Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:11678

2026-09-09 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/10/712771 HA ZA 26-12
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/712771 HA ZA 26-12
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geen rechtsgeldige opschorting betaling facturen voor keukenapparatuur. Wel opschorting levering openstaande orders. Geen aansprakelijkheid bestuurder. Geen opheffing beslag woonhuis bestuurder.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.860 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven



Zaaknummer: C/10/712771 / HA ZA 26-12




Vonnis van 9 september 2026




in de zaak van




ILVE NEDERLAND B.V.,
vestigingsplaats: Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: ILVE,
advocaat: mr. S.R. van der Boom,



tegen





1 [bedrijf 1] B.V.,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,2. [gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
advocaat: mr. S.W. Holterman.






1De zaak in het kort


1.1.
ILVE vordert betaling van € 79.308,28 aan openstaande facturen voor keukenapparatuur die zij aan [bedrijf 1] heeft verkocht en geleverd. Daarnaast stelt ILVE dat [gedaagde] (als bestuurder van [bedrijf 1] ) persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het uitblijven van de betalingen, wat [gedaagde] betwist. [bedrijf 1] stelt dat zij deze facturen niet hoeft te betalen, omdat zij haar betalingsverplichtingen rechtsgeldig heeft opgeschort, wat ILVE betwist. ILVE heeft op haar beurt de levering van nog openstaande orders aan [bedrijf 1] opgeschort totdat [bedrijf 1] volledig aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. Volgens [bedrijf 1] mocht ILVE niet opschorten en heeft zij daardoor schade geleden, die ILVE moet vergoeden.



1.2.
De rechtbank oordeelt dat alleen ILVE bevoegd was haar (leverings)verplichtingen op te schorten en wijst haar vorderingen toe. Door de rechtsgeldige opschorting, kon ILVE niet in verzuim raken en daarop stuit de schadevordering van [bedrijf 1] af. Verder oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] niet als bestuurder aansprakelijk is. De rechtbank licht dit oordeel hierna verder toe.






2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding 16 december 2025, met producties 1 tot en met 16,- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 8,
- de brief van de rechtbank van 2 april 2026, waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- het e-mailbericht van de rechtbank van 17 juni 2026 met de zittingsagenda,
- de akte overlegging producties van 20 juli 2026 van ILVE, met productie 17,
- de mondelinge behandeling van 30 juli 2026 en de ter gelegenheid daarvan door mr. Van der Boom en mrs. Holterman en [persoon A] overgelegde spreekaantekeningen.



2.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.






3De feiten


3.1.
ILVE S.p.A., gevestigd in Italië, ontwerpt en produceert keukenapparatuur onder de merknaam "ILVE”. ILVE is in Nederland de exclusieve distributeur van ILVE-producten.



3.2.

[bedrijf 1] voert een groothandel in hoogwaardige fornuizen, keukenapparatuur en inbouwapparatuur. Enig aandeelhouder van [bedrijf 1] is [bedrijf 2] B.V. (hierna: " [bedrijf 2] "). Bestuurder van [bedrijf 1] en van [bedrijf 2] is [gedaagde] .



3.3.
ILVE heeft [bedrijf 1] per 1 januari 2024 aangesteld als dealer. [bedrijf 1] verkoopt de keukenapparatuur van ILVE. ILVE en [bedrijf 1] hebben, voor zover van belang, voor het jaar 2025 de volgende afspraken gemaakt:


- Factuurkorting van 40% op de actuele prijslijst,
- Extra factuurkorting van 5% als compensatie voor de overgang van het distributeurschap naar ILVE,
- Betalingskorting van 2% bij betaling binnen acht dagen na factuurdatum,
- Showroomkorting van 20%,
- Onderdelenkorting van 20% op de actuele prijslijst, en
- Stimuleringsbonus van 2% over de gefactureerde omzet boven € 225.000,00.




3.4.
ILVE heeft in de periode van juni 2025 tot en met augustus 2025 een groot aantal ILVE-producten verkocht en geleverd aan [bedrijf 1] .



3.5.
Op 30 juli 2025 heeft [bedrijf 1] haar betalingsverplichtingen tegenover ILVE opgeschort.



3.6.
Op 19 augustus 2025 heeft ILVE [bedrijf 1] bij brief gesommeerd tot betaling van de op dat moment nog openstaande en onbetaald gebleven facturen. Daarnaast heeft ILVE de levering van de openstaande orders aan [bedrijf 1] opgeschort totdat [bedrijf 1] volledig aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan.



3.7.
Per 20 november 2025 is het totaalbedrag van de openstaande facturen € 79.308,28 inclusief btw.






4Het geschil



In conventie




4.1.
ILVE vordert dat de rechtbank, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld,
- [bedrijf 1] en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 79.308,28, vermeerderd met rente en kosten,
- [bedrijf 1] en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de beslagkosten en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarden,
- [bedrijf 1] en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten (inclusief nakosten), vermeerderd met de wettelijke rente als deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis zijn betaald.



4.2.

[bedrijf 1] en [gedaagde] voeren gemotiveerd verweer. [bedrijf 1] en [gedaagde] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van ILVE, met veroordeling van ILVE, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure.



In reconventie





4.3.

[bedrijf 1] en [gedaagde] hebben tegenvorderingen ingesteld.



4.4.

[bedrijf 1] vordert dat de rechtbank, samengevat, ILVE veroordeelt tot betaling van, primair, € 22.497,32, en subsidiair, voor zover het beroep op verrekening in conventie niet wordt gehonoreerd, € 101,805,60, vermeerderd met de wettelijke rente.



4.5.
Verder vorderen [bedrijf 1] en [gedaagde] dat de rechtbank de ten laste van [bedrijf 1] en [gedaagde] gelegde conservatoire beslagen opheft, en ILVE gelast het ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslag op zijn woning in het kadaster door te halen. Daarnaast vorderen [bedrijf 1] en [gedaagde] veroordeling van ILVE in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente als deze niet binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis zijn betaald.



4.6.
Ten slotte vorderen [bedrijf 1] en [gedaagde] dat de rechtbank de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaart.



4.7.
ILVE voert gemotiveerd verweer. ILVE concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf 1] en [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf 1] en [gedaagde] , met veroordeling van [bedrijf 1] en [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure.








5De beoordeling



In conventie en reconventie




5.1.
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen die vorderingen hierna gezamenlijk worden besproken.




[bedrijf 1] moet de openstaande facturen betalen, haar beroep op opschorting slaagt niet





5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat ILVE goederen aan [bedrijf 1] heeft verkocht en geleverd ter waarde van € 79.308,28. Dat betekent dan ook dat [bedrijf 1] in beginsel gehouden is dat bedrag aan ILVE te betalen.



5.3.

[bedrijf 1] stelt echter dat zij haar betalingsverplichtingen met ingang van 30 juli 2025 rechtsgeldig heeft opgeschort. [bedrijf 1] voert daartoe aan dat zij op die datum een opeisbare vordering op ILVE had. ILVE heeft op 24 juni 2025 aangekondigd om de overeengekomen factuurkorting van 5% eenzijdig te beëindigen per 31 juli 2025, terwijl de gemaakte afspraken volgens [bedrijf 1] voor het gehele jaar 2025 golden. Daarnaast kon ILVE, gelet op de ernstige financiële problemen bij ILVE S.p.A., volgens [bedrijf 1] geen leverzekerheid of continuïteit van haar leveringen garanderen. Ook had [bedrijf 1] nog een aanzienlijk aantal orders bij ILVE uitstaan en haar klanten kunnen tot twee jaar na aankoop nog een beroep doen op de garantie. Als gevolg van de financiële situatie bij ILVE S.p.A. en de dreigende niet-nakoming door ILVE zou [bedrijf 1] aanzienlijke schade kunnen lijden, omdat [bedrijf 1] haar verplichtingen tegenover haar klanten mogelijk niet zou kunnen nakomen.



5.4.
ILVE betwist dat [bedrijf 1] op 30 juli 2025 een opeisbare vordering op haar had. Volgens ILVE waren op die datum geen garantieclaims aan de orde. De door [bedrijf 1] gestelde onzekerheid over de leveringen en het ontbreken van een garantie voor de continuïteit daarvan betreffen volgens ILVE toekomstige onzekere omstandigheden. ILVE heeft op alle facturen de overeengekomen 5% factuurkorting berekend. Van een opeisbare vordering op 30 juli 2025 was dus geen sprake.



5.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 6:52 BW is een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt. Tussen de vordering en de verbintenis moet voldoende samenhang bestaan om deze opschorting te rechtvaardigen.



5.6.
Naar het oordeel van de rechtbank had [bedrijf 1] op 30 juli 2025 geen opeisbare vordering op ILVE. [bedrijf 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd bevestigd dat er op dat moment geen concrete (dreigende) garantieclaims aan de orde waren. Ook de door [bedrijf 1] gestelde onzekerheid over de continuïteit van leveringen leidt niet tot de conclusie dat [bedrijf 1] op 30 juli 2025 een opeisbare vordering had. Uit de door [bedrijf 1] overgelegde orderbevestigingen volgt dat ILVE op die datum aan haar verplichtingen had voldaan. Geen van de leverdata van de lopende orders was immers op dat moment verstreken. Ook de aankondiging van ILVE om de factuurkorting van 5% te beëindigen, leidt niet tot een ander oordeel. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen immers bevestigd dat ILVE de korting op de door haar verzonden facturen heeft toegepast.



5.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [bedrijf 1] zich niet rechtsgeldig op opschorting kon beroepen. [bedrijf 1] moet daarom de openstaande facturen, een bedrag van in totaal € 79.308,28, betalen. De rechtbank zal haar daartoe veroordelen.



Wettelijke handelsrente





5.8.
ILVE vordert betaling van de wettelijke handelsrente. Die vordering wordt toegewezen, omdat er vertraging is in de voldoening van een geldsom bij een handelsovereenkomst en volgens de wet moet dan wettelijke handelsrente worden betaald.



5.9.
De wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf de dag na de vervaldatum van de betreffende facturen. Tussen partijen is niet in geschil dat is overeengekomen dat [bedrijf 1] de facturen binnen 30 dagen na ontvangst betaalt en op de facturen is telkens een vervaldatum na 30 dagen opgenomen.




[gedaagde] heeft niet onrechtmatig gehandeld





5.10.
ILVE stelt dat [gedaagde] , als indirect bestuurder van [bedrijf 1] , tegenover haar aansprakelijk is op grond van onbehoorlijk bestuur. Volgens ILVE is [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk omdat hij verantwoordelijk is voor het onbetaald blijven van de openstaande facturen en omdat hij geldstromen buiten [bedrijf 1] om, via [bedrijf 2] , heeft laten lopen. Daarmee heeft [gedaagde] volgens ILVE het verhaal van haar vorderingen bewust gefrustreerd. [gedaagde] heeft dit betwist.



5.11.
De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis slechts de vennootschap aansprakelijk is voor de schade. Onder bijzondere omstandigheden kan daarnaast ook een bestuurder van de vennootschap aansprakelijk zijn. Daarvoor is vereist dat aan die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of er sprake is van zo’n ernstig verwijt is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Van persoonlijke aansprakelijkheid kan onder meer sprake zijn als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, terwijl hij wist of redelijkerwijs had horen te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.



5.12.
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de gegeven omstandigheden niet worden afgeleid dat [gedaagde] zich (bewust) schuldig heeft gemaakt aan het frustreren van het verhaal van de openstaande facturen. De drempel voor bestuurdersaansprakelijk is hoog en wordt in dit geval niet gehaald. ILVE heeft tegenover de betwisting door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd gesteld dat [gedaagde] een ernstig verwijt gemaakt kan worden van - kortweg- verhaalsfrustratie. Dat het beslag ten laste van [bedrijf 1] niet heeft geraakt, is daarvoor onvoldoende. [bedrijf 1] drijft een onderneming en behaalt daarmee inkomsten die tot verhaal kunnen dienen. Dat is niet anders doordat [gedaagde] uit vrees voor beslaglegging klanten van [bedrijf 1] gevraagd heeft tijdelijk aan een andere vennootschap te betalen. [bedrijf 1] heeft daardoor namelijk een vordering op die andere vennootschap en ook die strekt tot verhaal. Bovendien heeft [gedaagde] ter zitting toegezegd dat [bedrijf 1] zal betalen als de rechtbank haar daartoe veroordeelt.



5.13.
Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat [gedaagde] geen ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt en dat van onrechtmatig handelen tegenover ILVE geen sprake is. De vorderingen tegen [gedaagde] worden daarom afgewezen.



De vordering van [bedrijf 1] tot betaling van een schadevergoeding wordt afgewezen





5.14.

[bedrijf 1] heeft gesteld dat ILVE is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door de levering van goederen onrechtmatig op te schorten en dat [bedrijf 1] daardoor schade heeft geleden. Doordat ILVE bestellingen niet heeft geleverd, kon [bedrijf 1] de goederen niet aan haar klanten leveren. Als gevolg daarvan heeft [bedrijf 1] bestellingen en offertes moeten annuleren en heeft zij het uitbrengen van offertes moeten staken. [bedrijf 1] stelt hierdoor € 101,805,60 aan schade te hebben geleden. Zij wil die schade verrekenen met de door haar te betalen facturen.



5.15.
ILVE heeft als verweer gevoerd dat zij niet in verzuim verkeerde. Zij voert daartoe aan dat juist [bedrijf 1] tekort is geschoten in haar verplichting om de openstaande facturen tijdig te betalen. Op 19 augustus 2025 waren meerdere facturen, tot een totaalbedrag van € 59.781,82, opeisbaar. ILVE heeft daarop haar verplichtingen uit de overeenkomst met ingang van 19 augustus 2025 rechtsgeldig opgeschort.



5.16.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat een deel van de onbetaald gebleven facturen op 19 augustus 2025 opeisbaar was. Het onbetaald blijven van deze facturen gaf ILVE naar het oordeel van de rechtbank de bevoegdheid de nakoming van haar verbintenissen op te schorten. De nieuwe bestellingen en de daaruit voortvloeiende leveringsverplichtingen vloeien voort uit dezelfde overeenkomsten als de betalingsverplichtingen van [bedrijf 1] . Zij hangen voldoende met elkaar samen om een beroep op opschorting te rechtvaardigen. Van die bevoegdheid heeft ILVE op 19 augustus 2025 gebruikgemaakt. [bedrijf 1] verkeerde daardoor op dat moment in schuldeisersverzuim. Dat heeft onder meer tot gevolg dat ILVE vanaf dat moment niet in verzuim kon raken. Dit zou anders zijn als moet worden aangenomen dat [bedrijf 1] op dat moment al over een opeisbare vordering beschikte en zich daarom al eerder dan ILVE op opschorting mocht beroepen. Zoals hiervoor is overwogen, is dat niet het geval.



5.17.
De conclusie is dat de vorderingen van [bedrijf 1] tot vergoeding van de door haar gestelde schade worden afgewezen. Haar beroep op verrekening slaagt dus ook niet.





Opheffing van het beslag





5.18.
De tegenvordering van [bedrijf 1] tot opheffing van het ten laste van [bedrijf 1] gelegde beslag wordt afgewezen. Het beslag tegen [bedrijf 1] heeft geen doel getroffen, waardoor er geen beslag is om op te heffen.



5.19.
De tegenvorderingen van [gedaagde] tot opheffing van het beslag op zijn woning en om binnen zeven dagen na dagtekening schriftelijk de deurwaarder instructie te geven om de ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen in het kadaster te (laten) doorhalen, worden ook afgewezen. Het uitgangspunt is dat een conservatoir beslag van rechtswege vervalt als de eis in hoofdzaak wordt afgewezen en deze afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. Voor eerdere beëindiging van een beslag moet een vordering tot opheffing te worden ingesteld. [gedaagde] heeft daarvoor weliswaar een tegenvordering ingesteld, maar heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat hij een rechtens te respecteren belang heeft bij eerdere opheffing van het beslag.



Buitengerechtelijke kosten





5.20.
ILVE vordert vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat ILVE voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. Het bedrag van € 1.586,08 zal worden toegewezen.



5.21.
ILVE vordert wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten. De rente wordt - zoals gevorderd - toegewezen vanaf 16 december 2025, het moment van dagvaarden.



Proceskosten en beslagkosten





In conventie





5.22.

[bedrijf 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van ILVE worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


122,35







- griffierecht


€


1.655,00







- salaris advocaat


€


2.580,00


(2 punt × Tarief IV € 1.290,00)




Totaal


€


4.357,35











5.23.
Omdat de vordering van ILVE tegen [gedaagde] wordt afgewezen, zal de rechtbank haar veroordelen in de proceskosten van [gedaagde] . De rechtbank begroot deze kosten op nihil. [gedaagde] wordt bijgestaan door dezelfde advocaat en de omvang van het verweer tegen de vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid is beperkt gebleven.


5.24.
ILVE vordert ook veroordeling van [bedrijf 1] en [gedaagde] in de beslagkosten. Nu de vorderingen tegen [gedaagde] worden afgewezen, wordt ook de vordering tot vergoeding van de beslagkosten die zijn gemaakt in verband met het ten laste van [gedaagde] gelegde beslag, afgewezen. De vordering tot vergoeding van de beslagkosten die zijn gemaakt in verband met het ten laste van [bedrijf 1] gelegde beslag is daarentegen wel toewijsbaar. Deze beslagkosten worden vastgesteld op € 333,56 (€ 247,88 + € 85,68) voor kosten deurwaardersexploten, € 714,00 voor griffierecht en € 1.290,00 voor salaris advocaat (1 punt Tarief IV × € 1.290,00), totaal € 2.337,56.



5.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de beslagkosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



In reconventie





5.26.

[bedrijf 1] en [gedaagde] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten worden hoofdelijk toegewezen. De proceskosten van ILVE worden begroot op € 2.051,00 (2 x 0,5 punt x tarief V € 2.051,00) voor het salaris van de advocaat.



In conventie en reconventie





5.27.

[bedrijf 1] en [gedaagde] moeten ook de nakosten van ILVE betalen. Dat komt neer op een bedrag van € 296,00 samen (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing). De nakosten worden hoofdelijk toegewezen.



Uitvoerbaar bij voorraad





5.28.
Dit vonnis wordt ten aanzien van de veroordelingen in conventie en reconventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat ILVE dat heeft gevorderd en [bedrijf 1] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.






6De beslissing


De rechtbank




In conventie




6.1.
veroordeelt [bedrijf 1] om aan ILVE te betalen een bedrag van € 79.308,28, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de bedragen van de onderliggende facturen, vanaf de respectievelijke vervaldata van de die facturen tot de dag van volledige betaling,



6.2.
veroordeelt [bedrijf 1] om aan ILVE te betalen een bedrag van € 1.568,08 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 16 december 2025 tot de dag van volledige betaling,



6.3.
veroordeelt [bedrijf 1] de proceskosten van € 4.357,35 en de beslagkosten van € 2.337,56, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,



6.4.
veroordeelt ILVE in de proceskosten van [gedaagde] , die op nihil worden begroot,



In reconventie





6.5.
wijst de vorderingen van [bedrijf 1] en [gedaagde] af,



6.6.
veroordeelt [bedrijf 1] en [gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.051,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,



In conventie en reconventie





6.7.
veroordeelt [bedrijf 1] en [gedaagde] hoofdelijk in de nakosten van € 296,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [bedrijf 1] en [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [bedrijf 1] en [gedaagde] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,



6.8.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,



6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
1918/4027






Artikel 6:119a BW.


Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel)


Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, (Ontvanger/Roelofsen).


Artikel 6:59 BW.


Artikel 6:61 lid 2 BW.


Artikel 704 lid 2 Rv.


Artikel 705 Rv.


Rapport voorwerk II, HR 5 september 2008 en ECLI:NL:HR:2017:1012.


Artikel 706 Rv.


Artikel 233 Rv.