Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3436
2026-07-23
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
12039410 BU VERZ 26-14
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wahv. Als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden. Nu de CVOM een beslissing heeft genomen op het administratief beroep, zonder het dossier toe te sturen en een termijn te bieden om nadere gronden aan te vullen, is de informatieplicht geschonden. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie vernietigt. Er is geen sprake van schending van de hoorplicht, nu de inleidende beschikking een vermelding van het recht om te worden gehoord bevat. Geen recht op pkv.
Citeert (4)
- ECLI:NL:GHARL:2022:1294 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-02-2022
- ECLI:NL:GHARL:2024:4649 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-07-2024
- ECLI:NL:GHARL:2019:8666 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-10-2019
- ECLI:NL:GHARL:2020:3336 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-04-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.362 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 271389809
zaaknummer: 12039410 BU VERZ 26-14
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 23 juli 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats],
gemachtigde: mr. F. Waals, TheLegalDepartment.nl.
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht op 10 januari 2025, om 10:04 uur, aan het Damsterdiep te Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. opgelegde boete bedraagt € 429,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 23 juli 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. R.A. van der Velde, aanwezig.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden. Zij oordeelt dat het beroep inhoudelijk ongegrond is, maar dat de beslissing van de officier van justitie vernietigd dient te worden. Het verzoek om proceskosten wordt daarnaast afgewezen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom zij dat doet.
Standpunten
3. De gemachtigde voert namens betrokkene aan dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden, omdat eiser in de fase van administratief beroep heeft verzocht om te worden gehoord. Daarnaast is er sprake van strijdigheid met artikel 7:18 Awb en artikel 6 EVRM, aangezien betrokkene heeft verzocht om het procesdossier, maar deze niet heeft ontvangen voordat er een besluit door de officier van justitie was genomen. Inhoudelijk voert gemachtigde namens betrokkene aan dat de verklaring van betrokkene bij de staandehouding die in het zaakoverzicht is opgenomen, niet klopt. Betrokkene had namelijk verklaart dat hij de telefoon niet vasthield. Daarnaast is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht niet een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal waardoor het niet als doorslaggevend bewijs kan dienen. Gemachtigde voert aan dat eiser in een hoog voertuig reed met een hoog dashboard. Ter hoogte van het stuur is vanaf buiten niet waar te nemen. De verbalisant verwijst naar de camera’s op het toestel, dus hij moet vanaf de voorkant gekeken hebben. Daarmee is er volgens gemachtigde geen direct zicht op de plek waar de verbalisant claimt dat het apparaat vastgehouden zou zijn. Om op die plek een telefoon waar te kunnen nemen zou betrokkene deze ruim boven het dashboard moeten hebben gehouden, een plek waar het volgens gemachtigde volstrekt onlogisch zou zijn om een telefoon vast te houden.
4. De vertegenwoordigster heeft de kantonrechter verzocht de beslissing van de officier van justitie te vernietigen, omdat het procesdossier niet op tijd door de officier van justitie is overgelegd terwijl hiertoe wel was verzocht in het administratief beroep. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat het beroep inhoudelijk ongegrond is, aangezien de gedraging kan worden vastgesteld.
Overwegingen
Zekerheidstelling
5. De kantonrechter stelt allereerst vast dat betrokkene te laat de zekerheid heeft betaald. Betrokkene heeft op 3 september 2025 het minimale bedrag aan zekerheid van € 234,00 betaald. De laatste dag om te betalen was 19 augustus 2025. Deze termijnoverschrijding levert geen problemen op en leidt niet tot juridische gevolgen.
Is er sprake van schending van de informatieplicht?
6. Uit het administratief beroepschrift van 6 mei 2025 blijkt dat betrokkene op grond van artikel 7:18 Awb heeft verzocht om het dossier, zodat hij zijn beroep later goed inhoudelijk kan toelichten. De kantonrechter constateert dat de CVOM vervolgens op 29 mei 2025 beslissing heeft genomen op het administratief beroep, zonder het dossier toe te sturen en een termijn te bieden om nadere gronden aan te voeren. Door de vertegenwoordigster is op de zitting aangegeven dat de officier van justitie met deze gang van zaken de informatieplicht heeft geschonden. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie vernietigt.
Is er sprake van schending van de hoorplicht?
7. De kantonrechter overweegt dat de inleidende beschikkingen sinds 22 december 2022 een vermelding van het recht om te worden gehoord bevatten. De inleidende beschikking is in dit geval verstuurd op 19 januari 2025 en daarom is betrokkene de mogelijkheid om te worden gehoord geboden. Dat betrokkene hier vervolgens geen gebruik heeft gemaakt, leidt niet tot een schending van de hoorplicht door de officier van justitie. De kantonrechter oordeelt dat de hoorplicht niet is geschonden.
Kan de verweten gedraging worden vastgesteld?
8. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel
8.1.
Uit de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht blijkt dat deze zag dat de bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon, een smartphone met een zwart hoesje en drie camera’s op de achterzijde, met de rechterhand, ter hoogte van het stuur vasthield. De verbalisant verklaart dat hij tijdens zijn waarneming duidelijk en onbelemmerd in/naar het voertuig en naar het mobiel elektronisch apparaat heeft kunnen kijken. De verbalisant verklaart dat hij de smartphone herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden. Betrokkene is staande gehouden en heeft de volgende verklaring afgelegd: “ik hield de telefoon alleen vast. Ik keek nadrukkelijk niet op mijn telefoon”.
8.2.
In hetgeen door gemachtigde namens betrokkene is aangevoerd, ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Het enkele verweer dat de verbalisant de telefoon niet heeft kunnen waarnemen ter hoogte van het stuur doordat betrokkene in een hoog voertuig met een hoog dashboard reed, is daartoe onvoldoende. Hiertoe overweegt zij dat verbalisanten getraind zijn om waarnemingen als deze te doen en geen enkel belang hebben bij het ten onrechte opleggen van boetes. Daarnaast heeft betrokkene bij de staandehouding zelf verklaard dat hij de telefoon alleen vasthield en er niet op keek. Alleen het vasthouden van een mobiele telefoon is al verboden. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de door de verbalisant opgenomen verklaring van betrokkene tijdens de staandehouding. Ten aanzien van het verweer dat de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht niet onder ambtseed is afgelegd, overweegt de kantonrechter dat de Wahv niet de eis stelt dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve boete een ambtsedig proces-verbaal van een ambtenaar ten grondslag ligt. Het enkele ontbreken hiervan betekent niet dat de boete niet in stand kan blijven en rechtvaardigt ook niet de conclusie dat er getwijfeld moet worden aan de gegevens in het zaakoverzicht.
8.3.
Alles overwegende kan op basis van de verklaring van de verbalisant voldoende worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. In het door gemachtigde namens betrokkene gevoerde verweer zijn geen omstandigheden gelegen die aanleiding geven tot een wijziging van de boete. De boete is terecht opgelegd.
Bestaat er recht op een proceskostenvergoeding?
9. De kantonrechter overweegt dat voor een vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte kosten alleen aanleiding is wanneer de betrokkene in het gelijk wordt gesteld. Dat is in de regel het geval als de inleidende beschikking, waarbij de boete is opgelegd, wordt vernietigd of als de inleidende beschikking wordt gewijzigd op het punt van de hoogte van het bedrag van de sanctie, de omschrijving van de gedraging of de feitcode. Als de beslissing van de officier van justitie of de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, terwijl de inleidende beschikking niet wordt vernietigd of gewijzigd op één van deze punten, wordt het verzoek om een proceskostenvergoeding in de regel afgewezen. Gelet op vorenstaande kent kantonrechter geen proceskosten toe.
Conclusie
De kantonrechter:
̵ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie in verband met de schending van de informatieplicht gegrond;
̵ vernietigt die beslissing;
̵ verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
̵ wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Waarvan proces-verbaal,
R. de Hoop, griffier mr. V.A.G. van Dijk, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.
Algemene wet bestuursrecht.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1294.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4649.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8666
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 271389809
zaaknummer: 12039410 BU VERZ 26-14
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 23 juli 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats],
gemachtigde: mr. F. Waals, TheLegalDepartment.nl.
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht op 10 januari 2025, om 10:04 uur, aan het Damsterdiep te Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. opgelegde boete bedraagt € 429,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 23 juli 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. R.A. van der Velde, aanwezig.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden. Zij oordeelt dat het beroep inhoudelijk ongegrond is, maar dat de beslissing van de officier van justitie vernietigd dient te worden. Het verzoek om proceskosten wordt daarnaast afgewezen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom zij dat doet.
Standpunten
3. De gemachtigde voert namens betrokkene aan dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden, omdat eiser in de fase van administratief beroep heeft verzocht om te worden gehoord. Daarnaast is er sprake van strijdigheid met artikel 7:18 Awb en artikel 6 EVRM, aangezien betrokkene heeft verzocht om het procesdossier, maar deze niet heeft ontvangen voordat er een besluit door de officier van justitie was genomen. Inhoudelijk voert gemachtigde namens betrokkene aan dat de verklaring van betrokkene bij de staandehouding die in het zaakoverzicht is opgenomen, niet klopt. Betrokkene had namelijk verklaart dat hij de telefoon niet vasthield. Daarnaast is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht niet een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal waardoor het niet als doorslaggevend bewijs kan dienen. Gemachtigde voert aan dat eiser in een hoog voertuig reed met een hoog dashboard. Ter hoogte van het stuur is vanaf buiten niet waar te nemen. De verbalisant verwijst naar de camera’s op het toestel, dus hij moet vanaf de voorkant gekeken hebben. Daarmee is er volgens gemachtigde geen direct zicht op de plek waar de verbalisant claimt dat het apparaat vastgehouden zou zijn. Om op die plek een telefoon waar te kunnen nemen zou betrokkene deze ruim boven het dashboard moeten hebben gehouden, een plek waar het volgens gemachtigde volstrekt onlogisch zou zijn om een telefoon vast te houden.
4. De vertegenwoordigster heeft de kantonrechter verzocht de beslissing van de officier van justitie te vernietigen, omdat het procesdossier niet op tijd door de officier van justitie is overgelegd terwijl hiertoe wel was verzocht in het administratief beroep. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat het beroep inhoudelijk ongegrond is, aangezien de gedraging kan worden vastgesteld.
Overwegingen
Zekerheidstelling
5. De kantonrechter stelt allereerst vast dat betrokkene te laat de zekerheid heeft betaald. Betrokkene heeft op 3 september 2025 het minimale bedrag aan zekerheid van € 234,00 betaald. De laatste dag om te betalen was 19 augustus 2025. Deze termijnoverschrijding levert geen problemen op en leidt niet tot juridische gevolgen.
Is er sprake van schending van de informatieplicht?
6. Uit het administratief beroepschrift van 6 mei 2025 blijkt dat betrokkene op grond van artikel 7:18 Awb heeft verzocht om het dossier, zodat hij zijn beroep later goed inhoudelijk kan toelichten. De kantonrechter constateert dat de CVOM vervolgens op 29 mei 2025 beslissing heeft genomen op het administratief beroep, zonder het dossier toe te sturen en een termijn te bieden om nadere gronden aan te voeren. Door de vertegenwoordigster is op de zitting aangegeven dat de officier van justitie met deze gang van zaken de informatieplicht heeft geschonden. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie vernietigt.
Is er sprake van schending van de hoorplicht?
7. De kantonrechter overweegt dat de inleidende beschikkingen sinds 22 december 2022 een vermelding van het recht om te worden gehoord bevatten. De inleidende beschikking is in dit geval verstuurd op 19 januari 2025 en daarom is betrokkene de mogelijkheid om te worden gehoord geboden. Dat betrokkene hier vervolgens geen gebruik heeft gemaakt, leidt niet tot een schending van de hoorplicht door de officier van justitie. De kantonrechter oordeelt dat de hoorplicht niet is geschonden.
Kan de verweten gedraging worden vastgesteld?
8. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel
8.1.
Uit de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht blijkt dat deze zag dat de bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon, een smartphone met een zwart hoesje en drie camera’s op de achterzijde, met de rechterhand, ter hoogte van het stuur vasthield. De verbalisant verklaart dat hij tijdens zijn waarneming duidelijk en onbelemmerd in/naar het voertuig en naar het mobiel elektronisch apparaat heeft kunnen kijken. De verbalisant verklaart dat hij de smartphone herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden. Betrokkene is staande gehouden en heeft de volgende verklaring afgelegd: “ik hield de telefoon alleen vast. Ik keek nadrukkelijk niet op mijn telefoon”.
8.2.
In hetgeen door gemachtigde namens betrokkene is aangevoerd, ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Het enkele verweer dat de verbalisant de telefoon niet heeft kunnen waarnemen ter hoogte van het stuur doordat betrokkene in een hoog voertuig met een hoog dashboard reed, is daartoe onvoldoende. Hiertoe overweegt zij dat verbalisanten getraind zijn om waarnemingen als deze te doen en geen enkel belang hebben bij het ten onrechte opleggen van boetes. Daarnaast heeft betrokkene bij de staandehouding zelf verklaard dat hij de telefoon alleen vasthield en er niet op keek. Alleen het vasthouden van een mobiele telefoon is al verboden. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de door de verbalisant opgenomen verklaring van betrokkene tijdens de staandehouding. Ten aanzien van het verweer dat de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht niet onder ambtseed is afgelegd, overweegt de kantonrechter dat de Wahv niet de eis stelt dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve boete een ambtsedig proces-verbaal van een ambtenaar ten grondslag ligt. Het enkele ontbreken hiervan betekent niet dat de boete niet in stand kan blijven en rechtvaardigt ook niet de conclusie dat er getwijfeld moet worden aan de gegevens in het zaakoverzicht.
8.3.
Alles overwegende kan op basis van de verklaring van de verbalisant voldoende worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. In het door gemachtigde namens betrokkene gevoerde verweer zijn geen omstandigheden gelegen die aanleiding geven tot een wijziging van de boete. De boete is terecht opgelegd.
Bestaat er recht op een proceskostenvergoeding?
9. De kantonrechter overweegt dat voor een vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte kosten alleen aanleiding is wanneer de betrokkene in het gelijk wordt gesteld. Dat is in de regel het geval als de inleidende beschikking, waarbij de boete is opgelegd, wordt vernietigd of als de inleidende beschikking wordt gewijzigd op het punt van de hoogte van het bedrag van de sanctie, de omschrijving van de gedraging of de feitcode. Als de beslissing van de officier van justitie of de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, terwijl de inleidende beschikking niet wordt vernietigd of gewijzigd op één van deze punten, wordt het verzoek om een proceskostenvergoeding in de regel afgewezen. Gelet op vorenstaande kent kantonrechter geen proceskosten toe.
Conclusie
De kantonrechter:
̵ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie in verband met de schending van de informatieplicht gegrond;
̵ vernietigt die beslissing;
̵ verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
̵ wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Waarvan proces-verbaal,
R. de Hoop, griffier mr. V.A.G. van Dijk, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.
Algemene wet bestuursrecht.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1294.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4649.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8666
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336.