Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:3466

2026-03-27 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11633627 CV EXPL 25-8731
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-03-27
Publicatiedatum
2026-03-30
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11633627 CV EXPL 25-8731
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Prg. 2026/181; RVR 2026/74

Inhoudsindicatie

Verklaring voor recht over kwalificatie huurovereenkomst, geen belang, niet-ontvankelijk

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.945 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 11633627 CV EXPL 25-8731



datum uitspraak: 27 maart 2026




Vonnis van de kantonrechter




in de zaak van





1Tandprothetische Praktijk [eiser] vof,
vestigingsplaats: Rotterdam,

2. [naam 1],
woonplaats: [woonplaats] ,

3. [naam 2],

woonplaats: [woonplaats] ,
eisers,
gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger,



tegen




Stichting BPL Pensioen,
vestigingsplaats: Woerden,
gedaagde,
gemachtigde: [gemachtigde] .



Eisers worden hierna gezamenlijk ‘ [eiser] ’ (enkelvoud) genoemd. Gedaagde wordt hierna ‘BPL’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 28 maart 2025, met bijlagen;


het antwoord, met bijlagen;


de brief van 23 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.





1.2.
Op 17 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was namens [eiser] aanwezig de heer [eiser] (oud-eigenaar van de praktijk), bijgestaan door mr. A. Rhijnsburger. Namens BPL was aanwezig mevrouw [naam 3] (Achmea Real Estate) met mevrouw [gemachtigde] .





2De beoordeling



Wat is de kern van de zaak?




2.1.

[eiser] huurt van BPL de bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] . [eiser] gebruikt de bedrijfsruimte als tandprothetische praktijk. Volgens [eiser] wordt in het gehuurde een ambacht uitgeoefend en is er daarnaast sprake van een voor publiek toegankelijke ruimte met een ‘winkelfunctie’. [eiser] stelt daarom dat het gehuurde onder de categorie ‘middenstandsbedrijfsruimte’ valt en moet worden aangemerkt als een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. [eiser] eist in deze procedure dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de artikelen 7:290 e.v. BW van toepassing zijn op de bedrijfsruimte.



2.2.
BPL is het niet eens met de eis van [eiser] . Zij voert aan dat partijen bij aanvang van de huur zijn overeengekomen dat het gehuurde uitsluitend zou worden gebruikt als ‘tandprothetische praktijk/tandprothetisch laboratorium’ en dat zij het gehuurde daarbij hebben beschouwd als een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW. Volgens BPL heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd waarom het gehuurde moet worden aangemerkt als een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW.



2.3.
De kantonrechter verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in haar eis. Hierna wordt uitgelegd waarom.




[eiser] heeft geen (voldoende) belang bij haar eis





2.4.

[eiser] eist een verklaring voor recht (artikel 3:302 BW) over de kwalificatie van de huurovereenkomst, die tussen haar en BPL bestaat. Om een verklaring voor recht te kunnen uitspreken is nodig dat daarbij voldoende belang bestaat. Zonder voldoende belang komt immers niemand een rechtsvordering toe (artikel 3:303 BW).



2.5.
Hoewel er in beginsel van uit mag worden gegaan dat er voldoende belang is bij een eis, mag de rechter ambtshalve opheldering vragen over dat belang, bijvoorbeeld als dat niet of niet duidelijk wordt toegelicht door de partij die de eis heeft ingesteld. In dat geval rust de stelplicht en bewijslast op dat punt op degene, die de eis instelt.



2.6.

[eiser] heeft in haar dagvaarding slechts heel kort en algemeen gesteld dat zij belang heeft bij de gevraagde verklaring voor recht ‘omdat de rechtsbescherming van de huurder van middenstandsbedrijfsruimte zoals bekend sterker is dan die van de huurder van overige bedrijfsruimte’. [eiser] heeft dit verder op geen enkele wijze toegelicht in de dagvaarding.



2.7.
De kantonrechter heeft, vanwege de hiervoor genoemde onduidelijkheid, op de zitting expliciet aan [eiser] gevraagd om uit te leggen waarom zij op dit moment wil dat voor recht wordt verklaard dat er sprake is van een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. [eiser] heeft daarop verklaard dat zij ‘meer zekerheid’ wil met het oog op de bescherming van haar positie als huurder en dat zij ‘zekerheid wil hebben over de continuïteit van de onderneming’. Dit zou in beginsel een voldoende belang voor [eiser] bij de gevraagde verklaring voor recht kúnnen opleveren, als haar rechtsbescherming en/of de continuïteit van de onderneming daadwerkelijk bedreigd zou worden. Dat is bijvoorbeeld het geval als BPL de huurovereenkomst zou willen opzeggen of de huurprijs gedurende de looptijd van de overeenkomst zou willen aanpassen. In die situaties geniet een huurder van een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW namelijk meer bescherming dan een huurder van overige bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW.



2.8.
BPL heeft ter zitting echter verklaard dat zij de huurovereenkomst met [eiser] niet wil opzeggen en dat zij ook geen plannen heeft om het pand, waarin de praktijk van [eiser] is gevestigd, te verkopen. Sterker nog, BPL heeft expliciet medegedeeld dat zij juist heel blij is met [eiser] als huurder en dat er geen enkele reden voor [eiser] bestaat om aan de continuïteit van de onderneming te twijfelen. [eiser] heeft in reactie daarop tijdens de zitting bovendien te kennen gegeven dat er bij haar ook geen vrees bestaat dat zij het gehuurde (gedwongen) zal moeten verlaten. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat BPL de wens heeft om de huurprijs te willen herzien. Partijen zijn het er in dat verband ook over eens dat er geen enkel geschil bestaat over de hoogte van de maandelijkse huurprijs.



2.9.
De kantonrechter kan uit het bovenstaande niet anders afleiden dan dat er tussen partijen geen sprake is van enig geschil, dat een reële bedreiging vormt of zou kunnen vormen voor de continuïteit van de onderneming van [eiser] of voor haar positie als huurder. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat niet gebleken is dat [eiser] op dit moment een concreet en voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW heeft bij de gevraagde verklaring voor recht. De enkele wens van [eiser] om – zonder dat daartoe enige concrete noodzaak bestaat – meer zekerheid te krijgen over haar positie en over het voortbestaan van de onderneming is daarvoor onvoldoende.



2.10.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] , bij gebreke van een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW, niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar eis.




[eiser] moet de proceskosten betalen





2.11.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan BPL moet betalen op € 288,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 144,-) en € 72,- aan nakosten. Dat is in totaal
€ 360,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.






3De beslissing
De kantonrechter:


3.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in haar eis;



3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van BPL worden begroot op
€ 360,-.



Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
44487




Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590