Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12234
2026-09-17
Civiel recht
12008532 CV EXPL 25-4960
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eindvonnis waarin wordt geoordeeld dat onvoldoende is gebleken dat bepaalde brieven daadwerkelijk zijn verzonden en ontvangen waardoor de verjaringstermijn niet is verlengd en een deel van de vordering is verjaard.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.300 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 12008532 CV EXPL 25-4960
datum uitspraak: 17 september 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde 1] & [gemachtigde 2],
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 11 juni 2026 en de daarin genoemde stukken;
de akte van [eiseres] met bijlagen;
de akte van [gedaagde] met een bijlage.
2De beoordeling
Wat is de kern?
2.1
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter nadere informatie gevraagd aan [eiseres] over de gevorderde bedragen en de stuiting van de verjaring. In dit vonnis wordt uitgelegd waarom [gedaagde] € 307,24 met wettelijke rente aan [eiseres] moet betalen.
De vorderingsrechten van vóór 17 juni 2017 zijn verjaard
2.2
[gedaagde] beroept zich op verjaring. In het tussenvonnis is al overwogen dat de vorderingen van na 17 juni 2017 niet zijn verjaard. Er moet nog worden beoordeeld of [eiseres] zich met succes op stuiting heeft beroepen. In dat geval wordt de termijn waarbinnen zij vorderingen kan instellen verlengd.
2.3
[eiseres] heeft incassobrieven aan [gedaagde] overgelegd die zij heeft gedateerd op: 7 februari 2013, 6 maart 2013, 4 september 2015, 25 september 2015, 16 oktober 2015, 6 november 2015, 3 juni 2018, 1 juli 2018, 22 juli 2018 en 12 augustus 2018. [gedaagde] betwist dat hij deze brieven heeft ontvangen.
2.4
Op [eiseres] rust de stelplicht en de bewijslast dat [gedaagde] deze brieven heeft ontvangen. Dat volgt uit artikel 3:37 lid 3 BW.
2.5
[eiseres] meent dat PostNL zo nauwkeurig werkt, dat de kans dat geen enkele brief is ontvangen te klein is om aannemelijk te zijn en zij wijst erop dat de juiste adressering op de brieven staat. Dat is niet voldoende om uit te kunnen afleiden dat [eiseres] de brieven daadwerkelijk heeft verzonden, laat staan dat [gedaagde] deze heeft ontvangen. Bovendien moet duidelijk zijn welke brief is ontvangen en welke niet. Anders dan [eiseres] voorstelt is er geen reden om op basis van haar kansberekening een bewijsvermoeden aan te nemen en al helemaal geen omkering van de bewijslast.
Als [eiseres] zeker wil zijn van de ontvangst van haar brieven kan zij er eenvoudig voor kiezen om een brief aangetekend te versturen of een exploot te laten uitbrengen.
2.6
[eiseres] heeft nog gesteld dat zij per e-mail heeft aangemaand, maar zij legt geen e-mailberichten over. Ontvangst van de incassobrieven zou ook nog kunnen blijken uit een reactie van [gedaagde] op een van de brieven, maar daar blijkt ook niets van.
2.7
Slotsom is dat de verjaringstermijn niet is verlengd en dat de vorderingen tot 17 juni 2017 zijn verjaard.
[eiseres] heeft een vordering op [gedaagde] van € 307,24
2.8
In het onherroepelijke vonnis van 22 november 2022 heeft de kantonrechter, net als in deze zaak, een hoofdsom van € 3.410,57 beoordeeld. Van deze vordering is € 807,24 niet verjaard. De kantonrechter heeft daarvan in het eerdere vonnis een hoofdsom van € 500,00 met rente toegewezen. De volgende posten uit het overzicht zijn nog over:
declaratie
zorgverlener
Bedrag (€)
1.
61528348
farmacie
11,70
2.
61537986
farmacie
25,54
3.
74959850
farmacie
13,43
4.
75848211
MRI
227,84
5.
76513197
polikliniek
28,73
totaal
307,24
2.9
In het vonnis van 22 november 2022 heeft de kantonrechter onder 2.4 overwogen, dat de hele betalingsachterstand vast staat. Bij nader inzien kan daarover geen nieuwe discussie plaatsvinden, want [eiseres] heeft zich in de dagvaarding beroepen op dat eerdere vonnis en daar valt deze overweging ook onder. Dat betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 307,24 moet betalen.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen vanaf 17 juni 2022
2.10
[gedaagde] moet over het bedrag van € 307,24 de wettelijke rente van artikel 6:119 BW betalen vanaf de data van verzuim over de verschillende bedragen. Er wordt een ander bedrag toegewezen dan gevorderd, omdat niet duidelijk is vanaf welke data de rente berekend moet worden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf de dagvaarding van 17 juni 2022 die in de vorige procedure is uitgebracht.
De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen
2.11
De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen want [gedaagde] heeft betwist dat hij de zogenoemde 14 dagen brief heeft ontvangen en uit niets blijkt dat hij deze brief heeft ontvangen.
Partijen moeten hun eigen proceskosten dragen
2.12
Omdat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij hun eigen kosten dragen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 307,24 met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW daarover vanaf 17 juni 2022;
3.2
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3
bepaalt dat elk van partijen de eigen proceskosten draagt;
3.4
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.
Vonnis van 22 november 2022 onder 2.5, te vinden in de één na laatste bladzijde bij dagvaarding
Bijlage 1 bij dagvaarding
Dit deel is nog niet toegewezen in het vonnis van 22 november 2022
Bladzijde 5
Artikel 236 Rv
Artikel 237 Rv
locatie Dordrecht
zaaknummer: 12008532 CV EXPL 25-4960
datum uitspraak: 17 september 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde 1] & [gemachtigde 2],
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 11 juni 2026 en de daarin genoemde stukken;
de akte van [eiseres] met bijlagen;
de akte van [gedaagde] met een bijlage.
2De beoordeling
Wat is de kern?
2.1
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter nadere informatie gevraagd aan [eiseres] over de gevorderde bedragen en de stuiting van de verjaring. In dit vonnis wordt uitgelegd waarom [gedaagde] € 307,24 met wettelijke rente aan [eiseres] moet betalen.
De vorderingsrechten van vóór 17 juni 2017 zijn verjaard
2.2
[gedaagde] beroept zich op verjaring. In het tussenvonnis is al overwogen dat de vorderingen van na 17 juni 2017 niet zijn verjaard. Er moet nog worden beoordeeld of [eiseres] zich met succes op stuiting heeft beroepen. In dat geval wordt de termijn waarbinnen zij vorderingen kan instellen verlengd.
2.3
[eiseres] heeft incassobrieven aan [gedaagde] overgelegd die zij heeft gedateerd op: 7 februari 2013, 6 maart 2013, 4 september 2015, 25 september 2015, 16 oktober 2015, 6 november 2015, 3 juni 2018, 1 juli 2018, 22 juli 2018 en 12 augustus 2018. [gedaagde] betwist dat hij deze brieven heeft ontvangen.
2.4
Op [eiseres] rust de stelplicht en de bewijslast dat [gedaagde] deze brieven heeft ontvangen. Dat volgt uit artikel 3:37 lid 3 BW.
2.5
[eiseres] meent dat PostNL zo nauwkeurig werkt, dat de kans dat geen enkele brief is ontvangen te klein is om aannemelijk te zijn en zij wijst erop dat de juiste adressering op de brieven staat. Dat is niet voldoende om uit te kunnen afleiden dat [eiseres] de brieven daadwerkelijk heeft verzonden, laat staan dat [gedaagde] deze heeft ontvangen. Bovendien moet duidelijk zijn welke brief is ontvangen en welke niet. Anders dan [eiseres] voorstelt is er geen reden om op basis van haar kansberekening een bewijsvermoeden aan te nemen en al helemaal geen omkering van de bewijslast.
Als [eiseres] zeker wil zijn van de ontvangst van haar brieven kan zij er eenvoudig voor kiezen om een brief aangetekend te versturen of een exploot te laten uitbrengen.
2.6
[eiseres] heeft nog gesteld dat zij per e-mail heeft aangemaand, maar zij legt geen e-mailberichten over. Ontvangst van de incassobrieven zou ook nog kunnen blijken uit een reactie van [gedaagde] op een van de brieven, maar daar blijkt ook niets van.
2.7
Slotsom is dat de verjaringstermijn niet is verlengd en dat de vorderingen tot 17 juni 2017 zijn verjaard.
[eiseres] heeft een vordering op [gedaagde] van € 307,24
2.8
In het onherroepelijke vonnis van 22 november 2022 heeft de kantonrechter, net als in deze zaak, een hoofdsom van € 3.410,57 beoordeeld. Van deze vordering is € 807,24 niet verjaard. De kantonrechter heeft daarvan in het eerdere vonnis een hoofdsom van € 500,00 met rente toegewezen. De volgende posten uit het overzicht zijn nog over:
declaratie
zorgverlener
Bedrag (€)
1.
61528348
farmacie
11,70
2.
61537986
farmacie
25,54
3.
74959850
farmacie
13,43
4.
75848211
MRI
227,84
5.
76513197
polikliniek
28,73
totaal
307,24
2.9
In het vonnis van 22 november 2022 heeft de kantonrechter onder 2.4 overwogen, dat de hele betalingsachterstand vast staat. Bij nader inzien kan daarover geen nieuwe discussie plaatsvinden, want [eiseres] heeft zich in de dagvaarding beroepen op dat eerdere vonnis en daar valt deze overweging ook onder. Dat betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 307,24 moet betalen.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen vanaf 17 juni 2022
2.10
[gedaagde] moet over het bedrag van € 307,24 de wettelijke rente van artikel 6:119 BW betalen vanaf de data van verzuim over de verschillende bedragen. Er wordt een ander bedrag toegewezen dan gevorderd, omdat niet duidelijk is vanaf welke data de rente berekend moet worden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf de dagvaarding van 17 juni 2022 die in de vorige procedure is uitgebracht.
De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen
2.11
De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen want [gedaagde] heeft betwist dat hij de zogenoemde 14 dagen brief heeft ontvangen en uit niets blijkt dat hij deze brief heeft ontvangen.
Partijen moeten hun eigen proceskosten dragen
2.12
Omdat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij hun eigen kosten dragen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 307,24 met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW daarover vanaf 17 juni 2022;
3.2
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3
bepaalt dat elk van partijen de eigen proceskosten draagt;
3.4
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.
Vonnis van 22 november 2022 onder 2.5, te vinden in de één na laatste bladzijde bij dagvaarding
Bijlage 1 bij dagvaarding
Dit deel is nog niet toegewezen in het vonnis van 22 november 2022
Bladzijde 5
Artikel 236 Rv
Artikel 237 Rv