Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:5994

2026-08-21 Strafrecht 01.091736.25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-21
Publicatiedatum
2026-08-20
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
01.091736.25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling overtreding artikel 6 WVW en meerdere verkeersfeiten. Gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaar

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.442 tekens)
vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.091736.25]
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht



Parketnummer: 01.091736.25



Datum uitspraak: 21 augustus 2026



Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1983] ,
wonende te [adres]



Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 augustus 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.




De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 juni 2026.


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:



feit 1 primair:

hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Lithoijen, gemeente Oss, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelbus, merk: Renault, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Gewandeweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard,




- niet op te merken dat de bestuurder van een fiets aan de (uiterst) rechterzijde van die Gewandeweg op de uitwijkstrook/fietsstrook reed, terwijl deze fietser voor hem, verdachte, wel zichtbaar was en/of



- zijn voorligger, te weten een fietser, in te halen, terwijl daarvoor onvoldoende ruimte was en/of



- (vervolgens) in botsing en/of in aanrijding te komen met de achterzijde van die fiets ten gevolge waarvan die fietser, genaamd [slachtoffer] , ten val is gekomen,




waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kuitbeen en/of een of meerdere breuken in diens enkel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,





terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;




feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Lithoijen, gemeente Oss, althans in Nederland


als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto/bestelbus, merk: Renault, kenteken



[kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, de Gewandeweg,




- niet op heeft gemerkt dat de bestuurder van een fiets aan de (uiterst) rechterzijde



van die Gewandeweg op de uitwijkstrook/fietsstrook reed, terwijl deze fietser voor


hem, verdachte, wel zichtbaar was en/of




- zijn voorligger, te weten een fietser, in heeft gehaald, terwijl daarvoor onvoldoende

ruimte was en/of


- (vervolgens) in botsing en/of in aanrijding is gekomen met de achterzijde van die

fiets ten gevolge waarvan die fietser, genaamd [slachtoffer] , ten val is gekomen,



terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste,


tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het


feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde,


zevende of negende lid van genoemde wet,





door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,


althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,


althans kon worden gehinderd;




feit 2:

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Lithoijen, gemeente Oss, althans in Nederland, op/aan de Gewandeweg, op of omstreeks 18 maart 2025


de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,


terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht;




feit 3:

hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Oss, althans in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een bedrijfsauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;




feit 4:

hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Lithoijen, gemeente Oss, althans in Nederland, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Gewandeweg, als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto/bestelbus, merk: Renault, kenteken [kenteken] ), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;





De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;





De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.



De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.



Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair en de feiten 2 t/m 4 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.




Het oordeel van de rechtbank.





T.a.v. feit 1 primair





De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Vaststelling van de feiten.
Uit het procesdossier stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 18 maart 2025, omstreeks 16:00 uur, reed een bestelbus met kenteken [kenteken] (hierna: de bestelbus) over de Gewandeweg te Lithoijen in de richting van Oss. Het latere slachtoffer, de heer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), fietste eveneens op deze weg en in dezelfde richting. De bestelbus heeft [slachtoffer] aangereden. Als gevolg van deze aanrijding is [slachtoffer] ten val gekomen en heeft hij zijn kuitbeen en zijn enkel gebroken.
Op 18 maart 2025, omstreeks 16:43 uur arriveerden verbalisanten bij de woning van de tenaamgestelde van de bestelbus, zijnde verdachte. De verbalisanten hebben waargenomen dat verdachte duidelijk onder invloed was van alcohol dan wel verdovende middelen. Verdachte heeft geen gevolg gegeven aan het gegeven bevel zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

Beoordelingskader artikel 6 WVW.
Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 van de WVW te kunnen komen, is vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Dat betekent in de eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval. In de tweede plaats moet de verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, waarbij roekeloos geldt als de zwaarste vorm van schuld. Om tot het oordeel te kunnen komen dat in dit concrete geval sprake is van roekeloosheid, moeten zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid worden - gelet op rechtspraak van de Hoge Raad - strenge (motiverings)eisen gesteld.

De bestuurder van de bestelbus.
De rechtbank stelt allereest vast dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de bestuurder was van de bestelbus ten tijde van het ongeval. Uit de getuigenverklaringen en beelden die aan de politie ter beschikking zijn gesteld, blijkt dat de bestelbus van verdachte bij het ongeval betrokken was. Hoewel verdachte ten overstaan van de politie heeft verklaard dat hij niet degene was die in de bestelbus heeft gereden, heeft hij ook verklaard dat niemand anders daarin rijdt. De rechtbank concludeert dan ook dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat verdachte die dag als bestuurder van de betreffende bestelbus heeft opgetreden. De rechtbank wordt in haar oordeel gesterkt door de verklaring van een van de getuigen, die een omschrijving geeft van de bestuurder die overeenkomt met de persoon van verdachte.

Causaal verband.
Voorts stelt de rechtbank vast dat er sprake is van een causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval, in die zin dat als die gedragingen achterwege zouden zijn gebleven het ongeluk niet zou zijn gebeurd.

Mate van schuld.
Vervolgens is het de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval en, zo ja, in welke mate. Uit het procesdossier stelt de rechtbank vast dat verdachte met zijn bestelbus op [slachtoffer] is ingereden. Voorts is uit het procesdossier gebleken dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een gegeven bevel zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 163 lid 6 WVW.
Voor roekeloosheid in juridische zin moet het echter gaan om een combinatie van verkeersgevaarlijke gedragingen, zoals genoemd in artikel 5a van de WVW of één verkeersgevaarlijke gedraging die gedurende lange tijd wordt verricht. In dit geval is van beide geen sprake. De rechtbank acht de tenlastegelegde roekeloosheid dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.
Of sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid moet de rechtbank volgens vaste jurisprudentie kijken naar het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Dit brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld. Daarnaast is van belang dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat strafrechtelijk sprake is van schuld in voornoemde zin.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het ongeval bij daglicht en onder heldere weersomstandigheden plaatsvond. Meerdere getuigen verklaren dat zij [slachtoffer] op de weg zagen fietsen. Voorts blijkt uit de verklaring van [getuige 1] dat de bestelbus het achterwiel van de fietser raakte, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank erop duidt dat onvoldoende ruimte werd aangehouden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de fietser voor verdachte zichtbaar moet zijn geweest, hij de voor hem zichtbare fietser niet heeft opgemerkt en hem van achter heeft aangereden. De rechtbank slaat tevens acht op de verklaring van getuige [getuige 2] dat de bus ‘als een mongool’ reed, in korte tijd snel dichterbij kwam, slingerde op de weg en met het wiel steeds in de berm terechtkwam.
De rechtbank kwalificeert het rijgedrag van verdachte gezien het voorgaande als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend waardoor het verkeersongeval aan zijn schuld als bedoeld in artikel 6 WVW is te wijten.

Zwaar lichamelijk letsel.
Uit het procesdossier is gebleken dat [slachtoffer] een tweetal breuken heeft overgehouden aan het ongeval: een breuk in het kuitbeen en een breuk in de enkel. Gelet op deze omstandigheid en de omstandigheid dat hij minimaal vier weken in het gips moest en dat hij zes maanden revalidatietijd nodig heeft gehad is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie.
De rechtbank komt op grond van de inhoud van het dossier tot de vaststelling dat er sprake is geweest van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid bij verdachte ten tijde van het ongeval. De rechtbank acht hetgeen onder feit 1 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen. De bewezenverklaring van hetgeen verdachte onder feit 2 tot en met 4 ten laste is gelegd volgt uit de inhoud van de bewijsmiddelen.



De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte


T.a.v. feit 1 primair:

op 18 maart 2025 te Lithoijen, gemeente Oss, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelbus, merk: Renault, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Gewandeweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard,




- niet op te merken dat de bestuurder van een fiets aan de (uiterst) rechterzijde van die Gewandeweg op de uitwijkstrook reed, terwijl deze fietser voor hem, verdachte, wel zichtbaar was en



- zijn voorligger, te weten een fietser, in te halen, terwijl daarvoor onvoldoende ruimte was en



- vervolgens in aanrijding te komen met de achterzijde van die fiets ten gevolge waarvan die fietser, genaamd [slachtoffer] , ten val is gekomen,




waardoor bij een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kuitbeen en een breuk in diens enkel is ontstaan,





terwijl hij, verdachte, na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163 zesde lid van genoemde wet;




T.a.v. feit 2:

als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Lithoijen, gemeente Oss, aan de Gewandeweg, op 18 maart 2025


de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en schade was toegebracht;




T.a.v. feit 3:

op 18 maart 2025 te Oss, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een bedrijfsauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen;




T.a.v. feit 4:

op 18 maart 2025 te Lithoijen, gemeente Oss, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Gewandeweg, als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto/bestelbus, merk: Renault, kenteken [kenteken] ), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;




De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.




De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.




De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.



Oplegging van straffen.



De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde onder feit 1 primair en de feiten 2 t/m 4 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.




Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.




De ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig te rijden een verkeersongeval veroorzaakt waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte reed met zijn bestelbus dusdanig ver rechts op de weg dat hij met [slachtoffer] in aanrijding is gekomen. Daarnaast is verdachte doorgereden nadat hij het ongeval had veroorzaakt terwijl hij wist of had moeten weten dat hij schade en letsel had veroorzaakt. Verdachte heeft zich geen enkel moment bekommerd om de schade en het letsel dat hij bij [slachtoffer] had veroorzaakt. Verdachte heeft een auto bestuurd terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Ook heeft verdachte geweigerd zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen. Verdachte heeft met zijn houding tijdens en direct na het ongeval, maar ook gedurende het onderzoek op geen enkel moment blijk gegeven dat hij zich bewust is van het kwalijke en strafwaardige van zijn handelen.




De persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie aangaande verdachte van 24 juni 2026 waaruit blijkt dat verdachte meermaals met justitie in aanraking is gekomen voor verkeersfeiten. De rechtbank weegt het voorgaande in strafverzwarende zin mee.




De strafmodaliteit

De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Voorts zal de rechtbank aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen.




Conclusie.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren passend en geboden is. De rechtbank wijkt af van de strafeis van de officier van justitie, omdat de rechtbank anders dan de officier van justitie uitgaat van schuld in aanmerkelijke zin en niet van roekeloosheid ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.




Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
57 Wetboek van Strafrecht
6, 7, 9, 163, 175, 176, 179 Wegenverkeerswet 1994.



DE UITSPRAAK


De rechtbank:




Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.



Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:



T.a.v. feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163,


zesde lid, van deze wet




T.a.v. feit 2:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a en onderdeel b van de


Wegenverkeerswet 1994




T.a.v. feit 3:

Overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994




T.a.v. feit 4:

Overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994





Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.



Legt op de volgende straffen.

- Een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden

- Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren




Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.H.E. Boerma, voorzitter,
mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. I.C. Meuris, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 21 augustus 2026.