Goederenrecht, verjaring. Eigendomsverkrijging van perceel grond door bezitter te kwader trouw ingevolge verjaring; art. 3:105 lid 1 en 3:314 lid 2 BW. Objectieve maatstaf, kenbaarheid, ondubbelzinnigheid. Kenbaarheid van het bezit indien het perceel moeilijk begaanbaar of moeili
Burgerlijk Wetboek
Art. 3:99 BW
Genoemd in 717 uitspraken · Officiële wettekst
717 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Vermogensrecht. Verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW). Erfdienstbaarheid van overpad. Goede trouw (3:23 BW). Beoordeling van overige eisen die – naast bezit van het recht van overpad – moeten worden gesteld voor rechtverkrijgende verjaring, meer in het bijzonder de eis van goede
Goederenrecht. Verkrijging eigendom strook grond door bezitter niet te goeder trouw op grond van verjaring (art. 3:105 BW jo. art. 3:314 lid 2 BW en art. 3:306 BW). Onrechtmatige daad jegens voormalige eigenaar; vordering tot schadevergoeding in natura door levering strook grond
Vermogensrecht. Verkrijging door extinctieve verjaring ex art. 3:105 BW? Motivering.
Eigendom van een strook grond; verkrijgende (art. 3:99 BW) of bevrijdende verjaring (art. 3:105 BW)?; devolutieve werking; maatstaf voor inbezitneming.
Arubaanse zaak; gebruik strand; verjaring ex art. 3:105 jo 3:306 BWA; bezit van openbare overheidsgrond?; uiterlijke feiten (art. 3:108 BWA); verenigbaarheid van gebruik met houderschap voor de overheid
oud recht, verkrijgende verjaring, bevrijdende verjaring, bezit, goede trouw, artikel 93 Overgangswet.
Appellante heeft een recreatiewoning gekocht van de vorige huurder van het perceel grond. Zij claimt door verjaring een opstalrecht te hebben verkregen. Afhankelijk of zelfstandig opstalrecht? Voor verjaring vereiste bezit aanwezig?
Vermogensrecht. Geen verkrijgende verjaring van strook grond ex art. 3:105 BW. Hof had moeten onderkennen dat na de erkenning in de zin van art. 3:318 BW, waardoor de verjaring werd gestuit, op de voet van art. 3:319 BW een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren aanving. In dit
Eigendom strook grond. Bepaling grenzen geleverd kadastraal perceel. Verkrijging door verjaring ex art. 3:99 of art. 3:015 BW. Goede trouw. Art. 3:23 BW van toepassing op kadaster? Bezit.
Art. 81 lid 1 RO. Goederenrecht. Erfdienstbaarheid van overpad (over steegje buurperceel). Verkrijging door verjaring op grond van art. 3:105 BW in verbinding met art. 3:306 BW? Bezit? Bezitsdaden? Behelst art. 3:119 lid 2 BW een uitzondering op art. 3:109 BW?
Art. 81 lid 1 RO. Goederenrecht. Extinctieve verjaring; art. 3:105, 306 BW. Bezitsvereiste
Goederenrecht. Bezit strook grond. Extinctieve verjaring van revindicatie, art. 3:105 BW. Feitelijke machtsuitoefening; verkeersopvatting en uiterlijke feiten (art. 3:108 en 3:113 BW).
Vermogensrecht. Voor verjaring vereist bezit. Heeft het hof ten aanzien van betwisting van bezit terecht een verzwaarde motiveringsplicht aangenomen?
Verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW); bevrijdende verjaring (art. 3:105 BW); aparte maatstaf voor inbezitneming van publieke grond?; Heusdense vordering
Goederenrecht. Art. 3:99 lid 1 BW. Ontstaan van erfdienstbaarheid door verkrijgende verjaring. Bezit te goeder trouw. Art. 3:23 BW. Staat onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend in de weg aan goede trouw?
Caribische zaak; verjaring ex art. 3:105 BW Sint Maarten; maatstaf inbezitneming (art. 3:113 lid 2 BWSM); posterieure omstandigheden; niet waarneembare intenties houder; grenzen rechtsstrijd
toepassing van HR 24-02-17, ECLI:HR:2017:309, overdracht stuk grond door verkrijger krachtens bevrijdende verjaring aan gedepossedeerde; uitleg formulering “wetende dat grond aan een ander toebehoorde toen hij in bezit nam”
Burengeschil. Verkrijgende verjaring van eigendom van onder een van beide panden gelegen grond maar niet van in het verlengde daarvan gelegen (onbebouwde) grond. Het hof gelast de oproeping in het geding van de verkoper van het destijds aan een van de buren geleverde perceel opda
Vermogensrecht. Verkrijging door extinctieve verjaring ex art. 3:105 BW? Motivering.
Goederenrecht, verjaring. Eigendomsverkrijging van perceel grond door bezitter te kwader trouw ingevolge verjaring; art. 3:105 lid 1 en 3:314 lid 2 BW. Objectieve maatstaf, kenbaarheid, ondubbelzinnigheid. Kenbaarheid van het bezit indien het perceel moeilijk begaanbaar of moeili
Verjaring. Strook gemeentegrond achter de achtertuin van een huurwoning. Niet door verjaring verkregen door gebruiker huurwoning, want geen ondubbelzinnig bezit.
Goederenrecht. Naar verkeersopvatting geen sprake van inbezitneming of een voltooide verkrijgende verjaring met betrekking tot een perceel grond; voor inbezitneming is vereist dat de machtsuitoefening door de inbezitnemer dusdanig is dat zij het bezit van de oorspronkelijke bezit
Caribische zaak; erfpacht; art. 16 Verordening op de uitgifte van eigendommen; pokopokobeginsel (HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8413 ; HR 23 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7487); vertrouwensbeginsel; bouwvergunning; privaatrechtelijke toestemming tot afwijken contractueel
Artikel 3:99 en 3:105 en 3:306 BW. Grensgeschil. Vraag of sprake is geweest van ononderbroken bezit. De eigenaar van de betwiste strook grond heeft een feitelijke, bebouwde begrenzing laten ontstaan die niet overeenkwam met de kadastrale erfgrens. Dat leidt echter nog niet tot be