Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:2090

2026-02-19 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/444945 / JE RK 26-243
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-02-19
Publicatiedatum
2026-03-22
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/444945 / JE RK 26-243
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vots en machtiging uhp

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.613 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/444945 / JE RK 26-243
Datum uitspraak: 19 februari 2026




Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. I.D. van Wijnen uit Assen.,



de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.



De kinderrechter merkt als informanten aan:





[de stiefvader]
,
hierna te noemen de stiefvader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,





[de opa mz]
,
Hierna te noemen opa moederszijde/pleegouder.






1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 10 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de stiefvader;


de moeder met haar advocaat;


opa moederszijde


- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.



1.3.
Hoewel daartoe correct opgeroepen, is de vader niet bij de mondelinge behandeling verschenen.






2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.2.
Sinds voornoemde beschikking verblijft [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder en verblijft [minderjarige 2] bij opa en oma moederszijde.





3Het resterend verzoek


3.1.
De Raad heeft verzocht om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook heeft de Raad verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (opa en oma moederszijde) en van [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Na de beschikking van 10 februari 2026 waarbij zowel de voorlopige ondertoezichtstelling als de machtigingen uithuisplaatsing zijn toegewezen voor de duur van twee weken, resteert thans nog een periode van 2,5 maand.





4De standpunten


4.1.
Namens de Raad is naar voren gebracht dat er al langere tijd sprake is van problematiek. Er is al 8 jaar hulpverlening betrokken. Er is veel ingezet maar uiteindelijk moet de Raad concluderen dat er plat gezegd te lang is aangemodderd en dat dit een negatief effect heeft gehad op de minderjarigen en de berokkenen. Er zijn onder meer zorgen over de hygiëne, het op tijd op school komen en het meenemen van voldoende eten naar school. Deze acute zorgen rechtvaardigen wat de Raad betreft de verzochte maatregelen. Het is fijn dat [persoon] bij opa en oma moederszijde kan verblijven. [minderjarige 1] verblijft momenteel bij [accommodatie] waar hij ook behandeling kan krijgen. De Raad spreekt de hoop uit dat de moeder in gesprek gaat met de GI om een plan op te stellen om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] (en [persoon] ) zo snel mogelijk weer thuis te krijgen. De Raad handhaaft het verzoek.



4.2.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij al jaren vraagt om passende hulpverlening maar deze niet krijgt. De moeder vindt het niet terecht dat zij hierin enige vorm van schuld krijgt met alle gevolgen van dien. De moeder wil hulp en heeft dan ook geen bezwaar tegen een voorlopige ondertoezichtstelling. De moeder probeert al jaren de ballen hoogt te houden. Zij is overbelast geraakt door alle verkeerde hulpverlening, niet door de zorg voor de minderjarigen. Een heel blik aan hulpverleners is dan ook niet wat zij nu op dit moment nodig heeft, maar wel hulp die passend is zodat zij stappen kan zetten. De moeder heeft nu rust nodig zodat zij weer een stabiele en veilige omgeving voor de minderjarigen kan creëren. Om die reden kan zij voorlopig instemmen met een machtiging uithuisplaatsing. De wijze waarop de uithuisplaatsing is verlopen is erg traumatiserend geweest, met name voor [minderjarige 1] . In dat kader merkt de moeder op dat de minderjarigen nooit acuut in gevaar zijn geweest. De moeder heeft [minderjarige 1] al meermalen overstuur aan de telefoon gehad en zij maakt zich zorgen over hoe het met hem gaat. Hij heeft een stip nodig aan de horizon waarop hij kan focussen. Deze situatie is uitzichtloos voor hem en dat versterkt zijn trauma door de uithuisplaatsing.



4.3.
De grootvader moederszijde heeft verklaard dat de moeder goed is voor de minderjarigen. De kinderen zijn gek op haar. De grootvader heeft geen goed woord over voor de wijze waarop de minderjarigen uit huis zijn gehaald. Met name [minderjarige 1] was helemaal overstuur. Dat is onmenselijk en hartverscheurend. Zo ga je niet met kinderen om en dit zal ze hoe dan ook een trauma bezorgen. De moeder vraagt om passende hulp. Tot nu toe is er niet passende hulpverlening aan haar opgedrongen.



4.4.
De stiefvader heeft verklaart dat hij onderschrijft wat de moeder en opa hebben aangegeven. De uithuisplaatsing vindt de vader kwalijk aangepakt. Met name [minderjarige 1] heeft al veel meegemaakt en heeft moeite met veranderingen. Dit is traumatiserend voor hem. De stiefvader merkt verder op dat hij [minderjarige 1] nog ziet op de voetbal, maar dat hij [persoon] (en [minderjarige 2] ) al vier weken niet heeft gezien omdat het CJG de hulp heeft gestopt. De stiefvader betreurt dat ten zeerste. De stiefvader wil meewerken aan gezinsbegeleiding en wil de moeder ondersteunen.



4.5.
Namens de GI is aangegeven dat [minderjarige 1] wat meer gewend lijkt op de groep. Dit is een plek waar hij de komende weken kan verblijven. In de tussentijd zal bekeken moeten worden hoe nu verder. De GI wil graag met de moeder en de hulpverlening in gesprek zodat duidelijk kan worden wat er voor nodig is om moeder weer zelfstandig de zorg voor de minderjarigen te laten dragen. De GI stemt in het met het verzoek van de Raad.





5De nadere beoordeling


5.1.

Op grond van artikel 1:257 BW, eerste lid, kan de kinderrechter de minderjarige
voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig
vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW, is vervuld en de
maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te
nemen.



Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige
onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig
opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de

minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of
onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen

binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te
achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel
1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de
uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige
gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de
verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of
lichamelijke gesteldheid.




5.2.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is naar het oordeel van
de kinderrechter gebleken dat er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een voorlopige
ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.



Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze ontwikkelingsbedreiging is reeds uiteengezet in de in deze zaak gegeven beschikking van 10 februari 2026. Deze zorgen zijn nog altijd actueel. Het is belangrijk dat er nu rust komt en dat er vanuit die situatie verder wordt opgebouwd. Er zal passende hulpverlening ingezet moeten worden, iets waar de moeder al langere tijd om vraagt. De kinderrechter vraagt aan alle betrokkenen om goed met elkaar in gesprek te gaan over het verdere traject zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zo snel als mogelijk weer thuis kunnen gaan wonen. Naast passende hulpverlening zal er ook aandacht moeten zijn voor contact tussen [minderjarige 2] (en [minderjarige 1] ) en haar vader, aangezien zij elkaar al een maand niet hebben gezien. Daar moet snel verandering in komen. De kinderrechter vraagt de GI om dat met voorrang op te pakken.




5.3.
Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW. De kinderrechter zal daarom [persoon] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht stellen voor de gevraagde, resterende duur.



5.4.
De kinderrechter is ook van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW. De kinderrechter zal een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (te weten bij grootouders moederszijde) en van [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. [accommodatie] is een passende instelling voor [minderjarige 1] waar hij goed kan worden begeleid. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat [minderjarige 1] daar de komende periode kan blijven.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 24 februari 2026 tot 10 mei 2026;



6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 24 februari 2026 tot 10 mei 2026;



6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (te weten bij grootouders moederszijde) van 24 februari 2026 tot 10 mei 2026;


6.4.
verklaart de beslissing onder 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Rozendaal als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.