Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:6468

2026-05-29 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11871734 CV EXPL 25-19305
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-05-29
Publicatiedatum
2026-06-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11871734 CV EXPL 25-19305
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Huurrecht. Huurster heeft tijdens de procedure de huurovereenkomst opgezegd. De gevorderde verklaring voor recht dat de huurovereenkomst eindigt als gevolg van die opzegging wordt toegewezen. De vorderingen tot betaling van de huurachterstand en tot ontruiming van het gehuurde worden ook toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.021 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 11871734 CV EXPL 25-19305



datum uitspraak: 29 mei 2026




Vonnis van de kantonrechter




in de zaak van




Kolpa V.V.S. Beheer B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: T. Colijn,



tegen





[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.



De partijen worden hierna ‘Kolpa’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 3 september 2025, met bijlagen;


het antwoord;


de e-mail van [gedaagde] van 26 februari 2026;


de rolbeslissing van 6 maart 2026;


de akte van uitlating van Kolpa.





1.2.
De kantonrechter wilde aanvankelijk de zaak met partijen bespreken op een zitting en heeft daarom partijen uitgenodigd voor een zitting. Omdat [gedaagde] vervolgens bezwaar heeft gemaakt tegen het houden van een zitting in deze zaak en uitdrukkelijk heeft aangegeven niet aanwezig te zullen bij een zitting, waar Kolpa ook bij aanwezig zou zijn, heeft de kantonrechter besloten de geplande zitting te laten vervallen.



1.3.

[gedaagde] heeft veel mails aan de rechtbank verstuurd. Daar heeft de kantonrechter steeds kennis van genomen, maar deze mails kunnen niet als processtukken worden beschouwd.



1.4.

[gedaagde] heeft, ondanks dat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet gereageerd op de laatste akte van Kolpa.








2De beoordeling



Waar gaat de zaak over?




2.1.

[gedaagde] huurt vanaf 16 februari 2022 een woning. Kolpa is de beheerder van die woning en mag namens de eigenaar in deze procedure optreden. De huur is nu € 703,01 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. Kolpa eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt. Zij eiste ook dat de kantonrechter de huurovereenkomst zou ontbinden, maar eist nu – na wijziging van eis – een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst door de opzegging van de huurovereenkomst door [gedaagde] eindigt per 1 juni 2026. Zij eist nu ook dat Kolpa wordt veroordeeld om de woning te ontruimen, mocht zij na 1 juni 2026 nog niet zijn vertrokken. [gedaagde] heeft aanvankelijk verweer gevoerd, maar de kantonrechter begrijpt dat zij dit verweer heeft laten vallen. Zij heeft de huurovereenkomst opgezegd en aangegeven dat zij de volledige huurachterstand zal voldoen.




[gedaagde] moet een huurachterstand van € 7.952,13 betalen





2.2.

[gedaagde] wordt veroordeeld om € 7.952,13 aan Kolpa te betalen. Kolpa heeft namelijk onweersproken gesteld dat dit de huurachterstand was op het moment dat zij haar laatste akte nam eind maart 2026. De huur tot en met maart 2026 zit hier dus bij.



De huurovereenkomst eindigt per 1 juni 2026





2.3.
De huurovereenkomst eindigt per 1 juni 2026, omdat [gedaagde] de huurovereenkomst per 1 juni 2026 heeft opgezegd en Kolpa die opzegging heeft geaccepteerd. De gevorderde verklaring voor recht wordt dan ook toegewezen.




[gedaagde] moet de woning ontruimen en de huur of een gebruiksvergoeding betalen





2.4.
Omdat de huurovereenkomst eindigt per 1 juni 2026, moet [gedaagde] de woning met al haar spullen verlaten. Dat moet uiterlijk op 1 juni 2026, omdat [gedaagde] er zelf voor heeft gekozen per 1 juni 2026 de huurovereenkomst op te zeggen.



2.5.

Tot 1 juni 2026 moet [gedaagde] het bedrag van € 703,01 aan huur betalen. Tot en met de dag dat de ontruiming werkelijk plaatsvind, moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van
€ 703,01 per maand betalen (artikel 7:225 BW). Kolpa eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.





[gedaagde] moet rente betalen





2.6.
De rente wordt toegewezen, omdat [gedaagde] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan Kolpa moet betalen de rente van € 27,31 die Kolpa heeft berekend tot en met 1 september 2025.



Geen oneerlijke bepalingen





2.7.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





2.8.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Kolpa moet betalen op
€ 146,14 aan dagvaardingskosten, € 514,00 aan griffierecht, € 432,00 aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punt x € 288,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.236,14. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.




Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad





2.9.
Dit vonnis wordt voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Kolpa dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing
De kantonrechter:


3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Kolpa te betalen € 7.979,44 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 3.734,07 vanaf 2 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald;



3.2.

verklaart voor recht dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres] in [woonplaats] tussen [gedaagde] en de eigenaar van deze woning per
1 juni 2026 eindigt als gevolg van de opzegging door [gedaagde] ;




3.3.
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk 1 juni 2026 de woning aan de [adres] in [woonplaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Kolpa te stellen;



3.4.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 april 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Kolpa te betalen € 703,01 per maand met de verhoging die is toegestaan;



3.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Kolpa worden begroot op € 1.236,14;



3.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



3.7.
wijst al het andere af.


Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
757