI.





7De (nadere) beoordeling



Wettelijk kader



7.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



7.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:


de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;


de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.





Inhoudelijke beoordeling




7.3.

Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt voldaan aan de voorwaarden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter is van oordeel dat, in tegenstelling tot wat door en namens de moeder is aangevoerd, weldegelijk sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Er bestaan zorgen over [minderjarige] rondom schoolverzuim, haar hygiëne en haar eetpatroon. Ook wordt [minderjarige] snel boos en uit zij zich op een negatieve manier. [minderjarige] is gediagnosticeerd met autisme en ADHD en het is belangrijk dat zij passende hulpverlening krijgt. De PMT is nog steeds niet gestart, terwijl [minderjarige] daar al was aangemeld voor de aanvang van de zitting op 26 augustus 2025. Gelet op de diagnose is het des te belangrijker dat [minderjarige] naar school gaat. Zij is enorm gebaat bij structuur. De GI heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de PMT in een vrijwillig kader wel van de grond komt. Dit vindt de kinderrechter enorm zorgelijk. [minderjarige] heeft PMT nodig. De kinderrechter merkt op dat over het algemeen een GI gemakkelijker zaken kan regelen dan dat kan worden gedaan in een vrijwillig kader.
Bovendien is de kinderrechter van oordeel dat de hulpverlening die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen onvoldoende wordt geaccepteerd door de moeder. Moeder doet haar best. De [zorggroep] is vier dagen in de week betrokken. Dat is een zeer intensief traject, maar het lijkt toch onvoldoende gelet op het feit dat de GI dit wil ophogen naar vijf dagen in de week. Het is heel belangrijk dat er een goede samenwerking bestaat tussen de moeder en de GI en tussen de moeder en de [zorggroep] . De kinderrechter vindt het zorgelijk dat de gemeente de inzet van deze begeleiding niet ziet als een duurzame oplossing. De GI zal de komende periode moeten onderzoeken wat er dan wel dient te gebeuren. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat de moeder niet meer open staat voor begeleid wonen samen met [minderjarige] . Als de [zorggroep] niet meer betrokken is en er geen toekomstbestendig plan ligt, zal het erg ingewikkeld zijn om in een vrijwillig kader alle zaken goed te regelen, ook al doet de moeder haar best. Zij heeft de steun in de rug nodig van de GI om er voor te zorgen dat de positieve ontwikkeling die gezien wordt niet weer verloren gaat. Omdat wordt voldaan aan de wettelijke criteria wordt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] door de kinderrechter verlengd met zes maanden. Het zou positief zijn voor de situatie van [minderjarige] en haar moeder als, vanwege de verlenging van de ondertoezichtstelling, de [zorggroep] betrokken kan blijven.




Uitvoerbaar bij voorraad




7.4.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat de GI zonder onderbreking betrokken blijft.




7.5.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.





8De beslissing


De kinderrechter:



8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 3 september 2026;


8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.