College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:456
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:CBB:2026:456 → ECLI:NL:RBROT:2024:3677 overig
Inhoudsindicatie
Besluit op bezwaar niet tijdig verdaagd. Ingebrekestelling. Toekenning verbeurde dwangsommen. Boete gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Met een e-mail en brief van 18 oktober 2022 heeft de staatssecretaris de ontvangst van het bezwaarschrift aan de gemachtigde van appellante bevestigd. Daarbij heeft hij er op gewezen dat de gronden van het bezwaar ontbreken en de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Ook heeft hij er op gewezen dat hierdoor de termijn om te beslissen op het bezwaar wordt opgeschort totdat het verzuim is hersteld of de daarvoor gegeven termijn ongebruikt is verstreken. Omdat de beslistermijn niet eerder kan worden opgeschort dan met ingang van de datum waarop die beslistermijn is aangevangen, is deze opschorting niet rechtsgeldig en kan daarmee dus geen rekening worden gehouden (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4204)). Ook met het per e-mail van 22 november 2022 verstuurde bericht tot verlenging van de termijn voor het nemen van het besluit op bezwaar met zes weken kan geen rekening worden gehouden. Niet in geschil is dat de volgens genoemde e-mail in briefvorm bijgevoegde verdagingsbeslissing de gemachtigde van appellante niet tegelijk met die e-mail heeft bereikt. Vast staat dat de die brief eerst na het verzenden van het op 19 januari 2023 genomen besluit op bezwaar aan de gemachtigde van appellante is toegestuurd en daarmee bekend is gemaakt. Die brief heeft dus niet tot tijdige verdaging geleid. De door een senior adviseur bestuursrecht van de NVWA ondertekende e-mail van 22 november 2022 kan op zichzelf al niet als een rechtsgeldige verdagingsbeslissing worden aangemerkt, omdat de gemachtigde van de staatssecretaris op zitting heeft toegegeven dat ervan moet worden uitgegaan dat deze ambtenaar niet bevoegd was tot het (namens de staatssecretaris) nemen van verdagingsbeslissingen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBROT:2024:3677 Rechtbank Rotterdam 25-04-2024
- ECLI:NL:CRVB:2016:4204 Centrale Raad van Beroep 03-11-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.157 tekens)
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/537
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 op het hoger beroep van:
[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] ( [naam 1] , voorheen: [naam 2] B.V),
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2024, kenmerk ROT 23/637, in het geding tussen
[naam 2] B.V ende staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij)
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop in hoger beroep
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 25 april 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:3677).
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
[naam 1] heeft nadere stukken ingediend.
De zitting was op 22 juli 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen.
Inleiding en samenvatting
1.1 Op 26 januari 2022 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een inspectie uitgevoerd bij de slachterij van [naam 1] . De bevindingen van deze inspectie zijn neergelegd in een rapport van bevindingen (rapport). Daarin is beschreven dat de toezichthouder bij de postmortemkeuring in de slachthal fecale bezoedelingen heeft gezien op twee runderkarkassen.
1.2 Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de staatssecretaris [naam 1] bij besluit van 9 september 2022 een boete opgelegd van € 2.500,- (boetebesluit), voor het volgende beboetbare feit:
“karkassen waren zichtbaar verontreinigd. Deze zichtbare verontreiniging werd niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.”
Volgens de staatssecretaris heeft [naam 1] daarmee overtredingen begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten, en gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, onderdeel 7 en 10, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening 853/2004).
1.3 Met het besluit van 19 januari 2023 heeft de staatssecretaris de bezwaren van [naam 1] tegen het boetebesluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit was het beroep van [naam 1] bij de rechtbank gericht. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4 In hoger beroep matigt het College uitsluitend vanwege overschrijding van de redelijke termijn de boete met 5% tot een bedrag van € 2.375,-. Verder oordeelt het College dat [naam 1] terecht heeft aangevoerd dat de staatssecretaris de beslistermijn voor het nemen van het besluit op bezwaar niet rechtsgeldig heeft verdaagd en het besluit op bezwaar niet tijdig heeft genomen. Daarom beslist het College dat [naam 1] recht heeft op verbeurde dwangsommen van in totaal € 230,-. Het College zal daarom de uitspraak van de rechtbank vernietigen wat betreft de hoogte van de boete en de overweging van de rechtbank over de verdaging van genoemde beslistermijn. Voor het overige zal het College de uitspraak van de rechtbank bevestigen, omdat de inhoudelijke hogerberoepsgronden niet slagen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat [naam 1] de overtreding heeft begaan en daarvoor terecht is beboet. De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] daarom ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor ‘eiseres’ ‘ [naam 1] ’ en voor ‘verweerder’ ’de staatssecretaris’ moet worden gelezen:
“4.2. De toezichthouder heeft in deze zaak zijn bevindingen na afloop van het slachtproces gedaan, dus toen alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de HACCP-procedure al waren afgelopen. Uit het rapport van bevindingen blijkt voldoende duidelijk dat het gaat om fecale bezoedeling op twee van de drie runderkarkassen. De constatering van de toezichthouder in het rapport is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk omschreven. De karkassen waren op de dag voor de inspectie van de toezichthouder geslacht en de volgende dag is de fecale bezoedeling waargenomen. Dit betekent dat eiseres de zichtbare verontreiniging niet onmiddellijk had verwijderd. De toezichthouder heeft op basis van zijn deskundigheid als dierenarts geconstateerd dat sprake was van fecale bezoedeling. De rechtbank ziet in de summiere gronden die eiseres heeft aangevoerd, geen aanleiding om niet van de deskundigheid van deze toezichthouder en van de bevindingen in het rapport uit te gaan. De rechtbank ziet in dit geval ook geen grond voor het oordeel dat verweerder de bezwaren van eiseres had moeten voorleggen aan de toezichthouder.
4.3. De rechtbank volgt de stelling van eiseres dat de toezichthouder ten onrechte
tijdens het verhoor op 26 januari 2022 niet de cautie heeft gegeven niet. Uit het rapport van bevindingen (pagina 2) blijkt dat aan [naam 3] , exploitant van het bedrijf van eiseres, te kennen is gegeven dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Hierop heeft [naam 3] geantwoord dat hij geen verklaring wilde afleggen. Nu er geen verhoor heeft plaatsgevonden, was ook een proces-verbaal niet nodig.
4.4. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de onder 2 genoemde overtreding heeft begaan en dat verweerder bevoegd was eiseres daarvoor een boete op te leggen.
[…]
5.1. […] Artikel 5:51, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan binnen dertien weken na het opstellen van het boeterapport beslist omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete. Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval de termijn van dertien weken is overschreden. Volgens vaste jurisprudentie zijn aan de overschrijding van deze termijn geen consequenties verbonden met betrekking tot de bevoegdheid om een boete op te leggen. De rechtbank ziet in de overschrijding in dit geval geen reden om de boete te matigen, nu niet is gebleken dat eiseres daardoor in haar belangen of bewijspositie is geschaad. Eiseres heeft voldoende gelegenheid gehad zich te verweren.
5.2. Daarnaast heeft eiseres een beroep gedaan op het interne matigingsbeleid van verweerder. Dit interne beleid houdt in dat als een overtreder langer dan zeven maanden na de geconstateerde overtreding hiervan op de hoogte is gebracht, de boete met 10% wordt gematigd. In dit geval is de overtreding op 26 januari 2022 geconstateerd en is op diezelfde dag per e-mail een aanzegging aan eiseres gestuurd. Deze e-mail is als bijlage bij het boeterapport opgenomen. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres daarom niet.
5.3. Ook heeft eiseres nog aandacht gevraagd voor de termijn tussen het boeterapport en het boetebesluit. Volgens eiseres zou de termijnoverschrijding aanleiding moeten geven voor matiging van de boete met 10%. Het gaat hier om een termijn van 26 weken die volgens eiseres niet mag zijn overschreden. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen omdat het primaire besluit minder dan 26 weken na het rapport van bevindingen is genomen.
[…]
6.2. Het voornemen in deze zaak dateert van 8 juli 2022. Nu vóór 8 juli 2024 – dus twee jaar na het voornemen – uitspraak wordt gedaan, is overschrijding van de redelijke termijn in dit geval niet aan de orde.
7. […] Verweerder heeft tijdig, namelijk op 22 november 2022, aan eiseres kenbaar gemaakt dat de beslistermijn met zes weken is verdaagd. Voor zover eiseres heeft gesteld dat zij het verdagingsbericht zelf niet heeft ontvangen, overweegt de rechtbank dat eiseres wel de begeleidende e-mail van verweerder heeft ontvangen. Hierin is ook vermeld dat de beslistermijn wordt verlengd. Het betoog van eiseres gaat daarom niet op.”
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Wettelijk kader
3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
Leeswijzer
4 Na een opmerking over de reikwijdte van het hoger beroep, zal het College de hogerberoepsgronden afzonderlijk bespreken. Daarbij betrekt het College het standpunt van de staatssecretaris. Daarna volgt een tussenconclusie. Vervolgens beoordeelt het College of de redelijke termijn is overschreden en welke gevolgen daaraan worden verbonden. Afgesloten wordt met een eindconclusie.
Overtreding
5 Het College stelt vast dat [naam 1] geen gronden heeft aangevoerd tegen de overwegingen van de rechtbank over de overtredingen. Het College gaat er daarom vanuit dat [naam 1] in hoger beroep niet betwist dat zij de overtredingen heeft begaan. Dit betekent dat de staatssecretaris bevoegd was [naam 1] daarvoor een boete op te leggen.
Hoogte van de boete
6.1
[naam 1] betoogt dat de staatssecretaris de boete had moeten matigen volgens intern beleid van de staatssecretaris. Volgens [naam 1] moet de boete met 10 % worden gematigd, omdat dit beleid voorziet in een dergelijke matiging als de overtreder meer dan zeven maanden na de geconstateerde overtreding hiervan op de hoogte wordt gebracht. Verder voorziet dat beleid in matiging met 10 % als er meer dan 26 weken zijn verstreken tussen de dagtekening van het rapport van bevindingen en het opleggen van de boete.
6.2
Met de rechtbank concludeert het College dat [naam 1] hierin al niet kan worden gevolgd, omdat de overtreding op 26 januari 2022 is geconstateerd en op diezelfde dag per e-mail een aanzegging aan [naam 1] is gestuurd, en omdat het boetebesluit minder dan 26 weken na het rapport van bevindingen is genomen. Het College onderschrijft dan ook het in 5.2 en 5.3 van de uitspraak gegeven oordeel van de rechtbank hierover.
Tijdigheid beslissing op bezwaar
7.1
Volgens [naam 1] heeft de staatssecretaris niet tijdig beslist op het bezwaar tegen het boetebesluit, omdat de daarvoor geldende beslistermijn niet tijdig is verdaagd. De staatssecretaris is daarom dwangsommen verschuldigd aan [naam 1] . In de overweging onder 7 van de uitspraak redeneert de rechtbank contra-legem om een misslag van de staatssecretaris te (kunnen) herstellen. Verdagen moet gebeuren met een besluit en een e-mail is geen besluit, is niet als zodanig bedoeld en brengt geen rechtsgevolg met zich mee. Uit de e-mail van 22 november 2022 volgt bovendien geen bevoegdheid tot het nemen van een verdagingsbesluit
7.2
Het College stelt vast dat de termijn voor het nemen van het besluit op bezwaar is begonnen op dinsdag 25 oktober 2022 en zonder rekening te houden met een eventuele verdaging is geëindigd op 6 december 2022 (zie artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
7.3
Met een e-mail en brief van 18 oktober 2022 heeft de staatssecretaris de ontvangst van het bezwaarschrift aan de gemachtigde van [naam 1] bevestigd. Daarbij heeft hij er op gewezen dat de gronden van het bezwaar ontbreken en de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Ook heeft hij er op gewezen dat hierdoor de termijn om te beslissen op het bezwaar wordt opgeschort totdat het verzuim is hersteld of de daarvoor gegeven termijn ongebruikt is verstreken. Omdat de beslistermijn niet eerder kan worden opgeschort dan met ingang van de datum waarop die beslistermijn is aangevangen, is deze opschorting niet rechtsgeldig en kan daarmee dus geen rekening worden gehouden (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4204)).
7.4
Ook met het per e-mail van 22 november 2022 verstuurde bericht tot verlenging van de termijn voor het nemen van het besluit op bezwaar met zes weken kan geen rekening worden gehouden. Niet in geschil is dat de volgens genoemde e-mail in briefvorm bijgevoegde verdagingsbeslissing de gemachtigde van [naam 1] niet tegelijk met die e-mail heeft bereikt. Vast staat dat de die brief eerst na het verzenden van het op 19 januari 2023 genomen besluit op bezwaar aan de gemachtigde van [naam 1] is toegestuurd en daarmee bekend is gemaakt. Die brief heeft dus niet tot tijdige verdaging geleid. De door een senior adviseur bestuursrecht van de NVWA ondertekende e-mail van 22 november 2022 kan op zich zelf al niet als een rechtsgeldige verdagingsbeslissing worden aangemerkt, omdat de gemachtigde van de staatssecretaris op zitting heeft toegegeven dat ervan moet worden uitgegaan dat deze ambtenaar niet bevoegd was tot het (namens de staatssecretaris) nemen van verdagingsbeslissingen.
7.5
[naam 1] heeft de staatssecretaris op 23 december 2022 in gebreke gesteld. De staatssecretaris heeft deze ingebrekestelling op dezelfde dag ontvangen. Op grond van artikel 4:17, derde lid van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. In dit geval is die termijn dus begonnen op 24 december 2022 en met toepassing van de Algemene termijnenwet geëindigd op 9 januari 2023. De staatssecretaris heeft het besluit op bezwaar vervolgens op 19 januari 2023 - en dus tien dagen te laat - genomen en verzonden. Dit betekent dat [naam 1] vanwege deze termijnoverschrijding recht heeft op het verbeurde bedrag aan dwangsommen. Op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen dat het bestuursorgaan in gebreke is € 23,- per dag. [naam 1] maakt dus aanspraak op een bedrag aan verbeurde dwangsommen van in totaal € 230,-. De hogerberoepsgrond slaagt.
Tussenconclusie
8.1
Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank komt wat betreft het daarin onder 4 gegeven oordeel over de verdaging van de beslistermijn voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep bij de rechtbank gegrond verklaren, het besluit op bezwaar voor zover dat ziet op de tijdigheid van het nemen van dat besluit (zie het kopje ’ingebrekestelling’) vernietigen en bepalen dat de staatssecretaris een bedrag van € 230,- aan verbeurde dwangsommen moet betalen aan [naam 1] .
8.2
De staatssecretaris moet de proceskosten van [naam 1] in bezwaar, beroep en hoger beroep vergoeden. Deze proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 3.200,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, met een waarde per punt van € 666,- in bezwaar en een waarde per punt van € 934,- in beroep en hoger beroep en een wegingsfactor 1).
Overschrijding van de redelijke termijn
9.1
[naam 1] verzoekt het College de haar opgelegde boete te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
9.2
In een bestraffende zaak als de onderhavige geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase in beginsel een jaar mag duren, de beroepsfase ook een jaar en de hoger beroepsfase twee jaar. De termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt.
9.3
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging van 8 juli 2022. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met bijna drie maanden overschreden. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan de rechterlijke fase. Het College ziet aanleiding de boete te matigen met 5% tot een bedrag van € 2.375-.
9.4
In verband met het verzoek van [naam 1] tot matiging van de opgelegde boete vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, zal het College de staatssecretaris ook veroordelen in de daarvoor gemaakte kosten. Deze kosten worden op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
Slotsom
10.1
Het hoger beroep is gegrond. Het College zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen op de hiervoor in 9.1 vermelde wijze en overigens beslissen zoals daarin is vermeld.Vanwege overschrijding van de redelijke termijn zal het College de uitspraak van de rechtbank ook voor zover die ziet op de hoogte van de boete vernietigen. Het College zal het besluit op bezwaar ook in zoverre vernietigen, het boetebesluit in zoverre herroepen en het bedrag van de boete vaststellen op € 2.375,- Het College zal de uitspraak van de rechtbank voor het overige bevestigen.
10.2
Het College veroordeelt de staatssecretaris in de door [naam 1] in bezwaar, in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten ter hoogte van in totaal € 3.200,- en voor het verzoek van [naam 1] tot matiging van de opgelegde boete vanwege de overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 467,-. Daarmee komt het totaalbedrag van de te vergoeden proceskosten uit op € 3.667,-.
Beslissing
Het College:
vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 25 april 2024 voor zover het rechtsoverweging 7 en de hoogte van de boete betreft;
verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [naam 1] tegen de beslissing op bezwaar gegrond en vernietigt deze beslissing voor zover die ziet op de tijdigheid van het nemen van dat besluit en de hoogte van de boete;
herroept het boetebesluit wat betreft de hoogte van de boete;
stelt het bedrag van de boete vast op € 2.375,-;
bepaalt dat de staatssecretaris € 230,- aan dwangsommen betaalt aan [naam 1] ;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van [naam 1] , voor een bedrag van € 3.667,-.
- bepaalt dat de staatssecretaris het in beroep betaalde griffierecht van € 365,- aan [naam 1] vergoedt;
- bepaalt dat de griffier van het College het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559,- aan [naam 1] terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. I.S. Post, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. I.S. Post
Bijlage
Verordening (EG) Nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong
Artikel 3
Algemene verplichtingen
1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van de bijlagen II en III.
[…]
Bijlage III
Sectie I,
Hoofdstuk IV: Hygiëne bij het slachten
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die een slachthuis beheren waar als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren worden geslacht, moeten ervoor zorgen dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan.
[…]
7. Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. In het bijzonder geldt het volgende: a) de luchtpijp en de slokdarm moeten tijdens het verbloeden intact blijven, behalve bij rituele slachtingen;
b) tijdens het verwijderen van huiden en vachten:
i. i) mag de buitenkant daarvan niet in aanraking komen met het karkas, en
ii) mogen personeelsleden en apparatuur die met de buitenkant van huiden en vachten in contact zijn geweest, niet meer in aanraking komen met het vlees;
c) er worden maatregelen genomen om te voorkomen dat bij en na het verwijderen van de ingewanden de inhoud van maag en darmen wordt gemorst en om het verwijderen van de ingewanden zo snel mogelijk na het bedwelmen te voltooien; en
d) het verwijderen van de uier mag niet leiden tot verontreiniging van het karkas met melk of colostrum.
[…]
10. Karkassen mogen niet zichtbaar met uitwerpselen verontreinigd zijn. Elke zichtbare verontreiniging moet onmiddellijk worden verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.
Wet dieren
Artikel 6.2. Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen en EU-besluiten
1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is. […]
Regeling dierlijke producten
Artikel 2.4. Verbodsbepalingen EU-verordeningen
1. Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
[…]
d. de artikelen 3 en 4, eerste tot en met vierde lid, 5 en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 853/2004;
[…]
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:17
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op.
5. Geen dwangsom is verschuldigd indien:
a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
b. de aanvrager geen belanghebbende is, of
c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
6. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.
Artikel 7:10
1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
[…]