Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2024:3677

2024-04-25 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht ROT 23/637
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2024-04-25
Publicatiedatum
2024-04-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 23/637
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Boete opgelegd aan slachterij omdat op karkassen fecale bezoedeling was aangetroffen aan het einde van het slachtproces. De overtreding is terecht vastgesteld en de boete is terecht opgelegd. Beroep ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (13.787 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht


zaaknummer: ROT 23/637



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2024 in de zaak tussen




[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),


en




De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Gerritsen).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een boete voor een overtreding van de Wet dieren. Met het besluit van 9 september 2022 heeft verweerder eiseres een boete van € 2.500,- opgelegd.



1.1.
Met het bestreden besluit van 19 januari 2023 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder deze boete gehandhaafd.



1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
Eiseres heeft aanvullende gronden ingediend. Verweerder heeft hierop gereageerd met twee aanvullende verweerschriften.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiseres en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting verschenen.





Totstandkoming van het besluit


2. Verweerder heeft zijn boetebesluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 3 juni 2022 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA.
De toezichthouder schrijft in dit rapport onder meer het volgende:




“Bevinding(en):


Datum en tijdstip van de bevinding: 26 januari 2022 omstreeks 10:00 uur.




In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: [naam exploitant] , functie: exploitant.

Op 26 januari 2022 omstreeks 10:00 uur bevond ik mij in de slachthal van bovengenoemde slachthuis om de PM keuring van 3 noodgeslachte runderen uit te voeren. Dit betreft een uitgestelde keuring omdat de runderkarkassen al klaar hangen wanneer we de karkassen keuren.



De karkassen hingen in de slachthal van bovengenoemde slachthuis. Op dit punt heeft het bedrijf zelf geen mogelijkheid meer om de karkassen in het slachtproces op te knappen. Alle controles die het bedrijf heeft gedaan in het kader van de op HACCP gebaseerde procedures zijn, op het moment dat wij de PM keuring op deze plek uitvoeren, afgerond.



Tijdens de PM keuring zag ik fecale bezoedeling op de bil en op de voorpoot van karkas met nummer NL640464048 (zie fotobijlage, foto's 1 en 2). Daarna zag ik fecale bezoedeling op de achterpoot en de borst van karkas met nummer NL566748318 (zie fotobijlage, foto's 3 en 4). Er was dus fecale bezoedeling aangetroffen op 2 van de 3 karkassen. Bezoedeling na afloop van het slachtproces is niet toegestaan. Het betrof een heterdaad bevinding.



De karkassen waren op de dag ervoor, op 25-1-2022, geslacht. Dat staat op de etiketten van de karkassen die aan de karkassen waren bevestigd (zie fotobijlage, foto's 5 en 6). Ze hingen sindsdien in de koelcel van het slachthuis en waren die ochtend naar de slachthal gebracht om gekeurd te worden. Toen ik de bezoedeling zag, vroeg ik een medewerker de bezoedelde plekken te verwijderen en vervolgens zei ik een rapport van bevindingen aan bij [naam exploitant].



Bij mijn controle na afloop van het slachtproces zag ik dat de karkassen zichtbaar waren verontreinigd. Zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.”



2.1.
Op basis van dit rapport van bevindingen heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500,- voor het volgende beboetbare feit: karkassen waren zichtbaar verontreinigd. Deze zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 3, eerste lid, in verbinding met bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punten 7 en 10, van Verordening (EG) nr. 853/2004 (Verordening 853/2004).



2.2.
Met het bestreden besluit heeft verweerder de boete van € 2.500,- gehandhaafd.





Beoordeling door de rechtbank

3. Voor zover eiseres heeft verwezen naar wat zij eerder in de zienswijze en in bezwaar naar voren heeft gebracht, stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit hierop gemotiveerd is ingegaan. Eiseres heeft niet nader gemotiveerd waarom verweerders standpunt in zoverre onjuist is. De verwijzing naar de zienswijze en de gronden van bezwaar treft daarom geen doel.

4. Eiseres voert aan dat er geen sprake is van een overtreding. Op de foto’s die behoren bij het rapport van bevindingen, is geen (fecale) bezoedeling zichtbaar maar slechts gras/modder, stro, of een haartje. Dit vormt geen gevaar voor de volksgezondheid. Verder is een verhoor waarbij eiseres op de hoogte wordt gebracht van de bevindingen van de controle, zonder cautie te geven, onvoldoende. Ook heeft verweerder niet de moeite genomen om de bezwaren van eiseres voor te leggen aan de toezichthouder. Er had moeten worden onderzocht of de toezichthouder de benodigde deskundigheid heeft, aldus eiseres.


4.1.
Uit vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) mag een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een door een toezichthouder op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport van bevindingen, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het boeterapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.



4.2.
De toezichthouder heeft in deze zaak zijn bevindingen na afloop van het slachtproces gedaan, dus toen alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de HACCP-procedure al waren afgelopen. Uit het rapport van bevindingen blijkt voldoende duidelijk dat het gaat om fecale bezoedeling op twee van de drie runderkarkassen. De constatering van de toezichthouder in het rapport is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk omschreven. De karkassen waren op de dag voor de inspectie van de toezichthouder geslacht en de volgende dag is de fecale bezoedeling waargenomen. Dit betekent dat eiseres de zichtbare verontreiniging niet onmiddellijk had verwijderd. De toezichthouder heeft op basis van zijn deskundigheid als dierenarts geconstateerd dat sprake was van fecale bezoedeling. De rechtbank ziet in de summiere gronden die eiseres heeft aangevoerd, geen aanleiding om niet van de deskundigheid van deze toezichthouder en van de bevindingen in het rapport uit te gaan. De rechtbank ziet in dit geval ook geen grond voor het oordeel dat verweerder de bezwaren van eiseres had moeten voorleggen aan de toezichthouder.



4.3.

De rechtbank volgt de stelling van eiseres dat de toezichthouder ten onrechte tijdens het verhoor op 26 januari 2022 niet de cautie heeft gegeven niet. Uit het rapport van bevindingen (pagina 2) blijkt dat aan [naam exploitant], exploitant van het bedrijf van eiseres, te kennen is gegeven dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Hierop heeft [naam exploitant] geantwoord dat hij geen verklaring wilde afleggen. Nu er geen verhoor heeft plaatsgevonden, was ook een proces-verbaal niet nodig.




4.4.
Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de onder 2 genoemde overtreding heeft begaan en dat verweerder bevoegd was eiseres daarvoor een boete op te leggen.


5. Eiseres heeft aangevoerd dat de termijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is overschreden en dat verweerder om die reden de boete had moeten matigen.




5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 5:51, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan binnen dertien weken na het opstellen van het boeterapport beslist omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete. Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval de termijn van dertien weken is overschreden. Volgens vaste jurisprudentie zijn aan de overschrijding van deze termijn geen consequenties verbonden met betrekking tot de bevoegdheid om een boete op te leggen. De rechtbank ziet in de overschrijding in dit geval geen reden om de boete te matigen, nu niet is gebleken dat eiseres daardoor in haar belangen of bewijspositie is geschaad. Eiseres heeft voldoende gelegenheid gehad zich te verweren.



5.2.
Daarnaast heeft eiseres een beroep gedaan op het interne matigingsbeleid van verweerder. Dit interne beleid houdt in dat als een overtreder langer dan zeven maanden na de geconstateerde overtreding hiervan op de hoogte is gebracht, de boete met 10% wordt gematigd. In dit geval is de overtreding op 26 januari 2022 geconstateerd en is op diezelfde dag per e-mail een aanzegging aan eiseres gestuurd. Deze e-mail is als bijlage bij het boeterapport opgenomen. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres daarom niet.



5.3.
Ook heeft eiseres nog aandacht gevraagd voor de termijn tussen het boeterapport en het boetebesluit. Volgens eiseres zou de termijnoverschrijding aanleiding moeten geven voor matiging van de boete met 10%. Het gaat hier om een termijn van 26 weken die volgens eiseres niet mag zijn overschreden. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen omdat het primaire besluit minder dan 26 weken na het rapport van bevindingen is genomen.


6. Eiseres heeft verder nog een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.




6.1.
Volgens vaste jurisprudentie geldt bij punitieve sancties als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan eiseres de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan haar een boete zou opleggen. Dit is in de regel het moment van het voornemen tot boeteoplegging. Voorts geldt dat de boete wordt verminderd met 5% per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, met een maximum van in het algemeen € 2.500,-.



6.2.
Het voornemen in deze zaak dateert van 8 juli 2022. Nu vóór 8 juli 2024 – dus twee jaar na het voornemen – uitspraak wordt gedaan, is overschrijding van de redelijke termijn in dit geval niet aan de orde.


7. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat zij recht heeft op een dwangsom omdat de beslissing op het bezwaar niet tijdig is genomen. Eiseres heeft op 13 oktober 2022 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft tijdig, namelijk op 22 november 2022, aan eiseres kenbaar gemaakt dat de beslistermijn met zes weken is verdaagd. Voor zover eiseres heeft gesteld dat zij het verdagingsbericht zelf niet heeft ontvangen, overweegt de rechtbank dat eiseres wel de begeleidende e-mail van verweerder heeft ontvangen. Hierin is ook vermeld dat de beslistermijn wordt verlengd. Het betoog van eiseres gaat daarom niet op.






Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is dus ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2024.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie onder meer de uitspraak van 18 oktober 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:710),


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CBB:2019:177.


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2016:252, ECLI:NL:RVS:2016:1261 en ECLI:NL:CBB:2017:32.