Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:4994
2026-08-04
Civiel recht
12134214 \ CV EXPL 26-340
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Financial lease overeenkomst bedrijfsauto.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.772 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12134214 \ CV EXPL 26-340
Vonnis van 4 augustus 2026
in de zaak van
VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V., handelend onder de naam Dutch Finance,
kantoorhoudende in Amersfoort,
eisende partij, hierna te noemen: Dutch Finance,
gemachtigde: Jongejan & Wisseborn , mr. H.J.M. Hofman
tegen
[gedaagde]
, handelend onder de naam [bedrijf 1] en voorheen [bedrijf 2] ,
wonende in [woonplaats],
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon.
1Samenvatting van de zaak
Dutch Finance en [gedaagde] zijn een huurkoopovereenkomst (financiële leaseovereenkomst) aangegaan voor een bedrijfsauto. [gedaagde] heeft niet alle maandelijkse termijnen betaald.
[gedaagde] heeft de bedrijfsauto ingeleverd en de overeenkomst is ontbonden.
De kantonrechter wijst de vordering van Dutch Finance voor betaling van de maandelijkse termijnen, de rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten (gedeeltelijk) toe.
2De procedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit;
de dagvaarding van 2 maart 2026 (met producties 1 t/m 5);
de conclusie van antwoord van 24 maart 2026;
de op 12 juni 2026 door Dutch Finance toegezonden stukken (producties 6 en 7).
2.2
De mondeling behandeling heeft op 3 juli 2026 plaatsgevonden. Voor Dutch Finance was aanwezig mr. Hofman. [gedaagde] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. De kantonrechter heeft de mondelinge behandeling gesloten en bepaald dat hij vonnis zal wijzen.
3De feiten
3.1
Tussen Dutch Finance en [gedaagde] is op 27 februari 2024 schriftelijk een
huurkoopovereenkomst gesloten (financiële leaseovereenkomst, hierna; overeenkomst) voor
een Renault Trafic 1.6 (hierna: de bedrijfsauto).
3.2
Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden Financial Lease (hierna: de
algemene voorwaarden) van Dutch Finance van toepassing. Daarin staat, voor zover van
belang voor het geschil, het volgende:
“4. Hoe en hoeveel betaalt u?
[…]
4.4.
Het betaalschema dat is opgenomen in uw contract is dwingend en u mag daar niet van afwijken dit betekent dat u bij niet-volledige of niet-tijdige betaling direct in verzuim bent zonder dat daarvoor eerst nog een ingebrekestelling nodig is. U bent dan aan ons een achterstandsrente verschuldigd over het openstaande bedrag. Deze achterstandsrente is gelijk aan de debetrentevoet in uw contract. De achterstandsrente wordt gerekend vanaf de datum waarop u had moeten betalen tot de datum waarop uw betaling alsnog door ons is ontvangen.
4.5.
Moeten wij incassokosten maken, dan zijn die voor uw rekening. Die kosten zijn minimaal 15% van het openstaande bedrag, met een minimum van € 40,00 exclusief btw.
[…]”
3.3
[gedaagde] heeft een aantal maandelijkse leasetermijnen niet (tijdig) betaald, waardoor
een betalingsachterstand was ontstaan. Hij heeft deze betalingsachterstand op 18 december
2024 doormiddel van een eenmalige betaling ingelopen maar heeft in januari 2025 weer een
een betalingsachterstand laten ontstaan.
3.4
[gedaagde] heeft in januari 2025 de bedrijfsauto ingeleverd bij Dutch Finance. Dutch
Finance heeft de bedrijfsauto vervolgens laten taxeren en geveild.
4Het geschil
4.1
Dutch Finance vordert -samengevat- dat [gedaagde] door een vonnis wordt
veroordeeld tot betaling van € 13.496,73. Dit bedrag bestaat uit de openstaande lening (na
aftrek van de verkoopopbrengst van de bedrijfsauto) ter hoogte van € 10.364,05, te
vermeerderen met € 70,02 aan vertragingsrente, € 1.168,88 rente, € 1.565,11 aan
buitengerechtelijke kosten en € 328,67 omzetbelasting over de buitengerechtelijke kosten.
Dutch Finance wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als
erom het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
4.2
Dutch Finance legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen
bestaat een financial leaseovereenkomst. [gedaagde] is in gebreke gebleven met de
voldoening van de maandelijkse termijnen en heeft de bedrijfsauto ingeleverd waardoor het
volledige saldo -de resterende hoofdsom- van de financiering en
de achterstandsrente opeisbaar zijn geworden. De resterende hoofdsom is door [gedaagde] tot
op heden onbetaald gelaten.
4.3
[gedaagde] voert verweer.
4.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
[gedaagde] is géén consument
5.1
Dutch Finance heeft onweersproken gesteld dat er sprake is van een zakelijke
overeenkomst tussen partijen. [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van zijn bedrijf en
heeft de bedrijfsauto gefinancierd in het kader van de exploitatie van zijn bedrijf. Als
gevolg hiervan zijn consument beschermende bepalingen niet van toepassing.
Ontbinding van de leaseovereenkomst
5.2
Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij een huurkoopovereenkomst (met toepassing van algemene voorwaarden) hebben gesloten voor een bedrijfsauto.
5.3
De bedrijfsauto is in de loop van januari 2025 door [gedaagde] ingeleverd bij Dutch
Finance. De kantonrechter constateert op basis van artikel 7:90 BW dat het inleveren van de
bedrijfsauto de ontbinding van de leaseovereenkomst tot gevolg heeft.Hoofdsom
5.4
Dutch Finance vordert betaling van de hoofdsom van € 10.364,05. Op het
totaalbedrag dat [gedaagde] moet voldoen zijn de betalingen door [gedaagde] en de verkoop van
de bedrijfsauto al in mindering gebracht. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de
hoofdsom en de berekening daarvan door Dutch Finance niet weersproken.
5.5
[gedaagde] voert aan dat hij op het moment van inleveren van de bedrijfsauto geen
betalingsachterstand had. [gedaagde] heeft op18 december 2024 aan Fidron, het door Dutch
Finance ingeschakelde incassobureau, een eenmalige betaling gedaan van € 1.273,30.
Door die betaling aan Fidron had [gedaagde] op het moment van ontbinding van de
overeenkomst in januari 2025 geen betalingsachterstand van achterstallige leasetermijnen.
5.6
De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] weliswaar in december 2024 weer ‘bij’
was met betalen maar dat hij in januari 2025 vervolgens weer een betalingsachterstand heeft
laten ontstaan. Daarna heeft Dutch Finance de auto ingevorderd en heeft [gedaagde] de auto
ingeleverd. Dit maakt dat het verweer van [gedaagde] niet opgaat.
Uit het door Dutch Finance overgelegde betaaloverzicht volgt overigens dat [gedaagde] op 18
december 2024 een eenmalige betaling zou hebben gedaan van een ander bedrag namelijk
€ 916,35. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Dutch Finance toegelicht dat het
verschil te verklaren in door de incassokosten die Fidron voor haar werkzaamheden in
rekening heeft gebracht aan Dutch Finance. Dutch Finance heeft die
incassokosten doorberekend aan [gedaagde] .
5.7
De kantonrechter oordeelt dat Dutch Finance de kosten die Fidron aan Dutch
Finance in rekening heeft gebracht niet voor rekening mocht laten komen van [gedaagde] .
Dutch Finance heeft tijdens de mondelinge behandeling niet onderbouwd waarom deze
incassokosten voor de werkzaamheden van Fidron toewijsbaar zijn naast de door Dutch
Finance gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit betekent dat
een bedrag van € 356,95, het verschil tussen € 1.273,30 en € 916,35, in mindering zal
worden gebracht op de gevorderde openstaande hoofdsom van € 10.364,05. De openstaande
hoofdsom is zodoende € 10.007,10 (€ 10.364,05 verminderd met € 356,95). De vordering
van Dutch Finance tot betaling van de hoofdsom wordt door de kantonrechter daarmee
gedeeltelijk toegewezen.
Contractuele rente
5.8
Dutch Finance vordert een bedrag van € 70,02 aan (vertragings)rente tot en met 21
mei 2025, een bedrag van € 1.168,88 rente van 21 mei 2025 tot en met 13 februari 2026
alsmede de contractuele rente van 14,923% over de resterende hoofdsom, vanaf 16 februari
2026, tot aan de dag van volledige betaling. [gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer
gevoerd tegen deze vordering. Vaststaat dat [gedaagde] in verzuim verkeert. Deze vordering
zal daarom door de kantonrechter worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.9
Dutch Finance vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De
vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 lid 2 BW en het Besluit
vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Dutch Finance
heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn
verricht. Dutch Finance heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die
werkzaamheden.
De gevorderde vergoeding van € 1.565,11 vermeerderd met de gevorderde btw van
€ 328,67 is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 1.058,84 bij een hoofdsom van
€ 10.007,10 (als genoemd in rechtsoverweging 5.7).
De kantonrechter overweegt het volgende. Weliswaar is Dutch Finance een ondernemer in
de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968, maar zij heeft onbetwist gesteld
dat zij voor deze kosten niet btw plichtig is en deze kosten niet kan verrekenen.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten komen de kantonrechter evenwel niet redelijk en
bovenmatig voor aangezien [gedaagde] door nalatigheid van betalen van rechtswege reeds in
verzuim was. Er is door Dutch Finance nog slechts één brief op 6 juni 2025 aan [gedaagde]
verstuurd. Gesteld noch gebleken is dat de werkelijke buitengerechtelijke
incassokosten van Dutch Finance hoger zijn dan wanneer aansluiting gezocht wordt bij de in
het Besluit bepaalde tarief. Het gevorderde bedrag zal daarom door de kantonrechter
ambtshalve op grond van artikel 242 Rv worden gematigd tot in het Besluit bepaalde tarief
van € 1.058,84. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden daarmee
gedeeltelijk toegewezen.
Verkoop bedrijfsauto
5.10
Nadat [gedaagde] de bedrijfsauto in januari 2025 had ingeleverd heeft Dutch Finance
de bedrijfsauto geveild. Dutch Finance was hiertoe gerechtigd op basis van artikel 2.1 en
artikel 5.3 van de algemene voorwaarden. De kantonrechter laat ik het middel of [gedaagde] de
bedrijfsauto eventueel voor een hoger bedrag kon verkopen, omdat [gedaagde] daar niet toe
gerechtigd was.
Conclusie: de vordering wordt deels toegewezen
5.11
Samengevat wijst de kantonrechter de volgende bedragen toe.
Openstaande hoofdsom: € 10.007,10,
Rente: € 70,02 vermeerderd met € 1.168,88 rente,
Totale openstaande hoofdsom vermeerderd met de rente: € 11.246,00.Buitengerechtelijke incassokosten: € 1.058,84.
Proceskosten
5.12
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Dutch Finance worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
1.504,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.665,77
6De beslissing
De kantonrechter:
6.1
veroordeelt [gedaagde] om aan Dutch Finance te betalen een bedrag van € 11.246,00,
te vermeerderen met de contractuele rente van 14,923% per jaar over een bedrag van
€ 10.007,10, met ingang van 16 februari 2026, tot de dag van volledige betaling.
6.2
veroordeelt [gedaagde] om aan Dutch Finance te betalen een bedrag van € 1.058,84
aan buitengerechtelijke kosten,
6.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.665,77, te betalen binnen veertien
dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde]
niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. van Beusekom en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12134214 \ CV EXPL 26-340
Vonnis van 4 augustus 2026
in de zaak van
VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V., handelend onder de naam Dutch Finance,
kantoorhoudende in Amersfoort,
eisende partij, hierna te noemen: Dutch Finance,
gemachtigde: Jongejan & Wisseborn , mr. H.J.M. Hofman
tegen
[gedaagde]
, handelend onder de naam [bedrijf 1] en voorheen [bedrijf 2] ,
wonende in [woonplaats],
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon.
1Samenvatting van de zaak
Dutch Finance en [gedaagde] zijn een huurkoopovereenkomst (financiële leaseovereenkomst) aangegaan voor een bedrijfsauto. [gedaagde] heeft niet alle maandelijkse termijnen betaald.
[gedaagde] heeft de bedrijfsauto ingeleverd en de overeenkomst is ontbonden.
De kantonrechter wijst de vordering van Dutch Finance voor betaling van de maandelijkse termijnen, de rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten (gedeeltelijk) toe.
2De procedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit;
de dagvaarding van 2 maart 2026 (met producties 1 t/m 5);
de conclusie van antwoord van 24 maart 2026;
de op 12 juni 2026 door Dutch Finance toegezonden stukken (producties 6 en 7).
2.2
De mondeling behandeling heeft op 3 juli 2026 plaatsgevonden. Voor Dutch Finance was aanwezig mr. Hofman. [gedaagde] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. De kantonrechter heeft de mondelinge behandeling gesloten en bepaald dat hij vonnis zal wijzen.
3De feiten
3.1
Tussen Dutch Finance en [gedaagde] is op 27 februari 2024 schriftelijk een
huurkoopovereenkomst gesloten (financiële leaseovereenkomst, hierna; overeenkomst) voor
een Renault Trafic 1.6 (hierna: de bedrijfsauto).
3.2
Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden Financial Lease (hierna: de
algemene voorwaarden) van Dutch Finance van toepassing. Daarin staat, voor zover van
belang voor het geschil, het volgende:
“4. Hoe en hoeveel betaalt u?
[…]
4.4.
Het betaalschema dat is opgenomen in uw contract is dwingend en u mag daar niet van afwijken dit betekent dat u bij niet-volledige of niet-tijdige betaling direct in verzuim bent zonder dat daarvoor eerst nog een ingebrekestelling nodig is. U bent dan aan ons een achterstandsrente verschuldigd over het openstaande bedrag. Deze achterstandsrente is gelijk aan de debetrentevoet in uw contract. De achterstandsrente wordt gerekend vanaf de datum waarop u had moeten betalen tot de datum waarop uw betaling alsnog door ons is ontvangen.
4.5.
Moeten wij incassokosten maken, dan zijn die voor uw rekening. Die kosten zijn minimaal 15% van het openstaande bedrag, met een minimum van € 40,00 exclusief btw.
[…]”
3.3
[gedaagde] heeft een aantal maandelijkse leasetermijnen niet (tijdig) betaald, waardoor
een betalingsachterstand was ontstaan. Hij heeft deze betalingsachterstand op 18 december
2024 doormiddel van een eenmalige betaling ingelopen maar heeft in januari 2025 weer een
een betalingsachterstand laten ontstaan.
3.4
[gedaagde] heeft in januari 2025 de bedrijfsauto ingeleverd bij Dutch Finance. Dutch
Finance heeft de bedrijfsauto vervolgens laten taxeren en geveild.
4Het geschil
4.1
Dutch Finance vordert -samengevat- dat [gedaagde] door een vonnis wordt
veroordeeld tot betaling van € 13.496,73. Dit bedrag bestaat uit de openstaande lening (na
aftrek van de verkoopopbrengst van de bedrijfsauto) ter hoogte van € 10.364,05, te
vermeerderen met € 70,02 aan vertragingsrente, € 1.168,88 rente, € 1.565,11 aan
buitengerechtelijke kosten en € 328,67 omzetbelasting over de buitengerechtelijke kosten.
Dutch Finance wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als
erom het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
4.2
Dutch Finance legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen
bestaat een financial leaseovereenkomst. [gedaagde] is in gebreke gebleven met de
voldoening van de maandelijkse termijnen en heeft de bedrijfsauto ingeleverd waardoor het
volledige saldo -de resterende hoofdsom- van de financiering en
de achterstandsrente opeisbaar zijn geworden. De resterende hoofdsom is door [gedaagde] tot
op heden onbetaald gelaten.
4.3
[gedaagde] voert verweer.
4.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
[gedaagde] is géén consument
5.1
Dutch Finance heeft onweersproken gesteld dat er sprake is van een zakelijke
overeenkomst tussen partijen. [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van zijn bedrijf en
heeft de bedrijfsauto gefinancierd in het kader van de exploitatie van zijn bedrijf. Als
gevolg hiervan zijn consument beschermende bepalingen niet van toepassing.
Ontbinding van de leaseovereenkomst
5.2
Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij een huurkoopovereenkomst (met toepassing van algemene voorwaarden) hebben gesloten voor een bedrijfsauto.
5.3
De bedrijfsauto is in de loop van januari 2025 door [gedaagde] ingeleverd bij Dutch
Finance. De kantonrechter constateert op basis van artikel 7:90 BW dat het inleveren van de
bedrijfsauto de ontbinding van de leaseovereenkomst tot gevolg heeft.Hoofdsom
5.4
Dutch Finance vordert betaling van de hoofdsom van € 10.364,05. Op het
totaalbedrag dat [gedaagde] moet voldoen zijn de betalingen door [gedaagde] en de verkoop van
de bedrijfsauto al in mindering gebracht. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de
hoofdsom en de berekening daarvan door Dutch Finance niet weersproken.
5.5
[gedaagde] voert aan dat hij op het moment van inleveren van de bedrijfsauto geen
betalingsachterstand had. [gedaagde] heeft op18 december 2024 aan Fidron, het door Dutch
Finance ingeschakelde incassobureau, een eenmalige betaling gedaan van € 1.273,30.
Door die betaling aan Fidron had [gedaagde] op het moment van ontbinding van de
overeenkomst in januari 2025 geen betalingsachterstand van achterstallige leasetermijnen.
5.6
De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] weliswaar in december 2024 weer ‘bij’
was met betalen maar dat hij in januari 2025 vervolgens weer een betalingsachterstand heeft
laten ontstaan. Daarna heeft Dutch Finance de auto ingevorderd en heeft [gedaagde] de auto
ingeleverd. Dit maakt dat het verweer van [gedaagde] niet opgaat.
Uit het door Dutch Finance overgelegde betaaloverzicht volgt overigens dat [gedaagde] op 18
december 2024 een eenmalige betaling zou hebben gedaan van een ander bedrag namelijk
€ 916,35. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Dutch Finance toegelicht dat het
verschil te verklaren in door de incassokosten die Fidron voor haar werkzaamheden in
rekening heeft gebracht aan Dutch Finance. Dutch Finance heeft die
incassokosten doorberekend aan [gedaagde] .
5.7
De kantonrechter oordeelt dat Dutch Finance de kosten die Fidron aan Dutch
Finance in rekening heeft gebracht niet voor rekening mocht laten komen van [gedaagde] .
Dutch Finance heeft tijdens de mondelinge behandeling niet onderbouwd waarom deze
incassokosten voor de werkzaamheden van Fidron toewijsbaar zijn naast de door Dutch
Finance gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit betekent dat
een bedrag van € 356,95, het verschil tussen € 1.273,30 en € 916,35, in mindering zal
worden gebracht op de gevorderde openstaande hoofdsom van € 10.364,05. De openstaande
hoofdsom is zodoende € 10.007,10 (€ 10.364,05 verminderd met € 356,95). De vordering
van Dutch Finance tot betaling van de hoofdsom wordt door de kantonrechter daarmee
gedeeltelijk toegewezen.
Contractuele rente
5.8
Dutch Finance vordert een bedrag van € 70,02 aan (vertragings)rente tot en met 21
mei 2025, een bedrag van € 1.168,88 rente van 21 mei 2025 tot en met 13 februari 2026
alsmede de contractuele rente van 14,923% over de resterende hoofdsom, vanaf 16 februari
2026, tot aan de dag van volledige betaling. [gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer
gevoerd tegen deze vordering. Vaststaat dat [gedaagde] in verzuim verkeert. Deze vordering
zal daarom door de kantonrechter worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.9
Dutch Finance vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De
vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 lid 2 BW en het Besluit
vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Dutch Finance
heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn
verricht. Dutch Finance heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die
werkzaamheden.
De gevorderde vergoeding van € 1.565,11 vermeerderd met de gevorderde btw van
€ 328,67 is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 1.058,84 bij een hoofdsom van
€ 10.007,10 (als genoemd in rechtsoverweging 5.7).
De kantonrechter overweegt het volgende. Weliswaar is Dutch Finance een ondernemer in
de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968, maar zij heeft onbetwist gesteld
dat zij voor deze kosten niet btw plichtig is en deze kosten niet kan verrekenen.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten komen de kantonrechter evenwel niet redelijk en
bovenmatig voor aangezien [gedaagde] door nalatigheid van betalen van rechtswege reeds in
verzuim was. Er is door Dutch Finance nog slechts één brief op 6 juni 2025 aan [gedaagde]
verstuurd. Gesteld noch gebleken is dat de werkelijke buitengerechtelijke
incassokosten van Dutch Finance hoger zijn dan wanneer aansluiting gezocht wordt bij de in
het Besluit bepaalde tarief. Het gevorderde bedrag zal daarom door de kantonrechter
ambtshalve op grond van artikel 242 Rv worden gematigd tot in het Besluit bepaalde tarief
van € 1.058,84. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden daarmee
gedeeltelijk toegewezen.
Verkoop bedrijfsauto
5.10
Nadat [gedaagde] de bedrijfsauto in januari 2025 had ingeleverd heeft Dutch Finance
de bedrijfsauto geveild. Dutch Finance was hiertoe gerechtigd op basis van artikel 2.1 en
artikel 5.3 van de algemene voorwaarden. De kantonrechter laat ik het middel of [gedaagde] de
bedrijfsauto eventueel voor een hoger bedrag kon verkopen, omdat [gedaagde] daar niet toe
gerechtigd was.
Conclusie: de vordering wordt deels toegewezen
5.11
Samengevat wijst de kantonrechter de volgende bedragen toe.
Openstaande hoofdsom: € 10.007,10,
Rente: € 70,02 vermeerderd met € 1.168,88 rente,
Totale openstaande hoofdsom vermeerderd met de rente: € 11.246,00.Buitengerechtelijke incassokosten: € 1.058,84.
Proceskosten
5.12
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Dutch Finance worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
1.504,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.665,77
6De beslissing
De kantonrechter:
6.1
veroordeelt [gedaagde] om aan Dutch Finance te betalen een bedrag van € 11.246,00,
te vermeerderen met de contractuele rente van 14,923% per jaar over een bedrag van
€ 10.007,10, met ingang van 16 februari 2026, tot de dag van volledige betaling.
6.2
veroordeelt [gedaagde] om aan Dutch Finance te betalen een bedrag van € 1.058,84
aan buitengerechtelijke kosten,
6.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.665,77, te betalen binnen veertien
dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde]
niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. van Beusekom en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.