Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5161
2026-08-12
Civiel recht
C/08/340416 / HA ZA 25-384
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geen verkrijgende verjaring strook grond, wel verjaring van vordering tot verwijdering van onrechtmatig aangelegde buis.
Citeert (3)
- ECLI:NL:GHARN:2010:BO6315 Gerechtshof Arnhem 07-12-2010
- ECLI:NL:PHR:2026:255 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:383 Parket bij de Hoge Raad 10-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.316 tekens)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/340416 / HA ZA 25-384
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[partij A] ,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. L.W. van de Wetering,
tegen
1 [partij B1] ,
2. [partij B2] ,
3. [partij B3] ,
allen te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij B] (dan wel apart [partij B1] , [partij B2] en [partij B3] ),
advocaat: mr. J.T. Fuller.
1De zaak in het kort
1.1
Partijen hebben een geschil over hun erfgrens. [partij A] stelt dat hij door verjaring eigenaar is geworden van een strook grond die volgens de kadastrale grenzen aan [partij B] toebehoort. Hij vordert verklaringen voor recht. [partij B] betwisten dat [partij A] door verjaring eigenaar van deze strook is geworden en vorderen op hun beurt primair ontruiming van deze strook grond en subsidiair ontruiming van de plas die daarvan deel uitmaakt. De rechtbank oordeelt dat het beroep van [partij A] op verjaring faalt. De vorderingen van [partij A] tot aanpassing van de kadastrale/juridische grens worden daarom afgewezen. De buis die [partij A] op of in het perceel van [partij B1] heeft geplaatst voor het bewateren van zijn tuin mag blijven liggen. Voor het overige wordt de ontruimingsvordering van [partij B] toegewezen.
2De procedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 oktober 2025 met 12 producties- de conclusie van antwoord in conventie tevens inhoudende vordering in reconventie tevens inhoudende verzoek tot het gelasten van een descente met 17 producties- de brief waarin is meegedeeld dat een plaatsopneming en mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 13 t/m 20
- de akte van [partij B] met producties 18 t/m 24- de plaatsopneming en aansluitend de mondelinge behandeling van 8 april 2026 in het Streekmuseum Kloosterhaar-Balderhaar te Kloosterhaar, ter gelegenheid waarvan [partij A] pleitaantekeningen heeft overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1
[partij A] is sinds 24 april 1985 eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 1] , plaatselijk bekend [adres 1] .
3.2
[partij B1] is sinds 26 mei 2023, na splitsing, eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 2] , plaatselijk bekend [adres 2] .
3.3
[partij B2] en [partij B3] zijn sinds 26 mei 2023 – na splitsing – gezamenlijk eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 3] , plaatselijk bekend [adres 3] .
3.4
Vanaf 1975 tot 2023 werden de percelen van [partij B] gebruikt voor zandwinning, eerst door [naam 1] tot 1997 en daarna vanaf 2010 door Infracom B.V. (verder: Infracom). In de tussenliggende periode zijn de oevers van de plas hersteld en (deels) beplant. [naam 1] was tot 5 maart 1998 en Infracom vervolgens tot 26 mei 2023 eigenaar van wat thans de percelen [kadastrale aanduidingen 2] en [kadastrale aanduidingen 3] zijn.
3.5
In 2025 is tussen partijen een geschil ontstaan over hun erfgrens. Meer specifiek ziet het geschil op de stroken grond zoals die zijn weergegeven op de tekeningen die [partij A] als producties 9 en 10 bij dagvaarding heeft overgelegd (hierna: de strook grond).
Productie 9 van [partij A] , de strook betreft hier het gebied dat rood omlijnd is; kadastraal eigenaar is [partij B1] ; op of in deze strook heeft [partij A] een buis geplaatst waarmee hij water pompt uit de zandwinning voor het bewateren van zijn tuin:
Productie 10 van [partij A] , de strook betreft hier het gebied dat rood omlijnd is en waarvan [partij B2] en [partij B3] kadastraal eigenaar zijn:
4Het geschil
in conventie
4.1
[partij A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van [partij B1] :
(1) voor recht zal verklaren dat de juridische grens tussen perceel [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 2] als volgt loopt:
Vanaf de linkerhoek van perceel [kadastrale aanduidingen 1] (waarbij men met de rug naar perceel [kadastrale aanduidingen 1] staat) in een rechte lijn naar voren richting het water langs het hek dat uitgaande van de kadastrale grens op perceel [kadastrale aanduidingen 2] staat. De juridische grens ligt precies achter dit hek (het hek staat op de grond die door verjaring eigendom is geworden van [partij A] ). De grens ligt aan/in het water op 16 meter vanaf de linkerhoek van perceel [kadastrale aanduidingen 1] tot en met het water (in het voorjaar en in de zomer staat het water lager dan in het najaar en in de winter). Vanaf het water loopt de grens in een rechte lijn naar rechts (waarbij men met de rug naar perceel [kadastrale aanduidingen 1] staat) tot daar waar de grens de andere grens snijdt, namelijk de grens tussen de percelen [kadastrale aanduidingen 2] en [kadastrale aanduidingen 3] , een en ander zoals weergegeven op de tekening die is overgelegd als productie 9;
(2) voor recht zal verklaren dat de door [partij A] geplaatste buis die in het water ligt op perceel [kadastrale aanduidingen 2] in het water/op voormeld perceel mag blijven liggen, omdat de vordering tot verwijdering van deze buis is verjaard;
Ten aanzien van [partij B2] en [partij B3] :
(3) voor recht zal verklaren dat de juridische grens tussen perceel [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 3] als volgt loopt:
Vanaf de rechterhoek van perceel [kadastrale aanduidingen 1] (waarbij men met de rug naar perceel [kadastrale aanduidingen 1] staat) in een rechte lijn naar voren richting het water langs het hek dat uitgaande van de kadastrale grens op perceel [kadastrale aanduidingen 3] staat. De juridische grens ligt precies achter dit hek (het hek staat op de grond die door verjaring eigendom is geworden van [partij A] ). De grens ligt aan/in het water op 16 meter vanaf de rechterhoek van perceel [kadastrale aanduidingen 1] tot en met het water (in het voorjaar en in de zomer staat het water lager dan in het najaar en in de winter). Vanaf het water loopt de grens in een rechte lijn naar links (waarbij men met de rug naar perceel [kadastrale aanduidingen 1] staat) tot daar waar de grens de andere grens snijdt, namelijk de grens tussen de percelen [kadastrale aanduidingen 2] en [kadastrale aanduidingen 3] , een en ander zoals weergegeven op de tekening die is overgelegd als productie 10;
Ten aanzien van [partij B] :
(4) [partij B] hoofdelijk zal veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2
Aan zijn vorderingen legt [partij A] , samengevat, ten grondslag dat hij vanaf 1997 de strook grond van [partij B] in bezit heeft genomen door het plaatsen van hekken, prikkeldraad en bramenstruiken en dat hij vervolgens door verjaring eigenaar hiervan is geworden. Volgens [partij A] heeft hij de strook grond gelegen tussen de kadastrale grens en de feitelijke grens (de hekken en het water) meer dan 20 jaar onafgebroken in bezit gehad waardoor de feitelijke grens de juridische grens is geworden. Daarbij wijst [partij A] erop dat hij verschillende bezitsdaden heeft verricht, zoals het plaatsen van hekken en het aanleggen van bestrating, en dat hij door het betrekken van de strook grond bij zijn terrein een optische eenheid heeft gecreëerd en in stand gehouden. Ook vindt [partij A] dat een door hem in 1996 geplaatste buis die in het water ligt daar mag blijven, omdat de vordering tot verwijdering van deze buis is verjaard. Met deze buis haalt [partij A] water uit de zandwinning voor het bewateren van de eigen tuin. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [partij A] onder meer naar een aantal schriftelijke verklaringen.
4.3
[partij B] betwisten dat sprake is van (bevrijdende of verkrijgende) verjaring. [partij B] stellen zich primair op het standpunt dat slechts sprake is van houderschap. Volgens [partij B] zijn partijen enkel een gedoogconstructie overeengekomen en is geen sprake van een situatie waarin [partij A] als houder de bezitter is geworden. Subsidiair stellen [partij B] dat niet is voldaan aan de voorwaarden van inbezitneming. [partij B] betwisten dat de verjaringstermijn van 20 jaar is voltooid. Als dit verweer niet slaagt, dan stellen [partij B] dat geen sprake is geweest van niet dubbelzinnig en openbaar bezit. [partij B] betwisten dat [partij A] een optische eenheid heeft gecreëerd en dat de strook grond was afgesloten voor derden (waaronder jagers). Als wel sprake is van bezit, dan ziet de inbezitneming slechts op een gedeelte van de strook grond. Tot slot betwist [partij B1] dat de vordering tot verwijdering van de buis op zijn perceel is verjaard.
[partij B] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
4.4
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna ingaan, voor zover dat nodig is voor de beoordeling van het geschil.
in reconventie
4.5
[partij B] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
(1) [partij A] primair zal veroordelen de percelen [kadastrale aanduidingen 3] en [kadastrale aanduidingen 2] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [partij A] (mochten) bevinden en deze percelen ontruimd te houden;
(2) [partij A] subsidiair zal veroordelen de plas die zich bevindt op de percelen [kadastrale aanduidingen 3] en [kadastrale aanduidingen 2] te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [partij A] in/op de plas (mochten) bevinden en de plas ontruimd te houden;
(3) [partij A] zal veroordelen een eventueel geplaatste buis onder/boven/op de grond en/of in/op de plas/het perceel dat tot het eigendom van [partij B1] behoort, voor eigen rekening en risico te verwijderen;
(4) [partij A] zal veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.6
[partij A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.
4.7
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna ingaan, voor zover dat nodig is voor de beoordeling van het geschil.
5De beoordeling
in conventie
Ten aanzien van de strook grond
5.1
De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 3:105 lid 1 BW degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De extinctieve verjaring begint met de aanvang van de dag, volgend op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314 lid 2 BW). De verjaringstermijn bedraagt 20 jaar (artikel 3:306 BW). In artikel 3:107 lid 1 BW is bepaald dat bezit is het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht met de pretentie rechthebbende (hier: eigenaar) te zijn. Of iemand houdt voor zichzelf, wordt ingevolge het bepaalde in artikel 3:108 BW beoordeeld naar verkeersopvatting - met inachtneming van de regels die worden gegeven in de op artikel 3:108 volgende wetsartikelen - en overigens op grond van uiterlijke feiten. Zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt (Parl. Gesch. Boek 3, p. 408), ligt in het vereiste van het hebben van bezit besloten, dat het bezit (openbaar en) ondubbelzinnig moet zijn. Van niet dubbelzinnig bezit is sprake (vergelijk HR 15 januari 1993, NJ 1993, 178) wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt, dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden, dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Aldus is verzekerd (zie ook de conclusie onder 10 voor HR 10 oktober 2008, LJN BD7601), dat van verjaring pas sprake kan zijn ingeval de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op verjaring beroept, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeert rechthebbende (eigenaar of beperkt gerechtigde) te zijn, zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Laat de werkelijk rechthebbende die gelegenheid gedurende lange tijd voorbijgaan, dan kan hem uiteindelijk verjaring worden tegengeworpen. Daarnaast moet de machtsuitoefening krachtens het bezit van een zaak exclusief zijn. Indien een ander de zaak immers al in bezit heeft, moet naar verkeersopvatting door de machtsuitoefening voor zichzelf het bezit van de ander zijn geëindigd; enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn onvoldoende voor inbezitneming (artikel 3:113 lid 2 BW).
5.2
De rechtbank overweegt dat [partij A] tijdens de plaatsopneming heeft verklaard dat op de grens van zijn kadastraal perceel (zuidzijde) en de kadastrale percelen van [partij B] aanvankelijk door [naam 1] een hekwerk is geplaatst en dat de strook grond nog werd gebruikt om er met zwaar materieel overheen te kunnen rijden. Het leidt dan ook geen twijfel dat [partij A] , voor zover hij stelt (nadien) de strook grond in bezit te hebben genomen, daarbij niet te goeder trouw was. Dat betekent dat de verjaringstermijn van 20 jaar geldt.
5.3
[partij A] stelt feitelijke handelingen te hebben verricht die ook als bezitsdaden kunnen worden aangemerkt. Daartoe voert [partij A] aan dat hij op de strook grond:
in 1998 aan de linkerzijde (de noordwestzijde) van de strook een laag hekwerk, prikkeldraad en braamstruiken heeft aangebracht
in diezelfde periode ook aan de rechterzijde (de zuidoostzijde) van de strook een laag hekwerk heeft aangebracht
gras heeft gezaaid en struiken heeft gepland;
bestrating heeft aangelegd;
en lage afscheiding heeft gemaakt rond de plek waar de familie viste;
grond heeft afgegraven waardoor een zitplek/aanmeerplek werd gecreëerd bij het water;
in 2004 borders heeft geplaatst met beplanting;
in 2012 elektrakabels heeft aangelegd ten behoeve van verlichting.
5.4
De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat [partij A] in 1998 aan de linkerzijde een hekwerk heeft aangebracht. [partij B] betwisten dit met klem. [partij A] heeft geen foto’s in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat bedoeld hekwerk in 1998 door hem is geplaatst. Daarentegen hebben [partij B] onweersproken gesteld dat op de foto’s die [partij A] als productie 20 heeft overgelegd het hekwerk te zien zou moeten zijn, terwijl dat niet het geval is.
5.5
Zoals in 5.1 is overwogen, moet het bezit (openbaar en) ondubbelzinnig zijn. Van niet dubbelzinnig bezit is sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt, dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden, dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn.
5.6
Ook uitgaande van de juistheid van de door [partij A] gestelde feitelijke handelingen onder b. tot en met h. is van bezit dat ondubbelzinnig is, geen sprake geweest. De door [partij A] genoemde feitelijke handelingen passen niet alleen bij bezit, maar ook bij gebruik, zonder eigendomspretentie.
Van belang hierbij is dat tussen partijen niet in geschil is dat Infracom na aankoop van de percelen van [partij B] in verband met het ontbreken van een ontgrondingsvergunning gedurende langere tijd geen zand heeft kunnen winnen. Door [partij B] is onweersproken gesteld dat de plas en de grond daaromheen door omwonenden en derden feitelijk werden gebruikt voor zwemmen, varen en vissen. Ten behoeve van dat gebruik werden door omwonenden ook afscheidingen en bouwwerken als steigers aangebracht. Er was dus sprake van een breed feitelijk en recreatief gebruik, zonder eigendomspretentie, door omwonenden en derden waarbij voor betrokkenen duidelijk was dat dit gebruik door Infracom (impliciet) werd toegestaan/gedoogd. Gelet op dit gedoogde gebruik in afwachting van provinciale toestemming voor (verdere) ontgronding kan niet snel worden aangenomen dat feitelijke handelingen die ook passen bij gebruik (zonder eigendomspretentie) als bezitsdaden (met eigendomspretentie) moeten worden aangemerkt.Verder is van belang dat niet iedere afpaling of omheining per definitie is te duiden als een bezitsdaad. De aangebrachte hekwerken waren laag; er kon eenvoudig overheen worden gestapt. Ook de andere feitelijke handelingen die [partij A] heeft genoemd passen bij zowel gebruik als bezit en wijzen daarmee niet op ondubbelzinnig bezit. Het aanleggen van tuin, het plaatsen van hekwerken (vanwege de veiligheid van kinderen en dieren), beplantingen en aangebrachte elektra zijn relatief eenvoudig ongedaan te maken. Voorts bevinden alle bouwwerken van [partij A] zich op zijn kadastrale perceel. Dat een deel van het uitgebouwde houthok zich op de strook grond bevindt, is door [partij A] niet aangetoond. Dit blijkt in ieder geval niet uit de foto’s die [partij A] als productie 17 in het geding heeft gebracht.
5.7
Dat geen sprake is geweest van ondubbelzinnig bezit leidt de rechtbank verder af uit de navolgende omstandigheden.
5.7.1
De door [partij A] aangebrachte afscheidingen lieten de mogelijkheid open dat medewerkers van Infracom en anderen de strook grond betraden. [partij A] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat hij hiertegen op enigerlei wijze is opgetreden. In dat verband heeft [partij A] onvoldoende weersproken dat de vader van [partij B3] als werknemer van Infracom destijds periodieke controles verrichtte en regelmatig rond de plas en over de strook grond liep. Dat wijst eerder op gebruik dan op bezit.
5.7.2
Verder hebben [partij B] een schriftelijke verklaring van de heer [naam 2] in het geding gebracht. De verklaring houdt, voor zover van belang, in dat [naam 2] sinds 1980 joeg met toestemming van de (kadastrale) eigenaren en daarvoor ook een vergoeding afdraagt en hij tot 2015 de strook grond onbelemmerd kon betreden, waarbij kleine en lage afrasteringen geen belemmering vormden voor uitoefening van de jacht. De laatste jaren kon hij de strook niet meer betreden vanwege braamstruiken. Hij liep sindsdien over de straat om van het terrein van thans [partij B1] naar het terrein van (thans) [partij B2] te gaan. De verklaring is ondertekend door hem en drie collega-jagers. Uit de verklaring leidt de rechtbank af dat tot 2015 jagers de strook betraden in verband met hun jacht-activiteiten. Er zijn daarbij geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat zij er vanuit gingen dat [partij A] bezitter/eigenaar was; toestemming voor betreding van de strook in de periode 1998-2015 is aan [partij A] niet gevraagd en de jagers hebben evenmin een vergoeding betaald voor het gebruik van de strook. Dat [naam 2] nadien in een door [partij A] (heimelijk) opgenomen gesprek heeft gezegd dat hij voor de jacht percelen van [partij B] heeft gehuurd voor een periode van 12 jaar en daarbij de vraag van [partij A] of dat ook ging om de strook grond ontkennend heeft beantwoord, doet aan het voorgaande niet af. Dat heeft immers betrekking op omstandigheden die zich in 2023 of later hebben voorgedaan, en doet dus niet af aan de betwisting van het bezit door [partij B] in de eerste twintig jaar na 1998.
5.7.3
Dat zowel [partij A] zelf als de toenmalig rechthebbende, Infracom, aannamen dat de strook grond in eigendom aan Infracom toebehoorde, vindt bevestiging in diverse e-mails en verklaringen. Voor [partij A] zijn dat de e-mails die [partij B] als producties 6 t/m 10 in het geding hebben gebracht. Zo schrijft [partij A] in zijn e-mail van 7 maart 2022 onder meer het volgende:
“Wij wonen dit jaar in april 37 jaar aan het zandgat we hebben al die tijd gebruik gemaakt van de grond tussen onze grond en het zandgat, dat ging steeds in goede samen werking met de zandwinner en we hebben daar steeds energie in gestoken om de natuur goed te houden. Wij zijn nu met pensioen en we hopen er nog van te kunnen blijven genieten. We begrijpen dat andere aanwonenden ook meer grond willen aan schaffen, wij willen dat ook graag maar wel voor een te betalen bedrag.”
De latere e-mails van [partij A] van 8 en 29 maart 2022, 10 oktober 2022 en 13 december 2022 zien ook op de eventuele aankoop van grond van Infracom en welke prijs daarvoor zou moeten worden betaald. Uit de hiervoor bedoelde e-mails van [partij A] kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat [partij A] zelf er op dat moment ook (nog) vanuit ging dat hij geen eigenaar was van de strook grond. Zijn voorstel tot aankoop van grond zag onmiskenbaar in ieder geval óók op de strook en niet valt in te zien om welke reden [partij A] een dergelijk voorstel zou doen, terwijl hij al eigenaar van de strook zou zijn.
5.7.4
Dat ook Infracom ervan uitging dat [partij A] niet heeft gepretendeerd en niet pretendeerde eigenaar te zijn van de strook grond wordt bevestigd door de schriftelijke verklaringen van [naam 3] van 26 september 2025 en 13 november 2025 die [partij B] als producties 14 en 15 hebben overgelegd. Zo heeft [naam 3] in zijn hoedanigheid van hoofdverantwoordelijke van Infracom onder meer het volgende verklaard:
“3. Mij is niet bekend dat de heer [partij A] aanspraak heeft gemaakt op eigendom van deze strook grond gedurende de periode dat Infracom B.V. eigenaar was. Hij heeft ons ook nooit gemeld dat hij het terrein als zijn privéterrein beschouwde.
4. In 2022 heeft de heer [partij A] schriftelijk een verzoek gedaan om (een deel van) de strook grond te kopen. Voor mij bevestigde dit dat hij er van wist dat de grond aan Infracom toebehoorde, en dat hij er geen recht op had. Er is nooit sprake geweest van verkoop of overdracht.
5. In de periode waarin Infracom eigenaar was, is de strook grond nooit aan de heer [partij A] in eigendom of exclusief gebruik gegeven, mondeling of schriftelijk. Er zijn ook geen afspraken gemaakt waarin hij toestemming kreeg om het terrein als privé te gebruiken.”
5.7.5
Tot slot bleef de strook grond visueel gescheiden van het kadastrale perceel van [partij A] . Niet kan worden gezegd dat de strook grond bij de tuin van [partij A] is betrokken, in die zin dat sprake is van een optische eenheid die door [partij A] is gecreëerd en in stand gehouden.
Ten aanzien van de buis
5.8
Uit het voorgaande volgt dat het primaire standpunt van [partij A] dat hij eigenaar is van de strook grond en dat hij daarom de buis die hij daarop of daarin heeft geplaatst niet hoeft te verwijderen, faalt.
5.9
[partij A] stelt dat hij rond 1996 op zijn perceel een pomp heeft geplaatst waarmee hij water uit de zandwinning haalt ten behoeve van het bewateren van de eigen tuin. De buis die bij deze pomp hoort bevindt zich op of in het kadastrale perceel van [partij B1] en ligt tot ongeveer 10 meter in het water. [partij A] erkent dat dit onrechtmatig is maar hij stelt (subsidiair) dat een eventuele vordering tot verwijdering van de buis inmiddels is verjaard.
5.10
[partij B1] betwist dat de vordering tot verwijdering van de buis is verjaard. Volgens [partij B1] heeft [partij A] onvoldoende gesteld dat hij in 1996 daadwerkelijk een buis heeft geplaatst onder de grond vanaf zijn schuur tot 10 meter in het water en dat deze situatie tot op heden voortduurt. Subsidiair betwist [partij B1] dat sprake is van een ondubbelzinnige en openbare handeling die gericht was op inbezitneming van (een gedeelte van) de plas.
5.11
De rechtbank overweegt dat [partij A] met het plaatsen van de buis continue inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [partij B1] waardoor sprake is van een onrechtmatige toestand. Artikel 3:314 lid 1 BW bepaalt dat de termijn van verjaring van een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden. Het is aan de schuldenaar ( [partij A] ) om te stellen en zo nodig te bewijzen wanneer de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen. De rechtbank oordeelt dat [partij A] met de door hem als productie 13 overgelegde foto’s voldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd dat hij (in ieder geval) sinds eind 1997/begin 1998 vanaf de pomp in de schuur op zijn kadastrale perceel een buis op of in het kadastrale perceel van [partij B1] tot een aantal meter in de zandwinning/plas heeft aangebracht. Op de foto’s zijn onder meer plastic flessen te zien waarmee de buis in het water blijft liggen in plaats van op de bodem in het zand. [partij B1] heeft dit onvoldoende gemotiveerd bestreden. De enkele foto van het perceel van [partij A] uit 2009 die [partij B1] als productie 18 heeft overgelegd waarop volgens hem op het water geen drijver te zien zou zijn, is daarvoor – in het licht van de gemotiveerde stelling van [partij A] – onvoldoende. Dit betekent dat de verjaringstermijn vanaf eind 1997/begin 1998 een aanvang heeft genomen en eind 2017/begin 2018 is geëindigd. [partij B1] heeft eerst met het instellen van zijn tegenvorderingen op 17 december 2025 – dus ruim na het verstrijken van de verjaringstermijn – verwijdering van de buis gevorderd. Het subsidiaire verweer van [partij B1] dat het plaatsen van de buis geen bezitshandeling is, is niet relevant voor de hier te beantwoorden vraag of de verjaringstermijn van artikel 3:314 lid 1 BW al dan niet is verstreken en treft daarom geen doel. Hieruit volgt dat de door [partij A] sub (2) gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is.
Conclusie
5.12
De rechtbank komt tot de slotsom dat alleen de ten aanzien van [partij B1] gevorderde verklaring voor recht dat de door [partij A] geplaatste buis die in het water ligt op perceel [kadastrale aanduidingen 2] in het water/op voormeld perceel mag blijven liggen, voor toewijzing in aanmerking komt, omdat de vordering tot verwijdering van deze buis is verjaard. De overige gevorderde verklaringen voor recht moeten worden afgewezen.
Proceskosten
5.13
[partij A] is ten aanzien van [partij B2] en [partij B3] in het ongelijk gesteld en moet daarom hun proceskosten betalen. De proceskosten van [partij B2] en [partij B3] worden begroot op:
- griffierecht
€
165,50
(€ 331,00 : 2)
- salaris advocaat
€
979,50
(3 punten × € 653,00 : 2)
- nakosten
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.440,50
5.14
[partij A] en [partij B1] zijn allebei deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding om tussen hen de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.15
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.16
Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de primaire vordering van [partij B] tot ontruiming van hun percelen [kadastrale aanduidingen 3] en [kadastrale aanduidingen 2] toewijsbaar is en dat de vordering van [partij B1] tot verwijdering van de buis wordt afgewezen.
Proceskosten
5.17
[partij A] is ten aanzien van [partij B2] en [partij B3] in het ongelijk gesteld en moet daarom hun proceskosten betalen. De proceskosten van [partij B2] en [partij B3] worden begroot op € 489,75 aan salaris advocaat (3 punten x factor 0,5 x tarief € 653,00 : 2).
[partij B1] en [partij A] zijn allebei deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding om tussen hen de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.18
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1
verklaart voor recht dat de door [partij A] geplaatste buis die in het water ligt op het perceel [kadastrale aanduidingen 2] in het water/op/in voormeld perceel mag blijven liggen, omdat de vordering tot verwijdering van deze buis is verjaard;
6.2
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van [partij B2] en [partij B3] van € 1.440,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening en te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag € 1.538,50 (€ 1.440,50 + € 98,00 en de kosten van betekening) vanaf de vijftiende dag na de betekening;
6.3
compenseert de proceskosten tussen [partij A] en [partij B1] , in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
6.5
veroordeelt [partij A] de percelen van [partij B] ( [kadastrale aanduidingen 3] en [kadastrale aanduidingen 2] ) te ontruimen met alle personen en zaken (met uitzondering van de in 6.1 bedoelde buis) die zich daar vanwege [partij A] (mochten) bevinden en deze percelen ontruimd te houden;
6.6
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van [partij B2] en [partij B3] van € 489,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
6.7
veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.8
compenseert de proceskosten tussen [partij B1] en [partij A] , in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.9
wijst af het meer of anders gevorderde;
in conventie en reconventie
6.10
veroordeelt [partij A] tot betaling van de nakosten van € 296,00, te vermeerderen met
€ 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.11
verklaart 6.2, 6.5, 6.6 en 6.7 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026. (PvdS)
Zie Gerechtshof Arnhem 7 december 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO6315
Zie randnummer 32 van de dagvaarding
Zie ook ECLI:NL:PHR:2026:255 en ECLI:NL:PHR:2026:383
Zie producties 17 en 24 van [partij B]
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/340416 / HA ZA 25-384
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[partij A] ,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. L.W. van de Wetering,
tegen
1 [partij B1] ,
2. [partij B2] ,
3. [partij B3] ,
allen te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij B] (dan wel apart [partij B1] , [partij B2] en [partij B3] ),
advocaat: mr. J.T. Fuller.
1De zaak in het kort
1.1
Partijen hebben een geschil over hun erfgrens. [partij A] stelt dat hij door verjaring eigenaar is geworden van een strook grond die volgens de kadastrale grenzen aan [partij B] toebehoort. Hij vordert verklaringen voor recht. [partij B] betwisten dat [partij A] door verjaring eigenaar van deze strook is geworden en vorderen op hun beurt primair ontruiming van deze strook grond en subsidiair ontruiming van de plas die daarvan deel uitmaakt. De rechtbank oordeelt dat het beroep van [partij A] op verjaring faalt. De vorderingen van [partij A] tot aanpassing van de kadastrale/juridische grens worden daarom afgewezen. De buis die [partij A] op of in het perceel van [partij B1] heeft geplaatst voor het bewateren van zijn tuin mag blijven liggen. Voor het overige wordt de ontruimingsvordering van [partij B] toegewezen.
2De procedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 oktober 2025 met 12 producties- de conclusie van antwoord in conventie tevens inhoudende vordering in reconventie tevens inhoudende verzoek tot het gelasten van een descente met 17 producties- de brief waarin is meegedeeld dat een plaatsopneming en mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 13 t/m 20
- de akte van [partij B] met producties 18 t/m 24- de plaatsopneming en aansluitend de mondelinge behandeling van 8 april 2026 in het Streekmuseum Kloosterhaar-Balderhaar te Kloosterhaar, ter gelegenheid waarvan [partij A] pleitaantekeningen heeft overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1
[partij A] is sinds 24 april 1985 eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 1] , plaatselijk bekend [adres 1] .
3.2
[partij B1] is sinds 26 mei 2023, na splitsing, eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 2] , plaatselijk bekend [adres 2] .
3.3
[partij B2] en [partij B3] zijn sinds 26 mei 2023 – na splitsing – gezamenlijk eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduidingen 3] , plaatselijk bekend [adres 3] .
3.4
Vanaf 1975 tot 2023 werden de percelen van [partij B] gebruikt voor zandwinning, eerst door [naam 1] tot 1997 en daarna vanaf 2010 door Infracom B.V. (verder: Infracom). In de tussenliggende periode zijn de oevers van de plas hersteld en (deels) beplant. [naam 1] was tot 5 maart 1998 en Infracom vervolgens tot 26 mei 2023 eigenaar van wat thans de percelen [kadastrale aanduidingen 2] en [kadastrale aanduidingen 3] zijn.
3.5
In 2025 is tussen partijen een geschil ontstaan over hun erfgrens. Meer specifiek ziet het geschil op de stroken grond zoals die zijn weergegeven op de tekeningen die [partij A] als producties 9 en 10 bij dagvaarding heeft overgelegd (hierna: de strook grond).
Productie 9 van [partij A] , de strook betreft hier het gebied dat rood omlijnd is; kadastraal eigenaar is [partij B1] ; op of in deze strook heeft [partij A] een buis geplaatst waarmee hij water pompt uit de zandwinning voor het bewateren van zijn tuin:
Productie 10 van [partij A] , de strook betreft hier het gebied dat rood omlijnd is en waarvan [partij B2] en [partij B3] kadastraal eigenaar zijn:
4Het geschil
in conventie
4.1
[partij A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van [partij B1] :
(1) voor recht zal verklaren dat de juridische grens tussen perceel [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 2] als volgt loopt:
Vanaf de linkerhoek van perceel [kadastrale aanduidingen 1] (waarbij men met de rug naar perceel [kadastrale aanduidingen 1] staat) in een rechte lijn naar voren richting het water langs het hek dat uitgaande van de kadastrale grens op perceel [kadastrale aanduidingen 2] staat. De juridische grens ligt precies achter dit hek (het hek staat op de grond die door verjaring eigendom is geworden van [partij A] ). De grens ligt aan/in het water op 16 meter vanaf de linkerhoek van perceel [kadastrale aanduidingen 1] tot en met het water (in het voorjaar en in de zomer staat het water lager dan in het najaar en in de winter). Vanaf het water loopt de grens in een rechte lijn naar rechts (waarbij men met de rug naar perceel [kadastrale aanduidingen 1] staat) tot daar waar de grens de andere grens snijdt, namelijk de grens tussen de percelen [kadastrale aanduidingen 2] en [kadastrale aanduidingen 3] , een en ander zoals weergegeven op de tekening die is overgelegd als productie 9;
(2) voor recht zal verklaren dat de door [partij A] geplaatste buis die in het water ligt op perceel [kadastrale aanduidingen 2] in het water/op voormeld perceel mag blijven liggen, omdat de vordering tot verwijdering van deze buis is verjaard;
Ten aanzien van [partij B2] en [partij B3] :
(3) voor recht zal verklaren dat de juridische grens tussen perceel [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 3] als volgt loopt:
Vanaf de rechterhoek van perceel [kadastrale aanduidingen 1] (waarbij men met de rug naar perceel [kadastrale aanduidingen 1] staat) in een rechte lijn naar voren richting het water langs het hek dat uitgaande van de kadastrale grens op perceel [kadastrale aanduidingen 3] staat. De juridische grens ligt precies achter dit hek (het hek staat op de grond die door verjaring eigendom is geworden van [partij A] ). De grens ligt aan/in het water op 16 meter vanaf de rechterhoek van perceel [kadastrale aanduidingen 1] tot en met het water (in het voorjaar en in de zomer staat het water lager dan in het najaar en in de winter). Vanaf het water loopt de grens in een rechte lijn naar links (waarbij men met de rug naar perceel [kadastrale aanduidingen 1] staat) tot daar waar de grens de andere grens snijdt, namelijk de grens tussen de percelen [kadastrale aanduidingen 2] en [kadastrale aanduidingen 3] , een en ander zoals weergegeven op de tekening die is overgelegd als productie 10;
Ten aanzien van [partij B] :
(4) [partij B] hoofdelijk zal veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2
Aan zijn vorderingen legt [partij A] , samengevat, ten grondslag dat hij vanaf 1997 de strook grond van [partij B] in bezit heeft genomen door het plaatsen van hekken, prikkeldraad en bramenstruiken en dat hij vervolgens door verjaring eigenaar hiervan is geworden. Volgens [partij A] heeft hij de strook grond gelegen tussen de kadastrale grens en de feitelijke grens (de hekken en het water) meer dan 20 jaar onafgebroken in bezit gehad waardoor de feitelijke grens de juridische grens is geworden. Daarbij wijst [partij A] erop dat hij verschillende bezitsdaden heeft verricht, zoals het plaatsen van hekken en het aanleggen van bestrating, en dat hij door het betrekken van de strook grond bij zijn terrein een optische eenheid heeft gecreëerd en in stand gehouden. Ook vindt [partij A] dat een door hem in 1996 geplaatste buis die in het water ligt daar mag blijven, omdat de vordering tot verwijdering van deze buis is verjaard. Met deze buis haalt [partij A] water uit de zandwinning voor het bewateren van de eigen tuin. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [partij A] onder meer naar een aantal schriftelijke verklaringen.
4.3
[partij B] betwisten dat sprake is van (bevrijdende of verkrijgende) verjaring. [partij B] stellen zich primair op het standpunt dat slechts sprake is van houderschap. Volgens [partij B] zijn partijen enkel een gedoogconstructie overeengekomen en is geen sprake van een situatie waarin [partij A] als houder de bezitter is geworden. Subsidiair stellen [partij B] dat niet is voldaan aan de voorwaarden van inbezitneming. [partij B] betwisten dat de verjaringstermijn van 20 jaar is voltooid. Als dit verweer niet slaagt, dan stellen [partij B] dat geen sprake is geweest van niet dubbelzinnig en openbaar bezit. [partij B] betwisten dat [partij A] een optische eenheid heeft gecreëerd en dat de strook grond was afgesloten voor derden (waaronder jagers). Als wel sprake is van bezit, dan ziet de inbezitneming slechts op een gedeelte van de strook grond. Tot slot betwist [partij B1] dat de vordering tot verwijdering van de buis op zijn perceel is verjaard.
[partij B] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
4.4
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna ingaan, voor zover dat nodig is voor de beoordeling van het geschil.
in reconventie
4.5
[partij B] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
(1) [partij A] primair zal veroordelen de percelen [kadastrale aanduidingen 3] en [kadastrale aanduidingen 2] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [partij A] (mochten) bevinden en deze percelen ontruimd te houden;
(2) [partij A] subsidiair zal veroordelen de plas die zich bevindt op de percelen [kadastrale aanduidingen 3] en [kadastrale aanduidingen 2] te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [partij A] in/op de plas (mochten) bevinden en de plas ontruimd te houden;
(3) [partij A] zal veroordelen een eventueel geplaatste buis onder/boven/op de grond en/of in/op de plas/het perceel dat tot het eigendom van [partij B1] behoort, voor eigen rekening en risico te verwijderen;
(4) [partij A] zal veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.6
[partij A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.
4.7
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna ingaan, voor zover dat nodig is voor de beoordeling van het geschil.
5De beoordeling
in conventie
Ten aanzien van de strook grond
5.1
De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 3:105 lid 1 BW degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De extinctieve verjaring begint met de aanvang van de dag, volgend op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314 lid 2 BW). De verjaringstermijn bedraagt 20 jaar (artikel 3:306 BW). In artikel 3:107 lid 1 BW is bepaald dat bezit is het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht met de pretentie rechthebbende (hier: eigenaar) te zijn. Of iemand houdt voor zichzelf, wordt ingevolge het bepaalde in artikel 3:108 BW beoordeeld naar verkeersopvatting - met inachtneming van de regels die worden gegeven in de op artikel 3:108 volgende wetsartikelen - en overigens op grond van uiterlijke feiten. Zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt (Parl. Gesch. Boek 3, p. 408), ligt in het vereiste van het hebben van bezit besloten, dat het bezit (openbaar en) ondubbelzinnig moet zijn. Van niet dubbelzinnig bezit is sprake (vergelijk HR 15 januari 1993, NJ 1993, 178) wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt, dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden, dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Aldus is verzekerd (zie ook de conclusie onder 10 voor HR 10 oktober 2008, LJN BD7601), dat van verjaring pas sprake kan zijn ingeval de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op verjaring beroept, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeert rechthebbende (eigenaar of beperkt gerechtigde) te zijn, zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Laat de werkelijk rechthebbende die gelegenheid gedurende lange tijd voorbijgaan, dan kan hem uiteindelijk verjaring worden tegengeworpen. Daarnaast moet de machtsuitoefening krachtens het bezit van een zaak exclusief zijn. Indien een ander de zaak immers al in bezit heeft, moet naar verkeersopvatting door de machtsuitoefening voor zichzelf het bezit van de ander zijn geëindigd; enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn onvoldoende voor inbezitneming (artikel 3:113 lid 2 BW).
5.2
De rechtbank overweegt dat [partij A] tijdens de plaatsopneming heeft verklaard dat op de grens van zijn kadastraal perceel (zuidzijde) en de kadastrale percelen van [partij B] aanvankelijk door [naam 1] een hekwerk is geplaatst en dat de strook grond nog werd gebruikt om er met zwaar materieel overheen te kunnen rijden. Het leidt dan ook geen twijfel dat [partij A] , voor zover hij stelt (nadien) de strook grond in bezit te hebben genomen, daarbij niet te goeder trouw was. Dat betekent dat de verjaringstermijn van 20 jaar geldt.
5.3
[partij A] stelt feitelijke handelingen te hebben verricht die ook als bezitsdaden kunnen worden aangemerkt. Daartoe voert [partij A] aan dat hij op de strook grond:
in 1998 aan de linkerzijde (de noordwestzijde) van de strook een laag hekwerk, prikkeldraad en braamstruiken heeft aangebracht
in diezelfde periode ook aan de rechterzijde (de zuidoostzijde) van de strook een laag hekwerk heeft aangebracht
gras heeft gezaaid en struiken heeft gepland;
bestrating heeft aangelegd;
en lage afscheiding heeft gemaakt rond de plek waar de familie viste;
grond heeft afgegraven waardoor een zitplek/aanmeerplek werd gecreëerd bij het water;
in 2004 borders heeft geplaatst met beplanting;
in 2012 elektrakabels heeft aangelegd ten behoeve van verlichting.
5.4
De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat [partij A] in 1998 aan de linkerzijde een hekwerk heeft aangebracht. [partij B] betwisten dit met klem. [partij A] heeft geen foto’s in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat bedoeld hekwerk in 1998 door hem is geplaatst. Daarentegen hebben [partij B] onweersproken gesteld dat op de foto’s die [partij A] als productie 20 heeft overgelegd het hekwerk te zien zou moeten zijn, terwijl dat niet het geval is.
5.5
Zoals in 5.1 is overwogen, moet het bezit (openbaar en) ondubbelzinnig zijn. Van niet dubbelzinnig bezit is sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt, dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden, dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn.
5.6
Ook uitgaande van de juistheid van de door [partij A] gestelde feitelijke handelingen onder b. tot en met h. is van bezit dat ondubbelzinnig is, geen sprake geweest. De door [partij A] genoemde feitelijke handelingen passen niet alleen bij bezit, maar ook bij gebruik, zonder eigendomspretentie.
Van belang hierbij is dat tussen partijen niet in geschil is dat Infracom na aankoop van de percelen van [partij B] in verband met het ontbreken van een ontgrondingsvergunning gedurende langere tijd geen zand heeft kunnen winnen. Door [partij B] is onweersproken gesteld dat de plas en de grond daaromheen door omwonenden en derden feitelijk werden gebruikt voor zwemmen, varen en vissen. Ten behoeve van dat gebruik werden door omwonenden ook afscheidingen en bouwwerken als steigers aangebracht. Er was dus sprake van een breed feitelijk en recreatief gebruik, zonder eigendomspretentie, door omwonenden en derden waarbij voor betrokkenen duidelijk was dat dit gebruik door Infracom (impliciet) werd toegestaan/gedoogd. Gelet op dit gedoogde gebruik in afwachting van provinciale toestemming voor (verdere) ontgronding kan niet snel worden aangenomen dat feitelijke handelingen die ook passen bij gebruik (zonder eigendomspretentie) als bezitsdaden (met eigendomspretentie) moeten worden aangemerkt.Verder is van belang dat niet iedere afpaling of omheining per definitie is te duiden als een bezitsdaad. De aangebrachte hekwerken waren laag; er kon eenvoudig overheen worden gestapt. Ook de andere feitelijke handelingen die [partij A] heeft genoemd passen bij zowel gebruik als bezit en wijzen daarmee niet op ondubbelzinnig bezit. Het aanleggen van tuin, het plaatsen van hekwerken (vanwege de veiligheid van kinderen en dieren), beplantingen en aangebrachte elektra zijn relatief eenvoudig ongedaan te maken. Voorts bevinden alle bouwwerken van [partij A] zich op zijn kadastrale perceel. Dat een deel van het uitgebouwde houthok zich op de strook grond bevindt, is door [partij A] niet aangetoond. Dit blijkt in ieder geval niet uit de foto’s die [partij A] als productie 17 in het geding heeft gebracht.
5.7
Dat geen sprake is geweest van ondubbelzinnig bezit leidt de rechtbank verder af uit de navolgende omstandigheden.
5.7.1
De door [partij A] aangebrachte afscheidingen lieten de mogelijkheid open dat medewerkers van Infracom en anderen de strook grond betraden. [partij A] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat hij hiertegen op enigerlei wijze is opgetreden. In dat verband heeft [partij A] onvoldoende weersproken dat de vader van [partij B3] als werknemer van Infracom destijds periodieke controles verrichtte en regelmatig rond de plas en over de strook grond liep. Dat wijst eerder op gebruik dan op bezit.
5.7.2
Verder hebben [partij B] een schriftelijke verklaring van de heer [naam 2] in het geding gebracht. De verklaring houdt, voor zover van belang, in dat [naam 2] sinds 1980 joeg met toestemming van de (kadastrale) eigenaren en daarvoor ook een vergoeding afdraagt en hij tot 2015 de strook grond onbelemmerd kon betreden, waarbij kleine en lage afrasteringen geen belemmering vormden voor uitoefening van de jacht. De laatste jaren kon hij de strook niet meer betreden vanwege braamstruiken. Hij liep sindsdien over de straat om van het terrein van thans [partij B1] naar het terrein van (thans) [partij B2] te gaan. De verklaring is ondertekend door hem en drie collega-jagers. Uit de verklaring leidt de rechtbank af dat tot 2015 jagers de strook betraden in verband met hun jacht-activiteiten. Er zijn daarbij geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat zij er vanuit gingen dat [partij A] bezitter/eigenaar was; toestemming voor betreding van de strook in de periode 1998-2015 is aan [partij A] niet gevraagd en de jagers hebben evenmin een vergoeding betaald voor het gebruik van de strook. Dat [naam 2] nadien in een door [partij A] (heimelijk) opgenomen gesprek heeft gezegd dat hij voor de jacht percelen van [partij B] heeft gehuurd voor een periode van 12 jaar en daarbij de vraag van [partij A] of dat ook ging om de strook grond ontkennend heeft beantwoord, doet aan het voorgaande niet af. Dat heeft immers betrekking op omstandigheden die zich in 2023 of later hebben voorgedaan, en doet dus niet af aan de betwisting van het bezit door [partij B] in de eerste twintig jaar na 1998.
5.7.3
Dat zowel [partij A] zelf als de toenmalig rechthebbende, Infracom, aannamen dat de strook grond in eigendom aan Infracom toebehoorde, vindt bevestiging in diverse e-mails en verklaringen. Voor [partij A] zijn dat de e-mails die [partij B] als producties 6 t/m 10 in het geding hebben gebracht. Zo schrijft [partij A] in zijn e-mail van 7 maart 2022 onder meer het volgende:
“Wij wonen dit jaar in april 37 jaar aan het zandgat we hebben al die tijd gebruik gemaakt van de grond tussen onze grond en het zandgat, dat ging steeds in goede samen werking met de zandwinner en we hebben daar steeds energie in gestoken om de natuur goed te houden. Wij zijn nu met pensioen en we hopen er nog van te kunnen blijven genieten. We begrijpen dat andere aanwonenden ook meer grond willen aan schaffen, wij willen dat ook graag maar wel voor een te betalen bedrag.”
De latere e-mails van [partij A] van 8 en 29 maart 2022, 10 oktober 2022 en 13 december 2022 zien ook op de eventuele aankoop van grond van Infracom en welke prijs daarvoor zou moeten worden betaald. Uit de hiervoor bedoelde e-mails van [partij A] kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat [partij A] zelf er op dat moment ook (nog) vanuit ging dat hij geen eigenaar was van de strook grond. Zijn voorstel tot aankoop van grond zag onmiskenbaar in ieder geval óók op de strook en niet valt in te zien om welke reden [partij A] een dergelijk voorstel zou doen, terwijl hij al eigenaar van de strook zou zijn.
5.7.4
Dat ook Infracom ervan uitging dat [partij A] niet heeft gepretendeerd en niet pretendeerde eigenaar te zijn van de strook grond wordt bevestigd door de schriftelijke verklaringen van [naam 3] van 26 september 2025 en 13 november 2025 die [partij B] als producties 14 en 15 hebben overgelegd. Zo heeft [naam 3] in zijn hoedanigheid van hoofdverantwoordelijke van Infracom onder meer het volgende verklaard:
“3. Mij is niet bekend dat de heer [partij A] aanspraak heeft gemaakt op eigendom van deze strook grond gedurende de periode dat Infracom B.V. eigenaar was. Hij heeft ons ook nooit gemeld dat hij het terrein als zijn privéterrein beschouwde.
4. In 2022 heeft de heer [partij A] schriftelijk een verzoek gedaan om (een deel van) de strook grond te kopen. Voor mij bevestigde dit dat hij er van wist dat de grond aan Infracom toebehoorde, en dat hij er geen recht op had. Er is nooit sprake geweest van verkoop of overdracht.
5. In de periode waarin Infracom eigenaar was, is de strook grond nooit aan de heer [partij A] in eigendom of exclusief gebruik gegeven, mondeling of schriftelijk. Er zijn ook geen afspraken gemaakt waarin hij toestemming kreeg om het terrein als privé te gebruiken.”
5.7.5
Tot slot bleef de strook grond visueel gescheiden van het kadastrale perceel van [partij A] . Niet kan worden gezegd dat de strook grond bij de tuin van [partij A] is betrokken, in die zin dat sprake is van een optische eenheid die door [partij A] is gecreëerd en in stand gehouden.
Ten aanzien van de buis
5.8
Uit het voorgaande volgt dat het primaire standpunt van [partij A] dat hij eigenaar is van de strook grond en dat hij daarom de buis die hij daarop of daarin heeft geplaatst niet hoeft te verwijderen, faalt.
5.9
[partij A] stelt dat hij rond 1996 op zijn perceel een pomp heeft geplaatst waarmee hij water uit de zandwinning haalt ten behoeve van het bewateren van de eigen tuin. De buis die bij deze pomp hoort bevindt zich op of in het kadastrale perceel van [partij B1] en ligt tot ongeveer 10 meter in het water. [partij A] erkent dat dit onrechtmatig is maar hij stelt (subsidiair) dat een eventuele vordering tot verwijdering van de buis inmiddels is verjaard.
5.10
[partij B1] betwist dat de vordering tot verwijdering van de buis is verjaard. Volgens [partij B1] heeft [partij A] onvoldoende gesteld dat hij in 1996 daadwerkelijk een buis heeft geplaatst onder de grond vanaf zijn schuur tot 10 meter in het water en dat deze situatie tot op heden voortduurt. Subsidiair betwist [partij B1] dat sprake is van een ondubbelzinnige en openbare handeling die gericht was op inbezitneming van (een gedeelte van) de plas.
5.11
De rechtbank overweegt dat [partij A] met het plaatsen van de buis continue inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [partij B1] waardoor sprake is van een onrechtmatige toestand. Artikel 3:314 lid 1 BW bepaalt dat de termijn van verjaring van een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden. Het is aan de schuldenaar ( [partij A] ) om te stellen en zo nodig te bewijzen wanneer de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen. De rechtbank oordeelt dat [partij A] met de door hem als productie 13 overgelegde foto’s voldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd dat hij (in ieder geval) sinds eind 1997/begin 1998 vanaf de pomp in de schuur op zijn kadastrale perceel een buis op of in het kadastrale perceel van [partij B1] tot een aantal meter in de zandwinning/plas heeft aangebracht. Op de foto’s zijn onder meer plastic flessen te zien waarmee de buis in het water blijft liggen in plaats van op de bodem in het zand. [partij B1] heeft dit onvoldoende gemotiveerd bestreden. De enkele foto van het perceel van [partij A] uit 2009 die [partij B1] als productie 18 heeft overgelegd waarop volgens hem op het water geen drijver te zien zou zijn, is daarvoor – in het licht van de gemotiveerde stelling van [partij A] – onvoldoende. Dit betekent dat de verjaringstermijn vanaf eind 1997/begin 1998 een aanvang heeft genomen en eind 2017/begin 2018 is geëindigd. [partij B1] heeft eerst met het instellen van zijn tegenvorderingen op 17 december 2025 – dus ruim na het verstrijken van de verjaringstermijn – verwijdering van de buis gevorderd. Het subsidiaire verweer van [partij B1] dat het plaatsen van de buis geen bezitshandeling is, is niet relevant voor de hier te beantwoorden vraag of de verjaringstermijn van artikel 3:314 lid 1 BW al dan niet is verstreken en treft daarom geen doel. Hieruit volgt dat de door [partij A] sub (2) gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is.
Conclusie
5.12
De rechtbank komt tot de slotsom dat alleen de ten aanzien van [partij B1] gevorderde verklaring voor recht dat de door [partij A] geplaatste buis die in het water ligt op perceel [kadastrale aanduidingen 2] in het water/op voormeld perceel mag blijven liggen, voor toewijzing in aanmerking komt, omdat de vordering tot verwijdering van deze buis is verjaard. De overige gevorderde verklaringen voor recht moeten worden afgewezen.
Proceskosten
5.13
[partij A] is ten aanzien van [partij B2] en [partij B3] in het ongelijk gesteld en moet daarom hun proceskosten betalen. De proceskosten van [partij B2] en [partij B3] worden begroot op:
- griffierecht
€
165,50
(€ 331,00 : 2)
- salaris advocaat
€
979,50
(3 punten × € 653,00 : 2)
- nakosten
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.440,50
5.14
[partij A] en [partij B1] zijn allebei deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding om tussen hen de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.15
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.16
Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de primaire vordering van [partij B] tot ontruiming van hun percelen [kadastrale aanduidingen 3] en [kadastrale aanduidingen 2] toewijsbaar is en dat de vordering van [partij B1] tot verwijdering van de buis wordt afgewezen.
Proceskosten
5.17
[partij A] is ten aanzien van [partij B2] en [partij B3] in het ongelijk gesteld en moet daarom hun proceskosten betalen. De proceskosten van [partij B2] en [partij B3] worden begroot op € 489,75 aan salaris advocaat (3 punten x factor 0,5 x tarief € 653,00 : 2).
[partij B1] en [partij A] zijn allebei deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding om tussen hen de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.18
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1
verklaart voor recht dat de door [partij A] geplaatste buis die in het water ligt op het perceel [kadastrale aanduidingen 2] in het water/op/in voormeld perceel mag blijven liggen, omdat de vordering tot verwijdering van deze buis is verjaard;
6.2
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van [partij B2] en [partij B3] van € 1.440,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening en te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag € 1.538,50 (€ 1.440,50 + € 98,00 en de kosten van betekening) vanaf de vijftiende dag na de betekening;
6.3
compenseert de proceskosten tussen [partij A] en [partij B1] , in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
6.5
veroordeelt [partij A] de percelen van [partij B] ( [kadastrale aanduidingen 3] en [kadastrale aanduidingen 2] ) te ontruimen met alle personen en zaken (met uitzondering van de in 6.1 bedoelde buis) die zich daar vanwege [partij A] (mochten) bevinden en deze percelen ontruimd te houden;
6.6
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van [partij B2] en [partij B3] van € 489,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
6.7
veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.8
compenseert de proceskosten tussen [partij B1] en [partij A] , in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.9
wijst af het meer of anders gevorderde;
in conventie en reconventie
6.10
veroordeelt [partij A] tot betaling van de nakosten van € 296,00, te vermeerderen met
€ 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.11
verklaart 6.2, 6.5, 6.6 en 6.7 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026. (PvdS)
Zie Gerechtshof Arnhem 7 december 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO6315
Zie randnummer 32 van de dagvaarding
Zie ook ECLI:NL:PHR:2026:255 en ECLI:NL:PHR:2026:383
Zie producties 17 en 24 van [partij B]