Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:11679

2026-09-09 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/10/714408 HA ZA 26-120
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/714408 HA ZA 26-120
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eiseres heeft door bemiddeling van gedaagde 3 meerdere geldleningen verstrekt aan een derde partij. Die partij komt haar rente- en aflossingsverplichtingen niet na. Eiseres houdt gedaagden daarvoor op meerdere gronden aansprakelijk. Gedaagde 1 heeft zich tegenover eiseres verbonden om de leningen met rente aan haar terug te betalen. Gedaagde 2 heeft zich daarvoor borg gesteld. Gedaagde 3 heeft als bestuurder onrechtmatig gehandeld tegenover eiseres omdat hij een verplichting is aangegaan (terugbetaling leningen en rente) waarvan hij wist of moest weten dat gedaagde 1 die niet zou kunnen nakomen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (52.102 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven



Zaaknummer: C/10/714408 / HA ZA 26-120




Vonnis van 9 september 2026




in de zaak van





[eiseres]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr A. Beerts,



tegen





1 [gedaagde 1] B.V., 2. [gedaagde 2] B.V., 3. [gedaagde 3] ,

te [plaats] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. G. van der Spek.



Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagden] genoemd. [gedaagden] worden afzonderlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd.






1De zaak in het kort



[eiseres] heeft door bemiddeling van [gedaagde 3] meerdere geldleningen verstrekt aan een derde partij. Die partij komt haar rente- en aflossingsverplichtingen niet na. [eiseres] houdt [gedaagden] daarvoor op meerdere gronden tegenover haar aansprakelijk. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] zich tegenover [eiseres] heeft verbonden om de leningen met rente aan haar terug te betalen en dat [gedaagde 2] zich daarvoor borg heeft gesteld. [gedaagde 3] heeft als bestuurder van [gedaagde 1] onrechtmatig gehandeld tegenover [eiseres] omdat hij een verplichting is aangegaan (terugbetaling leningen en rente) waarvan hij wist of moest weten dat [gedaagde 1] die niet zou kunnen nakomen.






2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 februari 2026, met producties 1 tot en met 25;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4;
- de brief van 26 mei 2026 van de rechtbank, met een oproep voor een mondelinge behandeling;
- de e-mail van 24 juni 2026 van de rechtbank, met een zittingsagenda; - de akte overlegging producties, tevens vermeerdering van eis van [eiseres] , met producties 26 tot en met 39;
- de mondelinge behandeling op 5 augustus 2026 en de door partijen overgelegde spreekaantekeningen.



2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank een datum bepaald waarop er vonnis wordt gewezen. Het vonnis wordt vandaag bij vervroeging uitgesproken.






3De feiten


3.1.

[gedaagde 1] houdt zich bezig met begeleiding en bemiddeling op het gebied van financieringen en investeringen. Enig aandeelhouder van [gedaagde 1] is [gedaagde 2] . [gedaagde 3] is bestuurder van [gedaagde 1] en hij is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 2] .



3.2.

[eiseres] en [gedaagde 3] zijn bekenden van elkaar. Bij een bruiloft in oktober 2023 zijn zij met elkaar in gesprek geraakt. [gedaagde 3] heeft [eiseres] verteld over zijn zakelijke activiteiten. Op verzoek van [eiseres] heeft [gedaagde 3] haar op 17 oktober 2023 per e-mail geïnformeerd dat hij optreedt als tussenpersoon bij het verstrekken van financieringen:



“Jij vroeg mij informatie te sturen over het werk wat ik doe.





Ik schrijf financieringsaanvragen en die leg ik neer bij banken.


Indien banken ze niet willen doen leg ik ze neer bij vermogende mensen.


Als voorbeeld een partij zoekt geld voor de aankoop en verbouwing van een bedrijfspand naar


appartementen. Het bedrijfspand kost een miljoen euro, de verbouwing kost € 500.000,=. De verbouwing duurt ongeveer een jaar. Ik onderzoek of de koper van het pand de maandelijkse rente kan betalen van de aankoop en de verbouwing. Iemand die een pand koopt financieren we tot maximaal 75% van de aankoopsom dus in dit gevat een pand kost € 1.000.000,= en wij financieren dan € 750.000 zo ook met de kosten voor de verbouwing. Als zekerheid stellen wij een eerste hypotheek op het pand. Nadat het pand aangekocht, verbouwd is En het gaat verhuurd worden dan wil een bank wel financieren en gaat het pand over naar een bank. Omdat de financieringen die wij doen relatief kort zijn is de rente hoger als bij een bank je moet denken op dit moment aan 8%. De betaling van de rente wordt maandelijks gedaan door degene die het geld leent.


Ik onderzoek alles van de partij die het geld leent, als ik akkoord ben maak ik een aanvraag met alle


gegevens Voor een geldverstrekker. Foto van het object, looptijd, zekerheid, rentepercentage, doel, aflossing en betalingscapaciteit. Als er een partij is die dit interessant vindt maak ik een overeenkomst van geldlening waar alle afspraken instaan. De overeenkomst wordt door de geldgever en geldnemer getekend en dit is de basis voor de akte die gemaakt wordt. Bij een notaris. De notaris maakt een notariële akte. Mijn verdienmodel is dat ik word betaald door de geldnemer.”





3.3.
Op 19 januari 2024 schrijft [gedaagde 3] per e-mail het volgende aan [eiseres] :


“Ik begrijp dat je het contact moeizaam vind tussen ons.

De post waar ik het twee weken geleden over had ging niet door op het laatste moment. Nogmaals dat het moeizaam is heeft niets persoonlijks te maken maar ik heb op dit moment alleen maar grote bedragen.


Zie als voorbeeld de twee bijgevoegde posten.


Bedragen zijn hoog, zekerheden goed, rente goed maar jij gaf aan een of anderhalve ton te willen doen.


Het is voor mij op dit moment lastig om dat met iemand anders te doen buiten mijzelf.


Ik stel dan ook voor het geld wat je beschikbaar heb bij mij te zetten.


We maken een lening overeenkomst dat ik het geld enkel en alleen mag gebruiken voor eerste hypotheken.


Jij of jullie storten dat geld naar mij en jullie geld direct renderen ik betaal direct 8% rente per maand.


Wil jij het zelf doen dan moeten we wachten op kleinere aanvragen die komen wel maar niet veel.


Nogmaals ik begrijp als je wat anders met je geld gaat doen.


…”




3.4.
Op 23 januari 2024 mailt [eiseres] aan [gedaagde 3] :


“Ik heb 2-2 nog een afspraak met een financiële man en ik laat je daarna weten of ik alvast 100/150k bij jou onder breng.”



En op 30 januari 2024 stelt [eiseres] per e-mail de volgende vraag:



“Alvast nog even een vraag. Wat is het onderpand als ik mijn geld alvast op “jouw” rekening zet voor 8%?”



Op deze vraag antwoordt [gedaagde 3] op 31 januari 2024 per mail:



“Ik gebruik het geld om leningen te verstrekken met een zekerheid

Het recht op een eerste hypotheek.”




3.5.

[gedaagde 3] stelt [eiseres] vervolgens voor aan [persoon A] en zijn vennootschap [bedrijf] B.V. (hierna: [persoon A] ). Op 27 februari 2024 sluit [eiseres] , samen met vier andere partijen, een overeenkomst van geldlening met [persoon A] voor een totaalbedrag van € 2.250.000,00. Het door [eiseres] aan [persoon A] geleende bedrag is € 100.000,00. Op 28 maart 2024 is bij notariële akte ten behoeve van de geldgevers, waaronder [eiseres] , een eerste recht van hypotheek gevestigd op een perceel grond in Lelystad.



3.6.
Bij overeenkomst van 24 augustus 2024 leent [eiseres] een bedrag van € 150.000,00 aan [gedaagde 1] met een vast rentepercentage van 8%. Als doel van de lening is in de overwegingen van de overeenkomst opgenomen: “…met als doel het verstrekken van geldleningen voor werkkapitaal in [gedaagde 1] met als zekerheid het eigen vermogen in [gedaagde 1] . [gedaagde 1] leent de gelden weer door aan [persoon A] eigenaar van [bedrijf] wat nu het geval is of aan andere partijen.”



3.7.
Op 1 oktober 2024 sluit [eiseres] een overeenkomst van geldlening met [persoon A] voor een bedrag van maximaal € 300.000,00 met een rentevergoeding van 10% per jaar. In de schriftelijke vastlegging van deze overeenkomst op 22 november 2024 is onder meer het volgende opgenomen:



“[…]


OVERWEGENDE


A. Dat geldnemer een financieringsbehoefte heeft.


B. dat Geldgever op 01-10-2024 met Geldnemer een overeenkomst van geldlening is aangegaan van in hoofdsom maximaal € 300.000,- (zegge: driehonderdduizend


euro);


C. dat Geldgever bereid is de hiervoor onder B. vermelde geldlening te verstrekken.


D. De verstrekking van de lening zal plaatsvinden in overleg tussen geldgever en geldnemer. Het opvragen van de gelden zal verlopen via [gedaagde 1] , en vanaf datum uitbetalen is de rente verschuldigd.


E. De lening is voor € 150.000 (zegge: honderdvijftigduizend euro) bestemd voor een overname van de lening van de schuld van [gedaagde 1] B.V. Geldgever heeft een bedrag van € 150.000 (zegge: honderdvijftigduizend euro) verstrekt aan [gedaagde 1] B.V. welke door [gedaagde 1] B.V. is doorgeleend aan geldnemer. In deze leningovereenkomst wordt deze verstrekte lening vanaf 01-10-2024 overgeheveld aan geldnemer, en komt de lening tussen [eiseres] en [gedaagde 1] B.V. ten aanzien hiervan te vervallen.


F. Op 21-11-2024 is een bedrag van € 50.000 ter beschikking gesteld door middel van overmaking op rekening van [gedaagde 1] B.V. Vanaf 21-11-2024 zal geldnemer hierover rente verschuldigd zijn.”
[…]

3. ZEKERHEDEN


Ter zekerheid van de nakoming van de verplichtingen geldt pandrecht op:


• Vorderingen vanuit interim werkzaamheden.


• Inkomen vanuit overige activiteiten waaronder bouw en projectontwikkeling.


• Recht van eerste hypotheek op onderpand […] te […].





3.8.
Op 25 oktober 2024 (16:34 uur) schrijft [gedaagde 3] aan [eiseres] :



“Zoals je weet heeft [persoon A] een te grote broek aangetrokken hij is bezig met een aantal projecten waar hij geld voor nodig heeft maar hij heeft voorfinanciering nodigen daar zijn we hem nu bij aan het helpen want het rendement wat hij uiteindelijk maakt is ruimschoot voldoende om de schuldeisers te betalen ik heb ook geld uitgeleend aan [persoon A] dus ik heb er vertrouwen in anders zou ik dit niet doen.





Ter toelichting op het beslag:



[bedrijf] B.V. heeft een grote BTW teruggaaf tegoed van € 630.000. Deze BTW teruggaaf is nog niet verleend, terwijl dit al lang het geval had moeten zijn. Door het uitblijven van de teruggaaf is het lastig geweest gemaakte toerzeggingen na te komen. En dat is de oorzaak van het beslag.


Het beslag is inmiddels opgeheven, en dit zal de notaris verwerken in het kadaster bij het passeren van de aflossing van de hypotheken Lelystad.


De BTW teruggaaf is nog steeds niet verleend, maar inmiddels wel toezegging dat die verleend gaat worden.”





3.9.

[eiseres] mailt op 20 november 2024 (15:02 uur) aan [gedaagde 3] :



“Ik moet even mijn limiet ophogen en dan maak ik het vanavond over. Zorg jij voor aangepaste overeenkomst en recht op 1e hypotheek zou nog op een pand gevestigd worden.”




waarna zij een bedrag van € 50.000,00 op de rekening van [gedaagde 1] overmaakt.



3.10.
Op 21 november 2024 (08:28 uur) mailt [eiseres] aan [gedaagde 3] :



“Ik heb de 50k gisteren net voor middernacht overgemaakt naar [gedaagde 1] . Heb jij deze ontvangen? Ik zie de aangepaste ovk dan graag tegemoet en recht van 1e hypotheek hoor ik ook graag.”




Waarop [gedaagde 3] ruim een half uur later antwoordt (om 09.10 uur):




“Ik heb de 50k binnengekregen.


Ik ga de overeenkomst aanpassen.


Recht van eerste hypotheek daar ga ik mee aan de slag.”





3.11.
Op 24 maart 2025 stort [eiseres] een bedrag van € 100.000,00 op de rekening van [gedaagde 1] . Op 25 maart 2025 sluiten [eiseres] en [persoon A] een overeenkomst van geldlening voor een bedrag van € 100.000,00 ter financiering van een object in Nijmegen. In de overeenkomst is onder meer opgenomen dat [eiseres] het bedrag verstrekt op de bankrekening van [gedaagde 1] . Ook staat in de overeenkomst dat in de hypotheekakte het huurbeding, het beheersbeding en het verzekeringsbeding zal worden opgenomen.



3.12.
Op 6 mei 2025 (17:44 uur) mailt [eiseres] aan [gedaagde 3] :



“Begin me nu toch echt een beetje zorgen te maken…Ik heb nog steeds geen rentes van [persoon A] [rechtbank: [persoon A] ] en hoor ook niets meer van jou

Bijgaand in ieder geval mijn werkgeversverklaring. Ik hoop snel wat te ontvangen en van jou te zien/horen.”





[gedaagde 3] mailt vervolgens op 6 mei 2025 om 17:56 uur aan [persoon A] (met een bcc aan [eiseres] ):




“Je zou mij voor vijf uur bellen en ook niet gebeurt.


Maak mij echt zorgen.


Ik denk dat we misschien geen nieuwe leningen moeten


Verstrekken eerst maar alles af handelen.”





[eiseres] mailt daarop aan [gedaagde 3] diezelfde avond (6 mei 2025) om 19:23 uur:




“Deze mail is aan mij gericht of is dit een BCC. Moet ik me echt zorgen gaan maken. Ben redelijk aangeslagen…”




Waarop [gedaagde 3] diezelfde avond (6 mei 2025) om 22:47 antwoordt:




“Je hoeft je geen zorgen te maken ik wil alleen dat dingen sneller gaan en daarom Ben ik hem aan het opjagen. Vorige mail stond jij in de BCC. Nogmaals geen zorgen, Ik hou het in de gaten. Ik zit er zelf ook fors met geld in.”





3.13.
Op 15 augustus 2025 stuurt [eiseres] twee e-mails aan [gedaagde 3] . In de eerste mail van 15:20 schrijft zij:



“Ik doe nogmaals een beroep op je begrip en medewerking [gedaagde 3] en 'smeek' je in ieder geval mijn inleg van 100K+200K dus 300K terug te storten. Deze uitgeleende bedragen had ik al veel eerder officieel moeten opeisen omdat [persoon A] [rechtbank: [persoon A] ] al veel langer zijn verplichtingen niet nakomt van tijdige rentebetalingen en het nog steeds niet aanleveren van onderliggende zekerheden. Ik ben er echter altijd in blijven geloven vooral ook door jou steeds geruststellende woorden.




Ik ga ervan uit dat je nu nog voldoende liquiditeit hebt om me terug te betalen en ik weet niet hoe


dit later is want ik kan me voorstellen dat er meer gedupeerden van [persoon A] zijn. Daarbij zijn de einde


looptijden ook in zicht - 29-9-2025 voor de 100K en 1-10-2025 voor de 200K - dus dan moeten de


leningen sowieso terugbetaald worden.





Als ik in ieder geval mijn inleg van 300K weer terug heb (achterstallige rentes zijn dan van latere


zorg), kan ik mijn leven weer oppakken en komt hopelijk mijn werk vooralsnog niet in gevaar. Dan


is alleen de aflossing van [straat] nog onzeker maar daar ligt in ieder geval een zekerheid


aan ten grondslag.”




En om 20:59 uur schrijft [eiseres] :




“Ik kan het niet loslaten. Het is het enige nog waar ik aan kan denken en mee bezig ben.





Vanaf onze le ontmoeting heb je aangegeven dat er altijd een onderpand met voldoende


zekerheid via de notaris geregeld zou worden afgegeven. Zie o.a. bijgaande mails.





• In de 1e mail schrijf je
ik onderzoek of de koper van het pand de maandelijkse rente kan betalen van de aankoop en de verbouwing, ik onderzoek alles van de partij die het geld leent en de notaris maakt dan een notariële akte
.


• In de 2e mail schrijf je
ik gebruik het geld om leningen te verstrekken met een zekerheid; het recht op een eerste hypotheek
.


Je bent deze beloftes niet nagekomen. Je bent het me verplicht [gedaagde 3] om mijn ingelegde bedragen van 100K en 200K = totaal 300K per direct terug te storten. De achterstallige rente is dan van latere zorg.





Ik heb altijd blind vertrouwen in je gehad [gedaagde 3] - heb alles met je gedeeld. Ik vertrouw er daarom nu ook op dat je het bedrag van 300K per direct terugstort en dat je me niet het proces van een juridisch traject aandoet. Dit trek ik echt niet [gedaagde 3] met mijn werk wat nu al op het spel staat door deze situatie (en dus ook mijn inkomsten) en helemaal als dit via de rechtbank gaat verlopen, de zorg voor onze gehandicapte zoon en mijn zieke moeder.





Ik zie de 300K tegemoet en we houden contact. Ik wens jou/jullie nogmaals veel sterkte in deze ook voor jullie lastige periode.”





3.14.
Op 17 augustus 2025 (om 18:02 uur) beantwoordt [gedaagde 3] de mails van [eiseres] als volgt:



“Ik heb op dit moment de gelden niet om jouw af te lossen.


Ik ben altijd eerlijk dat is mijn werkwijze dus ook naar jouw.


Zeg altijd als ik iets voorleg aan mensen en ik zou het zelf niet doen dit ook niet bij andere neer te leggen.


En dat heb ik in dir dossier ook niet gedaan.


Ook ik heb een groot bedrag aan [persoon A] uitgeleend groter als jouw op dit moment.





Daarom wil ik het volgende voorstellen:


De leningen die jij heb lopen neem ik over via de notaris;


Ik betaal jouw maandelijks de rente op een vaste datum van de maand;


Het rentepercentage wordt 8%


Op het moment dat je geld nodig heb voor je zoon zoek ik een ander partij die dan de


Gelden beschikbaar heeft als [persoon A] het niet zou kunnen aflossen naar mij.


Kan hij het dan niet aan mij betalen heb ik wel andere partijen die mij dan helpen.


Ik hoop dat ik zo duidelijk genoeg ben.


Vind het jammer hoe wij in deze situatie terecht zijn gekomen.


En daarom moeten we in contact blijven om het tot een goed einde te brengen met [persoon A] .”





3.15.
Op 18 augustus 2025 (om 15:39 uur) mailt [gedaagde 3] aan [eiseres] :



“Dank voor je bezoek vanmiddag waar we het dossier [persoon A] hebben besproken.





• Ik neem de leningen van [persoon A] over voor een bedrag van € 300.000,=


• E.e.a. zo spoedig mogelijk officieel bekrachtigen door een notaris;


• Rentepercentage 8%;


• Zekerheid een eerste hypotheek op onroerend goed;


• Tot het moment van ondertekening bij de notaris verpanding van mijn eigen vermogen in de


onderneming [gedaagde 1] B.V.


• Aflossing van de dan lopende lening in overleg maar zeker als de heer [persoon A] mij heeft


afgelost.


[…]”





3.16.
Op 21 augustus 2025 (om 17:17 uur) mailt [eiseres] aan [gedaagde 3] :



“Hierbij de essentiële afspraken samengevat.



1. Overname van mijn leningen van totale inleg 300K door jou.


2. Volledige loskoppeling van [persoon A] , dus ook i.r.t. verstrekking zekerheid,


rentebetaling, aflossing etc.


3. Zekerheid met een recht op 1e hypotheek op onroerend goed door jou te verstrekken


volgens je mij eerder gemailde werkwijze (zie bijlages).


4. Rentepercentage m.i.v. overnamedatum 8% tot die tijd 10%.


5. Aflossing totale inleg 300K op uiterlijk 1-10-2025.


6. Als volledige aflossing 300K op uiterlijk 1-10-2025 door jou niet mogelijk is, heb je de inspanningsverplichting dit z.s.m. te doen – al is het in delen. Rente resterende lening loopt door. Daarbij krijg ik de mogelijkheid tot inzage in financiën waaruit blijkt dat (gedeeltelijke) aflossing nog niet mogelijk is.


7. Op het moment dat ik direct geld nodig heb voor aankoop huis zoon, dan ‘zoek jij een ander partij die dan de gelden beschikbaar heeft’.


8. Jij informeert [persoon A] over het overnemen van mijn leningsovereenkomsten. Ik ontvang hier een afschrift van.


9. Alle kosten voor omzetting komen ten laste van jou.


10. Achterstallige rentebedragen, in totaal € 0 tot datum @ maak jij uiterlijk op datum @ aan mij over.


11. Totdat jij een zekerheid met een recht op 1e hypotheek op onroerend goed (zie punt 3) verstrekt, is mijn totale inleg van 300K gedekt door jouw eigen vermogen in de onderneming [gedaagde 1] B.V. Graag ontvang ik een bewijs waaruit blijkt dit voldoende dekkend is en blijft voor mijn inleg van 300K.


12. Bovenstaande afspraken worden z.s.m. door een notaris via jou (dus niet die van [persoon A] ) notarieel vastgelegd.



Ik vertrouw erop dat morgen de zaak geregeld is en gereed is voor de notaris. Dan kunnen


we ‘rustig’ het weekend in. Fijne avond!”





3.17.
Op 28 augustus 2025 ondertekenen [eiseres] en [gedaagde 1] een document genaamd “Overeenkomst van leningovername/wijziging schuldenaar” In dit document is [gedaagde 1] aangeduid als “Nieuwe Schuldenaar”. In het document staat onder meer:



“Artikel 1 – Overname verplichtingen


Nieuwe Schuldenaar treedt per 28-8-2025 in de rechten en verplichtingen van de leningen zoals vermeld in de bijgevoegde oorspronkelijke overeenkomsten





Artikel 2 – Hoofdsom en rente





De hoofdsom van de overgenomen leningen bedraagt € 300.000,00




Renteverplichting:




- Tot de datum van overname door Nieuwe Schuldenaar: 10% per jaar (zoals oorspronkelijk


overeengekomen).


- Vanaf de datum van overname door Nieuwe Schuldenaar: 8% per jaar.


3. Achterstallige rente:


- Achterstallige rente wordt uiterlijk 1 september 2025 door Nieuwe Schuldenaar overgemaakt op rekening van Schuldeiser. Overzicht van achterstallige rentebedragen is opgenomen in Bijlage A.


[…]




Artikel 3 - Zekerheden





Tot de notariële bekrachtiging wordt het eigen vermogen van [gedaagde 1] B.V. verpand aan Schuldeiser, met bewijs (Bijlage D) dat dit voldoende dekkend is en blijft voor de totale hoofdsom van € 300.000, -




Nieuwe Schuldenaar verstrekt z.s.m. een eerste hypotheek gevestigd op een waardevast onroerend goed dat eigendom is van of economisch gelieerd is aan [gedaagde 1] B.V., met voldoende en blijvende dekking voor de volledige hoofdsom en verschuldigde rente.




Aanvullende waarborgen:




[…]


- Indien blijkt dat de waarde van het verpande vermogen ontoereikend is, is Nieuwe Schuldenaar verplicht op eerste verzoek van Schuldeiser aanvullende zekerheden te verstrekken (waaronder, indien geëist, een persoonlijke borgstelling van de bestuurder of aandeelhouder).”




3.18.
Op 8 september 2025 (om 13:15 uur) mailt [eiseres] aan [gedaagde 3] :



“[…]


Ik heb het achterstallige rentebedrag nog niet ontvangen. Begreep afgelopen vrijdag dat je dit zou overmaken.


[…]”





3.19.
Op 13 november 2025 stuurt (de advocaat van) [eiseres] een brief aan [gedaagde 1] , met daarin een sommatie om de achterstallige rente binnen één week te betalen en om binnen één week te verklaren welke zekerheden [gedaagde 1] gaat aanbieden, en om binnen drie weken mee te werken aan het vestigen van die zekerheden.



3.20.
Met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 23 december 2025 legt [eiseres] ten laste van [gedaagden] diverse conservatoire beslagen.






4Het geschil


4.1.

[eiseres] vordert – samengevat en na wijziging van eis – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:



ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 3]


i. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 3] hoofdelijk te veroordelen tot een betaling aan [eiseres] van het bedrag van € 308.000,00, te vermeerderen met € 2.000,00 per maand aan rente, althans met de wettelijke (handels)rente vanaf 1 januari 2026, binnen zeven dagen na in het in deze te wijzen vonnis;



ten aanzien van [gedaagde 2]





primair



[gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van het bedrag van € 308.000,00, te vermeerderen met € 2.000,00 per maand aan rente, althans met de wettelijke (handels)rente vanaf 1 januari 2026, binnen zeven dagen na in het in deze te wijzen vonnis;



subsidiair



bepaalt dat het vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft en in de plaats zal treden van de wilsverklaring van [gedaagde 2] inhoudende dat zij zich ex artikel 7:850 borg stelt en zich verbindt tot nakoming van de schuld van [gedaagde 1] jegens [eiseres] ad € 308.000,00, vermeerderd met € 2.000,- per maand aan rente, althans de wettelijke (handelsrente), vanaf 1 januari 2026;
[gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van het bedrag van € 308.000,00, te vermeerderen met € 2.000,00 per maand aan rente, althans met de wettelijke (handels)rente vanaf 1 januari 2026, binnen zeven dagen na in het deze te wijzen vonnis;




meer subsidiair



[gedaagde 2] te veroordelen tot nakoming van de afspraak dat zij zich borg stelt ex. artikel 7:850 BW en zich verbindt tot nakoming van de schuld van [gedaagde 1] jegens [eiseres] ad € 308.000,00 te vermeerderen met € 2.000,00 per maand aan rente, althans de wettelijke (handels)rente, vanaf 1 januari 2026;
[gedaagde 2] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van het bedrag van € 308.000,00 te vermeerderen met € 2.000,00 per maand aan rente, althans de wettelijke (handels)rente vanaf 1 januari 2026, binnen zeven dagen na in het deze te wijzen vonnis;





ten aanzien van alle vorderingen



[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 3.315,-, bestaande uit de buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum vonnis, binnen zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis;
[gedaagden] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 5.371,90 bestaande uit beslagkosten, binnen zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis;
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te veroordelen in de proceskosten van dit geding, waaronder begrepen een redelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand van [eiseres] , alsmede de nakosten (zonder of met betekening) van het in deze zaak te wijzen vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende kalenderdag na dagtekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling.




4.2.

[gedaagden] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, uitvoerbaar bij voorraad.



4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.






5De beoordeling



De eiswijziging van [eiseres] is toelaatbaar




5.1.

[gedaagden] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [eiseres] . Op grond van artikel 130 lid 1 Rv is [eiseres] , zolang geen eindvonnis is gewezen, in beginsel ook bevoegd haar eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt de wijziging van eis voldoende uit de stellingen van [eiseres] , is deze wijziging voldoende duidelijk voor [gedaagden] en is deze ook verder niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank zal dan ook de gewijzigde eis, zoals hiervoor in 4.1 weergegeven, beoordelen.




[gedaagde 1] heeft zich verbonden om de leningen van [eiseres] aan [persoon A] aan [eiseres] terug te betalen.





5.2.

[eiseres] heeft haar vorderingen tegen [gedaagde 1] primair gebaseerd op nakoming van de “overeenkomst van leningovername/wijziging schuldenaar” van 28 augustus 2025. [gedaagde 1] betwist dat zij zich heeft verbonden om de leningen terug te betalen. Volgens haar bevat dit document geen afdwingbare verbintenissen. Het is geen overeenkomst van geldlening (artikel 7:129 BW) en het is ook geen schuldovername (artikel 6:155 BW). Voor het geval wel geoordeeld zou worden dat het een overeenkomst met enige betekenis is, vernietigt [gedaagde 1] de overeenkomst op grond van dwaling en op grond van (de statutaire) doeloverschrijding van [gedaagde 1] .



5.3.
De rechtbank is om te beginnen van oordeel dat [gedaagde 1] zich tegenover [eiseres] heeft verbonden om de door [eiseres] aan [persoon A] geleende bedragen met rente aan haar terug te betalen. De motivering van dit oordeel is als volgt.



5.4.
Een overeenkomst komt tot stand door het doen van een aanbod en de aanvaarding van dat aanbod (artikel 6:217 BW). Op grond van artikel 3:33 BW vereist een rechtshandeling, zoals een aanbod en een aanvaarding, een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Of een in een concreet geval afgelegde verklaring een aanbod of een aanvaarding inhoudt, wordt mede bepaald aan de hand van de wilsvertrouwensleer die is neergelegd in artikel 3:35 BW.



5.5.
Uit de mailwisseling tussen [gedaagde 3] en [eiseres] , zoals hiervoor (gedeeltelijk) geciteerd in 3.13 tot en met 3.16, is expliciet op te maken dat het de bedoeling was dat [gedaagde 1] “de schuld van [persoon A] zou overnemen”. De rechtbank constateert dat over de vastlegging van deze partijbedoeling in het door [eiseres] met behulp van AI opgestelde document van 28 augustus 2025 (zie 3.17) inderdaad het nodig te zeggen valt. Het is in ieder geval niet een ‘contractovername aan de crediteurzijde’ (artikel 6:159 BW), zoals [eiseres] ter zitting heeft bepleit en ook geen schuldovername (artikel 6:155 BW). Van de medewerking of instemming van [persoon A] , zoals deze artikelen vereisen, is namelijk niet gebleken. Dat neemt alleen niet weg dat de partijbedoeling wel heel duidelijk uit het document is op te maken: [gedaagde 1] zou aan [eiseres] als een eigen verplichting betalen wat [persoon A] op grond van de overeenkomsten met [eiseres] verschuldigd was. Of dit ook gepaard zou gaan met een cessie van [eiseres] aan [gedaagde 1] van haar vordering op [persoon A] is wat onduidelijk, maar doet aan deze partijbedoeling niet af.



Geen dwaling





5.6.
Het beroep van [gedaagde 1] op dwaling slaagt niet. [gedaagde 1] heeft hiervoor aangevoerd dat zij door mededelingen van [eiseres] in de veronderstelling verkeerde dat [eiseres] haar baan bij de politie zou verliezen als de leningen aan [persoon A] bekend zouden worden bij haar werkgever. Alhoewel [eiseres] in een e-mail aan [gedaagde 3] haar zorgen heeft geuit over mogelijke betrokkenheid van [persoon A] bij vastgoedfraude en zij in dat kader heeft verwezen naar het moeten doen van een melding bij haar werkgever omdat haar naam als investeerder zou kunnen opduiken, is nergens uit af te leiden dat dit de reden is geweest dat [gedaagde 1] zich tegenover [eiseres] tot betaling heeft verplicht. Uit de mailcorrespondentie tussen [eiseres] en [gedaagde 3] volgt dat [eiseres] ten einde raad aan [gedaagde 3] vraagt om te zorgen dat ‘haar inleg terugkomt’. [eiseres] heeft in deze mails ook aangegeven dat zij haar geld nodig heeft omdat zij haar zoon wil helpen met het kopen van een huis. [gedaagde 3] verwijst daar ook naar in zijn mail van 17 augustus 2025 (“Op het moment dat je geld nodig heb voor je zoon zoek ik een ander partij die dan de gelden beschikbaar heeft als [persoon A] het niet zou kunnen aflossen naar mij.”; zie 3.14). Bij de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 3] desgevraagd verklaard dat hij ‘rust wilde creëren in het dossier’ en dat hij daarom zijn handtekening heeft gezet. Uit de feitelijke gang van zaken volgt dat [gedaagde 3] zelf een oplossing wilde bieden aan [eiseres] omdat hij [persoon A] bij haar had aangedragen. Dat maakt dat van dwaling geen sprake kan zijn.



Geen statutaire doeloverschrijding





5.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde 1] met het aangaan van de betalingsverplichting tegenover [eiseres] ook niet haar statutaire doel overschreden. Volgens artikel 2:7 BW is een door een rechtspersoon verrichte rechtshandeling vernietigbaar, als daardoor het doel werd overschreden en de wederpartij dit wist of zonder eigen onderzoek moest weten; slechts de rechtspersoon kan een beroep op deze grond tot vernietiging doen.



5.8.
Om te beginnen heeft [eiseres] onbetwist aangevoerd dat uit de statuten volgt dat [gedaagde 1] ook zekerheden mag verstrekken aan andere (rechts)personen dan waarmee zij in een groep verbonden is. Het aangaan van de betalingsverplichting past in de gegeven omstandigheden binnen die statutaire doelomschrijving. Bovendien heeft [gedaagde 1] in de overeenkomst verklaard en gegarandeerd dat zij bevoegd is de overeenkomst aan te gaan en dat daarvoor alle (onder meer) statutaire goedkeuringen zijn verkregen (artikel 9 lid 3 van de overeenkomst). [eiseres] hoefde er dan ook niet op bedacht te zijn dat [gedaagde 1] (mogelijk) de betalingstoezegging tegenover haar niet kon en mocht doen omdat deze niet paste binnen haar statutaire doelomschrijving.



5.9.
De vernietiging door [gedaagde 1] van de overeenkomst op grond van dwaling en statutaire doeloverschrijding is dus zonder grond en heeft geen effect.



5.10.
De conclusie is dat [eiseres] van [gedaagde 1] nakoming kan vragen van de overeenkomst. Omdat duidelijk is dat [gedaagde 1] [eiseres] , ondanks aanmaning, niet betaalt, zal de rechtbank [gedaagde 1] veroordelen tot betaling van de hoofdsom van de leningen van € 300.000,00 en de contractuele rente daarover van € 2.000,00 per maand vanaf het moment dat [gedaagde 1] de betalingsverplichting op zich heeft genomen (artikel 2.2 van de overeenkomst). Niet in geschil is dat het tot en met 31 december 2025 gaat om een bedrag van € 8.000,00. De rechtbank zal dat bedrag toewijzen. Vanaf 1 januari 2026 moet [gedaagde 1] ook de maandelijkse rente van € 2.000,00 betalen.




[gedaagde 2] heeft zich borg gesteld tegenover [eiseres] en moet haar ook betalen





5.11.

[eiseres] stelt dat [gedaagde 2] zich tegenover haar borg heeft gesteld voor de terugbetaling door [gedaagde 1] van de bedragen die zij aan [persoon A] heeft geleend. [eiseres] beroep zich daarbij op artikel 3 lid 3 van de overeenkomst leningovername/wijziging schuldenaar (zie 3.17). Omdat [gedaagde 1] het bedrag niet terugbetaalt, vordert zij daarom (primair) hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 2] .



5.12.

[gedaagde 2] betwist dat zij zich tegenover [eiseres] borg heeft gesteld. Zij voert aan dat het hiervoor genoemde artikel 3 lid 3 alleen een verplichting voor [gedaagde 1] schept om desgevraagd aanvullende zekerheid te stellen, waaronder een borgstelling van de bestuurder of aandeelhouder van [gedaagde 1] . De wil van [gedaagde 2] om zich als borg te binden ontbreekt.



5.13.
De rechtbank is van oordeel dat ook [gedaagde 2] gebonden is aan de overeenkomst van leningovername/wijziging schuldenaar als potentiële borg. Weliswaar heeft zij de overeenkomst niet ondertekend, maar zij bij het aangaan van de overeenkomst ook vertegenwoordigd (geweest) door [gedaagde 3]. In ieder geval heeft [eiseres] daarop mogen vertrouwen. Het was de bedoeling dat [eiseres] met het aangaan van deze overeenkomst linksom of rechtsom haar geld terug zou krijgen. Als [gedaagde 1] niet zelf zou betalen, dan zou [eiseres] kunnen eisen dat de bestuurder of aandeelhouder haar zekerheid zouden geven via een persoonlijke borgstelling. Omdat duidelijk is dat [gedaagde 1] niet betaalt, kan [eiseres] ook [gedaagde 2] op grond van die toezegging aanspreken tot betaling. De rechtbank zal [gedaagde 2] dan ook hoofdelijk veroordelen naast [gedaagde 1] tot betaling van de leningen en de contractuele rente.




[gedaagde 3] is als bestuurder van [gedaagde 1] aansprakelijk tegenover [eiseres]





5.14.

[eiseres] grondt haar vordering op [gedaagde 3] op onrechtmatige daad. Volgens haar is [gedaagde 3] als bestuurder van [gedaagde 1] tegenover haar aansprakelijk en is er ook sprake van een zelfstandige onrechtmatige daad van [gedaagde 3]. [gedaagde 3] betwist dat hij persoonlijk aansprakelijk is. Hij betwist dat op het moment van het aangaan van de verplichting door [gedaagde 1] sprake was van betalingsonmacht. Ook betwist [gedaagde 3] dat hij een persoonlijk op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting tegenover [eiseres] heeft geschonden.



5.15.
Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap (hier: [eiseres] als schuldeiser van [gedaagde 1] ) door het onbetaald en onvertaald blijven van haar vordering kan naast de aansprakelijkheid van de vennootschap ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder tegenover de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.



5.16.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 3] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het feit dat [gedaagde 1] haar verplichting tegenover [eiseres] tot betaling van de door [eiseres] aan [persoon A] verstrekte leningen niet nakomt. [gedaagde 3] heeft, om rust in het dossier te brengen, aan [eiseres] de expliciete toezegging gedaan dat [gedaagde 1] de leningen zou terugbetalen. Dat deed hij op een moment dat [gedaagde 1] , naar eigen zeggen, ook meerdere miljoenen te vorderen had van [persoon A] en [persoon A] al langere tijd hun verplichtingen niet nakwamen. Desondanks gaat [gedaagde 3] als bestuurder van [gedaagde 1] op 28 augustus 2025 zonder enig voorbehoud de verplichting aan dat [gedaagde 1] de rente over de leningen aan [eiseres] betaalt en dat [gedaagde 1] de leningen zal aflossen. Achterstallige rente zou [gedaagde 1] slechts enkele dagen later, namelijk op 1 september 2025, aan [eiseres] moeten betalen (artikel 2 lid 3 overeenkomst) en die verplichting is [gedaagde 1] al niet nagekomen.



5.17.

[gedaagde 3] is dus persoonlijk aansprakelijk voor de schade die [eiseres] lijdt doordat [gedaagde 1] de overeenkomst niet nakomt. Die schade bestaat uit het bedrag dat [gedaagde 1] aan [eiseres] moet betalen. De rechtbank zal [gedaagde 3] dan ook hoofdelijk, naast [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , tot betaling van dat bedrag veroordelen.



Beroep op ‘eigen schuld’ van [eiseres] slaagt niet





5.18.

[gedaagden] hebben als verweer aangevoerd dat het de eigen verantwoordelijkheid en de eigen schuld van [eiseres] is waardoor zij haar investering niet van [persoon A] heeft terugontvangen. Zij wijzen erop dat [eiseres] steeds zelfstandig, weloverwogen en herhaaldelijk heeft gekozen om te investeren op basis van de summiere informatie die [gedaagde 1] haar heeft aangereikt. [eiseres] heeft volgens hen zelf actief aangedrongen op het vestigen van zekerheid, wat erop wijst dat zij de relevantie daarvan volledig begreep.



5.19.
De rechtbank verwerpt dit verweer, dat zij heeft opgevat als een beroep op het bepaalde in artikel 6:101 BW. Het verweer gaat er namelijk helemaal aan voorbij dat het handelen van [eiseres] juist in overwegende mate is bepaald door het vertrouwen dat [gedaagde 3] , in zijn hoedanigheid van financieel deskundig bemiddelaar, bij haar heeft gewekt. [eiseres] heeft herhaaldelijk vragen gesteld aan en haar zorgen geuit bij [gedaagde 3] , die haar vervolgens steeds geruststelde. Tegen die feitelijke achtergrond kunnen [gedaagden] zich niet verschuilen achter de eigen verantwoordelijkheid van [eiseres] .



Buitengerechtelijke incassokosten





5.20.

[eiseres] vordert de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 3.315,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. [gedaagden] hebben tegen deze vordering geen afzonderlijk verweer gevoerd.



5.21.
De rechtbank overweegt dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn gestoeld op de wet en veroordeelt [gedaagden] tot betaling van het gevorderde bedrag van € 3.315,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de dag van dit vonnis.



Beslagkosten





5.22.

[eiseres] vordert de door haar gemaakte kosten voor de beslaglegging. Zij vordert een door haar met een factuur van de deurwaarder gespecificeerd bedrag van € 5.371,90. [gedaagden] hebben geen afzonderlijk verweer tegen deze vordering gevoerd.



5.23.
Op grond van artikel 706 Rv zijn de kosten van het beslag toewijsbaar. De rechtbank zal [gedaagden] veroordelen om het gevorderde bedrag van € 5.371,90 aan [eiseres] te betalen.



Proceskosten





5.24.

[gedaagden] krijgen geen gelijk en moeten daarom de proceskosten van [eiseres] betalen. [eiseres] heeft in de dagvaarding gevorderd dat zij worden “veroordeeld in de proceskosten, waaronder begrepen een redelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand”. Bij de mondelinge behandeling hebben zij zich in dat kader op het standpunt gesteld dat de werkelijke proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen. Zij doen daarbij een beroep op artikel 6 van de overeenkomst van leningovername/wijziging schuldenaar. De werkelijk kosten komen neer op een bedrag van € 34.898,84 (declaraties van haar advocaat). [gedaagden] hebben gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen een veroordeling in de werkelijke proceskosten.



5.25.
De rechtbank overweegt dat [eiseres] haar eis voor de werkelijke proceskosten niet heeft vermeerderd. Zij heeft namelijk niet schriftelijk een eisvermeerdering ingediend. In het geval de eisvermeerdering wel schriftelijk was gedaan, dan was de eisvermeerdering (mondeling ter zitting) naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de goede procesorde geweest. Een andere grond voor toewijzing van de werkelijke proceskosten is niet gesteld of gebleken.



5.26.
De rechtbank veroordeelt [gedaagden] dan ook in de proceskosten volgens het zogenaamde liquidatietarief. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:










- kosten van de dagvaarding


€


151,94







- griffierecht


€


2.472,00







- salaris advocaat


€


5.770,00


(2 punten × € 2.885,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


8.582,94











5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






6De beslissing


De rechtbank



6.1.
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 308.000,00, te vermeerderen met de contractuele rente van € 2.000,00 per maand vanaf 1 januari 2026 tot de dag van volledige betaling,



6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.315,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 9 september 2026 tot de dag van volledige betaling,



6.3.
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.371,90 aan beslagkosten,



6.4.
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de proceskosten van € 8.582,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



6.5.
veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.










Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.

1918/3965/3455















































[gedaagde 3] is zowel bestuurder van [gedaagde 1] als [gedaagde 2] als aandeelhouder van [gedaagde 2]


HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881 (Spaanse villa)


HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen)


In dat artikel staat, kort samengevat, dat als de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, dat de schade dan in evenredigheid wordt verdeeld over de benadeelde en de aansprakelijke partij.


[eiseres] heeft daags voor de zitting wel een akte ingediend met daarbij de declaraties van haar advocaat. [gedaagden] hebben bezwaar gemaakt tegen (de late indiening van) deze akte. De rechtbank heeft deze akte vervolgens ter zitting geweigerd, omdat deze in strijd met de termijn uit artikel 87 lid 6 Rv en de in de zittingsagenda gegeven instructie is ingediend.