Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:8097

2026-04-22 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/10/704462 / HA ZA 25-640
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-04-22
Publicatiedatum
2026-07-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/704462 / HA ZA 25-640
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eindvonnis. Geslaagd beroep op verkrijgende verjaring ex artikel 3:99 BW.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.846 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Civiel recht



Zittingsplaats Dordrecht



Zaaknummer: C/10/704462 / HA ZA 25-640




Vonnis van 22 april 2026




in de zaak van





[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
advocaat: mr. J.M. van der Wal,



tegen





1DHM INDUSTRIAL SERVICES B.V.,

vestigingsplaats: Sliedrecht,2. AAVK&D BEHEER B.V.,
vestigingsplaats: Sliedrecht,
gedaagden,
advocaat: mr. M.J. Noteboom.



Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’, ‘DHM’ en ‘AAVK&D’ genoemd.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 juli 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de brief van de rechtbank waarin is bericht dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte eiswijziging en aanvullende producties van [eiser] ;
- de mondelinge behandeling van 26 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[eiser] was [functie] van Machinefabriek [bedrijf 1] B.V. (hierna ‘ [bedrijf 1] ’). [bedrijf 1] heeft meerdere scheepsmodellen laten maken, onder andere om deze te kunnen laten zien in de maritieme wereld. In deze zaak gaat het over de cutterdredger ‘Jokra’ en de cutterdredger ‘Castor’ (hierna ‘de Scheepsmodellen’).



2.2.

[bedrijf 1] was huurder van het kantoorpand aan het adres [adres] in [plaats] (hierna ‘het Pand’). In het Pand zijn de Scheepsmodellen door [bedrijf 1] neergezet en daar staan ze nog steeds.



2.3.
Op 27 juni 2019 is een overeenkomst tot overname gesloten tussen [bedrijf 2] B.V., de rechtsvoorganger van DHM, als “Koper” en [bedrijf 1] en [bedrijf 3] B.V. gezamenlijk als “Verkoper” (hierna ‘de Overeenkomst’). In de Overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende vermeld:



“h. (…) de Activa waarvan hieronder sprake is en zoals hieronder gedefinieerd uitgezonderd de Machines zijn in eigendom van Machinefabriek [bedrijf 1] B.V. Daar waar het hieronder in de Overeenkomst specifiek de Machines aangaat zal ‘Verkoper’ derhalve gelezen moeten worden als ‘ [bedrijf 3] B.V.’ en daar waar het de Activa uitgezonderd de Machines aangaat zal ‘Verkoper’ derhalve gelezen moeten worden als ‘ [bedrijf 1] B.V.’


(…)




1.1


De verkoper verkoopt aan Koper, gelijk Koper van Verkoper koopt de
Activa
, bestaande uit (…) (4) de overige (al dan niet roerende) goederen van Verkoper waaronder de goodwill, hierna te noemen:
Overige goederen
. De Activa worden hierna in de volgende artikelen specifieker gedefinieerd.


(…)




5.1


Verkoper verkoopt aan Koper alle Overige (al dan niet roerende) goederen die Verkoper in eigendom heeft. Hiertoe behoren onder meer, maar niet uitsluitend:


(…)


- alle voorraden materialen, grondstoffen, inventaris, inrichting, kleingereedschap, etc.”


(…)




9.1


De koop van de onderneming (
Overname
) geschiedt naar de toestand per 1 juli 2019 hierna en hiervoor genoemd: de Overnamedatum.


(…)




11.2

De levering van de (…) overige goederen zal plaatsvinden doordat de Koper deze per Overnamedatum in haar bezit zal nemen.”




2.4.
Uit de bijlage “specificatie materiële vaste activa [bedrijf 3] Holding” bij de Overeenkomst volgt dat onder kantoorinventaris onder andere valt: “meubilair vergaderkamer” en “inrichting kantoor [kantoornaam] ”. De ruimtes ‘vergaderkamer’ en ‘kantoor [kantoornaam] ’ bevinden zich in het Pand.



2.5.
Op 1 juli 2019 bevonden de Scheepsmodellen zich in de ‘vergaderkamer’ respectievelijk het ‘kantoor van [kantoornaam] ’. Vanaf 1 juli 2019 zijn deze ruimtes door (de rechtsvoorganger van) DHM in gebruik genomen.





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis – samengevat:


DHM en AAVK&D hoofdelijk te veroordelen tot afgifte van de Scheepsmodellen, op straffe van een dwangsom;



[eiser] te machtigen om zelf de afgifte van de Scheepsmodellen aan hem te bewerkstelligen door tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder;


subsidiair: voor recht te verklaren dat het Nationaal Baggermuseum in Sliedrecht eigenaar is van de Scheepsmodellen;


DHM en AAVK&D hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 925,00;


DHM en AAVK&D hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en wettelijke rente daarover;


het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij eigenaar is van de Scheepsmodellen en dat hij daarom bevoegd is om deze van DHM en AAVK&D op te eisen.



3.3.
DHM en AAVK&D concluderen tot afwijzing van de vorderingen. Zij betwisten dat [eiser] eigenaar is van de Scheepsmodellen. Als verweer voeren zij aan dat het eigendom van de Scheepsmodellen bij DHM ligt; primair omdat deze onderdeel waren van de Overeenkomst en dus in eigendom aan DHM zijn overgedragen en subsidiair op grond van verkrijgende verjaring.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
Uit artikel 5:2 BW volgt dat de eigenaar van een zaak bevoegd is haar van een ieder die haar zonder recht houdt op te eisen (een vordering tot revindicatie). Het opeisen van een zaak zal niet slagen als de eigenaar zijn eigendom verloren heeft. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de ander zich op een beschermingsbepaling kan beroepen.



DHM heeft eigendomsrecht van de Scheepsmodellen verkregen





4.2.
Tussen partijen staat ter discussie wie het eigendomsrecht van de Scheepsmodellen heeft. Het antwoord op de vraag of de Scheepsmodellen onderdeel waren van de Overeenkomst (en DHM via die weg eigenaar is geworden) kan achterwege blijven omdat DHM zich met succes op verjaring kan beroepen en zij reeds daarom het eigendomsrecht van de Scheepsmodellen heeft verkregen. Hierna wordt dit nader toegelicht.



4.3.
Om succesvol een beroep te kunnen doen op verkrijgende verjaring moet (1) sprake zijn van bezit, (2) de bezitter te goeder trouw zijn en (3) het bezit over een roerende zaak gedurende minimaal drie jaar onafgebroken door de bezitter (en/of zijn rechtsvoorganger) zijn uitgeoefend (artikel 3:99 BW). Voor de vraag of iemand bezitter is, zijn de artikelen 3:107 BW e.v. van belang. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf. Hieronder moet worden verstaan het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Uiteindelijk bepaalt de verkeersopvatting of iemand bezitter is, met inachtneming van wettelijke regels en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Met betrekking tot het vereiste van de goede trouw geldt dat daarvan sprake is, wanneer een bezitter zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen (artikel 3:118 lid 1 BW). In principe is hierbij het moment van de bezitsverkrijging beslissend.



4.4.
DHM stelt dat zij de Scheepsmodellen vanaf 1 juli 2019 in bezit heeft gehad en dat er daarom sprake is van een onafgebroken bezit van meer dan drie jaar. Als onderbouwing van haar stelling heeft DHM toegelicht (1) dat de Scheepsmodellen zich bevonden in de ‘vergaderkamer’ en het ‘kantoor [kantoornaam] ’ in het Pand, (2) dat deze ruimtes na de overname door haar werden gebruikt en (3) dat zij de Scheepsmodellen vanaf dat moment feitelijk in bezit heeft. Dit is niet betwist door [eiser] . Daarnaast waren de Scheepsmodellen functioneel voor de bedrijfsvoering van DHM. Ze werden, zo is aangevoerd, namelijk gebruikt om uitleg te geven aan klanten of studenten. Ook dit heeft [eiser] niet betwist. [eiser] betwist wel dat er sprake is van bezit door DHM, omdat daar niet naar is gehandeld. De Scheepsmodellen zijn door DHM niet voor zichzelf gehouden, aldus [eiser] . Hij verwijst daarbij naar WhatsAppcontact van 21 augustus 2019 tussen hem en [persoon A] ( [functie] van DHM en AAVK&D), waarin [persoon A] aan [eiser] om toestemming vraagt om de Scheepsmodellen te verplaatsen. Ook verwijst [eiser] naar e-mailverkeer van 2 en 4 oktober 2020 met [persoon A] , waaruit blijkt dat DHM met toestemming gebruikmaakt van het meubilair van [eiser] in het Pand. Op de zitting heeft DHM toegelicht dat die berichten door [persoon A] aan [eiser] zijn verstuurd omdat [eiser] destijds nog een kamer in het Pand in gebruik had, er ook algemene ruimtes waren en DHM altijd alles heel netjes heeft willen vragen. Dat DHM de hiervoor beschreven berichten via WhatsApp en e-mail aan [eiser] heeft verstuurd is onvoldoende om het wettelijke vermoeden uit artikel 3:109 BW (dat DHM op 1 juli 2019 de Scheepsmodellen voor zichzelf is gaan houden) te weerleggen, ook gelet op de toelichting daarop door DHM en de overige in dit randnummer (niet door [eiser] betwiste) feiten en omstandigheden. Daarom komt vast te staan dat de Scheepsmodellen vanaf 1 juli 2019 in het onafgebroken bezit van DHM (en/of haar rechtsvoorganger) zijn geweest, zonder dat [eiser] om afgifte heeft gevraagd. Dan resteert nog het vereiste van goede trouw.



4.5.
De bezitsverkrijging van de scheepsmodellen vond plaats op 1 juli 2019. Op die dag heeft de overname van onder andere “inrichting”, “inventaris” en “meubilair” aan DHM plaatsgevonden en heeft DHM haar intrek genomen in de ‘vergaderkamer’ en het ‘kantoor [kantoornaam] ’ in het Pand waarin de Scheepsmodellen stonden. Of DHM te goeder trouw was moet worden beoordeeld naar de omstandigheden op 1 juli 2019. Op grond van de wet geldt dat goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen (artikel 3:118 lid 3 BW). Dat betekent dat [eiser] concrete feiten en omstandigheden moet stellen, en zo nodig bewijzen, waaruit blijkt dat DHM bij de verkrijging niet te goeder trouw was. [eiser] heeft op dit punt niets gesteld terwijl dat wel op zijn weg lag, zodat van de goede trouw van DHM op het moment van de bezitsverkrijging wordt uitgegaan.



4.6.
Aan de vereisten van artikel 3:99 BW is daarmee voldaan. De conclusie is dan ook dat de verjaringstermijn is verstreken en dat DHM het eigendomsrecht van de Scheepsmodellen heeft verkregen. Omdat [eiser] geen eigenaar is van de Scheepsmodellen, heeft hij bij zijn vordering op AAVK&D geen belang (artikel 3:303 BW). Dit betekent dat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen.





[eiser] moet de proceskosten betalen





4.7.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DHM en AAVK&D worden begroot op:









- griffierecht


€


2.995,00







- salaris advocaat


€


1.042,00


(2 punten × € 521,00)




- nakosten


€


178,00







Totaal


€


4.215,00










De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De rechtbank



5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,



5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van DHM en AAVK&D, begroot op € 4.215,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en tot de dag dat volledig is betaald,



5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.