Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5713
2026-09-15
Civiel recht
12025073 \ CV EXPL 25-372
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Uitzendovereenkomst of payrollovereenkomst?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.166 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12025073 \ CV EXPL 25-3726
Vonnis van 15 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonend in [woonplaats] (gem. [gemeente]),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. R.M.J. Schoonbrood,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SOLDIJ PAYROLLING B.V.,
gevestigd in Hengelo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Soldij,
gemachtigde: mr. M.C.E. Klunder.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, die is betekend op 9 december 2025, met 18 producties,- de conclusie van antwoord, gedateerd 27 januari 2026, met 4 producties,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de producties 19 tot en met 21, namens [eiser] ingediend op 4 juni 2026,
- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van mr. Bökkerink-De Koning, door haar namens Soldij voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling van 23 juni 2026.
1.2
Aansluitend is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
[eiser] is per 15 november 2021 in dienst getreden bij Soldij in de functie van [functie] voor de duur van 26 weken. In de arbeidsovereenkomst staat vermeld dat werkgever werknemer ter beschikking zal stellen aan één of meerdere inleners van de werkgever en dat de overeenkomst die aldus tot stand komt, wordt verricht conform het bepaalde in artikel 7:290 BW. Verder is bepaald dat de NBBU-cao van toepassing is. De arbeidsovereenkomst is vervolgens vijfmaal verlengd.
2.2
Op 8 januari 2024 is [eiser] uitgevallen voor zijn werk als [functie] en met ingang van 5 januari 2026 is aan hem een WIA-uitkering toegekend. In de eindevaluatie van 15 september 2025 is vermeld dat [eiser] vijf jaar niet beroepsmatig mag chauffeuren. [eiser] dient begeleid te worden naar ander werk waarbij hij niet beroepsmatig hoeft te chauffeuren. Buiten deze beperking bestaan er geen andere beperkingen.
2.3
In april 2024 heeft [eiser] zich gewend tot zijn gemachtigde, omdat Soldij in eerste instantie zich op het standpunt stelde dat de arbeidsovereenkomst op 12 mei 2024 eindigde en niet verlengd zou worden. In de eerste brief die van de zijde van [eiser] is verzonden, wordt ook gesteld dat sprake is van een payrollovereenkomst en niet van een uitzendovereenkomst, waardoor volgens [eiser] de NBBU-cao niet van toepassing is, maar de cao beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: BGV-cao).
2.4
Soldij heeft vanaf 12 mei 2024 de loonbetaling tijdens ziekte voortgezet tot het bereiken van het einde van de wachttijd van 104 weken.
2.5
In het vervolg van 2024 is tussen partijen eveneens een discussie ontstaan over indeling in de juiste loonschaal. In juni 2025 hebben partijen een schikking bereikt over hetgeen over de jaren 2021 tot en met 2023 dient te worden nabetaald door Soldij. Dit betreft een brutobedrag van € 8.723,60. Dit bedrag is tot op heden nog niet uitbetaald, vanwege een discussie tussen partijen over pensioen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de pensioenafdracht dient plaats te vinden aan het Pensioenfonds Vervoer (hierna: ‘PF Vervoer’). Soldij meent dat pensioenafdracht aan het bedrijfstakpensioenfonds StiPP (hierna: ‘StiPP’) dient plaats te vinden, omdat Soldij verplicht is aangesloten bij StiPP en de pensioenafdracht voor [eiser] ook altijd aan dat pensioenfonds heeft plaatsgevonden.
2.6
Over de jaren 2024 en 2025 bereiken partijen geen overeenstemming over hetgeen door Soldij nabetaald dient te worden, onder meer vanwege de vraag of artikel 16 BGV-cao van toepassing is.
3Het geschil
3.1
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter, bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat op de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Soldij de BGV-cao van toepassing is;
voor recht verklaart dat op de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Soldij artikel 16 van de BGV-cao inzake de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte van Soldij aan [eiser] voor 104 weken van toepassing is;
Soldij te veroordelen de pensioenregeling conform de BGV-cao vanaf 15 november 2021 tot datum einde dienstverband voor [eiser] na te komen;
Soldij te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris vanaf 15 november 2021 tot en met 31 december 2023, zijnde een (bruto)bedrag van € 8.723,60 inclusief de wettelijke verhoging van 37,5%, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot dag van algehele betaling;
Soldij te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024, zijnde een (bruto)bedrag van € 26.774,76 inclusief de wettelijke verhoging van 50%, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag van algehele betaling;
Soldij te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris vanaf 1 januari 2025 tot en met week 40 van 2025, zijnde een brutobedrag van € 35.349,00 inclusief de wettelijke verhoging van 50%, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag van algehele betaling;
Soldij te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris vanaf week 41 van 2025 per periode van vier weken tot en met week 1 van 2026 een brutobedrag van € 1.590,84 inclusief vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling;
voor recht verklaart dat [eiser] recht heeft op de uitbetaling van 312,86 openstaande verlofuren bij einde dienstverband;
Soldij veroordeelt tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van [eiser], zijnde een bedrag van € 1.483,47;
Soldij veroordeelt in de kosten van de procedure.
3.2
[eiser] legt aan de vordering, kort samengevat, ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst tussen hem en Soldij niet aangemerkt dient te worden als een uitzendovereenkomst, maar als een payrollovereenkomst waarop de BGV-cao van toepassing is. [eiser] is vanaf aanvang af niet in de juiste loonschaal ingedeeld en heeft te weinig loon ontvangen. Over de jaren 2021 tot en met 2023 is overeenstemming bereikt, maar dat bedrag is nog steeds niet uitbetaald. Over 2024 en 2025 dient bij de betaling van het loon tijdens ziekte rekening gehouden te worden met een nader bepaald percentage van de overuren voorafgaand aan de periode van ziekte. Dat is niet gebeurd. Ook is ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 16 BGV-cao.
3.3
Soldij voert verweer. Soldij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van (een deel van) de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4
Soldij voert, samengevat, daartoe aan dat artikel 16 BGV-cao niet van toepassing is gelet op het bepaalde in artikel 9 BGV-cao en voorzover wel van toepassing, [eiser] niet voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden om in het tweede ziektejaar 100% van het loon door te betalen. Met betrekking tot de gestelde pensioenregeling stelt Soldij dat ook hier geldt dat de pensioenregeling niet behoort tot de essentiële arbeidsvoorwaarden, genoemd in artikel 9 BGV-cao. Ook wordt verwezen naar artikel 8a lid 3 Waadi en heeft [eiser] op grond van NBBU-cao een pensioen opgebouwd dat nauwelijks afwijkt van pensioenopbouw onder de BGV-cao.
Ten slotte stelt Soldij dat [eiser] ten aanzien van alle vorderingen niet heeft voldaan aan zijn klachtplicht ex artikel 6:89 BW, wat in ieder geval aanleiding dient te zijn om de wettelijke verhoging op nihil te stellen, dan wel fors te matigen.
Soldij voert ook nog aan dat zij ten onrechte tijdens het tweede ziektejaar 90% van het loon heeft doorbetaald, waar dat maar 80% had hoeven te zijn. Het teveel betaalde wil zij verrekenen.
3.5
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Klachtplicht
4.1
Het meest verstrekkende verweer van Soldij houdt in dat [eiser] ten aanzien van alle vorderingen niet heeft voldaan aan de klachtplicht van artikel 6:89 BW, hetgeen volgens Soldij in ieder geval consequenties moet hebben voor de gevorderde wettelijke verhoging. Dit verweer wordt gepasseerd. Niet alleen is dit verweer eerst tijdens de mondelinge behandeling gevoerd en derhalve tardief, ook inhoudelijk kan dit verweer niet slagen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.2
Soldij stelt dan wel dat [eiser] wist dan wel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te laag was ingeschaald nu dat in de BGV-cao vermeld staat, maar hoe [eiser] had kunnen weten dat de beloning conform die cao had dienen te geschieden, stelt Soldij niet. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst wordt immers verwezen naar de NBBU-cao en eerst na inschakeling van een gemachtigde in mei 2024, heeft Soldij erkend dat zij vanaf de datum indiensttreding is uitgegaan van een te laag uurloon en dat de beloning conform de loonschalen in de BGV-cao had gemoeten. Hierna hebben partijen veelvuldig gecorrespondeerd over de hen verdeeld houdende onderdelen van de vordering van [eiser].
Uitzendovereenkomst of payrollovereenkomst
4.3
Partijen zijn verdeeld over de vraag of de tussen hen gesloten overeenkomst aangemerkt dient te worden als een uitzendovereenkomst of als een payrollovereenkomst. [eiser] stelt dat sprake is van een payrollovereenkomst. [eiser] stelt dat de inlener [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]) – waar [eiser] sinds de totstandkoming van de overeenkomst tussen hem en Soldij steeds voor heeft gewerkt – [eiser] heeft benaderd en (na een sollicitatie) heeft aangenomen, maar dat zij niet rechtstreeks met [eiser] een arbeidsovereenkomst wilde aangaan. [eiser] stelt dat [bedrijf 1] tegenover hem aangaf dat zij “alles via een payrollorganisatie regelde”. Volgens [eiser] kwam Soldij toen in beeld en is tussen hem en Soldij, in opdracht van [bedrijf 1], een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen.
4.4
Soldij voert aan dat een relatie van haar, [bedrijf 2], haar heeft benaderd met de vraag of zij een partij kende die een bestaande rit/route wilde overnemen die tot dan werd uitgevoerd door een ander transportbedrijf ten behoeve van [bedrijf 2]. Dat andere transportbedrijf was de toenmalige werkgever van [eiser], HE Trucking B.V. (hierna: ‘HE Trucking’). Soldij kende vanuit haar netwerk een partij die de rit zou willen overnemen: [bedrijf 1]. Omdat [eiser] de route al reed als werknemer van HE Trucking, kwam [eiser] bij [bedrijf 1] in beeld als geschikt en beschikbaar, aldus Soldij. Uiteindelijk is [eiser] toen, op basis van een uitzendovereenkomst met Soldij, werkzaamheden gaan verrichten voor [bedrijf 1]. Soldij stelt dat zij hier een allocatiefunctie heeft vervuld, omdat zij vraag en aanbod bij elkaar heeft gebracht.
4.5
De kantonrechter oordeelt als volgt. Artikel 7:690 bepaalt dat de uitzendovereenkomst een arbeidsovereenkomst is, waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever, ter beschikking wordt gesteld aan een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde. Artikel 7:692 BW bepaalt dat de payrollovereenkomst een uitzendovereenkomst is, waarbij de overeenkomst van opdracht tussen de werkgever en de derde niet tot stand is gekomen in het kader van het samenbrengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en waarbij de werkgever alleen met toestemming van de derde bevoegd is de werknemer aan een ander ter beschikking te stellen.
4.6
De kantonrechter stelt op basis van de standpunten van partijen vast dat de (schriftelijke) overeenkomst tussen Soldij en [eiser] in ieder geval kwalificeert als een uitzendovereenkomst. De vraag is of de uitzendovereenkomst tussen Soldij en [eiser] ook – meer specifiek – kwalificeert als een payrollovereenkomst. De onderscheidende elementen tussen een uitzendovereenkomst en een payrollovereenkomst zijn (i) de allocatiefunctie die Soldij al dan niet heeft vervuld ten aanzien van de totstandkoming van de werkverhouding tussen [eiser] en [bedrijf 1] en (ii) de beantwoording van de vraag of tussen Soldij en [bedrijf 1] is afgesproken dat [eiser] door Soldij niet zonder toestemming van [bedrijf 1] aan een andere partij dan [bedrijf 1] ter beschikking kan worden gesteld.
4.7
Voor de beoordeling payrollovereenkomst of uitzendovereenkomst is de inhoud van de overeenkomst van opdracht tussen Soldij en [bedrijf 1] van belang, naast het antwoord op de vraag of Soldij al dan niet een allocatiefunctie heeft vervuld. Ten aanzien van dit laatste punt merkt de kantonrechter op dat de producties 20 en 21 van [eiser] zijn stelling lijken te ondersteunen dat de werving en selectie van [eiser] is gedaan door [bedrijf 1], en niet door Soldij. Uit productie 20 lijkt te volgen dat [bedrijf 2] het eerste contact legt tussen [eiser] en [bedrijf 1] (op 1 november 2021), waarna het bericht van [bedrijf 1] aan [eiser] van 5 november 2021 (productie 21) lijkt te duiden op een sollicitatie.
4.8
Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van Soldij verklaard dat er een op schrift gestelde overeenkomst van opdracht tussen Soldij en [bedrijf 1] is. De kantonrechter beveelt daarom Soldij om deze overeenkomst van opdracht in het geding te brengen, op de voet van artikel 22 lid 1 Rv. Partijen kunnen vervolgens op de inhoud van dit document reageren bij akte. Een beslissing op dit punt wordt aangehouden.
Verklaringen voor recht
4.9
De verklaringen voor recht, zoals door [eiser] onder 1 en 2 van het petitum gevorderd, hangen nauw samen met de discussie payrollovereenkomst of uitzendovereenkomst. Vordering sub 1 en 2 steunen immers op het standpunt van [eiser] dat de overeenkomst tussen hem en Soldij kwalificeert als payrollovereenkomst. Ook op dit punt kan de kantonrechter daarom op dit moment nog geen beslissing nemen.
4.10
De kantonrechter merkt wel op dat, als de overeenkomst tussen [eiser] en Soldij zou kwalificeren als payrollovereenkomst, dit niet betekent dat de BGV-cao (deels) van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Soldij. Dat is niet een rechtsgevolg dat voortvloeit uit artikel 8a lid 1 Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (hierna: ‘Waadi’). Wel is het zo dat, in het geval de overeenkomst tussen [eiser] en Soldij moet worden gekwalificeerd als payrollovereenkomst, [eiser] op grond van artikel 8a lid 1 Waadi recht heeft op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden – uitgezonderd: pensioen – als de werknemers van [bedrijf 1], voor de duur dat [eiser] ter beschikking is gesteld aan [bedrijf 1].
4.11
Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over welke arbeidsvoorwaarden (uitgezonderd pensioen) van kracht waren voor het personeel van [bedrijf 1] vanaf 15 november 2021 tot heden.
Pensioen
4.12
[eiser] vordert onder 3 een veroordeling van Soldij tot nakoming van de pensioenregeling op grond van de BGV-cao vanaf 15 november 2021 tot datum einde dienstverband. De kantonrechter begrijpt de vordering van [eiser] aldus, dat zijn standpunt is dat hij sinds 15 november 2021 als deelnemer verplicht valt onder de werkingssfeer van bedrijfstakpensioenfonds PF Vervoer (artikel 4 Wet Bpf 2000).
4.13
Ook hier geldt dat beantwoording van de vraag waar [eiser] recht op heeft ten aanzien van pensioen, nauw samenhangt met de discussie payrollovereenkomst of uitzendovereenkomst. Van de zijde van Soldij is onbetwist aangevoerd dat [eiser] sinds 15 november 2021 deelnemer is bij bedrijfstakpensioenfonds StiPP. Indien de overeenkomst tussen Soldij en [eiser] zou worden gekwalificeerd als uitzendovereenkomst, heeft [eiser] niet recht op ‘meer’ dan pensioenopbouw in de regeling van StiPP.
4.14
Dat zou anders kunnen zijn indien de overeenkomst tussen [eiser] en Soldij moet worden gekwalificeerd als payrollovereenkomst. In dat geval heeft [eiser] recht op een ‘adequate pensioenregeling’, als bedoeld in artikel 8a leden 4 tot en met 6 van de Waadi. Een ‘adequate pensioenregeling’ in de zin van de Waadi is dus niet noodzakelijkerwijs hetzelfde als de pensioenregeling die wordt uitgevoerd door PF Vervoer. Vordering 3 van [eiser] is in die zin dan ook niet toewijsbaar.
4.15
De kantonrechter constateert dat partijen zich in de procedure niet hebben uitgelaten over wat zij verstaan onder een ‘adequate pensioenregeling’ in de zin van artikel 8a lid leden 4 tot en met 6 Waadi, in het hypothetische geval dat de overeenkomst tussen [eiser] en Soldij zou worden gekwalificeerd als een payrollovereenkomst. Partijen krijgen bij akte de gelegenheid om dat alsnog te doen, waarbij de kantonrechter ook graag van partijen zou horen hoe naar hun mening de pensioenregeling van StiPP zich verhoudt tot een ‘adequate pensioenregeling’ in de zin van de Waadi. De kantonrechter verzoekt specifiek aan Soldij om zich ook uit te laten over wat de consequenties zijn van de pensioenpositie van [eiser] ten opzichte van StiPP, indien zou worden geoordeeld dat in de rechtsverhouding tussen Soldij en [eiser] sprake is van een payrollovereenkomst.
Loonvorderingen
4.16
[eiser] vordert onder 4. een veroordeling van Soldij tot het betalen van achterstallig salaris over de periode van 15 november 2021 tot en met 31 december 2023. Het gaat om een bedrag van € 8.723,60 (inclusief de wettelijke vertragingsrente van 37,5%), te vermeerderen met wettelijke rente.
4.17
Tussen partijen bestaat geen discussie dat [eiser] recht heeft op het onder 4. gevorderde bedrag. De vordering ligt daarom voor toewijzing gereed.
4.18
[eiser] vordert onder 5. tot en met 7. een veroordeling van Soldij tot betaling achterstallig salaris over de periode vanaf 1 januari 2024 tot aan het moment dat de WIA-uitkering van [eiser] een aanvang heeft genomen.
4.19
Over de vorderingen sub 5. tot en met 7. bestaat tussen partij wel discussie. Het standpunt van [eiser] is – onder meer – dat hij recht heeft op een aanvulling van zijn loon (tijdens arbeidsongeschiktheid) op grond van artikel 16 BGV-cao. Soldij betwist dat artikel 16 BGV-cao van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen haar en [eiser], op basis van het standpunt dat hun rechtsverhouding kwalificeert als uitzendovereenkomst en niet als payrollovereenkomst. Daarnaast betoogt Soldij dat [eiser] niet voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld in artikel 16 lid 4 BGV-cao.
4.20
Voor zover [eiser] zijn loonvordering instelt op grond van artikel 16 BGV-cao, ligt die naar het oordeel van de kantonrechter voor afwijzing gereed. Artikel 16 lid 4 BGV-cao luidt als volgt:
“De duur van de aanvulling wordt in geval van een dienstverband dat op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid langer dan een jaar heeft geduurd, verlengd met een tweede periode van 52 weken, indien de werknemer meewerkt aan zijn reïntegratie en tevens een aanvullende zorgverzekering heeft afgesloten waarin in ieder geval is opgenomen een vergoeding voor fysiotherapie, psychologische hulp en de diëtist. De aanvulling wordt ook verlengd tot 104 weken indien de werknemer blijvend volledig arbeidsongeschikt is.”
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] erkend dat hij niet een aanvullende zorgverzekering heeft afgesloten. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat [eiser] ‘blijvend volledig arbeidsongeschikt’ is in de zin van artikel 16 lid 4 BGV-cao. Gelet daarop voldoet [eiser] niet aan de voorwaarden van artikel 16 lid 4 BGV-cao en heeft hij dus geen recht op de in die bepaling omschreven aanvulling op het loon.
4.21
Voor het overige houdt de kantonrechter met betrekking tot de loonvorderingen van [eiser] iedere beslissing aan.
Openstaande verlofuren
4.22
[eiser] vordert onder 8. een verklaring voor recht dat hij recht heeft op de uitbetaling van 312,86 openstaande verlofuren bij einde dienstverband.
4.23
Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat partijen het eens zijn over het door [eiser] gestelde openstaande verlofsaldo. De verklaring voor recht ligt daarom voor toewijzing gereed.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
draagt Soldij op om, op de rol van 29 september 2026, de tussen haar en [bedrijf 1] tot stand gekomen overeenkomst(en) van opdracht – voor zover betrekking hebbend op [eiser] – in het geding te brengen, waarna partijen bij akte op de inhoud daarvan en op in dit vonnis opgenomen rechtsoverwegingen 4.11. en 4.15.kunnen reageren, waartoe de zaak wordt verwezen naar de rol van 27 oktober 2026;
5.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
Terugdraaien hiervan is volgens Soldij niet mogelijk.
De arbeidsovereenkomst tussen Soldij en [eiser] is tot stand gekomen op 15 november 2021, dus 10 dagen later dan 5 november 2021.
PF Vervoer is een bedrijfstakpensioenfonds dat de verplichtgestelde pensioenregeling uitvoert voor (onder meer) de sector beroepsgoederenvervoer.
StiPP is een bedrijfstakpensioenfonds dat de verplichtgestelde pensioenregeling uitvoert voor de uitzendbranche.
Zie rechtsoverweging 2.2. van dit vonnis.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12025073 \ CV EXPL 25-3726
Vonnis van 15 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonend in [woonplaats] (gem. [gemeente]),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. R.M.J. Schoonbrood,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SOLDIJ PAYROLLING B.V.,
gevestigd in Hengelo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Soldij,
gemachtigde: mr. M.C.E. Klunder.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, die is betekend op 9 december 2025, met 18 producties,- de conclusie van antwoord, gedateerd 27 januari 2026, met 4 producties,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de producties 19 tot en met 21, namens [eiser] ingediend op 4 juni 2026,
- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van mr. Bökkerink-De Koning, door haar namens Soldij voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling van 23 juni 2026.
1.2
Aansluitend is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
[eiser] is per 15 november 2021 in dienst getreden bij Soldij in de functie van [functie] voor de duur van 26 weken. In de arbeidsovereenkomst staat vermeld dat werkgever werknemer ter beschikking zal stellen aan één of meerdere inleners van de werkgever en dat de overeenkomst die aldus tot stand komt, wordt verricht conform het bepaalde in artikel 7:290 BW. Verder is bepaald dat de NBBU-cao van toepassing is. De arbeidsovereenkomst is vervolgens vijfmaal verlengd.
2.2
Op 8 januari 2024 is [eiser] uitgevallen voor zijn werk als [functie] en met ingang van 5 januari 2026 is aan hem een WIA-uitkering toegekend. In de eindevaluatie van 15 september 2025 is vermeld dat [eiser] vijf jaar niet beroepsmatig mag chauffeuren. [eiser] dient begeleid te worden naar ander werk waarbij hij niet beroepsmatig hoeft te chauffeuren. Buiten deze beperking bestaan er geen andere beperkingen.
2.3
In april 2024 heeft [eiser] zich gewend tot zijn gemachtigde, omdat Soldij in eerste instantie zich op het standpunt stelde dat de arbeidsovereenkomst op 12 mei 2024 eindigde en niet verlengd zou worden. In de eerste brief die van de zijde van [eiser] is verzonden, wordt ook gesteld dat sprake is van een payrollovereenkomst en niet van een uitzendovereenkomst, waardoor volgens [eiser] de NBBU-cao niet van toepassing is, maar de cao beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: BGV-cao).
2.4
Soldij heeft vanaf 12 mei 2024 de loonbetaling tijdens ziekte voortgezet tot het bereiken van het einde van de wachttijd van 104 weken.
2.5
In het vervolg van 2024 is tussen partijen eveneens een discussie ontstaan over indeling in de juiste loonschaal. In juni 2025 hebben partijen een schikking bereikt over hetgeen over de jaren 2021 tot en met 2023 dient te worden nabetaald door Soldij. Dit betreft een brutobedrag van € 8.723,60. Dit bedrag is tot op heden nog niet uitbetaald, vanwege een discussie tussen partijen over pensioen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de pensioenafdracht dient plaats te vinden aan het Pensioenfonds Vervoer (hierna: ‘PF Vervoer’). Soldij meent dat pensioenafdracht aan het bedrijfstakpensioenfonds StiPP (hierna: ‘StiPP’) dient plaats te vinden, omdat Soldij verplicht is aangesloten bij StiPP en de pensioenafdracht voor [eiser] ook altijd aan dat pensioenfonds heeft plaatsgevonden.
2.6
Over de jaren 2024 en 2025 bereiken partijen geen overeenstemming over hetgeen door Soldij nabetaald dient te worden, onder meer vanwege de vraag of artikel 16 BGV-cao van toepassing is.
3Het geschil
3.1
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter, bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat op de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Soldij de BGV-cao van toepassing is;
voor recht verklaart dat op de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Soldij artikel 16 van de BGV-cao inzake de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte van Soldij aan [eiser] voor 104 weken van toepassing is;
Soldij te veroordelen de pensioenregeling conform de BGV-cao vanaf 15 november 2021 tot datum einde dienstverband voor [eiser] na te komen;
Soldij te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris vanaf 15 november 2021 tot en met 31 december 2023, zijnde een (bruto)bedrag van € 8.723,60 inclusief de wettelijke verhoging van 37,5%, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot dag van algehele betaling;
Soldij te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024, zijnde een (bruto)bedrag van € 26.774,76 inclusief de wettelijke verhoging van 50%, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag van algehele betaling;
Soldij te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris vanaf 1 januari 2025 tot en met week 40 van 2025, zijnde een brutobedrag van € 35.349,00 inclusief de wettelijke verhoging van 50%, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag van algehele betaling;
Soldij te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris vanaf week 41 van 2025 per periode van vier weken tot en met week 1 van 2026 een brutobedrag van € 1.590,84 inclusief vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling;
voor recht verklaart dat [eiser] recht heeft op de uitbetaling van 312,86 openstaande verlofuren bij einde dienstverband;
Soldij veroordeelt tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van [eiser], zijnde een bedrag van € 1.483,47;
Soldij veroordeelt in de kosten van de procedure.
3.2
[eiser] legt aan de vordering, kort samengevat, ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst tussen hem en Soldij niet aangemerkt dient te worden als een uitzendovereenkomst, maar als een payrollovereenkomst waarop de BGV-cao van toepassing is. [eiser] is vanaf aanvang af niet in de juiste loonschaal ingedeeld en heeft te weinig loon ontvangen. Over de jaren 2021 tot en met 2023 is overeenstemming bereikt, maar dat bedrag is nog steeds niet uitbetaald. Over 2024 en 2025 dient bij de betaling van het loon tijdens ziekte rekening gehouden te worden met een nader bepaald percentage van de overuren voorafgaand aan de periode van ziekte. Dat is niet gebeurd. Ook is ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 16 BGV-cao.
3.3
Soldij voert verweer. Soldij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van (een deel van) de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4
Soldij voert, samengevat, daartoe aan dat artikel 16 BGV-cao niet van toepassing is gelet op het bepaalde in artikel 9 BGV-cao en voorzover wel van toepassing, [eiser] niet voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden om in het tweede ziektejaar 100% van het loon door te betalen. Met betrekking tot de gestelde pensioenregeling stelt Soldij dat ook hier geldt dat de pensioenregeling niet behoort tot de essentiële arbeidsvoorwaarden, genoemd in artikel 9 BGV-cao. Ook wordt verwezen naar artikel 8a lid 3 Waadi en heeft [eiser] op grond van NBBU-cao een pensioen opgebouwd dat nauwelijks afwijkt van pensioenopbouw onder de BGV-cao.
Ten slotte stelt Soldij dat [eiser] ten aanzien van alle vorderingen niet heeft voldaan aan zijn klachtplicht ex artikel 6:89 BW, wat in ieder geval aanleiding dient te zijn om de wettelijke verhoging op nihil te stellen, dan wel fors te matigen.
Soldij voert ook nog aan dat zij ten onrechte tijdens het tweede ziektejaar 90% van het loon heeft doorbetaald, waar dat maar 80% had hoeven te zijn. Het teveel betaalde wil zij verrekenen.
3.5
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Klachtplicht
4.1
Het meest verstrekkende verweer van Soldij houdt in dat [eiser] ten aanzien van alle vorderingen niet heeft voldaan aan de klachtplicht van artikel 6:89 BW, hetgeen volgens Soldij in ieder geval consequenties moet hebben voor de gevorderde wettelijke verhoging. Dit verweer wordt gepasseerd. Niet alleen is dit verweer eerst tijdens de mondelinge behandeling gevoerd en derhalve tardief, ook inhoudelijk kan dit verweer niet slagen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.2
Soldij stelt dan wel dat [eiser] wist dan wel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te laag was ingeschaald nu dat in de BGV-cao vermeld staat, maar hoe [eiser] had kunnen weten dat de beloning conform die cao had dienen te geschieden, stelt Soldij niet. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst wordt immers verwezen naar de NBBU-cao en eerst na inschakeling van een gemachtigde in mei 2024, heeft Soldij erkend dat zij vanaf de datum indiensttreding is uitgegaan van een te laag uurloon en dat de beloning conform de loonschalen in de BGV-cao had gemoeten. Hierna hebben partijen veelvuldig gecorrespondeerd over de hen verdeeld houdende onderdelen van de vordering van [eiser].
Uitzendovereenkomst of payrollovereenkomst
4.3
Partijen zijn verdeeld over de vraag of de tussen hen gesloten overeenkomst aangemerkt dient te worden als een uitzendovereenkomst of als een payrollovereenkomst. [eiser] stelt dat sprake is van een payrollovereenkomst. [eiser] stelt dat de inlener [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]) – waar [eiser] sinds de totstandkoming van de overeenkomst tussen hem en Soldij steeds voor heeft gewerkt – [eiser] heeft benaderd en (na een sollicitatie) heeft aangenomen, maar dat zij niet rechtstreeks met [eiser] een arbeidsovereenkomst wilde aangaan. [eiser] stelt dat [bedrijf 1] tegenover hem aangaf dat zij “alles via een payrollorganisatie regelde”. Volgens [eiser] kwam Soldij toen in beeld en is tussen hem en Soldij, in opdracht van [bedrijf 1], een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen.
4.4
Soldij voert aan dat een relatie van haar, [bedrijf 2], haar heeft benaderd met de vraag of zij een partij kende die een bestaande rit/route wilde overnemen die tot dan werd uitgevoerd door een ander transportbedrijf ten behoeve van [bedrijf 2]. Dat andere transportbedrijf was de toenmalige werkgever van [eiser], HE Trucking B.V. (hierna: ‘HE Trucking’). Soldij kende vanuit haar netwerk een partij die de rit zou willen overnemen: [bedrijf 1]. Omdat [eiser] de route al reed als werknemer van HE Trucking, kwam [eiser] bij [bedrijf 1] in beeld als geschikt en beschikbaar, aldus Soldij. Uiteindelijk is [eiser] toen, op basis van een uitzendovereenkomst met Soldij, werkzaamheden gaan verrichten voor [bedrijf 1]. Soldij stelt dat zij hier een allocatiefunctie heeft vervuld, omdat zij vraag en aanbod bij elkaar heeft gebracht.
4.5
De kantonrechter oordeelt als volgt. Artikel 7:690 bepaalt dat de uitzendovereenkomst een arbeidsovereenkomst is, waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever, ter beschikking wordt gesteld aan een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde. Artikel 7:692 BW bepaalt dat de payrollovereenkomst een uitzendovereenkomst is, waarbij de overeenkomst van opdracht tussen de werkgever en de derde niet tot stand is gekomen in het kader van het samenbrengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en waarbij de werkgever alleen met toestemming van de derde bevoegd is de werknemer aan een ander ter beschikking te stellen.
4.6
De kantonrechter stelt op basis van de standpunten van partijen vast dat de (schriftelijke) overeenkomst tussen Soldij en [eiser] in ieder geval kwalificeert als een uitzendovereenkomst. De vraag is of de uitzendovereenkomst tussen Soldij en [eiser] ook – meer specifiek – kwalificeert als een payrollovereenkomst. De onderscheidende elementen tussen een uitzendovereenkomst en een payrollovereenkomst zijn (i) de allocatiefunctie die Soldij al dan niet heeft vervuld ten aanzien van de totstandkoming van de werkverhouding tussen [eiser] en [bedrijf 1] en (ii) de beantwoording van de vraag of tussen Soldij en [bedrijf 1] is afgesproken dat [eiser] door Soldij niet zonder toestemming van [bedrijf 1] aan een andere partij dan [bedrijf 1] ter beschikking kan worden gesteld.
4.7
Voor de beoordeling payrollovereenkomst of uitzendovereenkomst is de inhoud van de overeenkomst van opdracht tussen Soldij en [bedrijf 1] van belang, naast het antwoord op de vraag of Soldij al dan niet een allocatiefunctie heeft vervuld. Ten aanzien van dit laatste punt merkt de kantonrechter op dat de producties 20 en 21 van [eiser] zijn stelling lijken te ondersteunen dat de werving en selectie van [eiser] is gedaan door [bedrijf 1], en niet door Soldij. Uit productie 20 lijkt te volgen dat [bedrijf 2] het eerste contact legt tussen [eiser] en [bedrijf 1] (op 1 november 2021), waarna het bericht van [bedrijf 1] aan [eiser] van 5 november 2021 (productie 21) lijkt te duiden op een sollicitatie.
4.8
Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van Soldij verklaard dat er een op schrift gestelde overeenkomst van opdracht tussen Soldij en [bedrijf 1] is. De kantonrechter beveelt daarom Soldij om deze overeenkomst van opdracht in het geding te brengen, op de voet van artikel 22 lid 1 Rv. Partijen kunnen vervolgens op de inhoud van dit document reageren bij akte. Een beslissing op dit punt wordt aangehouden.
Verklaringen voor recht
4.9
De verklaringen voor recht, zoals door [eiser] onder 1 en 2 van het petitum gevorderd, hangen nauw samen met de discussie payrollovereenkomst of uitzendovereenkomst. Vordering sub 1 en 2 steunen immers op het standpunt van [eiser] dat de overeenkomst tussen hem en Soldij kwalificeert als payrollovereenkomst. Ook op dit punt kan de kantonrechter daarom op dit moment nog geen beslissing nemen.
4.10
De kantonrechter merkt wel op dat, als de overeenkomst tussen [eiser] en Soldij zou kwalificeren als payrollovereenkomst, dit niet betekent dat de BGV-cao (deels) van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Soldij. Dat is niet een rechtsgevolg dat voortvloeit uit artikel 8a lid 1 Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (hierna: ‘Waadi’). Wel is het zo dat, in het geval de overeenkomst tussen [eiser] en Soldij moet worden gekwalificeerd als payrollovereenkomst, [eiser] op grond van artikel 8a lid 1 Waadi recht heeft op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden – uitgezonderd: pensioen – als de werknemers van [bedrijf 1], voor de duur dat [eiser] ter beschikking is gesteld aan [bedrijf 1].
4.11
Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over welke arbeidsvoorwaarden (uitgezonderd pensioen) van kracht waren voor het personeel van [bedrijf 1] vanaf 15 november 2021 tot heden.
Pensioen
4.12
[eiser] vordert onder 3 een veroordeling van Soldij tot nakoming van de pensioenregeling op grond van de BGV-cao vanaf 15 november 2021 tot datum einde dienstverband. De kantonrechter begrijpt de vordering van [eiser] aldus, dat zijn standpunt is dat hij sinds 15 november 2021 als deelnemer verplicht valt onder de werkingssfeer van bedrijfstakpensioenfonds PF Vervoer (artikel 4 Wet Bpf 2000).
4.13
Ook hier geldt dat beantwoording van de vraag waar [eiser] recht op heeft ten aanzien van pensioen, nauw samenhangt met de discussie payrollovereenkomst of uitzendovereenkomst. Van de zijde van Soldij is onbetwist aangevoerd dat [eiser] sinds 15 november 2021 deelnemer is bij bedrijfstakpensioenfonds StiPP. Indien de overeenkomst tussen Soldij en [eiser] zou worden gekwalificeerd als uitzendovereenkomst, heeft [eiser] niet recht op ‘meer’ dan pensioenopbouw in de regeling van StiPP.
4.14
Dat zou anders kunnen zijn indien de overeenkomst tussen [eiser] en Soldij moet worden gekwalificeerd als payrollovereenkomst. In dat geval heeft [eiser] recht op een ‘adequate pensioenregeling’, als bedoeld in artikel 8a leden 4 tot en met 6 van de Waadi. Een ‘adequate pensioenregeling’ in de zin van de Waadi is dus niet noodzakelijkerwijs hetzelfde als de pensioenregeling die wordt uitgevoerd door PF Vervoer. Vordering 3 van [eiser] is in die zin dan ook niet toewijsbaar.
4.15
De kantonrechter constateert dat partijen zich in de procedure niet hebben uitgelaten over wat zij verstaan onder een ‘adequate pensioenregeling’ in de zin van artikel 8a lid leden 4 tot en met 6 Waadi, in het hypothetische geval dat de overeenkomst tussen [eiser] en Soldij zou worden gekwalificeerd als een payrollovereenkomst. Partijen krijgen bij akte de gelegenheid om dat alsnog te doen, waarbij de kantonrechter ook graag van partijen zou horen hoe naar hun mening de pensioenregeling van StiPP zich verhoudt tot een ‘adequate pensioenregeling’ in de zin van de Waadi. De kantonrechter verzoekt specifiek aan Soldij om zich ook uit te laten over wat de consequenties zijn van de pensioenpositie van [eiser] ten opzichte van StiPP, indien zou worden geoordeeld dat in de rechtsverhouding tussen Soldij en [eiser] sprake is van een payrollovereenkomst.
Loonvorderingen
4.16
[eiser] vordert onder 4. een veroordeling van Soldij tot het betalen van achterstallig salaris over de periode van 15 november 2021 tot en met 31 december 2023. Het gaat om een bedrag van € 8.723,60 (inclusief de wettelijke vertragingsrente van 37,5%), te vermeerderen met wettelijke rente.
4.17
Tussen partijen bestaat geen discussie dat [eiser] recht heeft op het onder 4. gevorderde bedrag. De vordering ligt daarom voor toewijzing gereed.
4.18
[eiser] vordert onder 5. tot en met 7. een veroordeling van Soldij tot betaling achterstallig salaris over de periode vanaf 1 januari 2024 tot aan het moment dat de WIA-uitkering van [eiser] een aanvang heeft genomen.
4.19
Over de vorderingen sub 5. tot en met 7. bestaat tussen partij wel discussie. Het standpunt van [eiser] is – onder meer – dat hij recht heeft op een aanvulling van zijn loon (tijdens arbeidsongeschiktheid) op grond van artikel 16 BGV-cao. Soldij betwist dat artikel 16 BGV-cao van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen haar en [eiser], op basis van het standpunt dat hun rechtsverhouding kwalificeert als uitzendovereenkomst en niet als payrollovereenkomst. Daarnaast betoogt Soldij dat [eiser] niet voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld in artikel 16 lid 4 BGV-cao.
4.20
Voor zover [eiser] zijn loonvordering instelt op grond van artikel 16 BGV-cao, ligt die naar het oordeel van de kantonrechter voor afwijzing gereed. Artikel 16 lid 4 BGV-cao luidt als volgt:
“De duur van de aanvulling wordt in geval van een dienstverband dat op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid langer dan een jaar heeft geduurd, verlengd met een tweede periode van 52 weken, indien de werknemer meewerkt aan zijn reïntegratie en tevens een aanvullende zorgverzekering heeft afgesloten waarin in ieder geval is opgenomen een vergoeding voor fysiotherapie, psychologische hulp en de diëtist. De aanvulling wordt ook verlengd tot 104 weken indien de werknemer blijvend volledig arbeidsongeschikt is.”
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] erkend dat hij niet een aanvullende zorgverzekering heeft afgesloten. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat [eiser] ‘blijvend volledig arbeidsongeschikt’ is in de zin van artikel 16 lid 4 BGV-cao. Gelet daarop voldoet [eiser] niet aan de voorwaarden van artikel 16 lid 4 BGV-cao en heeft hij dus geen recht op de in die bepaling omschreven aanvulling op het loon.
4.21
Voor het overige houdt de kantonrechter met betrekking tot de loonvorderingen van [eiser] iedere beslissing aan.
Openstaande verlofuren
4.22
[eiser] vordert onder 8. een verklaring voor recht dat hij recht heeft op de uitbetaling van 312,86 openstaande verlofuren bij einde dienstverband.
4.23
Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat partijen het eens zijn over het door [eiser] gestelde openstaande verlofsaldo. De verklaring voor recht ligt daarom voor toewijzing gereed.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
draagt Soldij op om, op de rol van 29 september 2026, de tussen haar en [bedrijf 1] tot stand gekomen overeenkomst(en) van opdracht – voor zover betrekking hebbend op [eiser] – in het geding te brengen, waarna partijen bij akte op de inhoud daarvan en op in dit vonnis opgenomen rechtsoverwegingen 4.11. en 4.15.kunnen reageren, waartoe de zaak wordt verwezen naar de rol van 27 oktober 2026;
5.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
Terugdraaien hiervan is volgens Soldij niet mogelijk.
De arbeidsovereenkomst tussen Soldij en [eiser] is tot stand gekomen op 15 november 2021, dus 10 dagen later dan 5 november 2021.
PF Vervoer is een bedrijfstakpensioenfonds dat de verplichtgestelde pensioenregeling uitvoert voor (onder meer) de sector beroepsgoederenvervoer.
StiPP is een bedrijfstakpensioenfonds dat de verplichtgestelde pensioenregeling uitvoert voor de uitzendbranche.
Zie rechtsoverweging 2.2. van dit vonnis.