Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2014:981

2014-03-12 Civiel recht C/01/247239
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2014-03-12
Publicatiedatum
2014-03-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/01/247239
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJF 2013/204 | NJF 2014/242

Inhoudsindicatie

Korte samenvatting: Uitleg van art. 241c lid 2 Fw. Eindvonnis na beantwoording door de Hoge Raad van een prejudiciële vraag.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.646 tekens)
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT


Handelsrecht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch




zaaknummer / rolnummer: C/01/247239 / HA ZA 12-461




Vonnis van 12 maart 2014




in de zaak van


1. de coöperatie


COÖPERATIEVE RABOBANK ROERMOND-ECHT U.A.,
gevestigd te Roermond,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


DE LAGE LANDEN FINANCIAL SERVICES B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
eiseressen,
advocaat mr. R.M. Vermaire te Utrecht,



tegen





[X]


wonende te [plaats],
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap Danvo B.V., gevestigd te Eindhoven,
gedaagde,
advocaat mr. I.C.J.C. van de Klundert te Eindhoven.




Partijen zullen hierna Rabobank, DLL en de curator genoemd worden.





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het tussenvonnis van 20 februari 2013


het arrest van de Hoge Raad van 13 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1910).





1.2.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het arrest van de Hoge Raad, maar zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.



1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De verdere beoordeling

2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 20 februari 2013 een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorgelegd. De Hoge Raad heeft die vraag in het arrest van 13 december 2013 aldus beantwoord dat de in art. 241c lid 2 Fw neergelegde regel niet (overeenkomstig) geldt ten behoeve van de houder van een stil pandrecht op een zaak van de belastingschuldige.



2.2.
Deze beperkte uitleg van art. 241c lid 2 Fw betekent, zoals al aangekondigd in r.o. 4.1 van het tussenvonnis van 20 februari 2013, dat Rabobank en DLL in het ongelijk moeten worden gesteld.



2.3.
Rabobank en DLL zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:
- explootkosten €  0,00
- griffierecht 267,00
- getuigenkosten 0,00
- deskundigen 0,00
- overige kosten 0,00
- salaris advocaat 452,00 (1,0 punt × tarief € 452,00)
Totaal €  719,00



2.4.
De Hoge Raad heeft de kosten van de prejudiciële procedure aan de zijde van de curator begroot op nihil, zodat er geen reden is de kosten van de curator op te nemen in de proceskostenveroordeling zoals voorzien in art. 394 lid 2 Rv.



2.5.
De gevorderde veroordeling in de nakosten zal als niet gespecificeerd worden afgewezen.





3De beslissing
De rechtbank


3.1.
wijst de vorderingen van Rabobank en DLL af,



3.2.
veroordeelt Rabobank en DLL hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 719,00,



3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik, mr. M.F.M.T. Franke en mr. M.G.A. Poelman en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2014.