Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2023:6469
2023-09-13
Bestuursrecht
AWB- 23_3516
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WOO
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2809 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-05-2022
- ECLI:NL:CRVB:2021:2305 Centrale Raad van Beroep 10-09-2021
- ECLI:NL:RVS:2019:673 Raad van State 08-03-2019
- ECLI:NL:RVS:2020:3156 Raad van State 27-03-2020
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3651 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (5.707 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/3516
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2023 in de zaak tussen
[naam] , uit [plaats] , eiser,
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2022, (ECLI:NL:RBZWB:2022:2809). In die uitspraak staat dat de minister uiterlijk op 1 december 2022 volledig moet beslissen op het Wob-verzoek van eiser. Eiser stelt nu beroep in omdat de minister dat volgens hem niet heeft gedaan.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in de uitspraak van 20 mei 2022 al een termijn heeft gesteld waarbinnen de minister volledig op eisers Wob-verzoek moet beslissen.
4. De minister heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn volledig op eisers Wob-verzoek beslist.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
5. Omdat de minister nog geen volledig besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
5.1.
De minister heeft in zijn verweerschrift van 20 juli 2023 gevraagd om een langere termijn, maar de rechtbank ziet hier geen reden voor. De rechtbank is in haar uitspraak van 20 mei 2022 gemotiveerd tot een datum van 1 december 2022 gekomen. Zij heeft toen al begrip getoond voor het aantal coronagerelateerde Wob- en Woo-verzoeken en ook heeft zij toen al rekening gehouden met de complexiteit om de gevraagde informatie te ontsluiten. Sinds 1 december 2022 zijn alweer ruim negen maanden verstreken. Het door de minister aangegeven huidige personeelstekort en het grote verloop van personeel kunnen nu ook niet tot een langere beslistermijn leiden, omdat het niet aan de rechtbank is om een structurele, collectieve oplossing te bieden voor de capaciteitsproblemen bij de minister.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
6. Volgens het landelijke beleid wordt in gevallen als deze, waarin de minister na een door de rechter gestelde termijn nog steeds geen volledig besluit heeft genomen, de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister de onder 5. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 6. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Verder zijn er geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een volledig besluit op eisers Wob-verzoek bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 13 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156.
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/3516
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2023 in de zaak tussen
[naam] , uit [plaats] , eiser,
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2022, (ECLI:NL:RBZWB:2022:2809). In die uitspraak staat dat de minister uiterlijk op 1 december 2022 volledig moet beslissen op het Wob-verzoek van eiser. Eiser stelt nu beroep in omdat de minister dat volgens hem niet heeft gedaan.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in de uitspraak van 20 mei 2022 al een termijn heeft gesteld waarbinnen de minister volledig op eisers Wob-verzoek moet beslissen.
4. De minister heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn volledig op eisers Wob-verzoek beslist.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
5. Omdat de minister nog geen volledig besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
5.1.
De minister heeft in zijn verweerschrift van 20 juli 2023 gevraagd om een langere termijn, maar de rechtbank ziet hier geen reden voor. De rechtbank is in haar uitspraak van 20 mei 2022 gemotiveerd tot een datum van 1 december 2022 gekomen. Zij heeft toen al begrip getoond voor het aantal coronagerelateerde Wob- en Woo-verzoeken en ook heeft zij toen al rekening gehouden met de complexiteit om de gevraagde informatie te ontsluiten. Sinds 1 december 2022 zijn alweer ruim negen maanden verstreken. Het door de minister aangegeven huidige personeelstekort en het grote verloop van personeel kunnen nu ook niet tot een langere beslistermijn leiden, omdat het niet aan de rechtbank is om een structurele, collectieve oplossing te bieden voor de capaciteitsproblemen bij de minister.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
6. Volgens het landelijke beleid wordt in gevallen als deze, waarin de minister na een door de rechter gestelde termijn nog steeds geen volledig besluit heeft genomen, de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister de onder 5. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 6. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Verder zijn er geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een volledig besluit op eisers Wob-verzoek bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 13 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156.