Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:3520
2026-03-20
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11467056 CV EXPL 24-33200
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huur woonruimte. Samenhang met 11052073 CV EXPL 24-10379. Huurder heeft verzoek toetsing aanvangshuurprijs te laat ingediend bij Huurcommissie. Daarom is afgesproken prijs blijven gelden. Huurachterstand van ruim anderhalf jaar. Huurovereenkomst wordt ontbonden.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:1810 Hoge Raad 28-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.411 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11467056 CV EXPL 24-33200
datum uitspraak: 20 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser,
gemachtigde: mr. A. Noordermeer-van der Heide,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagden,
gemachtigde: mr. G. Gabrelian.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en (in enkelvoud) ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 17 december 2024, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de akte overlegging producties van [eiser] van 28 augustus 2025, met bijlagen;
de akte overlegging producties van [eiser] van 13 januari 2026, met bijlagen.
1.1.
Op 13 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiser] aanwezig, vergezeld door zijn echtgenote, bijgestaan door mr. Noordermeer. [gedaagde] was aanwezig, bijgestaan door mr. Gabrelian.
2De beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt sinds 3 december 2020 een woning van [eiser] . Tussen partijen is een procedure gevoerd onder zaaknummer 11052073 CV EXPL 24-10379. Die procedure gaat over de tussen partijen overeengekomen aanvangshuurprijs. [gedaagde] heeft die laten toetsen door de Huurcommissie, die op een lagere maximale redelijke huurprijs uitkwam dan wat partijen hadden afgesproken. Volgens [eiser] was [gedaagde] te laat met zijn verzoek aan de Huurcommissie. In het eindvonnis in die procedure, dat ook vandaag wordt uitgesproken, oordeelt de kantonrechter dat de afgesproken aanvangshuurprijs van € 1.150,- geldt (naast een voorschot voor geleverde warmte).
2.2.
[eiser] is, terwijl de procedure over de aanvangshuurprijs al liep, deze procedure begonnen. [gedaagde] had namelijk volgens hem een betalingsachterstand laten ontstaan. De achterstand bedroeg op het moment van dagvaarden, in december 2024, € 9.975,-. Daarop is nog een bedrag van € 1.425,- betaald, zodat een vordering van € 8.550,- overblijft. Op het moment van de mondelinge behandeling op 13 januari 2026 was de achterstand volgens de berekening van [eiser] opgelopen tot € 21.287,22 (de maand januari 2026 inbegrepen). [eiser] wil dat [gedaagde] de achterstand betaalt, plus rente en kosten, dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te ontruimen. Naast betaling van de achterstand tot en met december 2024 van € 8.550,- vordert [eiser] betaling van € 1.425,- per maand vanaf 1 januari 2025 tot en met de maand waarin het gehuurde wordt ontruimd.
2.3.
Volgens [gedaagde] zal er geen sprake zijn van een huurachterstand als hij in de procedure met kenmerk 11052073 CV EXPL 24-10379 gelijk krijgt, omdat de aanvangshuurprijs dan op een veel lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag dat in de huurovereenkomst staat en dat hij gedurende een bepaalde periode wel heeft betaald. Voor het geval [gedaagde] in die procedure ongelijk krijgt, vindt hij dat er geen sprake is van een huurachterstand die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Aanvankelijk wilde [gedaagde] een terme de grâce om alsnog te betalen, maar dat verzoek heeft hij op de zitting van 13 januari 2026 ingetrokken. [gedaagde] heeft erkend dat als hij in de andere procedure in het ongelijk wordt gesteld, hij niet in staat is om de achterstand alsnog te betalen.
[gedaagde] moet € 8.550,- betalen
2.4.
[gedaagde] heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist. Het gevorderde bedrag van € 8.550,- wordt daarom toegewezen.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.5.
De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomst. In de procedure met kenmerk 11052073 CV EXPL 24-10379 is vandaag vonnis gewezen. In dat vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde] zijn verzoek bij de Huurcommissie (om de aanvangshuurprijs te toetsen) te laat heeft ingediend en dat daarom de afgesproken huurprijs steeds heeft gegolden. Er is ook geen sprake van een all-inprijs.
2.6.
Het oordeel in de hiervoor genoemde procedure betekent dat [gedaagde] , berekend tot en met januari 2026, een huurachterstand heeft laten ontstaan van € 21.287,22. Die huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat [gedaagde] aanvankelijk dacht een goede reden te hebben om niet (volledig) te betalen, maar dat was niet het geval. In mei 2025 is [gedaagde] volledig gestopt met het betalen van de huur en heeft de achterstand laten oplopen tot een achterstand van ruim anderhalf jaar. De reden voor het helemaal stoppen met betalen is het verlies van werk van [gedaagde] en dat is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.7.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend. [gedaagde] heeft op de zitting verklaard dat [gedaagde 2] en hun minderjarige kind niet meer in het gehuurde wonen. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om [gedaagde] een langere termijn te geven voor het ontruimen van de woning dan de gebruikelijke termijn van veertien dagen.
2.8.
Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 1.425,- per maand betalen (artikel 7:225 BW). [eiser] eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.
[gedaagde] moet incassokosten betalen
2.9.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 258,64 toegewezen. Dit is het bedrag dat staat in de brief waarmee [gedaagde] de kans heeft gekregen om alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). Omdat [eiser] dit bedrag heeft genoemd, bestaat geen recht op een hogere vergoeding. Verder is aan alle voorwaarden voldaan om een vergoeding te krijgen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.10.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan [eiser] moet betalen de rente van € 200,89 die [eiser] heeft berekend tot 13 december 2024.
Geen oneerlijke bepalingen
2.11.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of algemene bepalingen staan, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 135,97 aan dagvaardingskosten, € 257,-aan griffierecht, € 720,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 360,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.256,97. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 9.009,53 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 8.550,- vanaf 13 december 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in [woonplaats 2] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiser] te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 januari 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiser] te betalen € 1.425,- per maand met de verhoging die is toegestaan;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.256,97;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
51909
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11467056 CV EXPL 24-33200
datum uitspraak: 20 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser,
gemachtigde: mr. A. Noordermeer-van der Heide,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagden,
gemachtigde: mr. G. Gabrelian.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en (in enkelvoud) ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 17 december 2024, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de akte overlegging producties van [eiser] van 28 augustus 2025, met bijlagen;
de akte overlegging producties van [eiser] van 13 januari 2026, met bijlagen.
1.1.
Op 13 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiser] aanwezig, vergezeld door zijn echtgenote, bijgestaan door mr. Noordermeer. [gedaagde] was aanwezig, bijgestaan door mr. Gabrelian.
2De beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt sinds 3 december 2020 een woning van [eiser] . Tussen partijen is een procedure gevoerd onder zaaknummer 11052073 CV EXPL 24-10379. Die procedure gaat over de tussen partijen overeengekomen aanvangshuurprijs. [gedaagde] heeft die laten toetsen door de Huurcommissie, die op een lagere maximale redelijke huurprijs uitkwam dan wat partijen hadden afgesproken. Volgens [eiser] was [gedaagde] te laat met zijn verzoek aan de Huurcommissie. In het eindvonnis in die procedure, dat ook vandaag wordt uitgesproken, oordeelt de kantonrechter dat de afgesproken aanvangshuurprijs van € 1.150,- geldt (naast een voorschot voor geleverde warmte).
2.2.
[eiser] is, terwijl de procedure over de aanvangshuurprijs al liep, deze procedure begonnen. [gedaagde] had namelijk volgens hem een betalingsachterstand laten ontstaan. De achterstand bedroeg op het moment van dagvaarden, in december 2024, € 9.975,-. Daarop is nog een bedrag van € 1.425,- betaald, zodat een vordering van € 8.550,- overblijft. Op het moment van de mondelinge behandeling op 13 januari 2026 was de achterstand volgens de berekening van [eiser] opgelopen tot € 21.287,22 (de maand januari 2026 inbegrepen). [eiser] wil dat [gedaagde] de achterstand betaalt, plus rente en kosten, dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te ontruimen. Naast betaling van de achterstand tot en met december 2024 van € 8.550,- vordert [eiser] betaling van € 1.425,- per maand vanaf 1 januari 2025 tot en met de maand waarin het gehuurde wordt ontruimd.
2.3.
Volgens [gedaagde] zal er geen sprake zijn van een huurachterstand als hij in de procedure met kenmerk 11052073 CV EXPL 24-10379 gelijk krijgt, omdat de aanvangshuurprijs dan op een veel lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag dat in de huurovereenkomst staat en dat hij gedurende een bepaalde periode wel heeft betaald. Voor het geval [gedaagde] in die procedure ongelijk krijgt, vindt hij dat er geen sprake is van een huurachterstand die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Aanvankelijk wilde [gedaagde] een terme de grâce om alsnog te betalen, maar dat verzoek heeft hij op de zitting van 13 januari 2026 ingetrokken. [gedaagde] heeft erkend dat als hij in de andere procedure in het ongelijk wordt gesteld, hij niet in staat is om de achterstand alsnog te betalen.
[gedaagde] moet € 8.550,- betalen
2.4.
[gedaagde] heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist. Het gevorderde bedrag van € 8.550,- wordt daarom toegewezen.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.5.
De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomst. In de procedure met kenmerk 11052073 CV EXPL 24-10379 is vandaag vonnis gewezen. In dat vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde] zijn verzoek bij de Huurcommissie (om de aanvangshuurprijs te toetsen) te laat heeft ingediend en dat daarom de afgesproken huurprijs steeds heeft gegolden. Er is ook geen sprake van een all-inprijs.
2.6.
Het oordeel in de hiervoor genoemde procedure betekent dat [gedaagde] , berekend tot en met januari 2026, een huurachterstand heeft laten ontstaan van € 21.287,22. Die huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat [gedaagde] aanvankelijk dacht een goede reden te hebben om niet (volledig) te betalen, maar dat was niet het geval. In mei 2025 is [gedaagde] volledig gestopt met het betalen van de huur en heeft de achterstand laten oplopen tot een achterstand van ruim anderhalf jaar. De reden voor het helemaal stoppen met betalen is het verlies van werk van [gedaagde] en dat is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.7.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend. [gedaagde] heeft op de zitting verklaard dat [gedaagde 2] en hun minderjarige kind niet meer in het gehuurde wonen. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om [gedaagde] een langere termijn te geven voor het ontruimen van de woning dan de gebruikelijke termijn van veertien dagen.
2.8.
Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 1.425,- per maand betalen (artikel 7:225 BW). [eiser] eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.
[gedaagde] moet incassokosten betalen
2.9.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 258,64 toegewezen. Dit is het bedrag dat staat in de brief waarmee [gedaagde] de kans heeft gekregen om alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). Omdat [eiser] dit bedrag heeft genoemd, bestaat geen recht op een hogere vergoeding. Verder is aan alle voorwaarden voldaan om een vergoeding te krijgen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.10.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan [eiser] moet betalen de rente van € 200,89 die [eiser] heeft berekend tot 13 december 2024.
Geen oneerlijke bepalingen
2.11.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of algemene bepalingen staan, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 135,97 aan dagvaardingskosten, € 257,-aan griffierecht, € 720,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 360,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.256,97. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 9.009,53 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 8.550,- vanaf 13 december 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in [woonplaats 2] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiser] te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 januari 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiser] te betalen € 1.425,- per maand met de verhoging die is toegestaan;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.256,97;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
51909
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810