Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5662
2026-08-18
Strafrecht
16/276327-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verkeersongeval. De verdachte reed zonder rijbewijs in een auto verleende geen voorrang aan een kruisende fietser, reed hem aan en is vervolgens gevlucht. Vrijspraak art. 6 WVW, omdat het niet verlenen van voorrang geen aanmerkelijk onvoorzichtig verkeersgedrag is. De omstandigheid dat de verdachte niet in het bezit was van een rijbewijs maakt zonder verder gevaarlijk rijgedrag ook niet dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW. Vrijspraak van het niet meewerken aan een ademonderzoek, omdat er geen redelijke verdenking was van rijden onder invloed. Veroordeling voor rijden zonder rijbewijs, gevaarlijk rijgedrag en het verlaten van de plaats van het ongeval.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.546 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/276327-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 augustus 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2006] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 4 augustus 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
de verdachte;
de officier van justitie: mr. M.M. Rademaker;
de advocaat van de verdachte: mr. R.J. Jager (hierna: de advocaat).
2Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
primair
op 17 december 2024 in Utrecht zeer, dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig in een auto heeft gereden doordat hij zonder rijbewijs reed en de fietser [slachtoffer] geen voorrang verleende, en dat het zijn schuld is dat daardoor een verkeersongeval is gebeurd waarbij [slachtoffer] zwaargewond is geraakt;
subsidiair
op 17 december 2024 in Utrecht als bestuurder van een personenauto gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt;
meer subsidiair
op 17 december 2024 in Utrecht als bestuurder van een personenauto geen voorrang heeft verleend, waardoor letsel aan personen en/of schade aan goederen is ontstaan.
feit 2
op 17 december 2024 in Utrecht als bestuurder van een personenauto, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
feit 3
op 17 december 2024 in Utrecht als bestuurder van een personenauto heeft gereden, zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven;
feit 4
op 17 december 2024 in Utrecht als bestuurder van een personenauto niet heeft voldaan aan het bevel om medewerking te verlenen aan een ademonderzoek.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3Bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat bepleit vrijspraak van de onder feit 1 primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en de overige feiten voert de advocaat geen verweer.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat het onder feit 1 primair en feit 4 ten laste gelegde niet bewezen is en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Vrijspraak feit 1 primair (artikel 6 WVW)
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op 17 december 2024 omstreeks 21:25 uur heeft op de kruising van de Donaudreef met het fietspad op de Tiberdreef in Utrecht een verkeersongeval plaatsgevonden. Daarbij is de verdachte met zijn auto tegen fietser [slachtoffer] aangereden. [slachtoffer] heeft hierdoor lichamelijk letsel opgelopen. Vóór de kruising is op de rijbaan van de verdachte met haaientanden voor het fietspad en met een verkeersbord kenbaar gemaakt dat verkeer voorrang moet verlenen aan kruisend verkeer op het fietspad. De verdachte heeft [slachtoffer] echter geen voorrang verleend. De verdachte verklaart dat hij bij het oprijden van de kruising naar links en rechts heeft gekeken, maar de fietser niet heeft gezien.
De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden, is of de ten laste gelegde gedragingen maken dat de verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft gehad aan het ongeval. Dan moet vastgesteld worden dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht. Dat een ongeval ernstige gevolgen heeft, is niet genoeg om zonder meer aan te nemen dat de verdachte aanmerkelijke schuld heeft.
De officier van justitie vindt dat de verdachte aanmerkelijke schuld heeft aan het verkeersongeval. Zij verwijt de verdachte dat hij zonder rijbewijs in de auto is gestapt en de haaientanden heeft gepasseerd zonder voorrang te verlenen.
De rechtbank oordeelt dat het rijgedrag van de verdachte, het niet verlenen van voorrang waar dit wel had gemoeten, onvoldoende is om van aanmerkelijk verwijtbare onvoorzichtigheid te spreken. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen waaruit de rechtbank opmaakt dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen en dat daardoor het ongeval heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat de verdachte geen rijbewijs had weegt mee in de beoordeling, maar maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De verdachte verklaart goed bekend te zijn met het kruispunt en de daarbij geldende verkeersregels. Hij wist hij dat hij voorrang moest verlenen, maar hij heeft de fietser niet gezien. Het dossier geeft geen blijk van andere verkeersovertredingen, onvoorzichtig of gevaarlijk rijgedrag op dat moment, zoals te hard rijden, waaruit de rechtbank kan opmaken dat de verdachte over onvoldoende vaardigheden beschikte om op verantwoorde wijze met een auto aan het verkeer deel te nemen. De omstandigheid dat de verdachte niet in het bezit was van een rijbewijs, in combinatie met de overige omstandigheden, maakt daarom niet dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW.
Vrijspraak feit 4
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij medewerking aan een ademonderzoek heeft geweigerd, nadat tegen hem de verdenking was gerezen dat hij als bestuurder van een personenauto onder invloed had gereden. De rechtbank overweegt dat de politie niet heeft toegelicht op welke omstandigheden de verdenking van rijden onder invloed is gebaseerd. De officier van justitie voert aan dat de verdenking (mede) voortvloeit uit het feit dat de verdachte na het ongeval het raam van de auto heeft vernield. De rechtbank beschouwt deze handeling echter als een poging om zijn bijdrage aan het ongeval te verbergen en niet als ondersteuning voor de verdenking van rijden onder invloed. Gelet op het ontbreken van een concrete (onderbouwde) verdenking van rijden onder invloed, acht de rechtbank dit feit niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte daarom vrij.
3.3.2.
Bewijsmiddelen feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3
De verdachte bekent dat hij de feiten 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair (artikel 5 WVW)
de verklaring van de verdachte op de zitting van 4 augustus 2026;
een proces-verbaal Forensisch onderzoek plaats delict van 26 mei 2025, genummerd PL0900-2024400031-16, pagina’s 1, 9, 45 uit het aanvullend procesdossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024400031, doorgenummerd pagina’s 1 tot en met 53.
Ten aanzien van feit 2 (artikel 7 WVW)
de verklaring van de verdachte op de zitting van 4 augustus 2026;
een proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2024, genummerd PL0900-2024400089-3, pagina’s 53 tot en met 57, uit het procesdossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024400031, doorgenummerd pagina’s 1 tot en met 95.
Ten aanzien van feit 3 (artikel 107 WVW)
de verklaring van de verdachte op de zitting van 4 augustus 2026;
een proces-verbaal van bevindingen van 1 november 2025, genummerd PL0900-2024400031-30, pagina’s 5 tot en met 7, uit het procesdossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024400031, doorgenummerd pagina’s 1 tot en met 26.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 subsidiair:
op 17 december 2024, te Utrecht, als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de weg, de kruising van de Donaudreef met het fietspad op de Tiberdreef
- terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven en
- terwijl voor dat fietspad op het wegdek van de Donaudreef haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg”, waren aangebracht en
- terwijl voor dat fietspad aan de rechterzijde van die weg (de Donaudreef) een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg” met daaronder de aanduiding dat verkeer uit beide richtingen kon komen, was geplaatst en
- niet of in onvoldoende mate zich ervan heeft vergewist en/of is blijven vergewissen dat het
fietspad op de Tiberdreef vrij was van verkeer en
- vervolgens een voor hem, verdachte, van links komende fietser niet voor heeft laten gaan en
- vervolgens is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met voornoemde fietser,
door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd;
feit 2
op 17 december 2024, te Utrecht, als bestuurder van een personenauto, betrokken bij en door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de kruising van de Donaudreef met het fietspad op de Tiberdreef, de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl
- bij dat ongeval, naar hij (verdachte) wist, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel was toegebracht en
- daardoor, naar hij (verdachte) redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
feit 3
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, als bestuurder van een personenauto heeft gereden op de weg, de kruising van de Donaudreef met het fietspad op de Tiberdreef, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1, subsidiair
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 2
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 3
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5Straf
5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte voor feit 1 primair, feit 2 en feit 4 wordt veroordeeld tot:
een gevangenisstraf van 3 weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar,
met als bijzondere voorwaarden, kort gezegd: een meldplicht bij de reclassering en het meewerken aan verdiepingsdiagnostiek en, indien geïndiceerd, ambulante behandeling en/of gedragsinterventie;
een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
en voor feit 3 tot:
- een geldboete van € 340,-, te vervangen door 3 dagen hechtenis als de verdachte deze boete niet betaalt.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de taakstraf te matigen als de verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Verder vraagt de advocaat in de strafmaat rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het feit, de omstandigheid dat hij door zijn ADHD impulsieve beslissingen neemt en de gevolgen die het incident al heeft meegebracht binnen zijn gezin.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte voor feit 1 subsidiair op:
- een taakstraf van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis.
De rechtbank legt aan de verdachte voor feit 2 op:
- een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis.
De rechtbank legt aan de verdachte voor feit 3 op:
- een taakstraf van 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft rijdend in een auto op een kruising geen voorrang verleend en heeft daarbij een fietser aangereden die daar letsel en schade door heeft opgelopen. Zo heeft het slachtoffer hoofd- en hersenletsel, meerdere breuken in het gezicht, meerdere ribfacturen, een hoofdwond en diepe wonden op zijn knieën opgelopen. Ondanks dat de verdachte gemerkt heeft dat hij iemand heeft aangereden, is hij doorgereden zonder zich over het slachtoffer te bekommeren en zonder zijn identiteit kenbaar te maken. Daar komt bij dat de verdachte ten tijde van het verkeersongeval in de auto reed, zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs.
De verdachte heeft met zijn verkeersgedrag laten zien dat hij ernstig tekortschiet in zijn verantwoordelijkheidsgevoel voor de veiligheid van andere weggebruikers. Daarnaast ontbreekt het besef van de grote risico’s die het gedrag van de verdachte met zich meebrengt voor andere weggebruikers en de algemene verkeersveiligheid. Bovendien heeft de verdachte, door na het aanrijden van het slachtoffer de plek van het ongeval te verlaten zonder zijn identiteit bekend te maken, geprobeerd om aan de strafrechtelijke en financiële gevolgen van zijn handelen te ontkomen. Hij maakte zich zorgen over hoe zijn moeder – die niet goed vond dat hij haar auto gebruikte – zou reageren. Daarmee bekommerde hij zich vooral om de gevolgen voor zichzelf en niet om het slachtoffer. Ondanks zijn jeugdige leeftijd en dat hij heeft verklaard dat hij zich samen met zijn moeder zou gaan melden op het politiebureau, rekent de rechtbank de verdachte dit ernstig aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte van 17 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in de laatste vijf jaren meerdere keren is veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs. De rechtbank neemt in strafverzwarende zin mee dat deze veroordelingen verdachte er niet van hebben weerhouden om opnieuw zonder rijbewijs in de auto te stappen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 23 juli 2026, maar ziet geen aanleiding om de door de Reclassering geadviseerde voorwaarden aan verdachte op te leggen.
In strafverminderende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte jong was ten tijde van de feiten en ook op de zitting nog een jeugdige indruk maakt. Jeugdigen maken soms impulsieve keuzes. Inmiddels heeft de verdachte zijn rijbewijs gehaald en hij is sindsdien niet meer met de politie in contact gekomen voor verkeersfeiten.
Strafkader
De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in andere, vergelijkbare zaken worden opgelegd.
Ten aanzien van het rijden zonder rijbewijs (feit 2) overweegt de rechtbank dat, gelet op de eerder aan de verdachte opgelegde taakstraffen, een onvoorwaardelijke hechtenis op zijn plaats zou zijn. De rechtbank vindt dit echter niet (meer) passend en neemt hierbij het tijdsverloop en de omstandigheid dat de verdachte inmiddels zijn rijbewijs heeft gehaald in aanmerking. De rechtbank vindt de voor dit feit geëiste geldboete door de officier van justitie, gelet op de eerdere veroordelingen voor rijden zonder rijbewijs, de daarbij al eens opgelegde taakstraf en de ernst van het feit, ook niet passend. Daarom zal de rechtbank (ook) voor dit feit een taakstraf aan de verdachte opleggen.
Omdat er in de verstreken tijd na het ongeval geen signalen naar voren zijn gekomen dat de verdachte zich nog steeds misdraagt op de weg, vindt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf naast de oplegging van een taakstraf, zoals geëist door de officier van justitie, ook niet gepast.
Alles afwegende acht de rechtbank in dit geval geheel onvoorwaardelijke taakstraffen, zoals aan het begin van deze paragraaf weergegeven, van een flinke totale duur, passend en geboden en zal deze ook aan de verdachte opleggen. De totale duur van de taakstraffen is lager dan door de officier van justitie is geëist. De reden hiervoor is mede dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie.
6Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 62 van het Wetboek van Strafrecht;
artikelen 5, 7, 107, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
7De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart de feiten 1 primair en 4 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
feit 1 subsidiair
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 50 uren;
beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 25 dagen hechtenis;
feit 2
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 uren;
beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;
feit 3
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 30 uren;
beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 15 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. J.F. Haeck en mr. M. Coenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker en mr. M. van Dinten, als griffiers en is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Donaudreef en/of de kruising van de Donaudreef met (het fietspad op) de Tiberdreef, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven en/of
- terwijl voor dat fietspad op het wegdek van de Donaudreef haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg”, waren aangebracht en/of
- terwijl voor dat fietspad aan de rechterzijde van die weg (de Donaudreef) een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg” met daaronder de aanduiding dat verkeer uit beide richtingen kon komen, was geplaatst en/of
- niet of in onvoldoende mate zich ervan te vergewissen en/of is blijven vergewissen dat het
fietspad op de Tiberdreef vrij was van verkeer en/of
- ( vervolgens) een voor hem, verdachte, van links komende fietser geen voorrang te verlenen en/of
- ( vervolgens) te botsen tegen, althans in aanrijding te komen met voornoemde fietser,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten hoofd-/hersenletsel en/of een of meerdere aangezichtsfractu(u)r(en) (te weten een breuk in de kaak en/of een breuk in het jukbeen en/of een breuk in de voorhoofdholte en/of een breuk in het rotsbeen) en/of een of meerdere ribfractu(u)r(en) en/of een hoofwond en/of een diepere
huidbeschadiging aan beide knieën, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Donaudreef en/of de kruising van de Donaudreef met (het fietspad op) de Tiberdreef,
- terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven en/of
- terwijl voor dat fietspad op het wegdek van de Donaudreef haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg”, waren aangebracht en/of
- terwijl voor dat fietspad aan de rechterzijde van die weg (de Donaudreef) een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg” met daaronder de aanduiding dat verkeer uit beide richtingen kon komen, was geplaatst en/of
- niet of in onvoldoende mate zich ervan heeft vergewist en/of is blijven vergewissen dat het
fietspad op de Tiberdreef vrij was van verkeer en/of
- ( vervolgens) een voor hem, verdachte, van links komende fietser niet voor heeft laten gaan en/of
- ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met voornoemde fietser, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, althans in Nederland, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Donaudreef, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Tiberdreef, op het wegdek haaientanden waren aangebracht, de bestuurder van een op die kruisende weg, (het fietspad op) de Tiberdreef, geen voorrang heeft gegeven, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;
2
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), betrokken bij en/of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Donaudreef en/of de kruising van de Donaudreef met (het fietspad op) de Tiberdreef, de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl
- bij dat ongeval, naar hij (verdachte) wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht en/of
- daardoor, naar hij (verdachte) wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
3
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Donaudreef en/of de kruising van de Donaudreef met (het fietspad op) de Tiberdreef, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
4
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, althans in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting
ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/276327-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 augustus 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2006] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 4 augustus 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
de verdachte;
de officier van justitie: mr. M.M. Rademaker;
de advocaat van de verdachte: mr. R.J. Jager (hierna: de advocaat).
2Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
primair
op 17 december 2024 in Utrecht zeer, dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig in een auto heeft gereden doordat hij zonder rijbewijs reed en de fietser [slachtoffer] geen voorrang verleende, en dat het zijn schuld is dat daardoor een verkeersongeval is gebeurd waarbij [slachtoffer] zwaargewond is geraakt;
subsidiair
op 17 december 2024 in Utrecht als bestuurder van een personenauto gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt;
meer subsidiair
op 17 december 2024 in Utrecht als bestuurder van een personenauto geen voorrang heeft verleend, waardoor letsel aan personen en/of schade aan goederen is ontstaan.
feit 2
op 17 december 2024 in Utrecht als bestuurder van een personenauto, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
feit 3
op 17 december 2024 in Utrecht als bestuurder van een personenauto heeft gereden, zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven;
feit 4
op 17 december 2024 in Utrecht als bestuurder van een personenauto niet heeft voldaan aan het bevel om medewerking te verlenen aan een ademonderzoek.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3Bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat bepleit vrijspraak van de onder feit 1 primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en de overige feiten voert de advocaat geen verweer.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat het onder feit 1 primair en feit 4 ten laste gelegde niet bewezen is en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Vrijspraak feit 1 primair (artikel 6 WVW)
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op 17 december 2024 omstreeks 21:25 uur heeft op de kruising van de Donaudreef met het fietspad op de Tiberdreef in Utrecht een verkeersongeval plaatsgevonden. Daarbij is de verdachte met zijn auto tegen fietser [slachtoffer] aangereden. [slachtoffer] heeft hierdoor lichamelijk letsel opgelopen. Vóór de kruising is op de rijbaan van de verdachte met haaientanden voor het fietspad en met een verkeersbord kenbaar gemaakt dat verkeer voorrang moet verlenen aan kruisend verkeer op het fietspad. De verdachte heeft [slachtoffer] echter geen voorrang verleend. De verdachte verklaart dat hij bij het oprijden van de kruising naar links en rechts heeft gekeken, maar de fietser niet heeft gezien.
De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden, is of de ten laste gelegde gedragingen maken dat de verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft gehad aan het ongeval. Dan moet vastgesteld worden dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht. Dat een ongeval ernstige gevolgen heeft, is niet genoeg om zonder meer aan te nemen dat de verdachte aanmerkelijke schuld heeft.
De officier van justitie vindt dat de verdachte aanmerkelijke schuld heeft aan het verkeersongeval. Zij verwijt de verdachte dat hij zonder rijbewijs in de auto is gestapt en de haaientanden heeft gepasseerd zonder voorrang te verlenen.
De rechtbank oordeelt dat het rijgedrag van de verdachte, het niet verlenen van voorrang waar dit wel had gemoeten, onvoldoende is om van aanmerkelijk verwijtbare onvoorzichtigheid te spreken. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen waaruit de rechtbank opmaakt dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen en dat daardoor het ongeval heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat de verdachte geen rijbewijs had weegt mee in de beoordeling, maar maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De verdachte verklaart goed bekend te zijn met het kruispunt en de daarbij geldende verkeersregels. Hij wist hij dat hij voorrang moest verlenen, maar hij heeft de fietser niet gezien. Het dossier geeft geen blijk van andere verkeersovertredingen, onvoorzichtig of gevaarlijk rijgedrag op dat moment, zoals te hard rijden, waaruit de rechtbank kan opmaken dat de verdachte over onvoldoende vaardigheden beschikte om op verantwoorde wijze met een auto aan het verkeer deel te nemen. De omstandigheid dat de verdachte niet in het bezit was van een rijbewijs, in combinatie met de overige omstandigheden, maakt daarom niet dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW.
Vrijspraak feit 4
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij medewerking aan een ademonderzoek heeft geweigerd, nadat tegen hem de verdenking was gerezen dat hij als bestuurder van een personenauto onder invloed had gereden. De rechtbank overweegt dat de politie niet heeft toegelicht op welke omstandigheden de verdenking van rijden onder invloed is gebaseerd. De officier van justitie voert aan dat de verdenking (mede) voortvloeit uit het feit dat de verdachte na het ongeval het raam van de auto heeft vernield. De rechtbank beschouwt deze handeling echter als een poging om zijn bijdrage aan het ongeval te verbergen en niet als ondersteuning voor de verdenking van rijden onder invloed. Gelet op het ontbreken van een concrete (onderbouwde) verdenking van rijden onder invloed, acht de rechtbank dit feit niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte daarom vrij.
3.3.2.
Bewijsmiddelen feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3
De verdachte bekent dat hij de feiten 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair (artikel 5 WVW)
de verklaring van de verdachte op de zitting van 4 augustus 2026;
een proces-verbaal Forensisch onderzoek plaats delict van 26 mei 2025, genummerd PL0900-2024400031-16, pagina’s 1, 9, 45 uit het aanvullend procesdossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024400031, doorgenummerd pagina’s 1 tot en met 53.
Ten aanzien van feit 2 (artikel 7 WVW)
de verklaring van de verdachte op de zitting van 4 augustus 2026;
een proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2024, genummerd PL0900-2024400089-3, pagina’s 53 tot en met 57, uit het procesdossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024400031, doorgenummerd pagina’s 1 tot en met 95.
Ten aanzien van feit 3 (artikel 107 WVW)
de verklaring van de verdachte op de zitting van 4 augustus 2026;
een proces-verbaal van bevindingen van 1 november 2025, genummerd PL0900-2024400031-30, pagina’s 5 tot en met 7, uit het procesdossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024400031, doorgenummerd pagina’s 1 tot en met 26.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 subsidiair:
op 17 december 2024, te Utrecht, als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de weg, de kruising van de Donaudreef met het fietspad op de Tiberdreef
- terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven en
- terwijl voor dat fietspad op het wegdek van de Donaudreef haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg”, waren aangebracht en
- terwijl voor dat fietspad aan de rechterzijde van die weg (de Donaudreef) een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg” met daaronder de aanduiding dat verkeer uit beide richtingen kon komen, was geplaatst en
- niet of in onvoldoende mate zich ervan heeft vergewist en/of is blijven vergewissen dat het
fietspad op de Tiberdreef vrij was van verkeer en
- vervolgens een voor hem, verdachte, van links komende fietser niet voor heeft laten gaan en
- vervolgens is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met voornoemde fietser,
door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd;
feit 2
op 17 december 2024, te Utrecht, als bestuurder van een personenauto, betrokken bij en door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de kruising van de Donaudreef met het fietspad op de Tiberdreef, de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl
- bij dat ongeval, naar hij (verdachte) wist, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel was toegebracht en
- daardoor, naar hij (verdachte) redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
feit 3
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, als bestuurder van een personenauto heeft gereden op de weg, de kruising van de Donaudreef met het fietspad op de Tiberdreef, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1, subsidiair
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 2
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 3
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5Straf
5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte voor feit 1 primair, feit 2 en feit 4 wordt veroordeeld tot:
een gevangenisstraf van 3 weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar,
met als bijzondere voorwaarden, kort gezegd: een meldplicht bij de reclassering en het meewerken aan verdiepingsdiagnostiek en, indien geïndiceerd, ambulante behandeling en/of gedragsinterventie;
een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
en voor feit 3 tot:
- een geldboete van € 340,-, te vervangen door 3 dagen hechtenis als de verdachte deze boete niet betaalt.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de taakstraf te matigen als de verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Verder vraagt de advocaat in de strafmaat rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het feit, de omstandigheid dat hij door zijn ADHD impulsieve beslissingen neemt en de gevolgen die het incident al heeft meegebracht binnen zijn gezin.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte voor feit 1 subsidiair op:
- een taakstraf van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis.
De rechtbank legt aan de verdachte voor feit 2 op:
- een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis.
De rechtbank legt aan de verdachte voor feit 3 op:
- een taakstraf van 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft rijdend in een auto op een kruising geen voorrang verleend en heeft daarbij een fietser aangereden die daar letsel en schade door heeft opgelopen. Zo heeft het slachtoffer hoofd- en hersenletsel, meerdere breuken in het gezicht, meerdere ribfacturen, een hoofdwond en diepe wonden op zijn knieën opgelopen. Ondanks dat de verdachte gemerkt heeft dat hij iemand heeft aangereden, is hij doorgereden zonder zich over het slachtoffer te bekommeren en zonder zijn identiteit kenbaar te maken. Daar komt bij dat de verdachte ten tijde van het verkeersongeval in de auto reed, zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs.
De verdachte heeft met zijn verkeersgedrag laten zien dat hij ernstig tekortschiet in zijn verantwoordelijkheidsgevoel voor de veiligheid van andere weggebruikers. Daarnaast ontbreekt het besef van de grote risico’s die het gedrag van de verdachte met zich meebrengt voor andere weggebruikers en de algemene verkeersveiligheid. Bovendien heeft de verdachte, door na het aanrijden van het slachtoffer de plek van het ongeval te verlaten zonder zijn identiteit bekend te maken, geprobeerd om aan de strafrechtelijke en financiële gevolgen van zijn handelen te ontkomen. Hij maakte zich zorgen over hoe zijn moeder – die niet goed vond dat hij haar auto gebruikte – zou reageren. Daarmee bekommerde hij zich vooral om de gevolgen voor zichzelf en niet om het slachtoffer. Ondanks zijn jeugdige leeftijd en dat hij heeft verklaard dat hij zich samen met zijn moeder zou gaan melden op het politiebureau, rekent de rechtbank de verdachte dit ernstig aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte van 17 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in de laatste vijf jaren meerdere keren is veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs. De rechtbank neemt in strafverzwarende zin mee dat deze veroordelingen verdachte er niet van hebben weerhouden om opnieuw zonder rijbewijs in de auto te stappen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 23 juli 2026, maar ziet geen aanleiding om de door de Reclassering geadviseerde voorwaarden aan verdachte op te leggen.
In strafverminderende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte jong was ten tijde van de feiten en ook op de zitting nog een jeugdige indruk maakt. Jeugdigen maken soms impulsieve keuzes. Inmiddels heeft de verdachte zijn rijbewijs gehaald en hij is sindsdien niet meer met de politie in contact gekomen voor verkeersfeiten.
Strafkader
De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in andere, vergelijkbare zaken worden opgelegd.
Ten aanzien van het rijden zonder rijbewijs (feit 2) overweegt de rechtbank dat, gelet op de eerder aan de verdachte opgelegde taakstraffen, een onvoorwaardelijke hechtenis op zijn plaats zou zijn. De rechtbank vindt dit echter niet (meer) passend en neemt hierbij het tijdsverloop en de omstandigheid dat de verdachte inmiddels zijn rijbewijs heeft gehaald in aanmerking. De rechtbank vindt de voor dit feit geëiste geldboete door de officier van justitie, gelet op de eerdere veroordelingen voor rijden zonder rijbewijs, de daarbij al eens opgelegde taakstraf en de ernst van het feit, ook niet passend. Daarom zal de rechtbank (ook) voor dit feit een taakstraf aan de verdachte opleggen.
Omdat er in de verstreken tijd na het ongeval geen signalen naar voren zijn gekomen dat de verdachte zich nog steeds misdraagt op de weg, vindt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf naast de oplegging van een taakstraf, zoals geëist door de officier van justitie, ook niet gepast.
Alles afwegende acht de rechtbank in dit geval geheel onvoorwaardelijke taakstraffen, zoals aan het begin van deze paragraaf weergegeven, van een flinke totale duur, passend en geboden en zal deze ook aan de verdachte opleggen. De totale duur van de taakstraffen is lager dan door de officier van justitie is geëist. De reden hiervoor is mede dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie.
6Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 62 van het Wetboek van Strafrecht;
artikelen 5, 7, 107, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
7De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart de feiten 1 primair en 4 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
feit 1 subsidiair
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 50 uren;
beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 25 dagen hechtenis;
feit 2
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 uren;
beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;
feit 3
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 30 uren;
beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 15 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. J.F. Haeck en mr. M. Coenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker en mr. M. van Dinten, als griffiers en is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Donaudreef en/of de kruising van de Donaudreef met (het fietspad op) de Tiberdreef, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven en/of
- terwijl voor dat fietspad op het wegdek van de Donaudreef haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg”, waren aangebracht en/of
- terwijl voor dat fietspad aan de rechterzijde van die weg (de Donaudreef) een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg” met daaronder de aanduiding dat verkeer uit beide richtingen kon komen, was geplaatst en/of
- niet of in onvoldoende mate zich ervan te vergewissen en/of is blijven vergewissen dat het
fietspad op de Tiberdreef vrij was van verkeer en/of
- ( vervolgens) een voor hem, verdachte, van links komende fietser geen voorrang te verlenen en/of
- ( vervolgens) te botsen tegen, althans in aanrijding te komen met voornoemde fietser,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten hoofd-/hersenletsel en/of een of meerdere aangezichtsfractu(u)r(en) (te weten een breuk in de kaak en/of een breuk in het jukbeen en/of een breuk in de voorhoofdholte en/of een breuk in het rotsbeen) en/of een of meerdere ribfractu(u)r(en) en/of een hoofwond en/of een diepere
huidbeschadiging aan beide knieën, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Donaudreef en/of de kruising van de Donaudreef met (het fietspad op) de Tiberdreef,
- terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven en/of
- terwijl voor dat fietspad op het wegdek van de Donaudreef haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg”, waren aangebracht en/of
- terwijl voor dat fietspad aan de rechterzijde van die weg (de Donaudreef) een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: “Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg” met daaronder de aanduiding dat verkeer uit beide richtingen kon komen, was geplaatst en/of
- niet of in onvoldoende mate zich ervan heeft vergewist en/of is blijven vergewissen dat het
fietspad op de Tiberdreef vrij was van verkeer en/of
- ( vervolgens) een voor hem, verdachte, van links komende fietser niet voor heeft laten gaan en/of
- ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met voornoemde fietser, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, althans in Nederland, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Donaudreef, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Tiberdreef, op het wegdek haaientanden waren aangebracht, de bestuurder van een op die kruisende weg, (het fietspad op) de Tiberdreef, geen voorrang heeft gegeven, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;
2
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), betrokken bij en/of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Donaudreef en/of de kruising van de Donaudreef met (het fietspad op) de Tiberdreef, de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl
- bij dat ongeval, naar hij (verdachte) wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht en/of
- daardoor, naar hij (verdachte) wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
3
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Donaudreef en/of de kruising van de Donaudreef met (het fietspad op) de Tiberdreef, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
4
hij, op of omstreeks 17 december 2024, te Utrecht, althans in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting
ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;