Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12609

2026-08-20 Civiel recht; Arbeidsrecht 12144413 VZ VERZ 26-1054
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-20
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
12144413 VZ VERZ 26-1054
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Veroordeling werkgever tot betaling aan werknemer van billijke vergoeding, transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding, loon en wettelijke verhoging, met toewijzing van nevenverzoeken.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.334 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 12144413 VZ VERZ 26-1054



datum uitspraak: 20 augustus 2026




Beschikking van de kantonrechter




in de zaak van





[verzoekster]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. P.M.A.F. Peutz,



tegen





[verweerster]
,
vestigingsplaats: Rotterdam,
verweerster,
vertegenwoordigd door haar directeur [naam] .



De partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerster] ’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


het verzoekschrift van [verzoekster] , met bijlagen, ontvangen op 17 maart 2026;


de e-mail van [verzoekster] van 3 juli 2026, met bijlagen;





1.2.
Op 9 juli 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [verzoekster] , bijgestaan door een tolk Bulgaars en haar gemachtigde, en [naam] voor [verweerster] .





2De beoordeling



Waar gaat de zaak over?



2.1.

[verzoekster] werkte sinds 1 april 2024 bij een horecagelegenheid in de [adres] , volgens haar een rechtsvoorganger van [verweerster] . [verzoekster] is met ingang van 1 september 2025 in dienst getreden bij [verweerster] om op diezelfde locatie te werken in de bediening voor de duur van een jaar. Aanvankelijk heeft zij er gewerkt voor 16 uur per week en later voor 24 uur per week. Dat heeft zij gedaan tot haar ziekmelding op 12 januari 2026. Op 20 januari 2026 is [verzoekster] op staande voet ontslagen. [verzoekster] legt zich bij het ontslag neer, maar vraagt om haar loon over januari 2026, de wettelijke verhoging daarover, een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Een en ander met rente. [verzoekster] vraagt ook om loonstroken vanaf 1 april 2024 en een eindafrekening. [verweerster] vindt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verzoekster] krijgt voor het grootste deel gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom.



Ontslag op staande voet




2.2.
Het ontslag op staande voet is onterecht gegeven. Niet voldaan is aan alle voorwaarden daarvoor. Die voorwaarden zijn kort gezegd een dringende reden, onverwijld opzeggen en onverwijld meedelen van de reden (artikel 7:677 BW). In dit geval is er geen dringende reden geweest om de arbeidsovereenkomst per direct op te zeggen. In de schriftelijke opzegging van 20 januari 2026 is vermeld dat de arbeidsovereenkomst beëindigd wordt met ingang van 12 januari 2026. Dat is de dag waarop [verzoekster] zich heeft ziekgemeld. Als reden voor het ontslag is vermeld dat [verzoekster] niet zou werken aan haar herstel, maar elders werkt. Op de zitting is duidelijk gemaakt dat met elders werken is bedoeld dat [verzoekster] werkte aan haar studie. Aangevoerd is dat een burn-out en studeren niet samengaan. Of die situatie zich heeft voorgedaan blijkt nergens uit. En zelfs als die situatie zich heeft voorgedaan dan levert dat niet zonder meer een dringende reden op. [verweerster] is ermee bekend geweest dat [verzoekster] voltijds studeert naast haar werk. Zonder onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom [verzoekster] niet zou mogen studeren als zij ziek thuis zit. Als [verweerster] twijfelde over de ziekmelding of zich afvroeg of en in welke omvang [verzoekster] inzetbaar was, dan had zij een bedrijfsarts moeten inschakelen. Dat is niet gebeurd. Het is echter niet aan de werkgever om de uitval door ziekte te beoordelen en te bepalen wat een werknemer bij ziekte wel of niet kan doen. De conclusie is dat [verweerster] onder de gegeven omstandigheden nooit tot ontslag op staande voet had mogen overgegaan.



Billijke vergoeding




2.3.

[verzoekster] heeft recht op een billijke vergoeding, omdat de arbeidsovereenkomst in strijd met de wet is opgezegd zonder instemming van [verzoekster] en zonder dringende reden (artikel 7:681 lid 1 onder a BW en artikel 7:671 BW). Dit valt [verweerster] ernstig aan te rekenen. Er wordt geen reden gezien om de verzochte vergoeding van € 19.826,76 bruto toe te wijzen, omdat dat bedrag is gebaseerd op de stelling dat de arbeidsovereenkomst nog minimaal een jaar zou hebben voortgeduurd. Dat klopt echter niet. Een vergoeding ter hoogte van het loon dat [verzoekster] had kunnen verdienen tot het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 september 2026 wordt evenmin passend gevonden. De kantonrechter vindt alles afwegend een vergoeding van € 5.000,- bruto billijk. Daarbij is meegenomen dat dat bedrag komt bovenop de hierna te noemen vergoeding. [verweerster] moet de vergoeding betalen met, zoals verzocht, de wettelijke rente vanaf zeven dagen na de datum van deze beschikking.



Transitievergoeding




2.4.

[verzoekster] heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan. Op basis van het loon en de duur van de arbeidsovereenkomst is de hoogte van de vergoeding bepaald op € 993,98 bruto. Dit bedrag is niet weersproken en moet [verweerster] betalen, met de wettelijke rente vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW).



Gefixeerde schadevergoeding




2.5.

[verzoekster] heeft recht op een gefixeerde schadevergoeding (artikel 7:672 BW). Die vergoeding moet [verweerster] aan [verzoekster] betalen voor de onregelmatige opzegging. [verweerster] heeft namelijk de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd zonder rekening te houden met een opzegtermijn. De vergoeding is gelijk aan het loon dat [verzoekster] zou hebben gekregen als bij de opzegging wel rekening zou zijn gehouden met de opzegtermijn. Gelet op de duur van de arbeidsovereenkomst geldt een opzegtermijn van een maand (artikel 7:672 lid 2 BW). De arbeidsovereenkomst had dus niet eerder dan per 1 maart 2026 kunnen worden beëindigd en [verzoekster] heeft daarom recht heeft op een vergoeding van € 2.238,51 bruto. Dit bedrag moet [verweerster] betalen, met de wettelijke rente vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW).



Loon januari 2026 met wettelijke verhoging




2.6.

[verzoekster] heeft recht op betaling van haar loon over de periode van 1 tot en met 20 januari 2026. Niet weersproken is dat het gaat om € 1.065,95 bruto. [verweerster] moet dat bedrag aan [verzoekster] betalen, vermeerderd met € 532,98 aan wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW. [verweerster] moet ook wettelijke rente betalen over het loon vanaf 1 februari 2026 en over de verhoging vanaf zeven dagen na de datum van deze beschikking.



Loonspecificaties en een eindafrekening




2.7.

[verzoekster] vraagt om [verweerster] te veroordelen tot verstrekking aan haar van loonspecificaties vanaf 1 april 2024, maar zij is pas op 1 september 2025 bij [verweerster] in dienst getreden en heeft gesteld vanaf die datum geen loonspecificaties te hebben ontvangen. Volgens [verzoekster] heeft zij geen beschikking meer over de eerdere loonspecificaties, wat impliceert dat die wel verstrekt zijn. Niet zonder meer valt in te zien waarom [verweerster] zou moeten kunnen beschikken over salarisspecificaties in verband met werkzaamheden door [verzoekster] verricht op de locatie voorafgaand aan haar indiensttreding bij [verweerster] en waarom [verweerster] die zou moeten verstrekken. Daarom wordt [verweerster] veroordeeld tot verstrekking van specificaties van het loon dat vanaf 1 september 2025 aan [verzoekster] is betaald. Daarnaast wordt [verweerster] veroordeeld om een deugdelijke bruto/netto eindafrekening op te stellen en te verstrekken aan [verzoekster] en aan haar te betalen het bedrag waarop zij op grond van de eindafrekening recht heeft. [verweerster] moet binnen zeven dagen na de dag van deze beschikking die documenten verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag voor iedere dag dat zij dit nalaat. Deze dwangsommen worden gemaximeerd op € 2.500,-, voor de loonspecificaties en voor de eindafrekening apart, zodat het samen kan oplopen tot € 5.000,-.



Proceskosten




2.8.

De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verweerster] aan [verzoekster] moet betalen op € 93,- aan griffierecht, € 120,79 voor het exploot van oproeping,
€ 865,- aan salaris voor de gemachtigde, en € 144,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.222,79. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.




Uitvoerbaar bij voorraad




2.9.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv) omdat [verzoekster] dat heeft gevraagd en [verweerster] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing
De kantonrechter:


3.1.
veroordeelt [verweerster] om binnen zeven dagen na deze beschikking aan [verzoekster] te betalen:


€ 5.000,- bruto aan billijke vergoeding, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 27 augustus 2026 tot de dag dat volledig is betaald;


€ 993,98 bruto aan transitievergoeding, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 21 februari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;


€ 2.238,51 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 20 januari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;


€ 1.065,95 bruto aan loon over de periode van 1 januari 2026 tot en met 20 januari 2026, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf


1 februari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;


€ 532,98 aan wettelijke verhoging van dat loon op grond van artikel 7:625 BW, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 27 augustus 2026 tot de dag dat volledig is betaald;


het bedrag van de eindafrekening, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 27 augustus 2026 tot de dag dat volledig is betaald;





3.2.
veroordeelt [verweerster] om binnen zeven dagen na deze beschikking aan [verzoekster] te verstrekken:


specificaties van de loonbetalingen aan [verzoekster] vanaf 1 september 2025, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag voor iedere dag dat [verweerster] niet hieraan voldoet na 27 augustus 2026 met een maximum van € 2.500,-;


een deugdelijke bruto/netto eindafrekening, onder verbeurte van een dwangsom van


€ 100,- per dag voor iedere dag dat [verweerster] niet hieraan voldoet na 27 augustus met een maximum van € 2.500,-;



3.3.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoekster] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.222,79;



3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



3.5.
wijst al het andere af.


Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
465