Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:4198
2026-04-02
Civiel recht
C-01-422185 - KG ZA 25-649
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
eenzijdige wijzigingen in franchiseformule; terugdraaien toegepaste wijzigingen o.s.v. dwangsommen
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (53.471 tekens)
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/422185 / KG ZA 25-649
Vonnis in kort geding van 2 april 2026
in de zaak van
1 PIDZ DEN HAAG B.V.,
te Den Haag ,2. PIDZ ALKMAAR,
te Alkmaar ,
3. PIDZ MAASTRICHT B.V
te Maastricht ,eisende partijen,
hierna samen te noemen: de Franchisenemers,
advocaten: mr. J. van de Peppel en mr. J.H. Kolenbrander,
tegen
PIDZ ZORG B.V.,
te Best ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: PIDZ ,
advocaat: mr. J.S. 't Hart.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2026 met producties 1 tot en met 37
- het verzoek van mr. ’t Hart van 5 maart 2026 om uitstel van de mondelinge behandeling van het kort geding
- de reactie van mr. Van de Peppel van 6 maart 2026 op het verzoek om uitstel
- het bericht van de griffier van 6 maart 2026 namens de voorzieningenrechter dat de mondelinge behandeling op 12 maart 2026 doorgang zal vinden
- de aanvullende producties 38 tot en met 44 van de Franchisenemers
- de producties 1 tot en met 9 van PIDZ
- de aanvullende productie 45 van de Franchisenemers
- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026- de pleitnota van mr. Van de Peppel
- de pleitnota van mr. ’t Hart
- de aanhouding van het kort geding tot 13 maart 2026 eind van de dag in verband met schikkingsonderhandelingen
- het verzoek van mr. Van de Peppel van 13 maart 2026 om vonnis te wijzen
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
PIDZ exploiteert een franchiseformule waarbij de vraag van zorginstellingen en het aanbod zzp’ers in de zorgsector worden samengebracht op een digitaal platform van PIDZ ( MijnPIDZ ).
2.2.
De Franchisenemers hebben ieder afzonderlijk een franchiseovereenkomst met PIDZ gesloten om gebruik te mogen maken van de franchiseformule nader uiteengezet in het Formulehandboek dat onderdeel uitmaakt van de franchiseovereenkomsten.
2.3.
Strekking van de franchiseovereenkomsten is kort gezegd dat de Franchisenemers zorginstellingen en zzp’ers acquireren met de bedoeling dat zij elkaar vinden op het MijnPIDZ en rechtsreeks een overeenkomst van opdracht met elkaar sluiten op basis van de door PIDZ aangeleverde voorwaarden.
2.4.
De zorginstellingen betalen na het tot stand komen van een overeenkomst van opdracht een vergoeding aan de Franchisenemers voor hun acquirerende werkzaamheden (hierna te noemen: de servicefee). Aan deze servicefee ligt een rechtstreeks tussen de betrokken zorginstelling en de franchisenemer gesloten raamovereenkomst voor bemiddeling ten grondslag; de servicefee werd uit dien hoofde tot 1 januari 2026 rechtstreeks door de franchisenemers gefactureerd aan de zorginstellingen.
2.5.
De Franchisenemers zijn over de door hen behaalde omzet een franchisefee verschuldigd van 50% aan PIDZ .
2.6.
De looptijd van de franchiseovereenkomsten is na afloop van de oorspronkelijke contractduur op respectievelijk 1 februari 2025, 1 december 2024 en 1 mei 2025 voor alle drie de Franchisenemers verlengd met drie jaar tot respectievelijk 1 februari 2028 ( PIDZ Den Haag ), 1 december 2027 ( PIDZ Alkmaar ) en 1 mei 2028 ( PIDZ Maastricht ).
2.7.
In de franchiseovereenkomsten is, voor zover in het kader van dit kort geding relevant, onder meer het volgende bepaald:
(…)
(…)
(…)
(…)
2.8.
In het Formulehandboek is onder meer het volgende bepaald:
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
2.9.
Op 17 oktober 2025 heeft PIDZ in een interne memo (hierna te noemen: Memo 1) een aanpassing in de financiële stromen aangekondigd. PIDZ geeft in de memo aan dat zij de overeenkomsten structuur zzp-bemiddeling en de daaruit voortvloeiende structurele facturatiestroom wil centraliseren via haarzelf als franchisegever waarbij PIDZ Flex B.V. (hierna te noemen: PIDZ Flex ) in plaats van franchisenemer de contractspartij wordt voor bemiddelingsdiensten.
PIDZ heeft in de memo onderbouwd waarom zij zich genoodzaakt acht tot de aangekondigde wijzigingen en waarom daarvoor geen instemming van de Franchisenemers is vereist. De wijzigingen zouden per 1 januari 2026 doorgevoerd gaan worden.
2.10.
Bij brief van hun advocaat van 28 oktober 2025 hebben de Franchisenemers bezwaar gemaakt tegen de aangekondigde wijzigingen en zich op het standpunt gesteld dat die wijzigingen niet zonder hun instemming mogen worden doorgevoerd.
2.11.
PIDZ heeft betwist dat zij de instemming van de Franchisenemers nodig heeft.
2.12.
Op 17 december 2026 heeft PIDZ in een nieuwe memo (hierna te noemen: Memo 2) aangekondigd dat PIDZ per 1 januari 2026 de facturering van de zorginstellingen centraal zal uitvoeren waarbij de Franchisenemers volledig verantwoordelijk blijven voor de matching, commercieel relatiebeheer en lokale werving. De noodzaak voor de wijzigingen houden, aldus het memo, verband met de belangrijke wijzigingen in wet- en regelgeving, waarbij meer handhaving en toezicht op onder meer schijnzelfstandigheid, verkapte uitzending en naleving van eventuele cao-bepalingen wordt verwacht.
Daarbij wijst PIDZ er op dat per 1 januari 2026 de administratieve processen moeten zijn ondergebracht in een SNA-gecertificeerde entiteit, in dit geval PIDZ Flex . Centrale facturatie borgt naleving van deze norm en maakt aanpassing in de bestaande facturering noodzakelijk, aldus het memo omdat franchisenemers niet kunnen ‘meeliften’ op de certificering van een andere entiteit (zoals PIDZ Flex ); iedere entiteit moet zelf voldoen aan het normenkader.
PIDZ wijst er nogmaals op dat zij voor de wijziging geen instemming van de Franchisenemers nodig heeft omdat deze louter operationeel van aard is en geen negatieve impact heeft de exploitatie, investeringen of winstverwachtingen van de franchisenemers.
2.13.
Bij e-mail van 19 december 2025 hebben de Franchisenemers ook tegen de in Memo 2 aangekondigde wijziging bezwaar gemaakt.
2.14.
Op 26 februari 2026 heeft PIDZ wederom een memo aan de Franchisenemers gestuurd (hierna te noemen: Memo 3). Daarin kondigt PIDZ aan dat met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 de betalingsstroom in die zin zal worden aangepast dat de facturen die op naam van de franchisenemers uitgaan naar de zorginstellingen ter zake de servicefee met ingang van 1 januari 2026 het bankrekeningnummer van PIDZ Flex vermelden waarop de servicefee betaald dient te worden. In het vervolg zal dus niet de franchisenemer maar PIDZ Flex de servicefee incasseren. PIDZ zal de servicefee vervolgens, na inhouding van de haar toekomende franchisefee, aan de Franchisenemers doorbetalen. De facturen aan de zorginstellingen blijven wel gewoon op naam van de Franchisenemers staan; zij blijven dus de crediteur van de zorginstelling ter zake de servicefee.
2.15.
De Franchisenemers hebben ook tegen deze wijziging in een e-mail van 3 maart 2026 bezwaar gemaakt.
2.16.
PIDZ heeft de in Memo 3 aangekondigde wijziging daadwerkelijk doorgevoerd per 1 januari 2026 door in de door haar ontwikkelde en onderhouden software het bankrekeningnummer van de Franchisenemers in de facturen aan de zorginstellingen te vervangen door het bankrekeningnummer van PIDZ Flex . Conform de aankondiging in Memo 3 worden de facturen vanaf 1 januari 2026 – op naam van de Franchisenemers – door PIDZ aan de zorginstellingen verzonden. Sedert deze door PIDZ doorgevoerde wijzigingen ontvangt PIDZ Flex ook daadwerkelijk de servicefee van de zorginstellingen.
2.17.
PIDZ Flex heeft van de servicefees die zij sinds 1 januari 2026 heeft ontvangen nog niets doorbetaald aan de Franchisenemers. Krachtens de gewijzigde incasso-praktijk zijn er aldus ook enige bedragen ter zake servicefees over de maand december 2025 door PIDZ Flex geïncasseerd; de te dier zake ontvangen bedragen heeft PIDZ evenmin – al dan niet na inhouding van de eventueel verschuldigde franchisefee – doorbetaald.
3Het geschil
3.1.
Franchisenemers vorderen - samengevat – om bij vonnis, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
PIDZ te verbieden om de in Memo 1, Memo 2 en Memo 3 aangekondigde wijzigingen dan wel andere daarop gelijkende wijzigingen door te voeren zolang de Franchisenemers daarvoor geen schriftelijke instemming hebben gegeven;
PIDZ te gebieden de vanaf 1 januari 2026 reeds doorgevoerde wijzigingen zoals met betrekking tot de betalingsstroom zorginstellingen, de overeenkomstenstructuur zzp-bemiddeling en de daaruit voortvliegende facturatiestroom in de franchiserelatie ongedaan te maken (en ongedaan te laten), totdat er alsnog schriftelijke instemming is verkregen van de Franchisenemers;
PIDZ te verbieden om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari doorgevoerde wijzigingen, rechtsreeks (raam)overeenkomsten te sluiten met klanten van de Franchisenemers in verband met zzp-bemiddeling;
PIDZ te gebieden om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari doorgevoerde wijzigingen, klanten van de Franchisenemers naar de Franchisenemers door te (blijven) verwijzen als crediteur van deze klanten;
PIDZ te verbieden om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari doorgevoerde wijzigingen, klanten van de Franchisenemers op enigerlei wijze aan te zetten tot het beëindigen van hun zakelijke relatie c.q. samenwerking met de Franchisenemers;
PIDZ te verbieden, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari doorgevoerde wijzigingen, wijzigingen aan te (laten) brengen in de IT- c.q. ICT-systemen van de PIDZ -franchiseformule die (kunnen) beletten dat de Franchisenemers hun onderneming kunnen exploiteren zoals zij dat dezen vóór 1 januari 2026;
PIDZ te gebieden, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari doorgevoerde wijzigingen, reeds gedane wijzigingen in de IT- c.q. ICT-systemen die daarop toezien terug te draaien (en teruggedraaid te houden), zoals de Franchisenemers hun onderneming kunnen exploiteren zoals zij dat deden vóór 1 januari 2026 en waardoor (onder meer) de gegevens van de Franchisenemers – waaronder hun naam, btw-nummer en bankrekeningnummer - op de facturen aan klanten van de Franchisenemers worden vermeld;
PIDZ te verbieden om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen, alle (voorbereidende) handelingen uit te voeren die verband houden, althans verband zouden kunnen houden, met de door PIDZ voorgenomen en/of doorgevoerde wijzigingen betreffen de betalingsstroom zorginstellingen en overeenkomstenstructuur zzp-bemiddeling en daaruit voortvloeiende facturatiestroom in het (exclusieve) gebied van de Franchisenemers, zoal bepaald in artikel 7.1 van de franchiseovereenkomsten;
PIDZ te verbieden om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen, op facturen aan klanten van de Franchisenemers een andere naam, ander btw-nummer en/of een ander bankrekeningnummer te vermelden dan de naam, het btw-nummer en het bankrekeningnummer van de Franchisenemers;
PIDZ te gebieden om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen, op facturen aan klanten van de Franchisenemers deugdelijk de naam, het btw-nummer en het bankrekeningnummer van de Franchisenemers te vermelden, zoals dat ook gebeurde vóór 1 januari 2026,
PIDZ te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 50.000,-- dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom voor elke dag (of deel daarvan) dat PIDZ niet (geheel) voldoet aan het gevorderde onder i) tot en met x) met een maximum van € 2.500.000,--;
PIDZ te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente.
3.2.
Franchisenemers leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag.
3.2.1.
PIDZ is niet bevoegd om de in Memo 1, Memo 2 en Memo 3 aangekondigde wijzigingen eenzijdig door te voeren. PIDZ heeft daarvoor gelet op het bepaalde in artikel 7:921 BW de instemming van de Franchisenemers nodig.
In de eenzijdige wijzigingsbedingen in artikel 4.9 en 4.10 van de franchiseovereenkomsten is geen drempelwaarde opgenomen zoals bedoeld in artikel 7:921 BW zodat PIDZ voor wijzigingen altijd de instemming van de Franchisenemers nodig heeft.
Op grond van artikel 4.9 en 4.10 van de franchiseovereenkomsten mogen ook alleen wijzigingen worden doorgevoerd die redelijk en billijk zijn. De door PIDZ aangekondigde wijzigingen zijn dat niet gelet op de nadelige gevolgen voor de Franchisenemers.
De Franchisenemers wijzen er daarbij op dat:
de Franchisenemers door de wijziging in Memo 1 tegen hun wil worden gedegradeerd van zelfstandige ondernemers tot handelsagenten/bemiddelaars van PIDZ ;
de wijzigingen voor hen grote financiële consequenties hebben. De Franchisenemers verliezen grip op hun financiële zaken en zijn volledig aan PIDZ overgeleverd. Daarnaast zal hun liquiditeitspositie aanzienlijk verslechteren omdat de zorginstellingen niet meer rechtstreeks aan de Franchisenemers betalen maar aan PIDZ ;
PIDZ met de wijzigingen in feite de klanten van de Franchisenemers alvast naar zichzelf tracht over te hevelen zonder daarvoor goodwill te hoeven betalen. PIDZ is namelijk van plan om de franchiseformule uit te faseren en de klanten in de toekomst zelf te gaan bedienen;
zij een groter incassorisico lopen. De Franchisenemers worden voor de betaling van de servicefee volledig afhankelijk van één partij: PIDZ Flex . Als die vennootschap failliet gaat, staan de Franchisenemers met lege handen. Het risico op een faillissement is niet denkbeeldig, mede ook gelet op de eigen uitlatingen van PIDZ ;
de wijzigingen in strijd zijn met het in artikel 7.1 van de franchiseovereenkomsten aan de Franchisenemers toegekende exclusieve gebied om als zelfstandig ondernemer de franchiseformule te gebruiken;
een omzetderving te verwachten valt als zij niet meer zelf hun klantenportefeuilles kunnen beheren nu is gebleken dat PIDZ niet in staat is om dat beheer deugdelijk uit te voeren;
zij ook geen kwaliteitscontrole meer kunnen uitvoeren op de facturen die thans rechtstreeks door PIDZ aan de zorginstellingen worden verstuurd;
zij ernstig worden beknot in hun wettelijke bevoegdheden om betalingen aan PIDZ op te schorten en vorderingen op PIDZ te verrekenen met eventueel aan PIDZ toekomende bedragen;
zij gelet op het Deliveroo-arrest het risico lopen dat de rechtsverhouding tussen de Franchisenemers en PIDZ door de rechter wordt gekwalificeerd als een (verkapt) dienstverband;
PIDZ de looptijd van de franchiseovereenkomsten in Memo 1 en Memo 2 wil terugbrengen van drie naar twee jaar. Dat zorgt voor onzekerheid bij de Franchisenemers.
3.2.2.
De wijzigingen kunnen bovendien niet worden doorgevoerd omdat PIDZ deze niet uiterlijk drie maanden van tevoren heeft gemeld aan de Franchisenemers zoals dat in artikel 4.9. van de franchiseovereenkomsten is voorgeschreven. Memo 2 kondigt wijzigingen aan die 2 weken later geïmplementeerd zouden moeten worden terwijl de wijziging in Memo 3 helemaal niet vooraf aangekondigd maar zelfs met terugwerkende kracht is doorgevoerd.
3.2.3.
De wijzigingen hebben bovendien betrekking op essentiële onderdelen van de franchise en mogen op grond van artikel 4.10 van de franchiseovereenkomsten daarom niet worden doorgevoerd. De artikelen 10.4 en 10.5 van de franchiseovereenkomsten bieden PIDZ uitsluitend de bevoegdheid om eenzijdig het Formulehandboek aan te passen maar niet de franchiseovereenkomsten.
3.2.4.
Voor zover PIDZ een beroep doet op artikel 18.5 van de franchiseovereenkomsten geldt dat PIDZ niet handelt als een goed franchisegever omdat de in dat artikel opgenomen drempelwaarde (20% van de omzet met een minimum van € 200.000,-) onredelijk hoog is. Een beroep daarop is ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het beding is ook onredelijk bezwarend voor de Franchisenemers en zij roepen de vernietiging daarvan in op grond van artikel 6:233 BW.
3.2.5.
Voor zover PIDZ toch een beroep zou kunnen doen op artikel 18.5 dan geldt dat het financiële nadeel van de Franchisenemers de daarin genoemde drempelwaarde ver overschrijdt nu de doorgevoerde wijzigingen tot gevolg hebben dat de omzet (zijnde de aan de franchisenemers op grond van de raamovereenkomsten met de zorginstellingen toekomende servicefee op basis waarvan de franchisefee wordt berekend) van de franchisenemers met 50% afneemt. De nominale drempel van € 200.000,- wordt ruimschoots overschreden. De omzet van PIDZ Den Haag en PIDZ Alkmaar beliep in 2025 (naar beneden afgerond) 1.6 respectievelijk 1.5 miljoen euro.
3.3.
PIDZ voert, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.
PIDZ betwist dat voor de per 1 januari 2026 doorgevoerde wijziging van de betalingsstroom de instemming van de Franchisenemers is vereist.
3.3.1.
Die instemming is op grond van artikel 7:921 BW slechts nodig als de financiële positie of exploitatiepositie van de Franchisenemers door de wijziging wezenlijk wordt geraakt. Daarvan is hier geen sprake. Het gaat hier om een wijziging van louter administratief-technische aard. Voor de Franchisenemers verandert er onder de streep niets: zij blijven eigenaar/schuldeiser van de factuur en de wijziging heeft ook geen invloed op hun omzet en marges.
De met de wijzigingen gepaard gaande investerings- en implementatiekosten komen volledig voor rekening van PIDZ .
3.3.2.
De Franchisenemers worden ook niet aangetast in hun zelfstandig ondernemerschap door het enkele feit dat de betalingen voortaan via een andere bankrekening lopen. De Franchisenemers blijven – net als voorheen - op eigen naam en voor eigen rekening en risico opereren.
3.3.3.
Artikel 7:921 lid 2 BW is in dit geval bovendien niet van toepassing. In de franchiseovereenkomst is in artikel 18.5 namelijk wel voorzien in een drempelwaarde voor eenzijdige wijzigingen door PIDZ . Die drempelwaarde is € 200.000,-- en wordt in dit geval niet gehaald. De wijziging is financieel neutraal en kost de Franchisenemers helemaal niets.
Het gaat bovendien om aanpassingen in het softwaresysteem die binnen de normale operationele bevoegdheid van PIDZ vallen. De Franchisenemers zijn op grond van de franchiseovereenkomst verplicht om het softwaresysteem te gebruiken.
3.3.4.
Artikel 4.9 van de franchiseovereenkomst is niet van toepassing omdat van een wezenlijke wijziging geen sprake is. Voor zover het artikel wel van toepassing zou zijn, dan geldt dat PIDZ onder de gegeven omstandigheden niet kan worden gehouden aan de termijn van drie maanden voor aankondigen van de wijziging. De verscherpte handhaving van de Wet DBA en de dwingende SNA-certificeringseisen van zorginstellingen nopen tot een eerdere implementatie. PIDZ heeft de termijn van drie maanden bovendien feitelijk ook niet overschreden. De Franchisenemers waren immers al vanaf augustus 2025 op de hoogte van de voorgenomen wijzigingen per 1 januari 2026. Gelet op de geringe omvang en aard van de wijziging geldt in dit geval volgens artikel 7:916 BW ook geen minimumtermijn.
Voor zover PIDZ zich toch niet aan de geldende termijn zou hebben gehouden dan geldt dat dit niet kan leiden tot een ongedaanmaking van de wijziging maar hooguit tot schadevergoeding.
3.3.5.
De wijziging valt binnen de beleidsvrijheid die PIDZ als franchisegever toekomt. De wijziging is financieel neutraal, extern noodzakelijk en dient het belang van de gehele keten.
3.3.6.
Het door de franchisenemers aangeroepen Deliveroo-arrest is in het onderhavige geval niet van toepassing. Het gaat hier niet om de kwalificatie van een arbeidsverhouding. De stelling dat mogelijk sprake zou kunnen zijn van een fictief dienstverband strookt niet met de eigen stellingen van de Franchisenemers dat zij zelfstandige ondernemers zijn.
3.3.7.
PIDZ is op grond van de franchiseovereenkomst en het Fomulehandboek verantwoordelijk voor de kwaliteitsbewaking en compliance van de gehele keten. Door de betaalstroom te centraliseren is PIDZ in staat om de uit de SNA-certificering voortvloeiende kwaliteitseisen te waarborgen, de Wet DBA-compliance te monitoren en de financiële integriteit van de gehele keten te bewaken.
3.3.8.
Het exclusieve gebiedsrecht van de Franchisenemers wordt niet geschonden. Zij houden hun eigen rayon en klanten.
3.3.9.
Dat de Franchisenemers nog geen betalingen hebben ontvangen sinds 1 januari 2026 van PIDZ heeft te maken met aanloopproblemen bij de implementatie van het nieuwe softwaresysteem. Dat rechtvaardigt niet het volledig terugdraaien van het nieuwe softwaresysteem. Dat zou te ingrijpende gevolgen hebben voor de overige betrokkenen.
3.3.10.
De Franchisenemers hebben zich tijdens het met hen afgelopen traject om te komen tot aanpassingen niet als goed franchisenemers gedragen. Zij hebben zich niet constructief opgesteld in het overleg over noodzakelijke aanpassingen die door PIDZ moeten worden doorgevoerd in verband met de verscherpte handhaving van de Wet DBA en de dwingende SNA-certificeringseisen van zorginstellingen.
3.3.11.
Het ontbreekt de Franchisenemers bij de gevorderde voorzieningen aan voldoende spoedeisend belang. De wijzigingen hebben voor hen geen financiële gevolgen en er is ook geen acute financiële noodzaak om in te grijpen. De Franchisenemers kunnen de aanloopproblemen in het nieuwe softwaresysteem niet aanvoeren ter onderbouwing van een spoedeisend belang nu zij zelf hun medewerking aan de implementatie van het systeem hebben geweigerd. Het terugdraaien van de softwareaanpassingen lost het probleem van de factuurbetalingen bovendien ook niet op.
3.3.12.
De Franchisenemers maken misbruik van procesrecht. Zij gebruiken het kort geding oneigenlijk om een zo hoog mogelijke exit-vergoeding van PIDZ te krijgen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Aanleiding voor dit kort geding is het feit dat PIDZ als franchisegever in een drietal memo’s heeft aangekondigd dat zij wijzigingen wil doorvoeren in de relatie met de Franchisenemers. De wijzigingen zoals die in de meeste recente memo (Memo 3) zijn aangekondigd zijn door PIDZ – met terugwerkende kracht - ook daadwerkelijk doorgevoerd per 1 januari 2026, zo staat tussen partijen onweersproken vast.
Per genoemde datum heeft PIDZ zodanige wijzigingen doorgevoerd in het door haar ontwikkelde en onderhouden ICT-systeem en de handelwijze rondom het factureren aan de zorginstellingen dat de klanten van de Franchisenemers (de zorginstellingen) de aan hen gefactureerde – en uit hoofde van de met de franchisenemers gesloten faamovereenkomsten verschuldigde - servicefee niet langer rechtstreeks betalen aan de Franchisenemers zoals zij dat voorheen altijd deden, maar aan PIDZ Flex , een aan PIDZ gelieerde vennootschap.
De zorginstellingen ontvangen in het vervolg van PIDZ de op naam van de franchisenemer gestelde factuur.
Het is volgens PIDZ de bedoeling dat de servicefee vervolgens, na inhouding van de door de Franchisenemers aan PIDZ verschuldigde franchisefee, door PIDZ Flex aan de Franchisenemers worden doorbetaald.
De Franchisenemers verzetten zich tegen die wijziging in de facturerings- en betaalstroom ter zake de door de zorginstellingen aan hen verschuldigde servicefee alsook tegen de in Memo 1 en Memo 2 aangekondigde maar (vooralsnog) niet doorgevoerde wijzigingen.
De Franchisenemers stellen zich kort gezegd op het standpunt dat PIDZ voor de wijzigingen de instemming van de Franchisenemers nodig heeft. PIDZ betwist dat.
Kern van dit kort geding is dan ook de vraag of PIDZ de wijzigingen mag doorvoeren zonder de instemming van de Franchisenemers.
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Franchisenemers daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.3.
De Franchisenemers hebben voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen die ertoe strekken dat het PIDZ wordt verboden om de aangekondigde wijzigingen door te voeren en de reeds doorgevoerde wijzigingen ongedaan te maken. De Franchisenemers stellen dat de wijzigingen onrechtmatig zijn en voor hen (feitelijk en potentieel) verstrekkende financiële, juridische en organisatorische gevolgen hebben. Van de Franchisenemers kan niet worden gevergd dat zij in die volgens hen onrechtmatige situatie berusten hangende de uitkomst van een bodemprocedure.
Bovendien staat vast dat PIDZ ( Flex ) sinds 1 januari 2026 nog geen enkele servicefee aan de Franchisenemers heeft doorbetaald terwijl zij daar volgens haar eigen stellingen wel toe gehouden was. Dat feit levert op zichzelf al een voldoende spoedeisend belang op bij de gevraagde voorzieningen. Dat het uitblijven van de betalingen te wijten zou zijn aan opstartproblemen met het nieuwe softwaresysteem en dat PIDZ actief bezig zou zijn om die problemen te verhelpen, zoals PIDZ stelt, maakt dat niet anders. Ook ter zitting werden geen concrete betalingen c.q. betaaldata in het vooruitzicht gesteld teneinde de financiële nood te lenigen.
4.4.
PIDZ doet een beroep op artikel 3:13 BW en stelt dat misbruik maken van procesrecht omdat zij dit kort geding zouden gebruiken als oneigenlijk drukmiddel in hun exit- en goodwillonderhandelingen met PIDZ . Dat verweer slaagt niet. PIDZ hebben wijzigingen aangekondigd en ook doorgevoerd waarvan de Franchisenemers stellen dat daarvoor hun instemming nodig was. De Franchisenemers hebben er dan belang bij om in kort geding ongedaanmaking daarvan te vorderen. Daar hebben zij een onmiskenbaar materieel belang bij. de Franchisenemers betwisten dat zij hun vorderingen hebben ingesteld louter ter verkrijging van een voor hen zo gunstig mogelijk onderhandelingsresultaat in het kader van – kennelijk – met hen gevoerde exit- en goodwillonderhandeling en de voorzieningenrechter heeft daarvoor ook overigens geen aanwijzingen kunnen ontwaren. De enkele omstandigheid dat PIDZ het onderhavige kort geding kennelijk ervaart als een drukmiddel in die onderhandelingen doet daar niet aan af.
4.5.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moeten de door PIDZ in de memo’s aangekondigde wijzigingen worden gekwalificeerd als wijzigingen in de franchiseformule zoals bedoeld in artikel 7:921 lid 1 BW. Als gevolg van de wijzigingen worden de servicefees voor de door de Franchisenemers geleverde diensten door de zorginstellingen niet langer door de Franchisenemers gefactureerd en aan hen betaald maar vindt zowel facturering alsook incasso van de aan de Franchisenemers toekomende servicefee plaats door aan een aan PIDZ gelieerde vennootschap (Memo 3). In de – vooralsnog niet doorgevoerde - wijzigingen die in de eerste twee memo’s worden voorgesteld sluiten de zorginstellingen hun contracten voortaan niet meer met de Franchisenemers maar rechtstreeks met aan PIDZ gelieerde vennootschappen waardoor de Franchisenemers er als contractspartij volledig tussenuit vallen. Dat zijn geen neutrale wijzigingen van louter administratief-technische aard die gelijk gesteld kunnen worden aan een het wijziging van het bankrekeningnummer van de begunstigde, zoals PIDZ ter zitting stelde en waarvoor om die reden geen instemming van de Franchisenemers nodig zou zijn. Met betrekking tot de op basis van Memo 3 feitelijk per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen wordt niet louter een bankrekeningnummer gewijzigd maar vindt ook een wijziging plaats in de begunstigde aan wie de servicefee dient te worden overgemaakt. Anders dan voorheen is de crediteur van de vordering (de franchisenemer) niet langer de aangewezen ontvanger van de betaling ( PIDZ Flex ). Verder is de franchisenemer niet langer de partij die verantwoordelijk is voor het verzenden (en controleren) van de servicefeefactuur maar heeft PIDZ ook die bevoegdheid eenzijdig naar zich toegetrokken.
4.6.
Uit artikel 7:921 lid 1 BW volgt dat een franchisegever slechts een wijziging in de franchiseformule kan doorvoeren als de franchiseovereenkomst in die mogelijkheid voorziet. Dat is hier het geval. Artikel 4 geeft onder het kopje “Eenzijdige wijziging van de Overeenkomst” in 4.9 tot en met 4.11 aan onder welke voorwaarden het PIDZ is toegestaan om eenzijdig wijzigingen door te voeren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoen de door PIDZ aangekondigde wijzigingen niet aan die voorwaarden,.
4.7.
In dat kader wijst de voorzieningenrechter er allereerst op dat artikel 4.9. voorschrijft dat de Franchisenemers ten minste drie maanden van tevoren over een door PIDZ voorgenomen wijziging moet worden ingelicht. Dat is in elk geval niet gebeurd met de wijziging die in Memo 3 was aangekondigd. Sterker nog, die is zelfs helemaal niet vooraf aangekondigd maar door PIDZ eenzijdig en met terugwerkende kracht doorgevoerd.
Voor zover PIDZ stelt dat zij in dit geval niet gebonden is aan de termijn van drie maanden omdat externe omstandigheden nopen tot een eerdere implementatie, geldt dat PIDZ het bestaan van die dringende noodzaak onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. PIDZ stelt in dat kader dat de wijziging nodig is omdat de Belastingdienst sinds 2025 actief is gaan handhaven op schijnzelfstandigheid en fictieve dienstverbanden in de zorgsector in het kader van de naleving van de Wet Deregulering Arbeidsrelaties. De voorzieningenrechter ziet niet in hoe het risico op schijnzelfstandigheid zou worden weggenomen of verkleind indien de zorginstellingen hun servicefee niet meer rechtstreeks aan de Franchisenemers betalen, maar aan PIDZ (Flex). PIDZ heeft dat onvoldoende overtuigend onderbouwd. Het tegendeel lijkt eerder het geval zoals de Franchisenemers stellen.
Het risico dat de rechtsbetrekking tussen de Franchisenemers en PIDZ door de Belastingdienst wordt aangemerkt als een fictief dienstverband lijkt zo op het eerste gezicht veeleer toe te nemen als de Franchisenemers voor de vergoeding van hun werkzaamheden afhankelijk zijn van de uitbetaling door PIDZ .
4.8.
PIDZ stelt verder dat (grote) zorginstellingen van hun ketenpartners verlangen dat zij een SNA-certificering hebben. Zonder die certificering zouden bemiddelaars niet als leverancier worden toegelaten. PIDZ beschikt kennelijk over zo’n certificering en de Franchisenemers niet. Vanaf 1 januari 2026 kunnen franchisenemers volgens PIDZ niet meer meeliften op de SNA-certificering van de franchisegever, maar moet elke vennootschap een eigen certificering hebben.
De Franchisenemers hebben voldoende gemotiveerd weersproken dat zij over een SNA-certificering moeten beschikken. Zij verwijzen daarbij onder meer naar de als productie 21 overgelegde e-mail van Normec VRO B.V. (hierna te noemen: Normec ), naar de Franchisenemers onweersproken hebben gesteld de instantie die beoordeelt of aan de voorwaarden voor een SNA-certificering wordt voldaan. Normec geeft naar aanleiding van vragen vanuit één van de Franchisenemers aan dat een SNA-certificering niet verplicht is.
De Franchisenemers hebben daarnaast onweersproken gesteld dat zij – indien nodig - zelf kunnen en zullen zorgdragen voor een SNA-certificering op eigen naam, gelijk PIDZ in haar tweede memo ook memoreert. De voorzieningenrechter heeft geen aanwijzingen om aan te nemen dat de Franchisenemers – om wat voor reden dan ook - voor een dergelijke eigen certificering niet in aanmerking zouden komen anders dan vanwege de eenzijdig door PIDZ doorgevoerde wijziging in de betaalstroom.
Normec geeft in genoemde e-mail namelijk ook aan dat het niet mogelijk is om een SNA-certificering te behalen indien de facturatie niet via de eigen vennootschap van de franchisenemer, maar via de franchisegever loopt. Díe situatie lijkt PIDZ met de per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen in het leven te hebben geroepen.
4.9.
Verder geldt dat de in de memo’s aangekondigde wijzigingen naar het oordeel van de voorzieningenrechter de geldigheid van de franchiseovereenkomst aantasten zoals bedoeld in artikel 4.9. dan wel in strijd zijn met de franchiseovereenkomst en betrekking hebben op essentiële onderdelen van de franchise zoals bedoeld in artikel 4.10.
Indien de in Memo 1 en Memo 2 aangekondigde wijzigingen zouden worden doorgevoerd heeft dat gevolgen voor de juridische positie van de Franchisenemers binnen de franchiseformule. Zoals de Franchisenemers terecht stellen verliezen zij een deel van hun zelfstandig ondernemerschap en verworden zij - uitdrukkelijk tegen hun wil – tot een van PIDZ afhankelijke handelsagent.
Met de wijzigingen wordt de Franchisenemers onder meer de mogelijkheid ontnomen om zelf afspraken te maken met de zorginstellingen over de (hoogte van de) servicefee. Zij zouden daarvoor volledig afhankelijk worden van PIDZ .
4.10.
Voor alle drie de Memo’s geldt dat de daarin aangekondigde wijzigingen negatieve gevolgen heeft voor de liquiditeitspositie van de Franchisenemers en – in het verlengde daarvan – hun ondernemersrisico. In plaats van dat zij de servicefee rechtstreeks van de zorginstellingen ontvangen en aan PIDZ de verschuldigde franchisefee betalen moeten zij nu wachten of en totdat PIDZ (Flex) die servicefee – na aftrek van de franchisefee – aan hen doorbetaalt. Die negatieve impact heeft zich inmiddels ook daadwerkelijk gemanifesteerd. Vast staat immers dat PIDZ (Flex) sinds 1 januari 2026 in gebreke is gebleken met het afdragen van de servicefee aan de Franchisenemers.
Er was ten tijde van de mondelinge behandeling van dit kort geding 12 maart 2026 nog helemaal niets door PIDZ (Flex) doorbetaald terwijl een aantal betalingstermijnen inmiddels ruimschoots was verstreken. Verder bleek dat PIDZ (Flex) zelfs rechtstreeks door haar geïnde servicefees over de maand december 2025 nog niet heeft doorbetaald.
De Franchisenemers worden door het gemis van de servicefee ernstig geraakt in hun liquiditeit en bedrijfsvoering nu hun bedrijfskosten blijven doorlopen zonder dat daar inkomsten uit servicefees tegenover staan.
Dat het uitblijven van de betalingen (louter) te wijten zou zijn aan opstartproblemen met het nieuwe softwaresysteem zoals door PIDZ is gesteld en door de Franchisenemers is betwist, maakt dat allemaal niet anders.
4.11.
Verder miskent PIDZ , zo bleek ook bij gelegenheid van de mondelinge behandeling, dat de doorgevoerde wijzigingen in het betaalverkeer grote gevolgen hebben voor het risico dat de Franchisenemers lopen als zelfstandig ondernemer: in plaats van spreiding van het debiteurenrisico over de zorginstellingen die zij bedienen zijn zij nu opgescheept met slechts één debiteur. Bij een faillissement van een zorginstelling is de schade beperkt tot de servicefee die bij die betreffende instelling op dat moment openstaat. Bij een faillissement van PIDZ Flex (of om het even welke andere entiteit die PIDZ aanwijst als betaaladres voor de servicefees) staan alle op dat moment nog openstaande (netto-) servicefees op de tocht, hetgeen – gezien de erkende en tot heden achterstallige afdrachtverplichtingen aan de Franchisenemers – bepaald niet als een louter imaginair risico kan worden afgedaan. Dit gewijzigde risicoprofiel levert op zichzelf al een ingrijpende wijziging op in de franchiseformule waartoe PIDZ niet zomaar eenzijdig mocht overgaan.
4.12.
De Franchisenemers stellen daarnaast terecht dat hun wettelijke bevoegdheden tot opschorting en verrekening – welke bevoegdheden naar de Franchisenemers onweersproken hebben gesteld in de franchiseovereenkomsten niet zijn uitgesloten – door de aangekondigde wijzigingen volledig worden uitgehold. Indien PIDZ (Flex) zelf de servicefee ontvangt en daar de franchisefee op in mindering brengt, is het voor de Franchisenemers niet langer mogelijk de betaling van die franchisefee aan PIDZ op te schorten of een vordering op PIDZ te verrekenen met de verschuldigde franchisefee. Ook in zoverre kwalificeren de eerder aangekondigde alsook doorgevoerde wijzigingen als wezenlijke ingrepen in de met de Franchisenemers gesloten overeenkomst.
4.13.
De voorzieningenrechter wijst verder nog op de door PIDZ kennelijk niet doordachte, laat staan geregelde, gevolgen die de wijziging in de betaalstroom heeft voor de verplichtingen van de Franchisenemers uit hoofde van de Wet Omzetbelasting. Zoals terecht gesteld blijven zij – als crediteur van de vordering op wiens naam diensten worden gefactureerd - wettelijk verantwoordelijk om de omzetbelasting die zij aan de zorginstelling in rekening brengen over de door hen geleverde diensten af te dragen aan de belastingdienst, ook als zij die bedragen feitelijk (nog) niet hebben ontvangen. Desgevraagd verklaarde PIDZ ter zitting dat zij de gevolgen van de per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen voor wat betreft de omzetbelasting nog niet hebben uitgewerkt en dat daar voortgezet overleg met de Franchisenemers voor nodig is. Dit maakt evenwel eens te meer duidelijk dat PIDZ de wijzigingen per 1 januari 2026 heeft doorgevoerd zonder zich in afdoende mate rekenschap te geven van de – potentieel ingrijpende – fiscale risico’s waaraan de Franchisenemers worden blootgesteld ter zake de BTW-afdrachtverplichting.
Dat risico manifesteert zich pregnant in het hiervoor geschetste scenario van wanbetaling c.q. faillissement van PIDZ Flex . De Franchisenemers zullen dan omzetbelasting moeten afdragen die zij nimmer hebben ontvangen.
4.14.
Verder geldt dat de in de drie memo’s aangekondigde (en deels doorgevoerde) wijzigingen niet kunnen worden geïmplementeerd zonder aanpassingen in de franchiseovereenkomsten. Kortheidshalve verwijst de voorzieningenrechter hier naar de artikelen 8, 9.1,13.5 en 15.4. De door PIDZ aangekondigde c.q. doorgevoerde wijzigingen verdragen zich niet met de huidige tekst van die bepalingen en nopen dus tot een aanpassing van de franchiseovereenkomsten.
4.15.
In artikel 4.9 tot en met 4.11 van de franchiseovereenkomst is bovendien geen drempelwaarde opgenomen zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 7:921 BW. Dat betekent dat PIDZ in beginsel voor elke wijziging op basis van die bepalingen de voorafgaande instemming van de Franchisenemers nodig heeft.
Voor zover PIDZ verwijst naar de drempelwaarde in artikel 18.5 van de franchiseovereenkomst, dan geldt dat die bepaling naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet van toepassing is. Artikel 18.5 heeft betrekking op voorgenomen wijzigingen die kunnen worden doorgevoerd “zonder hiertoe de Overeenkomst te wijzigen”. Zoals hierboven reeds is overwogen doet die situatie zich hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor.
4.16.
Maar zelfs als zou worden aangenomen dat de in artikel 18.5 genoemde drempelwaarde van 20% omzetderving (met een minimum van € 200.000,--) van toepassing is, dan kan dat PIDZ niet baten omdat voorshands voldoende aannemelijk is dat die drempelwaarde in dit geval wordt gehaald nu immers het volledige bedrag aan servicefee inclusief de door de Franchisenemers verschuldigde BTW niet aan de Franchisenemers maar aan PIDZ ( Flex ) wordt betaald (en daarmee ook in het vermogen van laatstgenoemde valt) en zij tot op heden nog geen enkele (door)betaling van PIDZ ( Flex ) hebben ontvangen. Bovendien wijzen de Franchisenemers er terecht (en niet-weersproken) op dat hen – anders dan voorheen – sedert 1 januari 2026 slechts 50% van de servicefee toekomt (nadat PIDZ op de geïncasseerde servicefee de franchisefee heeft ingehouden) en dat de doorgevoerde wijziging – gezien de omzet over 2025 – de 20% drempel (alsook het minimum van € 200.000,-) aldus ruimschoots overschrijdt.
4.17.
PIDZ doet een beroep op artikel 7:912 BW en stelt in dat kader dat de Franchisenemers niet als goed franchisenemers handelen door te weigeren in te stemmen met de volgens PIDZ noodzakelijk wijzigingen. Dat verweer treft geen doel. Zoals hierboven is overwegen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een externe noodzaak in verband met verscherpte handhaving van de Wet DBA en dwingende SNA-certificeringseisen.
Voor zover PIDZ stelt dat de Franchisenemers elke vorm van constructief overleg zou hebben geweigerd geldt dat de Franchisenemers die stelling voldoende gemotiveerd heeft weersproken.
4.18.
Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat voldoende aannemelijk is geworden dat PIDZ voor de in Memo 1, Memo 2 en Memo 3 aangekondigde wijzigingen de instemming van de Franchisenemers nodig heeft. Zolang die instemming ontbreekt is PIDZ niet bevoegd om de wijzigingen door te voeren. PIDZ heeft dat met de in Memo 3 aangekondigde wijziging toch gedaan. Daarmee zijn de vorderingen van de Franchisenemers om die wijzigingen ongedaan te maken in beginsel toewijsbaar.
Dat geldt ook voor zover de vorderingen strekken tot een verbod om de in Memo 1 en 2 aangekondigde wijzigingen door te voeren nu PIDZ daar niet expliciet afstand van heeft genomen en de Franchisenemers aldus – mede ook gelet op het eerdere eigengereide optreden van PIDZ - belang heeft bij een dergelijk verbod. Deze vorderingen zijn overigens – afgezien van het hiervoor besproken verweer van PIDZ – ook niet weersproken.
4.19.
Afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel. De Franchisenemers hebben een zwaarwegend (financieel) belang bij de gevorderde ge- en verboden. Het belang van PIDZ om de wijzigingen toch door te kunnen voeren c.q. te kunnen handhaven weegt daar niet tegenop. Voor zover PIDZ in dat kader betoogt dat het terugdraaien van de wijzigingen in het softwaresysteem MijnPIDZ disproportioneel is omdat dit ernstige gevolgen heeft voor de gehele franchiseketen en bovendien het probleem van de doorbetalingen van de servicefee aan de Franchisenemers niet oplost, geldt dat door de voorzieningenrechter in dat kader te treffen voorziening tot het ongedaan maken van de wijzigingen beperkt zal zijn tot wijzigingen die de Franchisenemers belemmeren om hun onderneming te exploiteren op de wijze zoals zij dat deden vóór 1 januari 2026. Daarbij geldt bovendien dat PIDZ er zelf voor heeft gekozen om de wijzigingen zonder instemming van en met terugwerkende kracht door te voeren waarmee zij de thans ontstane situatie in feite zelf over zich heeft afgeroepen.
Bij dit alles moet verder worden bedacht dat eisers nog de enig overgebleven franchisenemers zijn in de door PIDZ geëxploiteerde formule. Er behoeft dus geen rekening te worden gehouden met de belangen van andere, niet in dit kort geding betrokken franchisenemers, die zijn er namelijk niet.
4.20.
De vorderingen zullen gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing. PIDZ zal enige tijd gegund moeten worden om aan de veroordelingen te voldoen; een termijn van 14 dagen wordt toereikend geacht.
4.21.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.
4.22.
PIDZ is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Franchisenemers worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
128,65
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
Totaal
€
2.040,65
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt PIDZ om de in Memo 1, Memo 2 en Memo 3 aangekondigde wijzigingen dan wel andere daarop gelijkende wijzigingen waarvoor het instemmingsvereiste van artikel 7:921 BW geldt door te voeren zolang daarvoor geen schriftelijke instemming hebben gegeven en
verbiedt PIDZ in dat kader om op facturen aan klanten van de Franchisenemers een andere naam, ander btw-nummer en/of een ander bankrekeningnummer te vermelden dan die van de Franchisenemers;
gebiedt PIDZ om op facturen aan klanten van de Franchisenemers deugdelijk de naam, het btw-nummer en het bankrekeningnummer van de Franchisenemers te vermelden zoals dat ook gebeurde vóór 1 januari 2026;
5.2.
gebiedt PIDZ om de met ingang van 1 januari 2026 reeds doorgevoerde wijzigingen zoals aangekondigd in Memo 3 ongedaan te maken en ongedaan te laten, en meer in het bijzonder de wijzigingen met betrekking tot de betaalstroom zorginstellingen, de overeenkomstenstructuur zzp-bemiddeling en de daaruit voortvloeiende facturatiestroom in de franchiserelatie, totdat daarvoor alsnog schriftelijke instemming is verkregen van de Franchisenemers
5.3.
verbiedt PIDZ om rechtstreeks (raam)overeenkomsten met klanten van de Franchisenemers te sluiten in verband met zzp-bemiddeling, zolang PIDZ geen schriftelijke instemming heeft verkregen van de Franchisenemers voor die voorgenomen wijziging,
5.4.
gebiedt PIDZ om de klanten van de Franchisenemers naar de Franchisenemers door te (blijven) verwijzen als crediteur van deze klanten op de wijze zoals dat gebruikelijk was voor 1 januari 2026 zolang de Franchisenemers niet schriftelijk hebben ingestemd met een daartoe strekkende wijziging,
5.5.
verbiedt PIDZ om klanten van de Franchisenemers op enigerlei wijze aan te zetten tot het beëindigen van hun zakelijke relatie c.q. samenwerking met de Franchisenemers zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen,
5.6.
verbiedt PIDZ om de voorgenomen c.q. de reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen aan te (laten) brengen in de IT- c.q. ICT-systemen van de PIDZ -franchiseformule voor zover die wijzigingen de Franchisenemers (kunnen) beletten dat zij hun onderneming kunnen exploiteren zoals zij dat deden vóór 1 januari 2026, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen,
5.7.
gebiedt PIDZ om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen, reeds gedane wijzigingen in de IT- c.q. ICT-systemen die daarop toezien terug te draaien en teruggedraaid te houden zodat de Franchisenemers hun onderneming kunnen exploiteren zoals zij dat deden vóór 1 januari 2026 en waardoor (onder meer) de gegevens van de Franchisenemers – waaronder hun naam, btw-nummer en bankrekeningnummer – op de facturen aan klanten van de Franchisenemers worden vermeld,
5.8.
veroordeelt PIDZ om aan elk van de Franchisenemers een dwangsom te betalen van € 5.000,-voor iedere dag (of gedeelte daarvan) dat zij vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis niet aan (één van) de in 5.1 tot en met 5.7. uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, met dien verstande dan boven een bedrag van € 1.000.000,-- per franchisenemer geen dwangsommen meer verbeurd worden,
5.9.
veroordeelt PIDZ in de proceskosten van € 2.040,65,
5.10.
veroordeelt PIDZ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.11.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.12.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.
Stichting Normering Arbeid
Of wanbetaling zoals in casu
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/422185 / KG ZA 25-649
Vonnis in kort geding van 2 april 2026
in de zaak van
1 PIDZ DEN HAAG B.V.,
te Den Haag ,2. PIDZ ALKMAAR,
te Alkmaar ,
3. PIDZ MAASTRICHT B.V
te Maastricht ,eisende partijen,
hierna samen te noemen: de Franchisenemers,
advocaten: mr. J. van de Peppel en mr. J.H. Kolenbrander,
tegen
PIDZ ZORG B.V.,
te Best ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: PIDZ ,
advocaat: mr. J.S. 't Hart.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2026 met producties 1 tot en met 37
- het verzoek van mr. ’t Hart van 5 maart 2026 om uitstel van de mondelinge behandeling van het kort geding
- de reactie van mr. Van de Peppel van 6 maart 2026 op het verzoek om uitstel
- het bericht van de griffier van 6 maart 2026 namens de voorzieningenrechter dat de mondelinge behandeling op 12 maart 2026 doorgang zal vinden
- de aanvullende producties 38 tot en met 44 van de Franchisenemers
- de producties 1 tot en met 9 van PIDZ
- de aanvullende productie 45 van de Franchisenemers
- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026- de pleitnota van mr. Van de Peppel
- de pleitnota van mr. ’t Hart
- de aanhouding van het kort geding tot 13 maart 2026 eind van de dag in verband met schikkingsonderhandelingen
- het verzoek van mr. Van de Peppel van 13 maart 2026 om vonnis te wijzen
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
PIDZ exploiteert een franchiseformule waarbij de vraag van zorginstellingen en het aanbod zzp’ers in de zorgsector worden samengebracht op een digitaal platform van PIDZ ( MijnPIDZ ).
2.2.
De Franchisenemers hebben ieder afzonderlijk een franchiseovereenkomst met PIDZ gesloten om gebruik te mogen maken van de franchiseformule nader uiteengezet in het Formulehandboek dat onderdeel uitmaakt van de franchiseovereenkomsten.
2.3.
Strekking van de franchiseovereenkomsten is kort gezegd dat de Franchisenemers zorginstellingen en zzp’ers acquireren met de bedoeling dat zij elkaar vinden op het MijnPIDZ en rechtsreeks een overeenkomst van opdracht met elkaar sluiten op basis van de door PIDZ aangeleverde voorwaarden.
2.4.
De zorginstellingen betalen na het tot stand komen van een overeenkomst van opdracht een vergoeding aan de Franchisenemers voor hun acquirerende werkzaamheden (hierna te noemen: de servicefee). Aan deze servicefee ligt een rechtstreeks tussen de betrokken zorginstelling en de franchisenemer gesloten raamovereenkomst voor bemiddeling ten grondslag; de servicefee werd uit dien hoofde tot 1 januari 2026 rechtstreeks door de franchisenemers gefactureerd aan de zorginstellingen.
2.5.
De Franchisenemers zijn over de door hen behaalde omzet een franchisefee verschuldigd van 50% aan PIDZ .
2.6.
De looptijd van de franchiseovereenkomsten is na afloop van de oorspronkelijke contractduur op respectievelijk 1 februari 2025, 1 december 2024 en 1 mei 2025 voor alle drie de Franchisenemers verlengd met drie jaar tot respectievelijk 1 februari 2028 ( PIDZ Den Haag ), 1 december 2027 ( PIDZ Alkmaar ) en 1 mei 2028 ( PIDZ Maastricht ).
2.7.
In de franchiseovereenkomsten is, voor zover in het kader van dit kort geding relevant, onder meer het volgende bepaald:
(…)
(…)
(…)
(…)
2.8.
In het Formulehandboek is onder meer het volgende bepaald:
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
2.9.
Op 17 oktober 2025 heeft PIDZ in een interne memo (hierna te noemen: Memo 1) een aanpassing in de financiële stromen aangekondigd. PIDZ geeft in de memo aan dat zij de overeenkomsten structuur zzp-bemiddeling en de daaruit voortvloeiende structurele facturatiestroom wil centraliseren via haarzelf als franchisegever waarbij PIDZ Flex B.V. (hierna te noemen: PIDZ Flex ) in plaats van franchisenemer de contractspartij wordt voor bemiddelingsdiensten.
PIDZ heeft in de memo onderbouwd waarom zij zich genoodzaakt acht tot de aangekondigde wijzigingen en waarom daarvoor geen instemming van de Franchisenemers is vereist. De wijzigingen zouden per 1 januari 2026 doorgevoerd gaan worden.
2.10.
Bij brief van hun advocaat van 28 oktober 2025 hebben de Franchisenemers bezwaar gemaakt tegen de aangekondigde wijzigingen en zich op het standpunt gesteld dat die wijzigingen niet zonder hun instemming mogen worden doorgevoerd.
2.11.
PIDZ heeft betwist dat zij de instemming van de Franchisenemers nodig heeft.
2.12.
Op 17 december 2026 heeft PIDZ in een nieuwe memo (hierna te noemen: Memo 2) aangekondigd dat PIDZ per 1 januari 2026 de facturering van de zorginstellingen centraal zal uitvoeren waarbij de Franchisenemers volledig verantwoordelijk blijven voor de matching, commercieel relatiebeheer en lokale werving. De noodzaak voor de wijzigingen houden, aldus het memo, verband met de belangrijke wijzigingen in wet- en regelgeving, waarbij meer handhaving en toezicht op onder meer schijnzelfstandigheid, verkapte uitzending en naleving van eventuele cao-bepalingen wordt verwacht.
Daarbij wijst PIDZ er op dat per 1 januari 2026 de administratieve processen moeten zijn ondergebracht in een SNA-gecertificeerde entiteit, in dit geval PIDZ Flex . Centrale facturatie borgt naleving van deze norm en maakt aanpassing in de bestaande facturering noodzakelijk, aldus het memo omdat franchisenemers niet kunnen ‘meeliften’ op de certificering van een andere entiteit (zoals PIDZ Flex ); iedere entiteit moet zelf voldoen aan het normenkader.
PIDZ wijst er nogmaals op dat zij voor de wijziging geen instemming van de Franchisenemers nodig heeft omdat deze louter operationeel van aard is en geen negatieve impact heeft de exploitatie, investeringen of winstverwachtingen van de franchisenemers.
2.13.
Bij e-mail van 19 december 2025 hebben de Franchisenemers ook tegen de in Memo 2 aangekondigde wijziging bezwaar gemaakt.
2.14.
Op 26 februari 2026 heeft PIDZ wederom een memo aan de Franchisenemers gestuurd (hierna te noemen: Memo 3). Daarin kondigt PIDZ aan dat met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 de betalingsstroom in die zin zal worden aangepast dat de facturen die op naam van de franchisenemers uitgaan naar de zorginstellingen ter zake de servicefee met ingang van 1 januari 2026 het bankrekeningnummer van PIDZ Flex vermelden waarop de servicefee betaald dient te worden. In het vervolg zal dus niet de franchisenemer maar PIDZ Flex de servicefee incasseren. PIDZ zal de servicefee vervolgens, na inhouding van de haar toekomende franchisefee, aan de Franchisenemers doorbetalen. De facturen aan de zorginstellingen blijven wel gewoon op naam van de Franchisenemers staan; zij blijven dus de crediteur van de zorginstelling ter zake de servicefee.
2.15.
De Franchisenemers hebben ook tegen deze wijziging in een e-mail van 3 maart 2026 bezwaar gemaakt.
2.16.
PIDZ heeft de in Memo 3 aangekondigde wijziging daadwerkelijk doorgevoerd per 1 januari 2026 door in de door haar ontwikkelde en onderhouden software het bankrekeningnummer van de Franchisenemers in de facturen aan de zorginstellingen te vervangen door het bankrekeningnummer van PIDZ Flex . Conform de aankondiging in Memo 3 worden de facturen vanaf 1 januari 2026 – op naam van de Franchisenemers – door PIDZ aan de zorginstellingen verzonden. Sedert deze door PIDZ doorgevoerde wijzigingen ontvangt PIDZ Flex ook daadwerkelijk de servicefee van de zorginstellingen.
2.17.
PIDZ Flex heeft van de servicefees die zij sinds 1 januari 2026 heeft ontvangen nog niets doorbetaald aan de Franchisenemers. Krachtens de gewijzigde incasso-praktijk zijn er aldus ook enige bedragen ter zake servicefees over de maand december 2025 door PIDZ Flex geïncasseerd; de te dier zake ontvangen bedragen heeft PIDZ evenmin – al dan niet na inhouding van de eventueel verschuldigde franchisefee – doorbetaald.
3Het geschil
3.1.
Franchisenemers vorderen - samengevat – om bij vonnis, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
PIDZ te verbieden om de in Memo 1, Memo 2 en Memo 3 aangekondigde wijzigingen dan wel andere daarop gelijkende wijzigingen door te voeren zolang de Franchisenemers daarvoor geen schriftelijke instemming hebben gegeven;
PIDZ te gebieden de vanaf 1 januari 2026 reeds doorgevoerde wijzigingen zoals met betrekking tot de betalingsstroom zorginstellingen, de overeenkomstenstructuur zzp-bemiddeling en de daaruit voortvliegende facturatiestroom in de franchiserelatie ongedaan te maken (en ongedaan te laten), totdat er alsnog schriftelijke instemming is verkregen van de Franchisenemers;
PIDZ te verbieden om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari doorgevoerde wijzigingen, rechtsreeks (raam)overeenkomsten te sluiten met klanten van de Franchisenemers in verband met zzp-bemiddeling;
PIDZ te gebieden om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari doorgevoerde wijzigingen, klanten van de Franchisenemers naar de Franchisenemers door te (blijven) verwijzen als crediteur van deze klanten;
PIDZ te verbieden om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari doorgevoerde wijzigingen, klanten van de Franchisenemers op enigerlei wijze aan te zetten tot het beëindigen van hun zakelijke relatie c.q. samenwerking met de Franchisenemers;
PIDZ te verbieden, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari doorgevoerde wijzigingen, wijzigingen aan te (laten) brengen in de IT- c.q. ICT-systemen van de PIDZ -franchiseformule die (kunnen) beletten dat de Franchisenemers hun onderneming kunnen exploiteren zoals zij dat dezen vóór 1 januari 2026;
PIDZ te gebieden, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari doorgevoerde wijzigingen, reeds gedane wijzigingen in de IT- c.q. ICT-systemen die daarop toezien terug te draaien (en teruggedraaid te houden), zoals de Franchisenemers hun onderneming kunnen exploiteren zoals zij dat deden vóór 1 januari 2026 en waardoor (onder meer) de gegevens van de Franchisenemers – waaronder hun naam, btw-nummer en bankrekeningnummer - op de facturen aan klanten van de Franchisenemers worden vermeld;
PIDZ te verbieden om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen, alle (voorbereidende) handelingen uit te voeren die verband houden, althans verband zouden kunnen houden, met de door PIDZ voorgenomen en/of doorgevoerde wijzigingen betreffen de betalingsstroom zorginstellingen en overeenkomstenstructuur zzp-bemiddeling en daaruit voortvloeiende facturatiestroom in het (exclusieve) gebied van de Franchisenemers, zoal bepaald in artikel 7.1 van de franchiseovereenkomsten;
PIDZ te verbieden om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen, op facturen aan klanten van de Franchisenemers een andere naam, ander btw-nummer en/of een ander bankrekeningnummer te vermelden dan de naam, het btw-nummer en het bankrekeningnummer van de Franchisenemers;
PIDZ te gebieden om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen, op facturen aan klanten van de Franchisenemers deugdelijk de naam, het btw-nummer en het bankrekeningnummer van de Franchisenemers te vermelden, zoals dat ook gebeurde vóór 1 januari 2026,
PIDZ te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 50.000,-- dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom voor elke dag (of deel daarvan) dat PIDZ niet (geheel) voldoet aan het gevorderde onder i) tot en met x) met een maximum van € 2.500.000,--;
PIDZ te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente.
3.2.
Franchisenemers leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag.
3.2.1.
PIDZ is niet bevoegd om de in Memo 1, Memo 2 en Memo 3 aangekondigde wijzigingen eenzijdig door te voeren. PIDZ heeft daarvoor gelet op het bepaalde in artikel 7:921 BW de instemming van de Franchisenemers nodig.
In de eenzijdige wijzigingsbedingen in artikel 4.9 en 4.10 van de franchiseovereenkomsten is geen drempelwaarde opgenomen zoals bedoeld in artikel 7:921 BW zodat PIDZ voor wijzigingen altijd de instemming van de Franchisenemers nodig heeft.
Op grond van artikel 4.9 en 4.10 van de franchiseovereenkomsten mogen ook alleen wijzigingen worden doorgevoerd die redelijk en billijk zijn. De door PIDZ aangekondigde wijzigingen zijn dat niet gelet op de nadelige gevolgen voor de Franchisenemers.
De Franchisenemers wijzen er daarbij op dat:
de Franchisenemers door de wijziging in Memo 1 tegen hun wil worden gedegradeerd van zelfstandige ondernemers tot handelsagenten/bemiddelaars van PIDZ ;
de wijzigingen voor hen grote financiële consequenties hebben. De Franchisenemers verliezen grip op hun financiële zaken en zijn volledig aan PIDZ overgeleverd. Daarnaast zal hun liquiditeitspositie aanzienlijk verslechteren omdat de zorginstellingen niet meer rechtstreeks aan de Franchisenemers betalen maar aan PIDZ ;
PIDZ met de wijzigingen in feite de klanten van de Franchisenemers alvast naar zichzelf tracht over te hevelen zonder daarvoor goodwill te hoeven betalen. PIDZ is namelijk van plan om de franchiseformule uit te faseren en de klanten in de toekomst zelf te gaan bedienen;
zij een groter incassorisico lopen. De Franchisenemers worden voor de betaling van de servicefee volledig afhankelijk van één partij: PIDZ Flex . Als die vennootschap failliet gaat, staan de Franchisenemers met lege handen. Het risico op een faillissement is niet denkbeeldig, mede ook gelet op de eigen uitlatingen van PIDZ ;
de wijzigingen in strijd zijn met het in artikel 7.1 van de franchiseovereenkomsten aan de Franchisenemers toegekende exclusieve gebied om als zelfstandig ondernemer de franchiseformule te gebruiken;
een omzetderving te verwachten valt als zij niet meer zelf hun klantenportefeuilles kunnen beheren nu is gebleken dat PIDZ niet in staat is om dat beheer deugdelijk uit te voeren;
zij ook geen kwaliteitscontrole meer kunnen uitvoeren op de facturen die thans rechtstreeks door PIDZ aan de zorginstellingen worden verstuurd;
zij ernstig worden beknot in hun wettelijke bevoegdheden om betalingen aan PIDZ op te schorten en vorderingen op PIDZ te verrekenen met eventueel aan PIDZ toekomende bedragen;
zij gelet op het Deliveroo-arrest het risico lopen dat de rechtsverhouding tussen de Franchisenemers en PIDZ door de rechter wordt gekwalificeerd als een (verkapt) dienstverband;
PIDZ de looptijd van de franchiseovereenkomsten in Memo 1 en Memo 2 wil terugbrengen van drie naar twee jaar. Dat zorgt voor onzekerheid bij de Franchisenemers.
3.2.2.
De wijzigingen kunnen bovendien niet worden doorgevoerd omdat PIDZ deze niet uiterlijk drie maanden van tevoren heeft gemeld aan de Franchisenemers zoals dat in artikel 4.9. van de franchiseovereenkomsten is voorgeschreven. Memo 2 kondigt wijzigingen aan die 2 weken later geïmplementeerd zouden moeten worden terwijl de wijziging in Memo 3 helemaal niet vooraf aangekondigd maar zelfs met terugwerkende kracht is doorgevoerd.
3.2.3.
De wijzigingen hebben bovendien betrekking op essentiële onderdelen van de franchise en mogen op grond van artikel 4.10 van de franchiseovereenkomsten daarom niet worden doorgevoerd. De artikelen 10.4 en 10.5 van de franchiseovereenkomsten bieden PIDZ uitsluitend de bevoegdheid om eenzijdig het Formulehandboek aan te passen maar niet de franchiseovereenkomsten.
3.2.4.
Voor zover PIDZ een beroep doet op artikel 18.5 van de franchiseovereenkomsten geldt dat PIDZ niet handelt als een goed franchisegever omdat de in dat artikel opgenomen drempelwaarde (20% van de omzet met een minimum van € 200.000,-) onredelijk hoog is. Een beroep daarop is ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het beding is ook onredelijk bezwarend voor de Franchisenemers en zij roepen de vernietiging daarvan in op grond van artikel 6:233 BW.
3.2.5.
Voor zover PIDZ toch een beroep zou kunnen doen op artikel 18.5 dan geldt dat het financiële nadeel van de Franchisenemers de daarin genoemde drempelwaarde ver overschrijdt nu de doorgevoerde wijzigingen tot gevolg hebben dat de omzet (zijnde de aan de franchisenemers op grond van de raamovereenkomsten met de zorginstellingen toekomende servicefee op basis waarvan de franchisefee wordt berekend) van de franchisenemers met 50% afneemt. De nominale drempel van € 200.000,- wordt ruimschoots overschreden. De omzet van PIDZ Den Haag en PIDZ Alkmaar beliep in 2025 (naar beneden afgerond) 1.6 respectievelijk 1.5 miljoen euro.
3.3.
PIDZ voert, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.
PIDZ betwist dat voor de per 1 januari 2026 doorgevoerde wijziging van de betalingsstroom de instemming van de Franchisenemers is vereist.
3.3.1.
Die instemming is op grond van artikel 7:921 BW slechts nodig als de financiële positie of exploitatiepositie van de Franchisenemers door de wijziging wezenlijk wordt geraakt. Daarvan is hier geen sprake. Het gaat hier om een wijziging van louter administratief-technische aard. Voor de Franchisenemers verandert er onder de streep niets: zij blijven eigenaar/schuldeiser van de factuur en de wijziging heeft ook geen invloed op hun omzet en marges.
De met de wijzigingen gepaard gaande investerings- en implementatiekosten komen volledig voor rekening van PIDZ .
3.3.2.
De Franchisenemers worden ook niet aangetast in hun zelfstandig ondernemerschap door het enkele feit dat de betalingen voortaan via een andere bankrekening lopen. De Franchisenemers blijven – net als voorheen - op eigen naam en voor eigen rekening en risico opereren.
3.3.3.
Artikel 7:921 lid 2 BW is in dit geval bovendien niet van toepassing. In de franchiseovereenkomst is in artikel 18.5 namelijk wel voorzien in een drempelwaarde voor eenzijdige wijzigingen door PIDZ . Die drempelwaarde is € 200.000,-- en wordt in dit geval niet gehaald. De wijziging is financieel neutraal en kost de Franchisenemers helemaal niets.
Het gaat bovendien om aanpassingen in het softwaresysteem die binnen de normale operationele bevoegdheid van PIDZ vallen. De Franchisenemers zijn op grond van de franchiseovereenkomst verplicht om het softwaresysteem te gebruiken.
3.3.4.
Artikel 4.9 van de franchiseovereenkomst is niet van toepassing omdat van een wezenlijke wijziging geen sprake is. Voor zover het artikel wel van toepassing zou zijn, dan geldt dat PIDZ onder de gegeven omstandigheden niet kan worden gehouden aan de termijn van drie maanden voor aankondigen van de wijziging. De verscherpte handhaving van de Wet DBA en de dwingende SNA-certificeringseisen van zorginstellingen nopen tot een eerdere implementatie. PIDZ heeft de termijn van drie maanden bovendien feitelijk ook niet overschreden. De Franchisenemers waren immers al vanaf augustus 2025 op de hoogte van de voorgenomen wijzigingen per 1 januari 2026. Gelet op de geringe omvang en aard van de wijziging geldt in dit geval volgens artikel 7:916 BW ook geen minimumtermijn.
Voor zover PIDZ zich toch niet aan de geldende termijn zou hebben gehouden dan geldt dat dit niet kan leiden tot een ongedaanmaking van de wijziging maar hooguit tot schadevergoeding.
3.3.5.
De wijziging valt binnen de beleidsvrijheid die PIDZ als franchisegever toekomt. De wijziging is financieel neutraal, extern noodzakelijk en dient het belang van de gehele keten.
3.3.6.
Het door de franchisenemers aangeroepen Deliveroo-arrest is in het onderhavige geval niet van toepassing. Het gaat hier niet om de kwalificatie van een arbeidsverhouding. De stelling dat mogelijk sprake zou kunnen zijn van een fictief dienstverband strookt niet met de eigen stellingen van de Franchisenemers dat zij zelfstandige ondernemers zijn.
3.3.7.
PIDZ is op grond van de franchiseovereenkomst en het Fomulehandboek verantwoordelijk voor de kwaliteitsbewaking en compliance van de gehele keten. Door de betaalstroom te centraliseren is PIDZ in staat om de uit de SNA-certificering voortvloeiende kwaliteitseisen te waarborgen, de Wet DBA-compliance te monitoren en de financiële integriteit van de gehele keten te bewaken.
3.3.8.
Het exclusieve gebiedsrecht van de Franchisenemers wordt niet geschonden. Zij houden hun eigen rayon en klanten.
3.3.9.
Dat de Franchisenemers nog geen betalingen hebben ontvangen sinds 1 januari 2026 van PIDZ heeft te maken met aanloopproblemen bij de implementatie van het nieuwe softwaresysteem. Dat rechtvaardigt niet het volledig terugdraaien van het nieuwe softwaresysteem. Dat zou te ingrijpende gevolgen hebben voor de overige betrokkenen.
3.3.10.
De Franchisenemers hebben zich tijdens het met hen afgelopen traject om te komen tot aanpassingen niet als goed franchisenemers gedragen. Zij hebben zich niet constructief opgesteld in het overleg over noodzakelijke aanpassingen die door PIDZ moeten worden doorgevoerd in verband met de verscherpte handhaving van de Wet DBA en de dwingende SNA-certificeringseisen van zorginstellingen.
3.3.11.
Het ontbreekt de Franchisenemers bij de gevorderde voorzieningen aan voldoende spoedeisend belang. De wijzigingen hebben voor hen geen financiële gevolgen en er is ook geen acute financiële noodzaak om in te grijpen. De Franchisenemers kunnen de aanloopproblemen in het nieuwe softwaresysteem niet aanvoeren ter onderbouwing van een spoedeisend belang nu zij zelf hun medewerking aan de implementatie van het systeem hebben geweigerd. Het terugdraaien van de softwareaanpassingen lost het probleem van de factuurbetalingen bovendien ook niet op.
3.3.12.
De Franchisenemers maken misbruik van procesrecht. Zij gebruiken het kort geding oneigenlijk om een zo hoog mogelijke exit-vergoeding van PIDZ te krijgen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Aanleiding voor dit kort geding is het feit dat PIDZ als franchisegever in een drietal memo’s heeft aangekondigd dat zij wijzigingen wil doorvoeren in de relatie met de Franchisenemers. De wijzigingen zoals die in de meeste recente memo (Memo 3) zijn aangekondigd zijn door PIDZ – met terugwerkende kracht - ook daadwerkelijk doorgevoerd per 1 januari 2026, zo staat tussen partijen onweersproken vast.
Per genoemde datum heeft PIDZ zodanige wijzigingen doorgevoerd in het door haar ontwikkelde en onderhouden ICT-systeem en de handelwijze rondom het factureren aan de zorginstellingen dat de klanten van de Franchisenemers (de zorginstellingen) de aan hen gefactureerde – en uit hoofde van de met de franchisenemers gesloten faamovereenkomsten verschuldigde - servicefee niet langer rechtstreeks betalen aan de Franchisenemers zoals zij dat voorheen altijd deden, maar aan PIDZ Flex , een aan PIDZ gelieerde vennootschap.
De zorginstellingen ontvangen in het vervolg van PIDZ de op naam van de franchisenemer gestelde factuur.
Het is volgens PIDZ de bedoeling dat de servicefee vervolgens, na inhouding van de door de Franchisenemers aan PIDZ verschuldigde franchisefee, door PIDZ Flex aan de Franchisenemers worden doorbetaald.
De Franchisenemers verzetten zich tegen die wijziging in de facturerings- en betaalstroom ter zake de door de zorginstellingen aan hen verschuldigde servicefee alsook tegen de in Memo 1 en Memo 2 aangekondigde maar (vooralsnog) niet doorgevoerde wijzigingen.
De Franchisenemers stellen zich kort gezegd op het standpunt dat PIDZ voor de wijzigingen de instemming van de Franchisenemers nodig heeft. PIDZ betwist dat.
Kern van dit kort geding is dan ook de vraag of PIDZ de wijzigingen mag doorvoeren zonder de instemming van de Franchisenemers.
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Franchisenemers daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.3.
De Franchisenemers hebben voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen die ertoe strekken dat het PIDZ wordt verboden om de aangekondigde wijzigingen door te voeren en de reeds doorgevoerde wijzigingen ongedaan te maken. De Franchisenemers stellen dat de wijzigingen onrechtmatig zijn en voor hen (feitelijk en potentieel) verstrekkende financiële, juridische en organisatorische gevolgen hebben. Van de Franchisenemers kan niet worden gevergd dat zij in die volgens hen onrechtmatige situatie berusten hangende de uitkomst van een bodemprocedure.
Bovendien staat vast dat PIDZ ( Flex ) sinds 1 januari 2026 nog geen enkele servicefee aan de Franchisenemers heeft doorbetaald terwijl zij daar volgens haar eigen stellingen wel toe gehouden was. Dat feit levert op zichzelf al een voldoende spoedeisend belang op bij de gevraagde voorzieningen. Dat het uitblijven van de betalingen te wijten zou zijn aan opstartproblemen met het nieuwe softwaresysteem en dat PIDZ actief bezig zou zijn om die problemen te verhelpen, zoals PIDZ stelt, maakt dat niet anders. Ook ter zitting werden geen concrete betalingen c.q. betaaldata in het vooruitzicht gesteld teneinde de financiële nood te lenigen.
4.4.
PIDZ doet een beroep op artikel 3:13 BW en stelt dat misbruik maken van procesrecht omdat zij dit kort geding zouden gebruiken als oneigenlijk drukmiddel in hun exit- en goodwillonderhandelingen met PIDZ . Dat verweer slaagt niet. PIDZ hebben wijzigingen aangekondigd en ook doorgevoerd waarvan de Franchisenemers stellen dat daarvoor hun instemming nodig was. De Franchisenemers hebben er dan belang bij om in kort geding ongedaanmaking daarvan te vorderen. Daar hebben zij een onmiskenbaar materieel belang bij. de Franchisenemers betwisten dat zij hun vorderingen hebben ingesteld louter ter verkrijging van een voor hen zo gunstig mogelijk onderhandelingsresultaat in het kader van – kennelijk – met hen gevoerde exit- en goodwillonderhandeling en de voorzieningenrechter heeft daarvoor ook overigens geen aanwijzingen kunnen ontwaren. De enkele omstandigheid dat PIDZ het onderhavige kort geding kennelijk ervaart als een drukmiddel in die onderhandelingen doet daar niet aan af.
4.5.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moeten de door PIDZ in de memo’s aangekondigde wijzigingen worden gekwalificeerd als wijzigingen in de franchiseformule zoals bedoeld in artikel 7:921 lid 1 BW. Als gevolg van de wijzigingen worden de servicefees voor de door de Franchisenemers geleverde diensten door de zorginstellingen niet langer door de Franchisenemers gefactureerd en aan hen betaald maar vindt zowel facturering alsook incasso van de aan de Franchisenemers toekomende servicefee plaats door aan een aan PIDZ gelieerde vennootschap (Memo 3). In de – vooralsnog niet doorgevoerde - wijzigingen die in de eerste twee memo’s worden voorgesteld sluiten de zorginstellingen hun contracten voortaan niet meer met de Franchisenemers maar rechtstreeks met aan PIDZ gelieerde vennootschappen waardoor de Franchisenemers er als contractspartij volledig tussenuit vallen. Dat zijn geen neutrale wijzigingen van louter administratief-technische aard die gelijk gesteld kunnen worden aan een het wijziging van het bankrekeningnummer van de begunstigde, zoals PIDZ ter zitting stelde en waarvoor om die reden geen instemming van de Franchisenemers nodig zou zijn. Met betrekking tot de op basis van Memo 3 feitelijk per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen wordt niet louter een bankrekeningnummer gewijzigd maar vindt ook een wijziging plaats in de begunstigde aan wie de servicefee dient te worden overgemaakt. Anders dan voorheen is de crediteur van de vordering (de franchisenemer) niet langer de aangewezen ontvanger van de betaling ( PIDZ Flex ). Verder is de franchisenemer niet langer de partij die verantwoordelijk is voor het verzenden (en controleren) van de servicefeefactuur maar heeft PIDZ ook die bevoegdheid eenzijdig naar zich toegetrokken.
4.6.
Uit artikel 7:921 lid 1 BW volgt dat een franchisegever slechts een wijziging in de franchiseformule kan doorvoeren als de franchiseovereenkomst in die mogelijkheid voorziet. Dat is hier het geval. Artikel 4 geeft onder het kopje “Eenzijdige wijziging van de Overeenkomst” in 4.9 tot en met 4.11 aan onder welke voorwaarden het PIDZ is toegestaan om eenzijdig wijzigingen door te voeren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoen de door PIDZ aangekondigde wijzigingen niet aan die voorwaarden,.
4.7.
In dat kader wijst de voorzieningenrechter er allereerst op dat artikel 4.9. voorschrijft dat de Franchisenemers ten minste drie maanden van tevoren over een door PIDZ voorgenomen wijziging moet worden ingelicht. Dat is in elk geval niet gebeurd met de wijziging die in Memo 3 was aangekondigd. Sterker nog, die is zelfs helemaal niet vooraf aangekondigd maar door PIDZ eenzijdig en met terugwerkende kracht doorgevoerd.
Voor zover PIDZ stelt dat zij in dit geval niet gebonden is aan de termijn van drie maanden omdat externe omstandigheden nopen tot een eerdere implementatie, geldt dat PIDZ het bestaan van die dringende noodzaak onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. PIDZ stelt in dat kader dat de wijziging nodig is omdat de Belastingdienst sinds 2025 actief is gaan handhaven op schijnzelfstandigheid en fictieve dienstverbanden in de zorgsector in het kader van de naleving van de Wet Deregulering Arbeidsrelaties. De voorzieningenrechter ziet niet in hoe het risico op schijnzelfstandigheid zou worden weggenomen of verkleind indien de zorginstellingen hun servicefee niet meer rechtstreeks aan de Franchisenemers betalen, maar aan PIDZ (Flex). PIDZ heeft dat onvoldoende overtuigend onderbouwd. Het tegendeel lijkt eerder het geval zoals de Franchisenemers stellen.
Het risico dat de rechtsbetrekking tussen de Franchisenemers en PIDZ door de Belastingdienst wordt aangemerkt als een fictief dienstverband lijkt zo op het eerste gezicht veeleer toe te nemen als de Franchisenemers voor de vergoeding van hun werkzaamheden afhankelijk zijn van de uitbetaling door PIDZ .
4.8.
PIDZ stelt verder dat (grote) zorginstellingen van hun ketenpartners verlangen dat zij een SNA-certificering hebben. Zonder die certificering zouden bemiddelaars niet als leverancier worden toegelaten. PIDZ beschikt kennelijk over zo’n certificering en de Franchisenemers niet. Vanaf 1 januari 2026 kunnen franchisenemers volgens PIDZ niet meer meeliften op de SNA-certificering van de franchisegever, maar moet elke vennootschap een eigen certificering hebben.
De Franchisenemers hebben voldoende gemotiveerd weersproken dat zij over een SNA-certificering moeten beschikken. Zij verwijzen daarbij onder meer naar de als productie 21 overgelegde e-mail van Normec VRO B.V. (hierna te noemen: Normec ), naar de Franchisenemers onweersproken hebben gesteld de instantie die beoordeelt of aan de voorwaarden voor een SNA-certificering wordt voldaan. Normec geeft naar aanleiding van vragen vanuit één van de Franchisenemers aan dat een SNA-certificering niet verplicht is.
De Franchisenemers hebben daarnaast onweersproken gesteld dat zij – indien nodig - zelf kunnen en zullen zorgdragen voor een SNA-certificering op eigen naam, gelijk PIDZ in haar tweede memo ook memoreert. De voorzieningenrechter heeft geen aanwijzingen om aan te nemen dat de Franchisenemers – om wat voor reden dan ook - voor een dergelijke eigen certificering niet in aanmerking zouden komen anders dan vanwege de eenzijdig door PIDZ doorgevoerde wijziging in de betaalstroom.
Normec geeft in genoemde e-mail namelijk ook aan dat het niet mogelijk is om een SNA-certificering te behalen indien de facturatie niet via de eigen vennootschap van de franchisenemer, maar via de franchisegever loopt. Díe situatie lijkt PIDZ met de per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen in het leven te hebben geroepen.
4.9.
Verder geldt dat de in de memo’s aangekondigde wijzigingen naar het oordeel van de voorzieningenrechter de geldigheid van de franchiseovereenkomst aantasten zoals bedoeld in artikel 4.9. dan wel in strijd zijn met de franchiseovereenkomst en betrekking hebben op essentiële onderdelen van de franchise zoals bedoeld in artikel 4.10.
Indien de in Memo 1 en Memo 2 aangekondigde wijzigingen zouden worden doorgevoerd heeft dat gevolgen voor de juridische positie van de Franchisenemers binnen de franchiseformule. Zoals de Franchisenemers terecht stellen verliezen zij een deel van hun zelfstandig ondernemerschap en verworden zij - uitdrukkelijk tegen hun wil – tot een van PIDZ afhankelijke handelsagent.
Met de wijzigingen wordt de Franchisenemers onder meer de mogelijkheid ontnomen om zelf afspraken te maken met de zorginstellingen over de (hoogte van de) servicefee. Zij zouden daarvoor volledig afhankelijk worden van PIDZ .
4.10.
Voor alle drie de Memo’s geldt dat de daarin aangekondigde wijzigingen negatieve gevolgen heeft voor de liquiditeitspositie van de Franchisenemers en – in het verlengde daarvan – hun ondernemersrisico. In plaats van dat zij de servicefee rechtstreeks van de zorginstellingen ontvangen en aan PIDZ de verschuldigde franchisefee betalen moeten zij nu wachten of en totdat PIDZ (Flex) die servicefee – na aftrek van de franchisefee – aan hen doorbetaalt. Die negatieve impact heeft zich inmiddels ook daadwerkelijk gemanifesteerd. Vast staat immers dat PIDZ (Flex) sinds 1 januari 2026 in gebreke is gebleken met het afdragen van de servicefee aan de Franchisenemers.
Er was ten tijde van de mondelinge behandeling van dit kort geding 12 maart 2026 nog helemaal niets door PIDZ (Flex) doorbetaald terwijl een aantal betalingstermijnen inmiddels ruimschoots was verstreken. Verder bleek dat PIDZ (Flex) zelfs rechtstreeks door haar geïnde servicefees over de maand december 2025 nog niet heeft doorbetaald.
De Franchisenemers worden door het gemis van de servicefee ernstig geraakt in hun liquiditeit en bedrijfsvoering nu hun bedrijfskosten blijven doorlopen zonder dat daar inkomsten uit servicefees tegenover staan.
Dat het uitblijven van de betalingen (louter) te wijten zou zijn aan opstartproblemen met het nieuwe softwaresysteem zoals door PIDZ is gesteld en door de Franchisenemers is betwist, maakt dat allemaal niet anders.
4.11.
Verder miskent PIDZ , zo bleek ook bij gelegenheid van de mondelinge behandeling, dat de doorgevoerde wijzigingen in het betaalverkeer grote gevolgen hebben voor het risico dat de Franchisenemers lopen als zelfstandig ondernemer: in plaats van spreiding van het debiteurenrisico over de zorginstellingen die zij bedienen zijn zij nu opgescheept met slechts één debiteur. Bij een faillissement van een zorginstelling is de schade beperkt tot de servicefee die bij die betreffende instelling op dat moment openstaat. Bij een faillissement van PIDZ Flex (of om het even welke andere entiteit die PIDZ aanwijst als betaaladres voor de servicefees) staan alle op dat moment nog openstaande (netto-) servicefees op de tocht, hetgeen – gezien de erkende en tot heden achterstallige afdrachtverplichtingen aan de Franchisenemers – bepaald niet als een louter imaginair risico kan worden afgedaan. Dit gewijzigde risicoprofiel levert op zichzelf al een ingrijpende wijziging op in de franchiseformule waartoe PIDZ niet zomaar eenzijdig mocht overgaan.
4.12.
De Franchisenemers stellen daarnaast terecht dat hun wettelijke bevoegdheden tot opschorting en verrekening – welke bevoegdheden naar de Franchisenemers onweersproken hebben gesteld in de franchiseovereenkomsten niet zijn uitgesloten – door de aangekondigde wijzigingen volledig worden uitgehold. Indien PIDZ (Flex) zelf de servicefee ontvangt en daar de franchisefee op in mindering brengt, is het voor de Franchisenemers niet langer mogelijk de betaling van die franchisefee aan PIDZ op te schorten of een vordering op PIDZ te verrekenen met de verschuldigde franchisefee. Ook in zoverre kwalificeren de eerder aangekondigde alsook doorgevoerde wijzigingen als wezenlijke ingrepen in de met de Franchisenemers gesloten overeenkomst.
4.13.
De voorzieningenrechter wijst verder nog op de door PIDZ kennelijk niet doordachte, laat staan geregelde, gevolgen die de wijziging in de betaalstroom heeft voor de verplichtingen van de Franchisenemers uit hoofde van de Wet Omzetbelasting. Zoals terecht gesteld blijven zij – als crediteur van de vordering op wiens naam diensten worden gefactureerd - wettelijk verantwoordelijk om de omzetbelasting die zij aan de zorginstelling in rekening brengen over de door hen geleverde diensten af te dragen aan de belastingdienst, ook als zij die bedragen feitelijk (nog) niet hebben ontvangen. Desgevraagd verklaarde PIDZ ter zitting dat zij de gevolgen van de per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen voor wat betreft de omzetbelasting nog niet hebben uitgewerkt en dat daar voortgezet overleg met de Franchisenemers voor nodig is. Dit maakt evenwel eens te meer duidelijk dat PIDZ de wijzigingen per 1 januari 2026 heeft doorgevoerd zonder zich in afdoende mate rekenschap te geven van de – potentieel ingrijpende – fiscale risico’s waaraan de Franchisenemers worden blootgesteld ter zake de BTW-afdrachtverplichting.
Dat risico manifesteert zich pregnant in het hiervoor geschetste scenario van wanbetaling c.q. faillissement van PIDZ Flex . De Franchisenemers zullen dan omzetbelasting moeten afdragen die zij nimmer hebben ontvangen.
4.14.
Verder geldt dat de in de drie memo’s aangekondigde (en deels doorgevoerde) wijzigingen niet kunnen worden geïmplementeerd zonder aanpassingen in de franchiseovereenkomsten. Kortheidshalve verwijst de voorzieningenrechter hier naar de artikelen 8, 9.1,13.5 en 15.4. De door PIDZ aangekondigde c.q. doorgevoerde wijzigingen verdragen zich niet met de huidige tekst van die bepalingen en nopen dus tot een aanpassing van de franchiseovereenkomsten.
4.15.
In artikel 4.9 tot en met 4.11 van de franchiseovereenkomst is bovendien geen drempelwaarde opgenomen zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 7:921 BW. Dat betekent dat PIDZ in beginsel voor elke wijziging op basis van die bepalingen de voorafgaande instemming van de Franchisenemers nodig heeft.
Voor zover PIDZ verwijst naar de drempelwaarde in artikel 18.5 van de franchiseovereenkomst, dan geldt dat die bepaling naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet van toepassing is. Artikel 18.5 heeft betrekking op voorgenomen wijzigingen die kunnen worden doorgevoerd “zonder hiertoe de Overeenkomst te wijzigen”. Zoals hierboven reeds is overwogen doet die situatie zich hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor.
4.16.
Maar zelfs als zou worden aangenomen dat de in artikel 18.5 genoemde drempelwaarde van 20% omzetderving (met een minimum van € 200.000,--) van toepassing is, dan kan dat PIDZ niet baten omdat voorshands voldoende aannemelijk is dat die drempelwaarde in dit geval wordt gehaald nu immers het volledige bedrag aan servicefee inclusief de door de Franchisenemers verschuldigde BTW niet aan de Franchisenemers maar aan PIDZ ( Flex ) wordt betaald (en daarmee ook in het vermogen van laatstgenoemde valt) en zij tot op heden nog geen enkele (door)betaling van PIDZ ( Flex ) hebben ontvangen. Bovendien wijzen de Franchisenemers er terecht (en niet-weersproken) op dat hen – anders dan voorheen – sedert 1 januari 2026 slechts 50% van de servicefee toekomt (nadat PIDZ op de geïncasseerde servicefee de franchisefee heeft ingehouden) en dat de doorgevoerde wijziging – gezien de omzet over 2025 – de 20% drempel (alsook het minimum van € 200.000,-) aldus ruimschoots overschrijdt.
4.17.
PIDZ doet een beroep op artikel 7:912 BW en stelt in dat kader dat de Franchisenemers niet als goed franchisenemers handelen door te weigeren in te stemmen met de volgens PIDZ noodzakelijk wijzigingen. Dat verweer treft geen doel. Zoals hierboven is overwegen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een externe noodzaak in verband met verscherpte handhaving van de Wet DBA en dwingende SNA-certificeringseisen.
Voor zover PIDZ stelt dat de Franchisenemers elke vorm van constructief overleg zou hebben geweigerd geldt dat de Franchisenemers die stelling voldoende gemotiveerd heeft weersproken.
4.18.
Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat voldoende aannemelijk is geworden dat PIDZ voor de in Memo 1, Memo 2 en Memo 3 aangekondigde wijzigingen de instemming van de Franchisenemers nodig heeft. Zolang die instemming ontbreekt is PIDZ niet bevoegd om de wijzigingen door te voeren. PIDZ heeft dat met de in Memo 3 aangekondigde wijziging toch gedaan. Daarmee zijn de vorderingen van de Franchisenemers om die wijzigingen ongedaan te maken in beginsel toewijsbaar.
Dat geldt ook voor zover de vorderingen strekken tot een verbod om de in Memo 1 en 2 aangekondigde wijzigingen door te voeren nu PIDZ daar niet expliciet afstand van heeft genomen en de Franchisenemers aldus – mede ook gelet op het eerdere eigengereide optreden van PIDZ - belang heeft bij een dergelijk verbod. Deze vorderingen zijn overigens – afgezien van het hiervoor besproken verweer van PIDZ – ook niet weersproken.
4.19.
Afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel. De Franchisenemers hebben een zwaarwegend (financieel) belang bij de gevorderde ge- en verboden. Het belang van PIDZ om de wijzigingen toch door te kunnen voeren c.q. te kunnen handhaven weegt daar niet tegenop. Voor zover PIDZ in dat kader betoogt dat het terugdraaien van de wijzigingen in het softwaresysteem MijnPIDZ disproportioneel is omdat dit ernstige gevolgen heeft voor de gehele franchiseketen en bovendien het probleem van de doorbetalingen van de servicefee aan de Franchisenemers niet oplost, geldt dat door de voorzieningenrechter in dat kader te treffen voorziening tot het ongedaan maken van de wijzigingen beperkt zal zijn tot wijzigingen die de Franchisenemers belemmeren om hun onderneming te exploiteren op de wijze zoals zij dat deden vóór 1 januari 2026. Daarbij geldt bovendien dat PIDZ er zelf voor heeft gekozen om de wijzigingen zonder instemming van en met terugwerkende kracht door te voeren waarmee zij de thans ontstane situatie in feite zelf over zich heeft afgeroepen.
Bij dit alles moet verder worden bedacht dat eisers nog de enig overgebleven franchisenemers zijn in de door PIDZ geëxploiteerde formule. Er behoeft dus geen rekening te worden gehouden met de belangen van andere, niet in dit kort geding betrokken franchisenemers, die zijn er namelijk niet.
4.20.
De vorderingen zullen gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing. PIDZ zal enige tijd gegund moeten worden om aan de veroordelingen te voldoen; een termijn van 14 dagen wordt toereikend geacht.
4.21.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.
4.22.
PIDZ is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Franchisenemers worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
128,65
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
Totaal
€
2.040,65
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt PIDZ om de in Memo 1, Memo 2 en Memo 3 aangekondigde wijzigingen dan wel andere daarop gelijkende wijzigingen waarvoor het instemmingsvereiste van artikel 7:921 BW geldt door te voeren zolang daarvoor geen schriftelijke instemming hebben gegeven en
verbiedt PIDZ in dat kader om op facturen aan klanten van de Franchisenemers een andere naam, ander btw-nummer en/of een ander bankrekeningnummer te vermelden dan die van de Franchisenemers;
gebiedt PIDZ om op facturen aan klanten van de Franchisenemers deugdelijk de naam, het btw-nummer en het bankrekeningnummer van de Franchisenemers te vermelden zoals dat ook gebeurde vóór 1 januari 2026;
5.2.
gebiedt PIDZ om de met ingang van 1 januari 2026 reeds doorgevoerde wijzigingen zoals aangekondigd in Memo 3 ongedaan te maken en ongedaan te laten, en meer in het bijzonder de wijzigingen met betrekking tot de betaalstroom zorginstellingen, de overeenkomstenstructuur zzp-bemiddeling en de daaruit voortvloeiende facturatiestroom in de franchiserelatie, totdat daarvoor alsnog schriftelijke instemming is verkregen van de Franchisenemers
5.3.
verbiedt PIDZ om rechtstreeks (raam)overeenkomsten met klanten van de Franchisenemers te sluiten in verband met zzp-bemiddeling, zolang PIDZ geen schriftelijke instemming heeft verkregen van de Franchisenemers voor die voorgenomen wijziging,
5.4.
gebiedt PIDZ om de klanten van de Franchisenemers naar de Franchisenemers door te (blijven) verwijzen als crediteur van deze klanten op de wijze zoals dat gebruikelijk was voor 1 januari 2026 zolang de Franchisenemers niet schriftelijk hebben ingestemd met een daartoe strekkende wijziging,
5.5.
verbiedt PIDZ om klanten van de Franchisenemers op enigerlei wijze aan te zetten tot het beëindigen van hun zakelijke relatie c.q. samenwerking met de Franchisenemers zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen,
5.6.
verbiedt PIDZ om de voorgenomen c.q. de reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen aan te (laten) brengen in de IT- c.q. ICT-systemen van de PIDZ -franchiseformule voor zover die wijzigingen de Franchisenemers (kunnen) beletten dat zij hun onderneming kunnen exploiteren zoals zij dat deden vóór 1 januari 2026, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen,
5.7.
gebiedt PIDZ om, zolang er geen schriftelijke instemming van de Franchisenemers is verkregen over de voorgenomen c.q. reeds per 1 januari 2026 doorgevoerde wijzigingen, reeds gedane wijzigingen in de IT- c.q. ICT-systemen die daarop toezien terug te draaien en teruggedraaid te houden zodat de Franchisenemers hun onderneming kunnen exploiteren zoals zij dat deden vóór 1 januari 2026 en waardoor (onder meer) de gegevens van de Franchisenemers – waaronder hun naam, btw-nummer en bankrekeningnummer – op de facturen aan klanten van de Franchisenemers worden vermeld,
5.8.
veroordeelt PIDZ om aan elk van de Franchisenemers een dwangsom te betalen van € 5.000,-voor iedere dag (of gedeelte daarvan) dat zij vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis niet aan (één van) de in 5.1 tot en met 5.7. uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, met dien verstande dan boven een bedrag van € 1.000.000,-- per franchisenemer geen dwangsommen meer verbeurd worden,
5.9.
veroordeelt PIDZ in de proceskosten van € 2.040,65,
5.10.
veroordeelt PIDZ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.11.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.12.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.
Stichting Normering Arbeid
Of wanbetaling zoals in casu