Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:4806
2026-07-01
Civiel recht
C/08/332325 / HA ZA 25-135
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Een geschil over de aanleg van een voetpad en de eigendom van een deel van een halletje.
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2010:BL5262 Hoge Raad 23-04-2010
- ECLI:NL:HR:1989:AD0830 Hoge Raad 23-06-1989
- ECLI:NL:HR:2000:AA8901 Hoge Raad 08-12-2000
- ECLI:NL:HR:2013:BZ2904 Hoge Raad 19-04-2013
- ECLI:NL:HR:2014:337 Hoge Raad 14-02-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (46.288 tekens)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/332325 / HA ZA 25-135
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
1
[partij A 1],
te [woonplaats 1],2. [partij A 2],
te [woonplaats 2],
eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [partij A 1], [partij A 2] en gezamenlijk [partij A],
advocaat: mr. H.J. Ligtenbarg,
tegen
1
[partij B 1],
te [woonplaats 3],2. [partij B 2],
te [woonplaats 4],3. [partij B 3],
te [woonplaats 5],
gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [partij B 1], [partij B 2], [partij B 3] en gezamenlijk [partij B],
advocaat: mr. E.P. Cornel.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties,
- de aanvullende producties van de zijde van [partij B],
- de mondelinge behandeling van 12 november 2026, waar partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij van de zijde van [partij A] ook gebruik is gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
1.2
Aan het einde van de mondelinge behandeling hebben partijen verzocht de zaak aan te houden om te proberen een minnelijke regeling te treffen. Er is ook afgesproken dat [partij B] van enkele eerder ingediende producties beter te lezen versies zou overleggen en dat [partij A] nog op deze producties mochten reageren bij akte. Bij brief van 12 november 2025 is productie 55 opnieuw ingediend door [partij B] Op 17 december 2025 hebben [partij A] een akte uitlating genomen. Bij e-mailbericht van 5 januari 2026 heeft de griffier van de rechtbank aan de advocaten van partijen meegedeeld dat de brief van 19 december 2025 (met bijlage) van de zijde van [partij B], waartegen van de zijde van [partij A] bezwaar is gemaakt, niet wordt toegelaten en deze stukken geen deel zullen uitmaken van het dossier.
1.3
Nadat partijen de rechtbank hebben meegedeeld dat het niet is gelukt een minnelijke regeling te treffen is vonnis bepaald op vandaag.
2Samenvatting
Partijen zijn familie van elkaar. De verhoudingen tussen hen zijn in de loop van de tijd ernstig verstoord. [partij A] zijn eigenaar van de woning en bedrijfsruimte/winkelpand (hierna ook: bedrijfsruimte) aan de [adres 1] en [adres 2] en [partij B] zijn eigenaar van de woning aan de [adres 3]. Tussen partijen is in geschil of er op basis van gemaakte afspraken tijdens een eerder kort geding een voetpad moet worden gerealiseerd. Ook twisten zij over de eigendom van een aantal vierkante meter van een halletje dat zich bevindt tussen de woningen en het winkelpand. De rechtbank is van oordeel dat [partij B] het voetpad moeten (laten) realiseren op straffe van een dwangsom. De gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot de eigendom van het halletje wordt eveneens toegewezen. De in reconventie gevorderde schadevergoeding door [partij B 1] wijst de rechtbank af omdat deze vordering onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank licht haar oordeel hierna toe.
3De feiten
3.1
[partij B 1] was getrouwd met [naam 1]. [partij A 1], [partij B 2] en [partij B 3] zijn kinderen van [partij B 1] en [naam 1]. [partij A 1] is getrouwd met [partij A 2].
3.2
[naam 1] heeft op 22 mei 1990 de eigendom verkregen van de onroerende zaken aan de [locatie 1].
Deze onroerende zaken betroffen (onder meer) een bedrijfsruimte, waar [naam 1] zijn onderneming uitoefende, en een dubbele woning.
3.3
In augustus 1990 heeft [naam 1] twee gedeelten van het huisperceel, tezamen ter grootte van circa twee aren, zesenzestig centiaren van de percelen bekend [locatie 1] verkocht en geleverd aan [partij A] Aan de in dit kader opgemaakte notariële akte is een schetsmatige tekening gehecht, die hierna is opgenomen. In deze notariële akte zijn (onder meer) de volgende erfdienstbaarheden ten behoeve van het verkochte en ten laste van de aan verkoper ([naam 1]) verblijvende gedeelten van gemelde kadastrale percelen gevestigd:
de erfdienstbaarheid van voetpad uit te oefenen over een strook grond ter breedte van circa één meter, vijftig centimeter gelegen langs de ongeveer noord-westzijde van het lijdend erf, op gemelde tekening aangegeven met kruisarcering;
de erfdienstbaarheid van weg uit te oefenen over een strook grond ter breedte van ongeveer vijf meter gelegen langs de ongeveer oostzijde van het lijdend erf, overgaande in de erfdienstbaarheid van voetpad, een en ander zoals op gemelde tekening in kruisarcering is aangegeven.
[Afbeelding]
3.4
Sinds in ieder geval 1990 vormden [partij A] en [naam 1] een vennootschap
onder firma onder de naam V.O.F. [bedrijf] (hierna: ook de V.O.F.). De onderneming van deze V.O.F. werd uitgeoefend in de bedrijfsruimte aan het adres [adres 1] te [plaats]. De bedrijfsruimte kon vanuit de woningen van [naam 1] en [partij A] via een binnendeur worden bereikt.
3.5
Per 1 januari 2001 is [naam 1] uitgetreden uit de V.O.F.
3.6
Bij notariële akte van 10 februari 2012 heeft [naam 1] het winkelpand met schuur, ondergrond, erf en tuin aan de [adres 1], kadastraal bekend [locatie 2], groot zeven are en achtennegentig centiare, geleverd aan [partij A] In deze notariële akte is onder artikel 10 het volgende opgenomen:
Koper verleent aan verkoper en zijn echtgenote het persoonlijk recht de berging aanwezig op het gekochte te mogen blijven gebruiken en de eigendom van - koper ten behoeve van dit gebruik op de minst bezwarende wijze te mogen - betreden.
Koper verleent aan verkoper en zijn echtgenote het persoonlijk recht van weg, ten behoeve van het aan verkoper in eigendom toebehorende perceel kadastraal bekend [locatie 3] als heersend erf; en ten laste van het gekochte, als dienend erf, om over een langs de linkerzijde van het gekochte gelegen strook grond, vanaf het heersend erf te gaan naar de achter op het gekochte aanwezige tuin en omgekeerd, een en - ander zoals met groene kleur is aangegeven op een door partijen voor akkoord getekende situatieschets.
(…)
d. Deze onder a., b. en c. genoemde rechten van verkoper en zijn echtgenote - eindigen bij overlijden van de langstlevende van verkoper en zijn echtgenote of bij het metterwoon verlaten door verkoper en zijn echtgenote van de door hen - bewoonde woning aan de [adres 1] te [plaats].
Deze rechten gaan niet over op opvolgers onder bijzondere of algemene titel - van verkoper en zijn echtgenote.
De verplichting van koper gaat eveneens niet over op opvolgers onder bijzondere of algemene titel van koper.
De situatieschets waarnaar wordt verwezen is hieronder opgenomen.
[Afbeelding]
3.7
De kadastrale kaart van de situatie ter plaatse is als volgt.
[Afbeelding]
3.8
Na het uittreden van [naam 1] uit de V.O.F. zijn de verhoudingen in de familie gaandeweg (ernstig) verstoord geraakt.
3.9
[partij A] enerzijds en [naam 1] en [partij B] anderzijds hebben vanaf (omstreeks) 2020 geregeld gecorrespondeerd met elkaar.
3.10
In augustus 2021 is [partij A 1] door [naam 1] onterfd.
3.11
In oktober 2021 is door/namens [naam 1] bij de gemeente [plaats] (hierna: de gemeente) een verzoek tot het splitsen van de woning aan de [adres 1] (thans na vernummering [adres 3] en [adres 2]). Bij brief van 23 december 2021 heeft de gemeente dit verzoek afgewezen. In deze brief staat (onder meer) het volgende:
“In dit geval zijn wij van menig dat bij het splitsen van de woning in twee zelfstandige woningen er geen sprake van een goede ruimtelijke ordening, omdat:
(…)
De achterste woning in de feitelijke situatie geen eigen ontsluiting heeft. Op basis van de bouwverordening is een eigen ontsluiting wel een vereiste. Het achterste deel wordt nu ontsloten via de detailhandelsbestem-ming en via het verbindingsdeel tussen de winkel en de woningen. Dit verbindingsdeel is kadastraal gezien deels in eigendom van uw vader [[naam 1], toevoeging rechtbank] en deels in eigendom van uw broer [[partij A 1], toevoeging rechtbank]. Er is wel een recht van overpad (erfdienstbaarheid) over een strook van 1,5 meter breed aan de noordwestzijde van het perceel (ter plaatse van de tuinbestemming). Hier wordt feitelijk geen gebruik van gemaakt. De tuin is volledig ingericht als tuin. Bovendien staat er op de erfgrens een tuinmuur en een hekwerk, waardoor er nu geen doorgang is tussen de percelen.
(…)” .
3.12
Bij brief van 23 december 2021 van (de advocaat) de V.O.F. en [partij A] (als vennoten) zijn [naam 1] en [partij B 1] verzocht/gesommeerd om een bedrag van € 116.434,19 uit hoofde van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking binnen vijftien dagen aan hen te betalen.
3.13
De (toenmalige) advocaten van de) V.O.F. en [partij A] respectievelijk [naam 1] en [partij B 1] hebben overleg gevoerd. Van de zijde van [naam 1] en [partij B 1] is bij e-mailbericht van 8 maart 2022 het volgende voorstel gedaan:
“(…)
De heer [naam 2] en mevrouw [partij B 1] betalen binnen veertien dagen na aanvaarding van dit voorstel een bedrag van in totaal EUR 10.000,- aan de heer [partij A 1] en mevrouw [partij A 2];
Behoudens uitvoering van het bepaalde in artikel 1 doen partijen over en weer afstand van al hun vorderingsrechten op elkaar, hoe genaamd en uit welke hoofde dan ook (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, begrepen álle door [partij A 1] en [partij A 2] vermeende vorderingen zoals bedoeld in de brief van hun advocaat (Drijber en partners) van 23 december 2021 en alle eventuele daarmee in verband staande en daarmee samenhangende vorderingen), en verlenen zij elkaar finale kwijting over en weer. Partijen zullen geen discussie(s) meer met elkaar zoeken, hoe genaamd en uit welke hoofde dan ook.
De aldus overeengekomen regeling in der minne zal hebben te gelden als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 e.v. en bevat alle afspraken tussen partijen en treedt in de plaats van alle eerdere schriftelijke en mondelinge afspraken die partijen hebben gemaakt.
Partijen doen afstand van hun rechten om - geheel of gedeeltelijk - de vernietiging, ontbinding of wijziging van de gevolgen van de aldus overeengekomen regeling in der minne c.q. vaststellingsovereenkomst in te roepen en/of te vorderen en/of zich op nietigheid te beroepen, hoe genaamd en uit welke hoofde dan ook en al dan niet bij wijze van verweer;
Voor zover enige bepaling (of onderdeel daarvan) van de aldus overeengekomen regeling in der minne c.q. vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig of niet afdwingbaar zou zijn, laat dat de rechtsgeldigheid van de overige bepalingen (of onderdelen daarvan) onverlet. Partijen zullen in dat geval een wederzijdse acceptabele alternatieve bepaling overeenkomen, die (zoveel als rechtens mogelijk is) gelijk is aan de niet rechtsgeldige of niet afdwingbare bepaling;
Dit voorstel moet in zijn geheel worden aanvaard. Gedeeltelijke aanvaarding en/of afwijzing brengt met zich mee dat het totale voorstel komt te vervallen;
Op dit voorstel mag in rechte geen beroep worden gedaan;
Dit voorstel wordt gedaan onder voorbehoud van alle rechten en weren;
Dit voorstel vervalt 18 maart 2022 te 12.00 uur.
(…)”
Bij e-mailbericht van 24 maart 2022 is van de zijde van [partij A] aan (de toenmalige advocaat van) [naam 1] en [partij B 1] meegedeeld dat zij akkoord gaan met dit voorstel.
Bij e-mailbericht van 28 maart 2022 heeft de toenmalige advocaat van [naam 1] en [partij B 1] aan de advocaat van [partij A] meegedeeld dat zijn cliënten het geld tijdig hebben overgeboekt (zij het rechtstreeks op het bankrekeningnummer van [partij A] in plaats van op de derdenrekening).
3.14
Vervolgens hebben [partij A] en [naam 1] en [partij B 1] opnieuw op diverse momenten met elkaar gecorrespondeerd.
3.15
In augustus 2022 zijn [naam 1] en [partij B 1] een kort geding-procedure gestart tegen [partij A] Tijdens de mondelinge behandeling op 24 augustus 2022 hebben de in die procedure betrokken partijen afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een door/namens hen ondertekend proces-verbaal. De afspraken luiden, voor zover van belang, als volgt:
“(…)
2. Partijen zullen op de volgende wijze invulling geven aan de erfdienstbaarheid van voetpad: er wordt een voetpad gerealiseerd van 1,2 meter die loopt over perceel [locatie 3]. langs de noordwestelijke erfgrens van dit perceel naar de [adres 1] [hierna: het voetpad, toevoeging rechtbank], een en ander conform de notariële akte van 2 augustus 1990 (productie 2 bij de inleidende dagvaarding). die aan dit proces-verbaal zal worden gehecht. Dit zal ingaan op het moment dat beide ouders van [partij A] jr. niet meer zullen wonen aan het adres [adres 3] in [plaats]. Tot die tijd zal [partij A] jr. geen aanspraak maken op gebruik van dit voetpad.
(…)
4. Partijen spreken af, met ingang van vandaag, dat zolang vader [partij A] sr. aan het perceel [adres 3] woont, zowel hij als moeder [partij A] sr. gebruik zullen mogen maken van de achterdeur in de gezamenlijke gang die leidt naar de tuin, waarbij zij beiden een sleutel overhandigd krijgen zodat zij beiden de volledige toegang hebben tot de gemeenschappelijke hal en door de achterdeur zich naar de tuin en de berging kunnen begeven en de toegang zullen blijven hebben tot niet alleen de achterdeur maar ook de voordeur in de gemeenschappelijke hal. Zowel vader als moeder [partij A] sr. mogen de tuin gebruiken om in te zitten en te lopen. Door vader of moeder [partij A] sr. aangewezen derden mogen ook gebruik maken van deze rechten onder supervisie van vader of moeder [partij A] sr. Partijen beogen met deze tuin het stuk
grond dat kadastraal bekend is als [locatie 2].
(…)
6. Partijen spreken af dat aan de gemeenschappelijke hal geen wijzigen zullen worden aangebracht
die de doorgang voor een van de partijen of beide partijen belemmeren.
(…)”
3.16
Op [overlijdensdatum] 2023 is [naam 1] overleden.
3.17
In augustus 2023 is [partij B] verhuisd naar een (senioren)woning in [plaats].
3.18
Bij brief van 8 september 2023 is namens [partij A], onder verwijzing naar het proces-verbaal van 24 augustus 2022, verzocht het voetpad aan te leggen. Tevens is
daarbij gemeld dat de persoonlijke rechten zijn geëindigd en dat [partij A] wensen over te gaan tot afsluiting van het halletje c.q. de doorgang van de hal naar de woning van [partij B] Bij brief van 19 september 2023 heeft [partij B 3] namens [partij B 1] hierop gereageerd. In deze brief worden - kort gezegd - een aantal aspecten erkend, maar een aantal aspecten betwist. Ook worden [partij A] diverse verwijten gemaakt. Tevens worden zij (hoofdelijk) aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade.
3.19
Vervolgens hebben partijen over diverse onderwerpen, waaronder de aanleg van het voetpad en het halletje, (opnieuw) op diverse momenten met elkaar gecorrespondeerd dan wel overleg gevoerd, maar tot gewijzigde standpunten dan wel oplossingen heeft dat niet geleid.
4Het geschil in conventie en in reconventie
4.1
Het gevorderde in conventie door [partij A] strekt ertoe dat [partij B] hoofdelijk worden veroordeeld om het voetpad te (laten) realiseren, althans om te gehengen en gedogen dat [partij A] zelf dat voetpad (laten) realiseren, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en dat voor recht wordt verklaard dat het halletje integraal en in het geheel onderdeel is van de onroerende zaak, kadastraal bekend onder nummer [locatie 2] en daarmee eigendom is van [partij A]. In het verlengde van de gevorderde verklaring voor recht vorderen [partij A] dat [partij B 1] hoofdelijk worden veroordeeld om te gehengen en te gedogen dat [partij A] een muur (laten) aanbrengen op de erfgrens zodat de bestaande doorgang wordt afgesloten. Ten slotte vorderen zij dat dat [partij B] hoofdelijk worden veroordeeld in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
4.2
Het gevorderde in reconventie strekt ertoe dat [partij A] worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [partij A] Westendorp van € 50.000,- uit hoofde van onrechtmatig handelen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens vorderen [partij B] dat [partij A] (hoofdelijk) worden veroordeeld in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
4.3
Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. Op de stellingen en het verweer zal hierna, voor zover nodig nader worden ingegaan.
5
5 De beoordeling in conventie en reconventie
In conventie
Staat de vaststellingsovereenkomst van maart 2022 (met finale kwijting) in de weg aan het gevorderde?
5.1
Het meest verstrekkende verweer van [partij B] komt erop neer dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat er in maart 2022 een vaststellingsovereen-komst is gesloten waarbij de daarbij betrokken partijen over en weer finale kwijting hebben verleend en afstand doen van al hun vorderingsrechten op elkaar, hoe genaamd en uit welke hoofde dan ook. [partij A] stellen dat in maart 2022 afspraken zijn gemaakt over geldelijke vorderingen waar partijen op dat moment discussie over hadden. Dat betrof met name de vorderingen zoals genoemd in de brief van 23 december 2022 en de tegenvorderingen die [naam 1] als reactie daarop pretendeerde te hebben. In de gemaakte afspraken wordt in dat kader ook alleen gesproken over kwijting van “vorderingsrechten”. Met de afspraken in maart 2022 hebben [partij A] geen afstand gedaan van goederenrechtelijke rechten, aldus [partij A]
5.2
Naar het oordeel van de rechtbank stuit het gevorderde door [partij A] niet af op de vaststellingsovereenkomst van maart 2022. Zij overweegt daartoe het volgende.
5.3
De bepaling over finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst van maart 2022 moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Bij uitleg overeenkomstig de ‘Haviltex’-maatstaf komt het niet alleen aan op de tekst van de overeenkomst maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kunnen alle omstandigheden van het geval een rol spelen.
5.4
De rechtbank constateert dat de aanleiding voor de gemaakte afspraken in maart 2022 (hoofdzakelijk) is gelegen in de brief van 23 december 2022 van de zijde van [partij A] In deze brief vorderen [partij A] een bedrag van ruim € 116.000,- Uit de vaststellingsovereenkomst van maart 2022 volgt ook dat [naam 1] en [partij B 1] een bedrag van € 10.000,- aan [partij A] betalen. Er zijn in de vaststellingsovereenkomst geen andere kwesties specifiek en concreet benoemd, laat staan dat daar concrete en specifieke afspraken over zijn gemaakt. [partij B] hebben ook onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat partijen de bedoeling hebben gehad om (ook) afstand te doen van andere vorderingen dan wel rechten dan (op dat moment bekend zijnde) geldelijke vorderingen. De gehanteerde term “vorderingsrechten” duidt er ook op dat (bijvoorbeeld) goederenrechtelijke kwesties, zoals erfdienstbaarheid en eigendom, niet onder de finale kwijting vallen. Het gegeven dat voor veel goederenrechtelijke kwesties nadere acties, zoals vastlegging in een notariële akte, nodig zijn, welke in dit geval niet zijn verricht, terwijl partijen destijds zijn bijgestaan door advocaten, vormt ook een aanknopingspunt dat de in de vaststellingsovereenkomst van maart 2022 opgenomen finale kwijting niet de (ruime) reikwijdte die [partij B] daaraan geven.
Het (laten) aanleggen van het voetpad
5.5
[partij A] vorderen dat [partij B] het voetpad moeten (laten) aanleggen. Ter onderbouwing verwijzen zij naar gemaakte afspraken die zijn vastgelegd in het proces-verbaal van 24 augustus 2022.
5.6
De rechtbank stelt voorop het proces-verbaal van 24 augustus 2022 waarin de overeengekomen afspraken zijn vastgelegd moet worden aangemerkt als een vaststellings-overeenkomst in de zin van artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij een vaststellingsovereenkomst binden (de rechtsopvolgers onder algemene titel van) partijen zich, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid omtrent hetgeen tussen hen rechtens is, jegens elkaar aan een vaststelling daarvan. Slechts ingeval gebondenheid aan een beslissing van een partij of een derde in verband met de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is die beslissing vernietigbaar (artikel 7:904 BW).
5.7
Uit dat wat hiervoor is overwogen volgt dat de vaststellingsovereenkomst van maart 2022 niet in de weg staat aan de afspraken die in augustus 2022 zijn gemaakt en vastgelegd in een proces-verbaal. In het verlengde daarvan slaagt het beroep op wederzijdse dwaling bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst door [partij B] ook niet. Dit beroep is immers (alleen) gebaseerd op de stelling dat beide partijen zich in augustus 2022 niet hebben gerealiseerd dat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst van maart 2022 verhinderde dat de kwestie van de erfdienstbaarheid in augustus 2022 (opnieuw) ter beoordeling aan de voorzieningenrechter zou worden voorgelegd. Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat daarvan sprake is, zodat dit betoog reeds daarom faalt. Vernietiging van de vaststellingsovereenkomst van augustus 2022 op grond van wederzijdse dwaling is dan ook niet aan de orde.
5.8
[partij B] hebben zich verder op het standpunt gesteld dat de vordering tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst van augustus 2022 met betrekking tot de afspraken van de aanleg van het voetpad moet worden afgewezen omdat dit voetpad al (omstreeks) 1990 is verwijderd en er volgens hen daarom sprake is van verjaring. In het verlengde daarvan stellen zij dat [partij A] in de kort geding-procedure niet de waarheid hierover hebben verteld en daarmee artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hebben geschonden. Hadden zij wel de waarheid verteld dan was de mogelijkheid aanwezig dat [naam 1] en [partij B 1] op dit punt gelijk zouden hebben gekregen en was het treffen van een schikking op dit onderdeel niet aan de orde geweest. [partij A] hebben betwist dat er sprake is van verjaring en schending van artikel 21 Rv. In dat kader stellen zij (onder meer) dat zij in de kort geding-procedure hebben aangetoond dat de erfdienstbaarheid van voetpad niet is verjaard.
5.9
Naar het oordeel van de rechtbank faalt het betoog van [partij B] De rechtbank stelt vast dat de mogelijke verjaring ter zake de erfdienstbaarheid aan de orde is geweest in de kort geding-procedure. Van de zijde van [naam 1] en [partij A]-Westen-dorp is dit (bijvoorbeeld) vermeld in randnummer 4.8 van de dagvaarding in de kort geding-procedure. Het is destijds een keuze van [naam 1] en [partij B 1], bijgestaan door een advocaat, geweest om op dit punt niet het oordeel van de voorzieningenrechter in een vonnis te vragen maar om (niet alleen hierover maar over meer aspecten) een minnelijke regeling te treffen. Dat [partij A] (destijds) een andere visie over (de verjaring van) de erfdienstbaarheid van voetpad hadden, kan hen niet worden verweten. Daarbij kan er ook niet aan voorbij worden gegaan dat diegene die een beroep op verjaring doet daarvan de stelplicht en (zo nodig) bewijslast heeft. Onder deze omstandigheden kan ook niet worden geconcludeerd dat sprake is van schending van artikel 21 Rv. Bovendien geldt in het algemeen dat een partij, ondanks dat (bijvoorbeeld) een vordering verjaard is, in principe hierover (andere) afspraken (al dan niet in een groter geheel) kan maken (en dus geen beroep op verjaring doet).
5.10
Tegen de achtergrond van al het voorgaande, hebben [partij B] (ook) onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die het oordeel rechtvaardigen dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij het voetpad moeten aanleggen. Het ((meer) subsidiaire) beroep op artikel 6:248 lid 2 BW slaagt dan ook niet.
5.11
Gelet op het voorgaande en nu [naam 1] is overleden en [partij B 1] in augustus 2023 is verhuisd, moeten [partij B] op basis van wat er in de kort geding-procedure in 2022 is afgesproken het voetpad realiseren. Dit betekent dat de primaire vordering van [partij A] zal worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd op de wijze zoals vermeld in de beslissing.
Het halletje
5.12
Tussen partijen is de eigendom van (een deel van) het halletje in geschil. [partij A] stellen dat het halletje volledig hun eigendom is. Zij wijzen erop dat de levering van de onroerende goederen in 2012 ook het (gehele) halletje omvat. Dat dat voor iedereen duidelijk was blijkt ook uit de persoonlijke rechten die in de desbetreffende notariële akte zijn gevestigd. [partij B] voeren verweer en stellen dat het voor alle partijen altijd helder is geweest dat [partij A] een deel van het halletje in eigendom hebben en (thans) [partij A] een ander deel van het halletje in eigendom hebben. De erfgrens loopt dwars door de voordeur naar achter en de kadastrale tekeningen zijn hierover duidelijk. [partij A] hebben ook zelf jarenlang het standpunt ingenomen dat de hal een “gemeenschappelijke hal” was, aldus [partij B]
5.13
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het voor het antwoord op de vraag wat de omvang is van een overgedragen onroerende zaak aankomt op de in de notariële akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de over te dragen onroerende zaak. Er mag slechts acht worden geslagen op gegevens die voor derden uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven stukken kenbaar zijn, en niet op daarin niet ingeschreven stukken waarnaar in de akte niet wordt verwezen. Verwijst de notariële akte naar feitelijke kenmerken van het registergoed of naar andere objectieve feiten buiten de akte, dan komen die mede in aanmerking. Indien aan de akte van levering een tekening is gehecht, wordt het geleverde daarmee nader geconcretiseerd.
5.14
Daarbij is de rechtbank van oordeel dat door de kadastrale inmeting geen eigendomsgrenzen worden bepaald of gewijzigd en dat aanwijzingen, eensluidend of niet, voor de bepaling van de omvang van de eigendom en de grenzen daarvan, niet relevant zijn. Uiteindelijk prevaleert immers de partijbedoeling zoals die in de leveringsakte tot uiting is gekomen.
5.15
Naar het oordeel van de rechtbank betekent het voorgaande voor deze zaak concreet dat het voor het antwoord op de vraag of het gehele halletje deel uitmaakt van de onroerende zaak die in 2012 door [naam 1] aan [partij A] is overgedragen, aankomt op de in de notariële akte van 10 februari 2012 tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling. Die partijbedoeling moet worden afgeleid uit de in die akte opgenomen omschrijving van de over te dragen onroerende zaak. Die omschrijving dient naar objectieve maatstaven te worden uitgelegd, in het licht van de gehele inhoud van de akte. Daarbij komen mede in aanmerking de feitelijke kenmerken van het registergoed of andere objectieve feiten buiten de akte, mits in de notariële akte van 10 februari 2012 naar die feitelijke kenmerken of andere objectieve feiten wordt verwezen.
In de notariële akte van 10 februari 2012 is de volgende omschrijving onder het kopje “Levering” opgenomen: “het winkelpand met schuur, ondergrond, erf en tuin aan de [adres 1], kadastraal bekend [locatie 2], groot zeven are en achtennegentig centiare”.
In artikel 10 van deze notariële akte zijn een aantal persoonlijke rechten opgenomen namelijk, voor zover van belang:
a. Koper verleent aan verkoper en zijn echtgenote het persoonlijk recht de berging aanwezig op het gekochte te mogen blijven gebruiken en de eigendom van - koper ten behoeve van dit gebruik op de minst bezwarende wijze te mogen - betreden.
b. Koper verleent aan verkoper en zijn echtgenote het persoonlijk recht van weg, ten behoeve van het aan verkoper in eigendom toebehorende perceel kadastraal bekend [locatie 3] als heersend erf; en ten laste van het gekochte, als dienend erf, om over een langs de linkerzijde van het gekochte gelegen strook grond, vanaf het heersend erf te gaan naar de achter op het gekochte aanwezige tuin en omgekeerd, een en - ander zoals met groene kleur is aangegeven op een door partijen voor akkoord getekende situatieschets.
5.16
De rechtbank is van oordeel dat uit de omschrijving van deze persoonlijke rechten en de verwijzing naar de aan de akte gehechte situatieschets (opgenomen onder r.o. 3.6) volgt dat in ieder geval de berging en de (achter)tuin behoort tot het geleverde. Uit de omschrijving van het persoonlijk recht onder b en de situatieschets kan naar het oordeel van de rechtbank ook worden afgeleid dat de bij deze notariële akte betrokken partijen de bedoeling hebben gehad dat het gedeelte dat groen is gearceerd op de situatieschets behoort tot het geleverde. Anders had er immers geen persoonlijk recht voor [naam 1] en [partij B 1] op dat gehele gedeelte gevestigd te hoeven worden (want dan hadden zij het eigendom). Gelet op de wijze waarop dit persoonlijk recht is omschreven en de groene arcering is ingetekend op de situatieschets ziet het persoonlijk recht (mede) op het halletje. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de groene arcering geen onderbreking kent. Dat had wel voor de hand gelegen als het niet de partijbedoeling was om (mede) het halletje geheel te leveren aan [partij A] Feitelijk loopt de groene arcering (ook) door het halletje. Om vanuit hun woning de (achter)tuin te kunnen bereiken moesten [naam 1] en [partij B 1] ook door het halletje en het bereiken van de tuin was het doel van het persoonlijk recht. Dit strookt met de omschrijving “om over een langs de linkerzijde van het gekochte gelegen strook grond … te gaan naar de achter op het gekochte aanwezige tuin en omgekeerd”. Weliswaar wordt in de omschrijving het halletje niet expliciet benoemd, maar acht slaande op deze omschrijving in samenhang bezien met de situatieschets en de daarop aangebrachte groene arcering ziet het persoonlijk recht (ook) op het (volledige) halletje.
5.17
Gelet op dat wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat [naam 1] enerzijds en [partij A] destijds de bedoeling hebben gehad om het winkelpand inclusief het gehele halletje aan [partij A] te leveren.
5.18
Voor het geval ervan uit zou worden gegaan dat [naam 1] en [partij A] niet de partijbedoeling hebben gehad om het winkelpand inclusief het halletje aan [partij A] te leveren, is de rechtbank van oordeel dat het beroep van [partij A] op horizontale natrekking slaagt. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.19
De rechtbank stelt voorop dat een (duurzaam met de grond verenigd) gebouw of werk alleen dan verticaal wordt nagetrokken door de onderliggende grond als dit gebouw of werk geen bestanddeel is van een (duurzaam met de grond verenigd) gebouw of werk van iemand anders (artikelen 5:20 lid 1 onder e BW en 3:3 lid 1 BW). Als een gebouw of werk wél een bestanddeel is van een gebouw of werk van iemand anders, gaat horizontale natrekking van dat deel door het gebouw of werk van die ander dus vóór op verticale natrekking.
5.20
Bepalend is dus of het deel van de tussenhal dat op het perceel [locatie 3] staat bestanddeel is van een (duurzaam met de grond verenigd) gebouw of werk van iemand anders, of niet. De vraag of een zaak onderdeel is van een andere zaak, moet worden beantwoord aan de hand van de verkeersopvatting (3:4 lid 1 BW). Dat wil zeggen dat aan de hand van in het maatschappelijk verkeer gehanteerde opvattingen moet worden beoordeeld of een zaak onderdeel is van een andere zaak.
5.21
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of het halletje een fysieke eenheid en een bestanddeel vormt van de bedrijfsruimte zoals [partij A] stellen en [partij B] betwisten. Ook indien [partij B] worden gevolgd in hun standpunt dat het halletje geen onderdeel uitmaakt van de bedrijfsruimte is de rechtbank van oordeel dat, zoals ook [partij A] naar voren hebben gebracht, het halletje in alle opzichten - fysiek, constructief en optisch - een eenheid is. De omstandigheid dat het halletje feitelijk (en technisch) gezien zonder al te veel kosten zou kunnen worden gesplitst, wil nog niet zeggen dat het halletje zich leent voor verticale splitsing van het eigendomsrecht. De vraag of een gebouw of werk zich leent voor verticale splitsing van eigendom, moet (ook) worden beantwoord aan de hand van de verkeersopvatting. Gezien de wijze waarop het halletje is vormgegeven is het als een functionele eenheid te beschouwen. In het halletje is ook geen scheiding aangebracht, Dat het halletje meerdere ingangen heeft, maakt niet dat het deel op het perceel [locatie 3] en het deel op perceel [locatie 2] toch als afzonderlijke delen moeten worden beschouwd. Dat het halletje via een deur in de woning is te bereiken maakt dit in dit geval niet anders. Van belang daarbij acht de rechtbank dat, ook naar de stellingen van [partij B] de (buiten/toegangs)deur zich niet alleen bevindt op het perceel [locatie 3]. Daarnaast heeft de woning van [partij B] elders een (voor)deur. Dat deze (voor)deur volgens [partij B] op dit moment niet als zodanig kan worden gebruikt is een keuze die in hun risicosfeer ligt. Eveneens acht de rechtbank van belang dat het niet zo is dat er geen onderscheid valt te maken tussen hoofdzaak en bestanddeel van het halletje als eenheid. Uit de overgelegde foto’s, waaronder ook de foto’s waarop het gedeelte van het halletje dat volgens [partij B] hun eigendom is door hen met zwarte verf is afgebakend, en de kadastrale kaart valt af te leiden dat het halletje voor een groter gedeelte is gelegen op het perceel [locatie 2]. Ook de bedrijfsruimte komt uit op een gedeelte in het halletje dat is gelegen op [locatie 2]. Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat het deel van het halletje dat is gelegen op perceel [locatie 2] hoofdzaak is en het deel dat is gelegen op perceel [locatie 3] bestanddeel is. De gevestigde persoonlijke rechten, ook als ervan uitgegaan wordt dat deze enkel zijn gevestigd op perceel [locatie 2], vormen daarvoor ook een aanknopingspunt. De rechtbank volgt [partij B] dan ook niet in hun stelling dat de hal niet harder wordt nagetrokken door een van de twee percelen. Dit alles betekent dat er sprake is van horizontale natrekking en dat het gedeelte van het halletje dat is gelegen op perceel [locatie 3] (ook) op grond daarvan eigendom is van [partij A]
5.22
Het beroep van [partij A] dat sprake is van rechtsverwerking faalt, alleen al omdat er sprake is van persoonlijke rechten van [naam 1] en [partij B 1] die eindigen op het moment dat de langstlevende echtgeno(o)te komt overlijden of dat zij er niet meer woonachtig zijn. Het betoog dat de hal altijd als gemeenschappelijk is beschouwd leidt niet tot een ander oordeel. Dat de hal als gemeenschappelijk is aangeduid hoeft niet per sé te duiden op eigendom, maar kan ook duiden op het gemeenschappelijk gebruik.
Erfafscheiding
5.23
[partij A] vorderen dat zij een deugdelijke en permante erfscheiding in het halletje mogen aanbrengen. Nu de persoonlijke rechten zijn geëindigd bestaat er geen enkel rechtmatig of redelijk belang meer op grond waarvan [partij B] of bewoners van de woning aan de [adres 3] via hun deur vanuit hun woning rechtstreeks toegang dienen te hebben tot de onroerende zaken van [partij A] Op grond van het bepaalde in artikel 5:48 en artikel 5:43 BW wensen [partij A] hun erf af te sluiten met een brandvertragende muur. [partij A] stellen dat [partij B] geen belang meer hebben bij de deur in hun woning die uitkomt op het halletje omdat hun voordeur verderop zit en deze voordeur geeft rechtstreeks toegang naar buiten en naar de openbare weg. [partij A]- Westendorp c.s. hebben geen zelfstandig verweer gevoerd tegen deze vordering.
5.24
Nu de door [partij A] gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen, is het gehele halletje eigendom van [partij A] Artikel 5:48 BW bepaalt dat de eigenaar van een erf bevoegd is dit af te sluiten. Doordat [partij B] zich met het gebruik van de deur in hun woning telkens de toegang tot het halletje en de bedrijfsruimte kunnen verschaffen, is het feitelijk voor [partij A] niet mogelijk hun erf af te sluiten. Weliswaar is de deur in de woning van [partij B] al jaren aanwezig en is deze is door [naam 1] en [partij B] ook jarenlang gebruikt om via het halletje naar de bedrijfsruimte en de (achter)tuin te gaan (eerst op grond van eigendom en later op grond van een persoonlijk recht), maar door het eindigen van het persoonlijk recht hebben [partij B] geen recht meer tot toegang tot het halletje en de bedrijfsruimte. Dit betekent dat [partij B] zullen moeten gehengen en gedogen dat de deur niet meer als toegangsdeur naar het halletje kan worden gebruikt. De erfafscheiding in de vorm van een brandvertragende muur op de erfgrens die [partij A] voorstaat, wijst de rechtbank af, nu zij onvoldoende (onderbouwd) hebben gesteld dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 5:49 BW. Wel zouden [partij A] langs de (juridische) erfgrens een voorziening kunnen (laten) aanbrengen waardoor deze niet meer als toegangsdeur naar het halletje kan dienen. De vordering zal in die zin (als het minderde van het gevorderde) worden toegewezen. De rechtbank geeft partijen in overweging om samen te kijken naar mogelijke oplossingen die voor beide partijen het minst bezwarend zijn, ook in verband met de mogelijke verkoop van de woning van [partij B] aan derden. In dat verband valt bijvoorbeeld te denken aan het verwijderen van de deur en deze te vervangen door een muur, waarbij partijen de kosten delen.
5.25
De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd op de wijze zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten
5.26
Gelet op de familierechtelijke verhoudingen tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In reconventie
Schadevergoeding
5.27
[partij B 1] vordert een (im)materiële schadevergoeding van € 50.000,-, vermeerderd met wettelijke rente, omdat er onrechtmatig is gehandeld jegens haar door [partij A] hebben hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank wijst deze vordering af. Voor zover het gevorderde bedrag ziet op materiële schadevergoeding heeft [partij B 1], gelet op de gemotiveerde betwisting van het bestaan van het causale verband, onvoldoende onderbouwd waarom zij aanspraak heeft op een materiële schadevergoeding. Bovendien heeft zij ook op geen enkele wijze de omvang van de door haar gestelde materiële schade onderbouwd. Zo heeft zij (bijvoorbeeld) geen facturen in het geding gebracht, terwijl dit wel op haar weg lag. Voor zover door [partij B 1] aanspraak wordt gemaakt op immateriële schadevergoeding is, mede gezien het gemoti-veerde verweer onvoldoende gesteld om te concluderen dat aan de strenge maatstaven van artikel 6:106 BW is voldaan. Duidelijk is dat verhoudingen in de familie in de loop der jaren ernstig verstoord zijn geraakt. Dat dat (ook) een negatieve impact heeft op [partij A]-Westen-dorp is begrijpelijk maar dat de ernst en de aard van de gedragingen van [partij A] jegens [partij B 1] zodanig zijn (geweest) dat een aantasting in persoon kan worden aangenomen is onvoldoende onderbouwd. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat [partij B] (en [naam 1]) op hun beurt ook hebben bijgedragen aan de verstoorde verhoudingen. Dit betekent dat er geen aanleiding is om een immateriële schadevergoeding aan [partij B 1] toe te kennen.
Proceskosten
5.28
Gelet op de familierechtelijke verhoudingen tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1
veroordeelt [partij B] hoofdelijk tot het binnen 28 dagen na dagtekening van dit vonnis tot het (laten) aanleggen van een voetpad lopende vanaf perceel [plaats], [locatie 4], over perceel [plaats], [locatie 3], langs de noord-westzijde van dit perceel, tot aan de [adres 1] met een minimale breedte van 1,20 meter, dit op straffe van verbeurte van een hoofdelijke dwangsom van € 500,- per dag of een gedeelte daarvan dat zij niet aan deze veroordeling voldoen tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,
6.2
verklaart voor recht dat het halletje dat de bedrijfsruimte van [partij A] verbindt met de woning van [partij A] integraal en in het geheel onderdeel is van de onroerende zaak [plaats], [locatie 2] en daarmee het eigendom is van [partij A] ook voor zover het de vierkante meters in het halletje betreft die op basis van de kadastrale tekeningen onderdeel lijken te zijn van de onroerende zaak [plaats], [locatie 3],
6.3
veroordeelt [partij B] hoofdelijk tot het gehengen en gedogen dat [partij A] een voorziening langs de (juridische) erfgrens (laten) plaatsen van de onroerende zaak [locatie 3] en de onroerende zaak [plaats] [locatie 2] en daarmee te gehengen en gedogen dat de bestaande doorgang in de vorm van een deur vanuit de opstallen op [locatie 3] naar de opstallen op [plaats] [locatie 2] wordt afgesloten, dit op straffe van verbeurte van een hoofdelijke dwangsom van € 500,- per dag of een gedeelte daarvan dat zij niet aan deze veroordeling voldoen tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,
6.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
in conventie en in reconventie
6.5
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
Productie 2 [partij A]
Productie 3 [partij A]
De ‘Haviltex-maatstaf’, zoals gepreciseerd in onder meer het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5262.
Vgl. o.a. HR 23 juni1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0830.
Zie productie 11 [partij A]
Vgl. o.a. HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8901, HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904.
Vgl. HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:337.
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/332325 / HA ZA 25-135
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
1
[partij A 1],
te [woonplaats 1],2. [partij A 2],
te [woonplaats 2],
eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [partij A 1], [partij A 2] en gezamenlijk [partij A],
advocaat: mr. H.J. Ligtenbarg,
tegen
1
[partij B 1],
te [woonplaats 3],2. [partij B 2],
te [woonplaats 4],3. [partij B 3],
te [woonplaats 5],
gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [partij B 1], [partij B 2], [partij B 3] en gezamenlijk [partij B],
advocaat: mr. E.P. Cornel.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties,
- de aanvullende producties van de zijde van [partij B],
- de mondelinge behandeling van 12 november 2026, waar partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij van de zijde van [partij A] ook gebruik is gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
1.2
Aan het einde van de mondelinge behandeling hebben partijen verzocht de zaak aan te houden om te proberen een minnelijke regeling te treffen. Er is ook afgesproken dat [partij B] van enkele eerder ingediende producties beter te lezen versies zou overleggen en dat [partij A] nog op deze producties mochten reageren bij akte. Bij brief van 12 november 2025 is productie 55 opnieuw ingediend door [partij B] Op 17 december 2025 hebben [partij A] een akte uitlating genomen. Bij e-mailbericht van 5 januari 2026 heeft de griffier van de rechtbank aan de advocaten van partijen meegedeeld dat de brief van 19 december 2025 (met bijlage) van de zijde van [partij B], waartegen van de zijde van [partij A] bezwaar is gemaakt, niet wordt toegelaten en deze stukken geen deel zullen uitmaken van het dossier.
1.3
Nadat partijen de rechtbank hebben meegedeeld dat het niet is gelukt een minnelijke regeling te treffen is vonnis bepaald op vandaag.
2Samenvatting
Partijen zijn familie van elkaar. De verhoudingen tussen hen zijn in de loop van de tijd ernstig verstoord. [partij A] zijn eigenaar van de woning en bedrijfsruimte/winkelpand (hierna ook: bedrijfsruimte) aan de [adres 1] en [adres 2] en [partij B] zijn eigenaar van de woning aan de [adres 3]. Tussen partijen is in geschil of er op basis van gemaakte afspraken tijdens een eerder kort geding een voetpad moet worden gerealiseerd. Ook twisten zij over de eigendom van een aantal vierkante meter van een halletje dat zich bevindt tussen de woningen en het winkelpand. De rechtbank is van oordeel dat [partij B] het voetpad moeten (laten) realiseren op straffe van een dwangsom. De gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot de eigendom van het halletje wordt eveneens toegewezen. De in reconventie gevorderde schadevergoeding door [partij B 1] wijst de rechtbank af omdat deze vordering onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank licht haar oordeel hierna toe.
3De feiten
3.1
[partij B 1] was getrouwd met [naam 1]. [partij A 1], [partij B 2] en [partij B 3] zijn kinderen van [partij B 1] en [naam 1]. [partij A 1] is getrouwd met [partij A 2].
3.2
[naam 1] heeft op 22 mei 1990 de eigendom verkregen van de onroerende zaken aan de [locatie 1].
Deze onroerende zaken betroffen (onder meer) een bedrijfsruimte, waar [naam 1] zijn onderneming uitoefende, en een dubbele woning.
3.3
In augustus 1990 heeft [naam 1] twee gedeelten van het huisperceel, tezamen ter grootte van circa twee aren, zesenzestig centiaren van de percelen bekend [locatie 1] verkocht en geleverd aan [partij A] Aan de in dit kader opgemaakte notariële akte is een schetsmatige tekening gehecht, die hierna is opgenomen. In deze notariële akte zijn (onder meer) de volgende erfdienstbaarheden ten behoeve van het verkochte en ten laste van de aan verkoper ([naam 1]) verblijvende gedeelten van gemelde kadastrale percelen gevestigd:
de erfdienstbaarheid van voetpad uit te oefenen over een strook grond ter breedte van circa één meter, vijftig centimeter gelegen langs de ongeveer noord-westzijde van het lijdend erf, op gemelde tekening aangegeven met kruisarcering;
de erfdienstbaarheid van weg uit te oefenen over een strook grond ter breedte van ongeveer vijf meter gelegen langs de ongeveer oostzijde van het lijdend erf, overgaande in de erfdienstbaarheid van voetpad, een en ander zoals op gemelde tekening in kruisarcering is aangegeven.
[Afbeelding]
3.4
Sinds in ieder geval 1990 vormden [partij A] en [naam 1] een vennootschap
onder firma onder de naam V.O.F. [bedrijf] (hierna: ook de V.O.F.). De onderneming van deze V.O.F. werd uitgeoefend in de bedrijfsruimte aan het adres [adres 1] te [plaats]. De bedrijfsruimte kon vanuit de woningen van [naam 1] en [partij A] via een binnendeur worden bereikt.
3.5
Per 1 januari 2001 is [naam 1] uitgetreden uit de V.O.F.
3.6
Bij notariële akte van 10 februari 2012 heeft [naam 1] het winkelpand met schuur, ondergrond, erf en tuin aan de [adres 1], kadastraal bekend [locatie 2], groot zeven are en achtennegentig centiare, geleverd aan [partij A] In deze notariële akte is onder artikel 10 het volgende opgenomen:
Koper verleent aan verkoper en zijn echtgenote het persoonlijk recht de berging aanwezig op het gekochte te mogen blijven gebruiken en de eigendom van - koper ten behoeve van dit gebruik op de minst bezwarende wijze te mogen - betreden.
Koper verleent aan verkoper en zijn echtgenote het persoonlijk recht van weg, ten behoeve van het aan verkoper in eigendom toebehorende perceel kadastraal bekend [locatie 3] als heersend erf; en ten laste van het gekochte, als dienend erf, om over een langs de linkerzijde van het gekochte gelegen strook grond, vanaf het heersend erf te gaan naar de achter op het gekochte aanwezige tuin en omgekeerd, een en - ander zoals met groene kleur is aangegeven op een door partijen voor akkoord getekende situatieschets.
(…)
d. Deze onder a., b. en c. genoemde rechten van verkoper en zijn echtgenote - eindigen bij overlijden van de langstlevende van verkoper en zijn echtgenote of bij het metterwoon verlaten door verkoper en zijn echtgenote van de door hen - bewoonde woning aan de [adres 1] te [plaats].
Deze rechten gaan niet over op opvolgers onder bijzondere of algemene titel - van verkoper en zijn echtgenote.
De verplichting van koper gaat eveneens niet over op opvolgers onder bijzondere of algemene titel van koper.
De situatieschets waarnaar wordt verwezen is hieronder opgenomen.
[Afbeelding]
3.7
De kadastrale kaart van de situatie ter plaatse is als volgt.
[Afbeelding]
3.8
Na het uittreden van [naam 1] uit de V.O.F. zijn de verhoudingen in de familie gaandeweg (ernstig) verstoord geraakt.
3.9
[partij A] enerzijds en [naam 1] en [partij B] anderzijds hebben vanaf (omstreeks) 2020 geregeld gecorrespondeerd met elkaar.
3.10
In augustus 2021 is [partij A 1] door [naam 1] onterfd.
3.11
In oktober 2021 is door/namens [naam 1] bij de gemeente [plaats] (hierna: de gemeente) een verzoek tot het splitsen van de woning aan de [adres 1] (thans na vernummering [adres 3] en [adres 2]). Bij brief van 23 december 2021 heeft de gemeente dit verzoek afgewezen. In deze brief staat (onder meer) het volgende:
“In dit geval zijn wij van menig dat bij het splitsen van de woning in twee zelfstandige woningen er geen sprake van een goede ruimtelijke ordening, omdat:
(…)
De achterste woning in de feitelijke situatie geen eigen ontsluiting heeft. Op basis van de bouwverordening is een eigen ontsluiting wel een vereiste. Het achterste deel wordt nu ontsloten via de detailhandelsbestem-ming en via het verbindingsdeel tussen de winkel en de woningen. Dit verbindingsdeel is kadastraal gezien deels in eigendom van uw vader [[naam 1], toevoeging rechtbank] en deels in eigendom van uw broer [[partij A 1], toevoeging rechtbank]. Er is wel een recht van overpad (erfdienstbaarheid) over een strook van 1,5 meter breed aan de noordwestzijde van het perceel (ter plaatse van de tuinbestemming). Hier wordt feitelijk geen gebruik van gemaakt. De tuin is volledig ingericht als tuin. Bovendien staat er op de erfgrens een tuinmuur en een hekwerk, waardoor er nu geen doorgang is tussen de percelen.
(…)” .
3.12
Bij brief van 23 december 2021 van (de advocaat) de V.O.F. en [partij A] (als vennoten) zijn [naam 1] en [partij B 1] verzocht/gesommeerd om een bedrag van € 116.434,19 uit hoofde van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking binnen vijftien dagen aan hen te betalen.
3.13
De (toenmalige) advocaten van de) V.O.F. en [partij A] respectievelijk [naam 1] en [partij B 1] hebben overleg gevoerd. Van de zijde van [naam 1] en [partij B 1] is bij e-mailbericht van 8 maart 2022 het volgende voorstel gedaan:
“(…)
De heer [naam 2] en mevrouw [partij B 1] betalen binnen veertien dagen na aanvaarding van dit voorstel een bedrag van in totaal EUR 10.000,- aan de heer [partij A 1] en mevrouw [partij A 2];
Behoudens uitvoering van het bepaalde in artikel 1 doen partijen over en weer afstand van al hun vorderingsrechten op elkaar, hoe genaamd en uit welke hoofde dan ook (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, begrepen álle door [partij A 1] en [partij A 2] vermeende vorderingen zoals bedoeld in de brief van hun advocaat (Drijber en partners) van 23 december 2021 en alle eventuele daarmee in verband staande en daarmee samenhangende vorderingen), en verlenen zij elkaar finale kwijting over en weer. Partijen zullen geen discussie(s) meer met elkaar zoeken, hoe genaamd en uit welke hoofde dan ook.
De aldus overeengekomen regeling in der minne zal hebben te gelden als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 e.v. en bevat alle afspraken tussen partijen en treedt in de plaats van alle eerdere schriftelijke en mondelinge afspraken die partijen hebben gemaakt.
Partijen doen afstand van hun rechten om - geheel of gedeeltelijk - de vernietiging, ontbinding of wijziging van de gevolgen van de aldus overeengekomen regeling in der minne c.q. vaststellingsovereenkomst in te roepen en/of te vorderen en/of zich op nietigheid te beroepen, hoe genaamd en uit welke hoofde dan ook en al dan niet bij wijze van verweer;
Voor zover enige bepaling (of onderdeel daarvan) van de aldus overeengekomen regeling in der minne c.q. vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig of niet afdwingbaar zou zijn, laat dat de rechtsgeldigheid van de overige bepalingen (of onderdelen daarvan) onverlet. Partijen zullen in dat geval een wederzijdse acceptabele alternatieve bepaling overeenkomen, die (zoveel als rechtens mogelijk is) gelijk is aan de niet rechtsgeldige of niet afdwingbare bepaling;
Dit voorstel moet in zijn geheel worden aanvaard. Gedeeltelijke aanvaarding en/of afwijzing brengt met zich mee dat het totale voorstel komt te vervallen;
Op dit voorstel mag in rechte geen beroep worden gedaan;
Dit voorstel wordt gedaan onder voorbehoud van alle rechten en weren;
Dit voorstel vervalt 18 maart 2022 te 12.00 uur.
(…)”
Bij e-mailbericht van 24 maart 2022 is van de zijde van [partij A] aan (de toenmalige advocaat van) [naam 1] en [partij B 1] meegedeeld dat zij akkoord gaan met dit voorstel.
Bij e-mailbericht van 28 maart 2022 heeft de toenmalige advocaat van [naam 1] en [partij B 1] aan de advocaat van [partij A] meegedeeld dat zijn cliënten het geld tijdig hebben overgeboekt (zij het rechtstreeks op het bankrekeningnummer van [partij A] in plaats van op de derdenrekening).
3.14
Vervolgens hebben [partij A] en [naam 1] en [partij B 1] opnieuw op diverse momenten met elkaar gecorrespondeerd.
3.15
In augustus 2022 zijn [naam 1] en [partij B 1] een kort geding-procedure gestart tegen [partij A] Tijdens de mondelinge behandeling op 24 augustus 2022 hebben de in die procedure betrokken partijen afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een door/namens hen ondertekend proces-verbaal. De afspraken luiden, voor zover van belang, als volgt:
“(…)
2. Partijen zullen op de volgende wijze invulling geven aan de erfdienstbaarheid van voetpad: er wordt een voetpad gerealiseerd van 1,2 meter die loopt over perceel [locatie 3]. langs de noordwestelijke erfgrens van dit perceel naar de [adres 1] [hierna: het voetpad, toevoeging rechtbank], een en ander conform de notariële akte van 2 augustus 1990 (productie 2 bij de inleidende dagvaarding). die aan dit proces-verbaal zal worden gehecht. Dit zal ingaan op het moment dat beide ouders van [partij A] jr. niet meer zullen wonen aan het adres [adres 3] in [plaats]. Tot die tijd zal [partij A] jr. geen aanspraak maken op gebruik van dit voetpad.
(…)
4. Partijen spreken af, met ingang van vandaag, dat zolang vader [partij A] sr. aan het perceel [adres 3] woont, zowel hij als moeder [partij A] sr. gebruik zullen mogen maken van de achterdeur in de gezamenlijke gang die leidt naar de tuin, waarbij zij beiden een sleutel overhandigd krijgen zodat zij beiden de volledige toegang hebben tot de gemeenschappelijke hal en door de achterdeur zich naar de tuin en de berging kunnen begeven en de toegang zullen blijven hebben tot niet alleen de achterdeur maar ook de voordeur in de gemeenschappelijke hal. Zowel vader als moeder [partij A] sr. mogen de tuin gebruiken om in te zitten en te lopen. Door vader of moeder [partij A] sr. aangewezen derden mogen ook gebruik maken van deze rechten onder supervisie van vader of moeder [partij A] sr. Partijen beogen met deze tuin het stuk
grond dat kadastraal bekend is als [locatie 2].
(…)
6. Partijen spreken af dat aan de gemeenschappelijke hal geen wijzigen zullen worden aangebracht
die de doorgang voor een van de partijen of beide partijen belemmeren.
(…)”
3.16
Op [overlijdensdatum] 2023 is [naam 1] overleden.
3.17
In augustus 2023 is [partij B] verhuisd naar een (senioren)woning in [plaats].
3.18
Bij brief van 8 september 2023 is namens [partij A], onder verwijzing naar het proces-verbaal van 24 augustus 2022, verzocht het voetpad aan te leggen. Tevens is
daarbij gemeld dat de persoonlijke rechten zijn geëindigd en dat [partij A] wensen over te gaan tot afsluiting van het halletje c.q. de doorgang van de hal naar de woning van [partij B] Bij brief van 19 september 2023 heeft [partij B 3] namens [partij B 1] hierop gereageerd. In deze brief worden - kort gezegd - een aantal aspecten erkend, maar een aantal aspecten betwist. Ook worden [partij A] diverse verwijten gemaakt. Tevens worden zij (hoofdelijk) aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade.
3.19
Vervolgens hebben partijen over diverse onderwerpen, waaronder de aanleg van het voetpad en het halletje, (opnieuw) op diverse momenten met elkaar gecorrespondeerd dan wel overleg gevoerd, maar tot gewijzigde standpunten dan wel oplossingen heeft dat niet geleid.
4Het geschil in conventie en in reconventie
4.1
Het gevorderde in conventie door [partij A] strekt ertoe dat [partij B] hoofdelijk worden veroordeeld om het voetpad te (laten) realiseren, althans om te gehengen en gedogen dat [partij A] zelf dat voetpad (laten) realiseren, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en dat voor recht wordt verklaard dat het halletje integraal en in het geheel onderdeel is van de onroerende zaak, kadastraal bekend onder nummer [locatie 2] en daarmee eigendom is van [partij A]. In het verlengde van de gevorderde verklaring voor recht vorderen [partij A] dat [partij B 1] hoofdelijk worden veroordeeld om te gehengen en te gedogen dat [partij A] een muur (laten) aanbrengen op de erfgrens zodat de bestaande doorgang wordt afgesloten. Ten slotte vorderen zij dat dat [partij B] hoofdelijk worden veroordeeld in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
4.2
Het gevorderde in reconventie strekt ertoe dat [partij A] worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [partij A] Westendorp van € 50.000,- uit hoofde van onrechtmatig handelen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens vorderen [partij B] dat [partij A] (hoofdelijk) worden veroordeeld in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
4.3
Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. Op de stellingen en het verweer zal hierna, voor zover nodig nader worden ingegaan.
5
5 De beoordeling in conventie en reconventie
In conventie
Staat de vaststellingsovereenkomst van maart 2022 (met finale kwijting) in de weg aan het gevorderde?
5.1
Het meest verstrekkende verweer van [partij B] komt erop neer dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat er in maart 2022 een vaststellingsovereen-komst is gesloten waarbij de daarbij betrokken partijen over en weer finale kwijting hebben verleend en afstand doen van al hun vorderingsrechten op elkaar, hoe genaamd en uit welke hoofde dan ook. [partij A] stellen dat in maart 2022 afspraken zijn gemaakt over geldelijke vorderingen waar partijen op dat moment discussie over hadden. Dat betrof met name de vorderingen zoals genoemd in de brief van 23 december 2022 en de tegenvorderingen die [naam 1] als reactie daarop pretendeerde te hebben. In de gemaakte afspraken wordt in dat kader ook alleen gesproken over kwijting van “vorderingsrechten”. Met de afspraken in maart 2022 hebben [partij A] geen afstand gedaan van goederenrechtelijke rechten, aldus [partij A]
5.2
Naar het oordeel van de rechtbank stuit het gevorderde door [partij A] niet af op de vaststellingsovereenkomst van maart 2022. Zij overweegt daartoe het volgende.
5.3
De bepaling over finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst van maart 2022 moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Bij uitleg overeenkomstig de ‘Haviltex’-maatstaf komt het niet alleen aan op de tekst van de overeenkomst maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kunnen alle omstandigheden van het geval een rol spelen.
5.4
De rechtbank constateert dat de aanleiding voor de gemaakte afspraken in maart 2022 (hoofdzakelijk) is gelegen in de brief van 23 december 2022 van de zijde van [partij A] In deze brief vorderen [partij A] een bedrag van ruim € 116.000,- Uit de vaststellingsovereenkomst van maart 2022 volgt ook dat [naam 1] en [partij B 1] een bedrag van € 10.000,- aan [partij A] betalen. Er zijn in de vaststellingsovereenkomst geen andere kwesties specifiek en concreet benoemd, laat staan dat daar concrete en specifieke afspraken over zijn gemaakt. [partij B] hebben ook onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat partijen de bedoeling hebben gehad om (ook) afstand te doen van andere vorderingen dan wel rechten dan (op dat moment bekend zijnde) geldelijke vorderingen. De gehanteerde term “vorderingsrechten” duidt er ook op dat (bijvoorbeeld) goederenrechtelijke kwesties, zoals erfdienstbaarheid en eigendom, niet onder de finale kwijting vallen. Het gegeven dat voor veel goederenrechtelijke kwesties nadere acties, zoals vastlegging in een notariële akte, nodig zijn, welke in dit geval niet zijn verricht, terwijl partijen destijds zijn bijgestaan door advocaten, vormt ook een aanknopingspunt dat de in de vaststellingsovereenkomst van maart 2022 opgenomen finale kwijting niet de (ruime) reikwijdte die [partij B] daaraan geven.
Het (laten) aanleggen van het voetpad
5.5
[partij A] vorderen dat [partij B] het voetpad moeten (laten) aanleggen. Ter onderbouwing verwijzen zij naar gemaakte afspraken die zijn vastgelegd in het proces-verbaal van 24 augustus 2022.
5.6
De rechtbank stelt voorop het proces-verbaal van 24 augustus 2022 waarin de overeengekomen afspraken zijn vastgelegd moet worden aangemerkt als een vaststellings-overeenkomst in de zin van artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij een vaststellingsovereenkomst binden (de rechtsopvolgers onder algemene titel van) partijen zich, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid omtrent hetgeen tussen hen rechtens is, jegens elkaar aan een vaststelling daarvan. Slechts ingeval gebondenheid aan een beslissing van een partij of een derde in verband met de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is die beslissing vernietigbaar (artikel 7:904 BW).
5.7
Uit dat wat hiervoor is overwogen volgt dat de vaststellingsovereenkomst van maart 2022 niet in de weg staat aan de afspraken die in augustus 2022 zijn gemaakt en vastgelegd in een proces-verbaal. In het verlengde daarvan slaagt het beroep op wederzijdse dwaling bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst door [partij B] ook niet. Dit beroep is immers (alleen) gebaseerd op de stelling dat beide partijen zich in augustus 2022 niet hebben gerealiseerd dat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst van maart 2022 verhinderde dat de kwestie van de erfdienstbaarheid in augustus 2022 (opnieuw) ter beoordeling aan de voorzieningenrechter zou worden voorgelegd. Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat daarvan sprake is, zodat dit betoog reeds daarom faalt. Vernietiging van de vaststellingsovereenkomst van augustus 2022 op grond van wederzijdse dwaling is dan ook niet aan de orde.
5.8
[partij B] hebben zich verder op het standpunt gesteld dat de vordering tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst van augustus 2022 met betrekking tot de afspraken van de aanleg van het voetpad moet worden afgewezen omdat dit voetpad al (omstreeks) 1990 is verwijderd en er volgens hen daarom sprake is van verjaring. In het verlengde daarvan stellen zij dat [partij A] in de kort geding-procedure niet de waarheid hierover hebben verteld en daarmee artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hebben geschonden. Hadden zij wel de waarheid verteld dan was de mogelijkheid aanwezig dat [naam 1] en [partij B 1] op dit punt gelijk zouden hebben gekregen en was het treffen van een schikking op dit onderdeel niet aan de orde geweest. [partij A] hebben betwist dat er sprake is van verjaring en schending van artikel 21 Rv. In dat kader stellen zij (onder meer) dat zij in de kort geding-procedure hebben aangetoond dat de erfdienstbaarheid van voetpad niet is verjaard.
5.9
Naar het oordeel van de rechtbank faalt het betoog van [partij B] De rechtbank stelt vast dat de mogelijke verjaring ter zake de erfdienstbaarheid aan de orde is geweest in de kort geding-procedure. Van de zijde van [naam 1] en [partij A]-Westen-dorp is dit (bijvoorbeeld) vermeld in randnummer 4.8 van de dagvaarding in de kort geding-procedure. Het is destijds een keuze van [naam 1] en [partij B 1], bijgestaan door een advocaat, geweest om op dit punt niet het oordeel van de voorzieningenrechter in een vonnis te vragen maar om (niet alleen hierover maar over meer aspecten) een minnelijke regeling te treffen. Dat [partij A] (destijds) een andere visie over (de verjaring van) de erfdienstbaarheid van voetpad hadden, kan hen niet worden verweten. Daarbij kan er ook niet aan voorbij worden gegaan dat diegene die een beroep op verjaring doet daarvan de stelplicht en (zo nodig) bewijslast heeft. Onder deze omstandigheden kan ook niet worden geconcludeerd dat sprake is van schending van artikel 21 Rv. Bovendien geldt in het algemeen dat een partij, ondanks dat (bijvoorbeeld) een vordering verjaard is, in principe hierover (andere) afspraken (al dan niet in een groter geheel) kan maken (en dus geen beroep op verjaring doet).
5.10
Tegen de achtergrond van al het voorgaande, hebben [partij B] (ook) onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die het oordeel rechtvaardigen dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij het voetpad moeten aanleggen. Het ((meer) subsidiaire) beroep op artikel 6:248 lid 2 BW slaagt dan ook niet.
5.11
Gelet op het voorgaande en nu [naam 1] is overleden en [partij B 1] in augustus 2023 is verhuisd, moeten [partij B] op basis van wat er in de kort geding-procedure in 2022 is afgesproken het voetpad realiseren. Dit betekent dat de primaire vordering van [partij A] zal worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd op de wijze zoals vermeld in de beslissing.
Het halletje
5.12
Tussen partijen is de eigendom van (een deel van) het halletje in geschil. [partij A] stellen dat het halletje volledig hun eigendom is. Zij wijzen erop dat de levering van de onroerende goederen in 2012 ook het (gehele) halletje omvat. Dat dat voor iedereen duidelijk was blijkt ook uit de persoonlijke rechten die in de desbetreffende notariële akte zijn gevestigd. [partij B] voeren verweer en stellen dat het voor alle partijen altijd helder is geweest dat [partij A] een deel van het halletje in eigendom hebben en (thans) [partij A] een ander deel van het halletje in eigendom hebben. De erfgrens loopt dwars door de voordeur naar achter en de kadastrale tekeningen zijn hierover duidelijk. [partij A] hebben ook zelf jarenlang het standpunt ingenomen dat de hal een “gemeenschappelijke hal” was, aldus [partij B]
5.13
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het voor het antwoord op de vraag wat de omvang is van een overgedragen onroerende zaak aankomt op de in de notariële akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de over te dragen onroerende zaak. Er mag slechts acht worden geslagen op gegevens die voor derden uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven stukken kenbaar zijn, en niet op daarin niet ingeschreven stukken waarnaar in de akte niet wordt verwezen. Verwijst de notariële akte naar feitelijke kenmerken van het registergoed of naar andere objectieve feiten buiten de akte, dan komen die mede in aanmerking. Indien aan de akte van levering een tekening is gehecht, wordt het geleverde daarmee nader geconcretiseerd.
5.14
Daarbij is de rechtbank van oordeel dat door de kadastrale inmeting geen eigendomsgrenzen worden bepaald of gewijzigd en dat aanwijzingen, eensluidend of niet, voor de bepaling van de omvang van de eigendom en de grenzen daarvan, niet relevant zijn. Uiteindelijk prevaleert immers de partijbedoeling zoals die in de leveringsakte tot uiting is gekomen.
5.15
Naar het oordeel van de rechtbank betekent het voorgaande voor deze zaak concreet dat het voor het antwoord op de vraag of het gehele halletje deel uitmaakt van de onroerende zaak die in 2012 door [naam 1] aan [partij A] is overgedragen, aankomt op de in de notariële akte van 10 februari 2012 tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling. Die partijbedoeling moet worden afgeleid uit de in die akte opgenomen omschrijving van de over te dragen onroerende zaak. Die omschrijving dient naar objectieve maatstaven te worden uitgelegd, in het licht van de gehele inhoud van de akte. Daarbij komen mede in aanmerking de feitelijke kenmerken van het registergoed of andere objectieve feiten buiten de akte, mits in de notariële akte van 10 februari 2012 naar die feitelijke kenmerken of andere objectieve feiten wordt verwezen.
In de notariële akte van 10 februari 2012 is de volgende omschrijving onder het kopje “Levering” opgenomen: “het winkelpand met schuur, ondergrond, erf en tuin aan de [adres 1], kadastraal bekend [locatie 2], groot zeven are en achtennegentig centiare”.
In artikel 10 van deze notariële akte zijn een aantal persoonlijke rechten opgenomen namelijk, voor zover van belang:
a. Koper verleent aan verkoper en zijn echtgenote het persoonlijk recht de berging aanwezig op het gekochte te mogen blijven gebruiken en de eigendom van - koper ten behoeve van dit gebruik op de minst bezwarende wijze te mogen - betreden.
b. Koper verleent aan verkoper en zijn echtgenote het persoonlijk recht van weg, ten behoeve van het aan verkoper in eigendom toebehorende perceel kadastraal bekend [locatie 3] als heersend erf; en ten laste van het gekochte, als dienend erf, om over een langs de linkerzijde van het gekochte gelegen strook grond, vanaf het heersend erf te gaan naar de achter op het gekochte aanwezige tuin en omgekeerd, een en - ander zoals met groene kleur is aangegeven op een door partijen voor akkoord getekende situatieschets.
5.16
De rechtbank is van oordeel dat uit de omschrijving van deze persoonlijke rechten en de verwijzing naar de aan de akte gehechte situatieschets (opgenomen onder r.o. 3.6) volgt dat in ieder geval de berging en de (achter)tuin behoort tot het geleverde. Uit de omschrijving van het persoonlijk recht onder b en de situatieschets kan naar het oordeel van de rechtbank ook worden afgeleid dat de bij deze notariële akte betrokken partijen de bedoeling hebben gehad dat het gedeelte dat groen is gearceerd op de situatieschets behoort tot het geleverde. Anders had er immers geen persoonlijk recht voor [naam 1] en [partij B 1] op dat gehele gedeelte gevestigd te hoeven worden (want dan hadden zij het eigendom). Gelet op de wijze waarop dit persoonlijk recht is omschreven en de groene arcering is ingetekend op de situatieschets ziet het persoonlijk recht (mede) op het halletje. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de groene arcering geen onderbreking kent. Dat had wel voor de hand gelegen als het niet de partijbedoeling was om (mede) het halletje geheel te leveren aan [partij A] Feitelijk loopt de groene arcering (ook) door het halletje. Om vanuit hun woning de (achter)tuin te kunnen bereiken moesten [naam 1] en [partij B 1] ook door het halletje en het bereiken van de tuin was het doel van het persoonlijk recht. Dit strookt met de omschrijving “om over een langs de linkerzijde van het gekochte gelegen strook grond … te gaan naar de achter op het gekochte aanwezige tuin en omgekeerd”. Weliswaar wordt in de omschrijving het halletje niet expliciet benoemd, maar acht slaande op deze omschrijving in samenhang bezien met de situatieschets en de daarop aangebrachte groene arcering ziet het persoonlijk recht (ook) op het (volledige) halletje.
5.17
Gelet op dat wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat [naam 1] enerzijds en [partij A] destijds de bedoeling hebben gehad om het winkelpand inclusief het gehele halletje aan [partij A] te leveren.
5.18
Voor het geval ervan uit zou worden gegaan dat [naam 1] en [partij A] niet de partijbedoeling hebben gehad om het winkelpand inclusief het halletje aan [partij A] te leveren, is de rechtbank van oordeel dat het beroep van [partij A] op horizontale natrekking slaagt. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.19
De rechtbank stelt voorop dat een (duurzaam met de grond verenigd) gebouw of werk alleen dan verticaal wordt nagetrokken door de onderliggende grond als dit gebouw of werk geen bestanddeel is van een (duurzaam met de grond verenigd) gebouw of werk van iemand anders (artikelen 5:20 lid 1 onder e BW en 3:3 lid 1 BW). Als een gebouw of werk wél een bestanddeel is van een gebouw of werk van iemand anders, gaat horizontale natrekking van dat deel door het gebouw of werk van die ander dus vóór op verticale natrekking.
5.20
Bepalend is dus of het deel van de tussenhal dat op het perceel [locatie 3] staat bestanddeel is van een (duurzaam met de grond verenigd) gebouw of werk van iemand anders, of niet. De vraag of een zaak onderdeel is van een andere zaak, moet worden beantwoord aan de hand van de verkeersopvatting (3:4 lid 1 BW). Dat wil zeggen dat aan de hand van in het maatschappelijk verkeer gehanteerde opvattingen moet worden beoordeeld of een zaak onderdeel is van een andere zaak.
5.21
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of het halletje een fysieke eenheid en een bestanddeel vormt van de bedrijfsruimte zoals [partij A] stellen en [partij B] betwisten. Ook indien [partij B] worden gevolgd in hun standpunt dat het halletje geen onderdeel uitmaakt van de bedrijfsruimte is de rechtbank van oordeel dat, zoals ook [partij A] naar voren hebben gebracht, het halletje in alle opzichten - fysiek, constructief en optisch - een eenheid is. De omstandigheid dat het halletje feitelijk (en technisch) gezien zonder al te veel kosten zou kunnen worden gesplitst, wil nog niet zeggen dat het halletje zich leent voor verticale splitsing van het eigendomsrecht. De vraag of een gebouw of werk zich leent voor verticale splitsing van eigendom, moet (ook) worden beantwoord aan de hand van de verkeersopvatting. Gezien de wijze waarop het halletje is vormgegeven is het als een functionele eenheid te beschouwen. In het halletje is ook geen scheiding aangebracht, Dat het halletje meerdere ingangen heeft, maakt niet dat het deel op het perceel [locatie 3] en het deel op perceel [locatie 2] toch als afzonderlijke delen moeten worden beschouwd. Dat het halletje via een deur in de woning is te bereiken maakt dit in dit geval niet anders. Van belang daarbij acht de rechtbank dat, ook naar de stellingen van [partij B] de (buiten/toegangs)deur zich niet alleen bevindt op het perceel [locatie 3]. Daarnaast heeft de woning van [partij B] elders een (voor)deur. Dat deze (voor)deur volgens [partij B] op dit moment niet als zodanig kan worden gebruikt is een keuze die in hun risicosfeer ligt. Eveneens acht de rechtbank van belang dat het niet zo is dat er geen onderscheid valt te maken tussen hoofdzaak en bestanddeel van het halletje als eenheid. Uit de overgelegde foto’s, waaronder ook de foto’s waarop het gedeelte van het halletje dat volgens [partij B] hun eigendom is door hen met zwarte verf is afgebakend, en de kadastrale kaart valt af te leiden dat het halletje voor een groter gedeelte is gelegen op het perceel [locatie 2]. Ook de bedrijfsruimte komt uit op een gedeelte in het halletje dat is gelegen op [locatie 2]. Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat het deel van het halletje dat is gelegen op perceel [locatie 2] hoofdzaak is en het deel dat is gelegen op perceel [locatie 3] bestanddeel is. De gevestigde persoonlijke rechten, ook als ervan uitgegaan wordt dat deze enkel zijn gevestigd op perceel [locatie 2], vormen daarvoor ook een aanknopingspunt. De rechtbank volgt [partij B] dan ook niet in hun stelling dat de hal niet harder wordt nagetrokken door een van de twee percelen. Dit alles betekent dat er sprake is van horizontale natrekking en dat het gedeelte van het halletje dat is gelegen op perceel [locatie 3] (ook) op grond daarvan eigendom is van [partij A]
5.22
Het beroep van [partij A] dat sprake is van rechtsverwerking faalt, alleen al omdat er sprake is van persoonlijke rechten van [naam 1] en [partij B 1] die eindigen op het moment dat de langstlevende echtgeno(o)te komt overlijden of dat zij er niet meer woonachtig zijn. Het betoog dat de hal altijd als gemeenschappelijk is beschouwd leidt niet tot een ander oordeel. Dat de hal als gemeenschappelijk is aangeduid hoeft niet per sé te duiden op eigendom, maar kan ook duiden op het gemeenschappelijk gebruik.
Erfafscheiding
5.23
[partij A] vorderen dat zij een deugdelijke en permante erfscheiding in het halletje mogen aanbrengen. Nu de persoonlijke rechten zijn geëindigd bestaat er geen enkel rechtmatig of redelijk belang meer op grond waarvan [partij B] of bewoners van de woning aan de [adres 3] via hun deur vanuit hun woning rechtstreeks toegang dienen te hebben tot de onroerende zaken van [partij A] Op grond van het bepaalde in artikel 5:48 en artikel 5:43 BW wensen [partij A] hun erf af te sluiten met een brandvertragende muur. [partij A] stellen dat [partij B] geen belang meer hebben bij de deur in hun woning die uitkomt op het halletje omdat hun voordeur verderop zit en deze voordeur geeft rechtstreeks toegang naar buiten en naar de openbare weg. [partij A]- Westendorp c.s. hebben geen zelfstandig verweer gevoerd tegen deze vordering.
5.24
Nu de door [partij A] gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen, is het gehele halletje eigendom van [partij A] Artikel 5:48 BW bepaalt dat de eigenaar van een erf bevoegd is dit af te sluiten. Doordat [partij B] zich met het gebruik van de deur in hun woning telkens de toegang tot het halletje en de bedrijfsruimte kunnen verschaffen, is het feitelijk voor [partij A] niet mogelijk hun erf af te sluiten. Weliswaar is de deur in de woning van [partij B] al jaren aanwezig en is deze is door [naam 1] en [partij B] ook jarenlang gebruikt om via het halletje naar de bedrijfsruimte en de (achter)tuin te gaan (eerst op grond van eigendom en later op grond van een persoonlijk recht), maar door het eindigen van het persoonlijk recht hebben [partij B] geen recht meer tot toegang tot het halletje en de bedrijfsruimte. Dit betekent dat [partij B] zullen moeten gehengen en gedogen dat de deur niet meer als toegangsdeur naar het halletje kan worden gebruikt. De erfafscheiding in de vorm van een brandvertragende muur op de erfgrens die [partij A] voorstaat, wijst de rechtbank af, nu zij onvoldoende (onderbouwd) hebben gesteld dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 5:49 BW. Wel zouden [partij A] langs de (juridische) erfgrens een voorziening kunnen (laten) aanbrengen waardoor deze niet meer als toegangsdeur naar het halletje kan dienen. De vordering zal in die zin (als het minderde van het gevorderde) worden toegewezen. De rechtbank geeft partijen in overweging om samen te kijken naar mogelijke oplossingen die voor beide partijen het minst bezwarend zijn, ook in verband met de mogelijke verkoop van de woning van [partij B] aan derden. In dat verband valt bijvoorbeeld te denken aan het verwijderen van de deur en deze te vervangen door een muur, waarbij partijen de kosten delen.
5.25
De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd op de wijze zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten
5.26
Gelet op de familierechtelijke verhoudingen tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In reconventie
Schadevergoeding
5.27
[partij B 1] vordert een (im)materiële schadevergoeding van € 50.000,-, vermeerderd met wettelijke rente, omdat er onrechtmatig is gehandeld jegens haar door [partij A] hebben hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank wijst deze vordering af. Voor zover het gevorderde bedrag ziet op materiële schadevergoeding heeft [partij B 1], gelet op de gemotiveerde betwisting van het bestaan van het causale verband, onvoldoende onderbouwd waarom zij aanspraak heeft op een materiële schadevergoeding. Bovendien heeft zij ook op geen enkele wijze de omvang van de door haar gestelde materiële schade onderbouwd. Zo heeft zij (bijvoorbeeld) geen facturen in het geding gebracht, terwijl dit wel op haar weg lag. Voor zover door [partij B 1] aanspraak wordt gemaakt op immateriële schadevergoeding is, mede gezien het gemoti-veerde verweer onvoldoende gesteld om te concluderen dat aan de strenge maatstaven van artikel 6:106 BW is voldaan. Duidelijk is dat verhoudingen in de familie in de loop der jaren ernstig verstoord zijn geraakt. Dat dat (ook) een negatieve impact heeft op [partij A]-Westen-dorp is begrijpelijk maar dat de ernst en de aard van de gedragingen van [partij A] jegens [partij B 1] zodanig zijn (geweest) dat een aantasting in persoon kan worden aangenomen is onvoldoende onderbouwd. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat [partij B] (en [naam 1]) op hun beurt ook hebben bijgedragen aan de verstoorde verhoudingen. Dit betekent dat er geen aanleiding is om een immateriële schadevergoeding aan [partij B 1] toe te kennen.
Proceskosten
5.28
Gelet op de familierechtelijke verhoudingen tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1
veroordeelt [partij B] hoofdelijk tot het binnen 28 dagen na dagtekening van dit vonnis tot het (laten) aanleggen van een voetpad lopende vanaf perceel [plaats], [locatie 4], over perceel [plaats], [locatie 3], langs de noord-westzijde van dit perceel, tot aan de [adres 1] met een minimale breedte van 1,20 meter, dit op straffe van verbeurte van een hoofdelijke dwangsom van € 500,- per dag of een gedeelte daarvan dat zij niet aan deze veroordeling voldoen tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,
6.2
verklaart voor recht dat het halletje dat de bedrijfsruimte van [partij A] verbindt met de woning van [partij A] integraal en in het geheel onderdeel is van de onroerende zaak [plaats], [locatie 2] en daarmee het eigendom is van [partij A] ook voor zover het de vierkante meters in het halletje betreft die op basis van de kadastrale tekeningen onderdeel lijken te zijn van de onroerende zaak [plaats], [locatie 3],
6.3
veroordeelt [partij B] hoofdelijk tot het gehengen en gedogen dat [partij A] een voorziening langs de (juridische) erfgrens (laten) plaatsen van de onroerende zaak [locatie 3] en de onroerende zaak [plaats] [locatie 2] en daarmee te gehengen en gedogen dat de bestaande doorgang in de vorm van een deur vanuit de opstallen op [locatie 3] naar de opstallen op [plaats] [locatie 2] wordt afgesloten, dit op straffe van verbeurte van een hoofdelijke dwangsom van € 500,- per dag of een gedeelte daarvan dat zij niet aan deze veroordeling voldoen tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,
6.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
in conventie en in reconventie
6.5
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
Productie 2 [partij A]
Productie 3 [partij A]
De ‘Haviltex-maatstaf’, zoals gepreciseerd in onder meer het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5262.
Vgl. o.a. HR 23 juni1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0830.
Zie productie 11 [partij A]
Vgl. o.a. HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8901, HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904.
Vgl. HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:337.