Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:1482

2026-03-31 Civiel recht C/16/605902 / KG ZA 26-30
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-03-31
Publicatiedatum
2026-04-13
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/16/605902 / KG ZA 26-30
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Verstek. Verstrekken NAW gegevens en bevriezen account door platform van crypto valuta vanwege mogelijke beleggingsfraude (boilerroomfraude) gebruiker account. IPR. Rechtsmacht artikel 6 onder e Rv. Nederlands recht van toepassing

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.532 tekens)
RECHTBANK Midden-Nederland


Civiel recht



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummer: C/16/605902 / KG ZA 26-30




Vonnis in kort geding van 31 maart 2026




in de zaak van





[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.A. Hupkes,



tegen





1DE VENNOOTSCHAP NAAR HET RECHT VAN DE BRITSE MAAGDENEILANDEN [gedaagde sub 1] ,

te [plaats] , Britse Maagdeneilanden,
hierna: [gedaagde sub 1] ,2. DE VENNOOTSCHAP NAAR HET RECHT VAN DE BRITSE MAAGDENEILANDEN [gedaagde sub 2],
te [plaats] , Britse Maagdeneilanden,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,3. DE VENNOOTSCHAP NAAR HET RECHT VAN DE BRITSE MAAGDENEILANDEN [gedaagde sub 3],
te [plaats] , Britse Maagdeneilanden,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
niet verschenen.





1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen,- de producties van [eiser] ,- de verstekverlening tegen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .






2De kern van het kort geding


2.1.

[eiser] heeft met tussenkomst van een derde belegd in crypto valuta. [eiser] stelt zich op het standpunt dat daarbij sprake is geweest van beleggingsfraude (boilerroomfraude).



[eiser] heeft een bedrijf ingeschakeld ( [bedrijf] ) om te achterhalen waar zijn crypto valuta zich op dit moment bevinden. [bedrijf] is op grond van haar onderzoek dat is gebaseerd op het “follow the money” principe tot de conclusie gekomen dat de crypto valuta van [eiser] zich bevinden in een wallet (een digitale portemonnee) van een derde (de mogelijke oplichter(s) bij [gedaagden] . Deze wallet is gekoppeld aan een account dat deze derde bij [gedaagden] heeft. [gedaagden] is een platform voor het verhandelen van crypto valuta en verrichten van betalingen met crypto valuta ook wel aangeduid als een “crypto exchange” of een custodian (bewaarder).




2.2.

[eiser] wil met dit kort geding bereiken dat hij een procedure kan starten tegen de vermoedelijke oplichter(s) en dat hij zijn schade op deze vermoedelijke oplichter(s) kan verhalen. [eiser] vordert daarom in dit kort geding dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk:
1. worden veroordeeld om aan [eiser] te verstrekken:

a. de volledige voornamen, de achternaam, het adres, de postcode, de woonplaats, de nationaliteit en het e-mailadres (hierna: de NAW gegevens) van de gebruiker(s) van het onder 2.1 bedoelde account,
b. de transactieoverzichten van het onder 2.1 bedoelde account over de periode van 26 augustus 2025 tot en met datum van bekendmaking van het vonnis,

2. worden veroordeeld om het onder 2.1 bedoelde account te bevriezen en bevroren te houden, onder de voorwaarde dat [eiser] binnen 4 maanden na bekendmaking van de onder 1 a bedoelde NAW gegevens een procedure tegen die persoon/personen aanhangig maakt,
3. worden verboden om de gebruiker van het account dat door [gedaagden] moet worden bevroren (zie 2) voorafgaand aan die bevriezing op de hoogte te brengen dat het account zal worden bevroren,
4. worden veroordeeld om binnen 4 dagen na de bevriezing zoals bedoeld onder 2:

a. opgave te doen van het aantal en soort cryptovaluta en/of liquiditeiten die door de bevriezing zijn getroffen,
b. een met een datum voorziene schermafbeelding van het bevroren account te verstrekken.

[eiser] vordert dat al deze vorderingen worden versterkt met een dwangsom van € 25.000,- voor iedere overtreding te vermeerderen met een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, en met een maximum van € 500.000,-.



2.3.

[eiser] baseert zijn vorderingen (onder andere) op een (dreigende) onrechtmatige daad van [gedaagden] .





3De beoordeling



Verstekverlening
3.1. Tijdens de mondelinge behandeling is tegen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verstek verleend.



3.2.
De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of:
1. de dagvaardingen met inachtneming van het bepaalde in artikel 55 lid 1 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn betekend,
2. de voorschriften zoals vermeld in het Haags Betekeningsverdrag 1965 en de Uitvoeringswet Betekeningsverdrag 1965 zijn nageleefd, en
3. de dagvaardingen binnen de daarvoor vereiste termijn zijn betekend.

De voorzieningenrechter is op grond van deze beoordeling tot de conclusie gekomen dat verstek kan worden verleend. Daarbij geldt het volgende.[eiser] heeft niet het in artikel 15 lid 1 Haags betekeningsverdrag 1965 bedoelde bewijs van betekening of kennisgeving van de dagvaarding aan [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] overgelegd, omdat hij dit bewijs nog niet had ontvangen. Uitgangspunt is daarom dat geen verstek kan worden verleend. Dat leidt echter uitzondering als sprake is van een spoedeisend geval zoals bedoeld in artikel 15 lid 3 Haags Betekeningsverdrag 1965, en voldoende is gewaarborgd dat [gedaagden] de dagvaarding daadwerkelijk heeft bereikt en ook zo tijdig dat zij de mogelijkheid heeft gehad om in dit kort geding verweer te voeren. Van deze uitzondering is in dit geval sprake.
Uit de aard van de vorderingen van [eiser] volgt dat sprake is van een spoedeisend geval.
Uit de door [eiser] in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie volgt onder meer dat:

 de advocaat van [eiser] in een e-mail van 21 januari 2026 [gedaagden] heeft laten weten dat dit kort geding zal worden gestart als [gedaagden] niet vrijwillig zou overgaan tot bevriezing van het account van de mogelijke oplichter(s),


de advocaat van [eiser] in diezelfde e-mail van 21 januari 2026 [gedaagden] heeft verzocht om verhinderdata voor dit kort geding op te geven,



[gedaagden] op deze e-mail van 21 januari 2026 heeft gereageerd,


 de advocaat van [eiser] bij aangetekende e-mail van 23 januari 2026 aan [gedaagden] de datum, het tijdstip en de plaats waar het kort geding zal worden gehouden heeft doorgegeven, en bij deze e-mail een (concept)dagvaarding als bijlage heeft gevoegd.

[eiser] heeft bewijs overgelegd dat deze laatste e-mail van 23 januari 2026 door [gedaagden] is ontvangen. [gedaagden] is dus ook tijdig van dit kort geding op de hoogte gebracht.



Rechtsmacht




3.3.

Het gaat in dit kort geding om een geschil met een internationaal karakter. [eiser] woont in Nederland, terwijl [gedaagden] woonplaats heeft op de Britse Maagdeneilanden.
De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ofwel bevoegd is om over het geschil tussen partijen te oordelen. Die beoordeling moet voor elke vordering afzonderlijk worden gemaakt.




Beoordeling rechtsmacht aan de hand van de artikelen 1 tot en met 14 Rv
3.4. De rechtsmacht moet in dit geval worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse procesrecht en in het bijzonder de artikelen 1 tot en met 14 Rv.
Dat komt, omdat:

 de Brussel I bis verordening in dit geval niet van toepassing is, en


er geen tussen Nederland en de Britse Maagdeneilanden geldende verdragen zijn die regels over de rechtsmacht geven, en


geen sprake is van een volkenrechtelijke immuniteit zoals bedoeld in artikel 13a Wet Algemene bepalingen. (zie artikel 1 Rv).





Geen rechtsmacht op grond van de hoofdregel van artikel 2 Rv




3.5.

Op grond van de in artikel 2 Rv neergelegde hoofdregel heeft de Nederlandse rechter in dit geval geen rechtsmacht. Die hoofdregel houdt in dat in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid (zoals dit kort geding), de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft als de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Dat is hier niet het geval, aangezien [gedaagden] woonplaats heeft op de Britse Maagdeneilanden.


Wel rechtsmacht op grond van artikel 6 onder e Rv




3.6.

Daarmee wordt toegekomen aan de beoordeling van de vraag of de rechtsmacht, zoals [eiser] stelt, kan worden ontleend aan artikel 6 onder e Rv. In dit artikel is bepaald dat de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht heeft in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen. De uitkomst is dat de Nederlandse rechter op grond van deze bepaling voor alle vorderingen rechtsmacht heeft.


Bij uitleg artikel 6 onder e Rv kan de vaste rechtspraak over (de voorlopers van) artikel 7 lid 2 Brussel I bis een rol spelen




3.7.
De voorlopers van artikel 7 lid 2 Brussel I bis hebben model gestaan voor artikel 6 onder e Rv. Daarom kan de vaste rechtspraak die door het Europese Hof van Justitie/Hof van Justitie EU is gewezen over de uitleg van de (voorlopers van) artikel 7 lid 2 Brussel I bis een richtsnoer zijn voor de uitleg van artikel 6 onder e Rv. Dit betekent echter niet dat die rechtspraak altijd maatgevend is voor de uitleg van artikel 6 onder e Rv.



Rechtsverhouding kwalificeert als een verbintenis uit onrechtmatige daad




3.8.
Voor de beoordeling van de vraag of de Nederlandse rechter in dit geval op grond van artikel 6 onder e Rv rechtsmacht toekomt, moet eerst worden vastgesteld of de rechtsverhouding die [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag legt, kwalificeert als een onrechtmatige daad zoals bedoeld in artikel 6 onder e Rv. Benadrukt wordt dat het daarbij gaat om de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagden] en dus niet om de rechtsverhouding tussen [eiser] en de mogelijke oplichter(s).



3.9.
Of de door [eiser] gestelde rechtsverhouding kwalificeert als een onrechtmatige daad moet worden bepaald aan de hand van het Nederlandse recht en in het bijzonder artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtsmacht wordt in dit geval bepaald aan de hand van nationaal (Nederlands) recht. Het ligt niet voor de hand om voor de uitleg van het begrip “onrechtmatige daad” aan te sluiten bij de veel ruimere uitleg die het Europese Hof van Justitie/Hof van Justitie EU geeft aan dit begrip.



3.10.

[eiser] voert aan dat [gedaagden] “onrechtmatig” tegenover hem handelt door te weigeren:
1. de NAW gegevens te verstrekken van de gebruiker(s) van het in 2.1 genoemde account, terwijl:a. er een sterk vermoeden is dat deze gebruiker(s) [eiser] heeft (hebben) opgelicht,

b. [gedaagden] over deze gegevens beschikt, en
c. [eiser] door deze weigering van [gedaagden] niet in staat is om een procedure te starten tegen zijn vermoedelijke oplichter(s) en zijn schade op deze vermoedelijke oplichter(s) te verhalen,

2. de transactiegegevens van de account te verstrekken, terwijla. er een sterk vermoeden is dat is dat deze gebruiker(s) [eiser] heeft (hebben) opgelicht, b. [gedaagden] over deze gegevens beschikt, en c. [eiser] door deze weigering niet in staat is om zijn schade in kaart te brengen en in een procedure tegen zijn vermoedelijke oplichter(s) te onderbouwen,
3. de account van de hiervoor bedoelde gebruiker(s) te bevriezen, terwijl a. er een sterk vermoeden is dat deze gebruiker(s) [eiser] heeft (hebben) opgelicht,
b. [gedaagden] op grond van de contractuele relatie met de gebruiker van het account bevoegd is om het account te bevriezen, en c. het dreigend vrijgeven door [gedaagden] van de zich op dat account bevindende cryptovaluta ertoe leidt dat [eiser] geen of minder verhaalsmogelijkheden heeft op zijn vermoedelijke oplichter(s).



3.11.
De hiervoor onder 1 tot en met 3 genoemde weigeringen van [gedaagden] kwalificeren als een (dreigende) onrechtmatige daad, omdat deze weigeringen in relatie met de onder a tot en met c opgesomde omstandigheden in strijd zijn met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (zie artikel 6:162 lid 2 BW).



Schadebrengend feit heeft zich in Nederland voorgedaan




3.12.
Dan moet nog worden beoordeeld of het schadebrengend feit zich in Nederland heeft voorgedaan of kan voordoen. Alleen als dat het geval is dan heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 onder e Rv rechtsmacht.



3.13.
Anders dan bij de uitleg van het begrip “onrechtmatige daad” speelt bij de uitleg van het begrip “schadebrengend feit” de Europese rechtspraak over dit begrip wel een rol.



3.14.
Op grond van deze rechtspraak valt onder het begrip “schadebrengend feit”:


zowel de rechter van de plaats van de schadeveroorzakende handeling (Handlungsort),


als de rechter van de plaats waar de door deze handeling direct ontstane schade zich heeft voorgedaan (het “Erfolgsort”).




3.15.
De schadeveroorzakende handelingen (ofwel de in 3.10 onder a tot en met c genoemde onrechtmatige weigeringen) vinden in dit geval op de Britse Maagdeneilanden plaats.



3.16.
Het erfolgsort doet zich in alle drie de gevallen (van onrechtmatige weigering) voor in Nederland.



3.17.
Het is aannemelijk dat [eiser] door de onrechtmatige weigeringen (kans)schade lijdt. De weigeringen ontnemen hem de kans om een procedure tegen de mogelijke oplichter(s) te starten, de schade met succes te onderbouwen, en de (volledige) schade op deze oplichter(s) te verhalen.


De door de onrechtmatige weigeringen van [gedaagden] direct ontstane (kans)schade doet zich voor in Nederland. [eiser] woont in Nederland en heeft daar zijn centrum van vermogen. Meespeelt verder dat [gedaagden] een wereldwijd actief platform is en dat het voor [gedaagden] gelet op de aard van haar werkzaamheden redelijkerwijs voorzienbaar is dat zij in een ander land wordt gedagvaard voor vorderingen tot afgifte van gegevens (NAW gegevens en transactieoverzichten) en bevriezing van het account van een derde (freezing order) en daarmee samenhangende vorderingen.




Inhoudelijke beoordeling
3.18. Dan is aan de orde de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser] .


Maatstaf: toewijzing vorderingen tenzij onrechtmatig of ongegrond




3.19.
In het kader van een verstek geldt dat de vorderingen moeten worden toegewezen, tenzij deze onrechtmatig of ongegrond voorkomen (zie artikel 139 Rv).



Toepasselijk recht
3.20. Voor de beoordeling van de vraag of de vorderingen onrechtmatig of ongegrond voorkomen is in dit geval nog van belang aan de hand van welk recht dit moet worden beoordeeld: het Nederlands recht of het recht van de Britse Maagdeneilanden. De uitkomst is dat dit het Nederlandse recht is.




3.21.
Het toepasselijke recht moet worden bepaald aan de hand van de Rome II verordening. Deze verordening heeft een universeel karakter (zie artikel 3 Rome II Verordening). Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Rome II Verordening is in dit geval het Nederlandse recht van toepassing. Die hoofdregel houdt in dat het recht van het land waar de schade zich voordoet van toepassing is, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Uit wat hiervoor onder de rechtsmacht is overwogen, volgt dat de schade zich in Nederland voordoet. Niet gebleken is dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 4 lid 2 en 3 Rome Verordening.



3.22.

Volgens de hoofdregel is dus het Nederlandse recht van toepassing.


Toewijzing vorderingen




3.23.
De vorderingen van [eiser] worden op de in de beslissing te noemen manier toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde dwangsommen. Alleen de dwangsom die is gevorderd in verband met het verbod om de gebruiker(s) van het account vooraf van de bevriezing van het account op de hoogte te brengen, wordt gedeeltelijk toegewezen. Het gaat hier niet om een verbod dat gerepareerd kan worden door alsnog na te komen zodat er geen dwangsom kan worden toegewezen voor de situatie dat de overtreding voortduurt.



Proceskosten




3.24.

[eiser] heeft in de dagvaarding uitdrukkelijk verzocht om [gedaagden] niet in de proceskosten te veroordelen. Dat wordt daarom niet gedaan.





4De beslissing


De voorzieningenrechter



4.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om binnen vier dagen na kennisgeving van dit vonnis en de Engelse vertaling daarvan per e-mail of betekening, aan [eiser] mede te delen de volledige voornamen, achternaam, het adres, de postcode en de woonplaats, de nationaliteit en het emailadres van de gebruiker(s) die op zijn of haar naam heeft staan het account dat gekoppeld is aan:
- depositadres: [nummer] , en/of
- de verwerkte transacties met de navolgende transactiehashes:

[nummer]




4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 25.000,- voor overtreding van de veroordeling genoemd in 4.1. te vermeerderen met een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt,


4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om, binnen twee dagen na kennisgeving van dit vonnis en de Engelse vertaling daarvan per email of betekening, het onder 4.1 bedoelde account te bevriezen en bevroren te houden, onder de voorwaarde dat [eiser] binnen vier maanden na bekendmaking van de onder 4.1. bedoelde informatie een procedure start tegen de bedoelde gebruiker(s),



4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 25.000,- voor overtreding van de veroordeling genoemd in 4.3. te vermeerderen met een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt,


4.5.
verbiedt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] om de gebruiker(s) van het account vooraf op de hoogte te brengen van de in 4.3. bedoelde bevriezing van het in 4.1. bedoelde account,



4.6.
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 25.000,- voor overtreding van de veroordeling genoemd in 4.5.,



4.7.
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om, binnen vier dagen na het geven van uitvoering aan de in 4.3. genoemde veroordeling, aan [eiser] opgave te doen van het aantal en de soort cryptovaluta en/of liquiditeiten die door de bevriezing van de onder 4.1. bedoelde account zijn getroffen en een gedateerde schermafbeelding van het bevroren account bij te voegen,



4.8.
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 25.000,- voor overtreding van de veroordeling genoemd in 4.7. te vermeerderen met een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt,


4.9.
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om, binnen vier dagen na toezending van dit vonnis per e-mail of betekening, transactieoverzichten aan [eiser] te verstrekken over de periode 26 augustus 2025 tot en met de datum van bekendmaking van het vonnis,



4.10.
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 25.000,- voor overtreding van de veroordeling genoemd in 4.9. te vermeerderen met een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt,


4.11.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



4.12.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.





4374




Dit artikel is van toepassing, omdat gedaagden geen woonplaats of werkelijke verblijfplaats in Nederland hebben, maar wel een bekende woonplaats buiten Nederland hebben en de verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en kennisgeving van stukken) (herschikking) niet van toepassing is, omdat die verordening alleen geldt tussen lidstaten van de Europese Unie, en de Britse Maagdeneilanden geen lid is van de Europese Unie. Wel van toepassing is Haags Betekeningsverdrag 1965, waarbij zowel Nederland als de Britse Maagdeneilanden partij zijn.


De betekeningstermijn bedraagt op grond van artikel 115 lid 2 Rv ten minste twee maanden (de onder i genoemde verordening is niet van toepassing en er is ook geen sprake van de situatie dat de gedaagde partij is gelegen in een staat in Europa en lid is van het Haags Betekeningsverdrag 1965. Er is op grond van artikel 117 Rv verlof verleend om op verkorte termijn te dagvaarden onder de voorwaarde dat de dagvaarding uiterlijk op 6 februari 2026 om 17.00 uur wordt betekend. De dagvaardingen zijn op grond van artikel 55 lid 1 Rv betekend op 4 februari 2026 aan de ambtenaar van het parket van het Openbaar Ministerie Midden-Nederland. Daarmee is de dagvaarding binnen de vereiste termijn betekend.


Dit artikel luidt als volgt:1.Wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmede gelijk te stellen stuk ter betekening of kennisgeving overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, naar het buitenland moest worden gezonden en de verweerder niet is verschenen, houdt de rechter de beslissing aan totdat is gebleken dat:
a)
hetzij van het stuk betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming van de vormen in de wetgeving van de aangezochte Staat voorgeschreven voor de betekening of de kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich op het grondgebied van dat land bevindende personen,
b)
hetzij het stuk aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven op een andere in dit Verdrag geregelde wijze, en dat de betekening of de kennisgeving, onderscheidenlijk de afgifte zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.




Dit artikel luidt als volgt:
3. Het bepaalde in dit artikel belet niet dat door de rechter in spoedeisende gevallen voorlopige of conservatoire maatregelen kunnen worden genomen.


Zie productie 13 van [eiser]


Zie productie 14 en 15 van [eiser]


Zie productie 17 van [eiser]


Zie productie 18 en 19 van [eiser]


Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)


Voor toepassing van de Brussel I bis is vereist dat deze verordening formeel, materieel en temporeel van toepassing is. In dit geval is deze verordening formeel niet van toepassing.
Op grond van artikel 6 lid 1 Brussel I bis geldt als uitgangspunt dat de bevoegdheidsregeling van de verordening alleen geldt als de verweerder (de gedaagde) op het tijdstip waarop de zaak in eerste aanleg bij het gerecht van een lidstaat aanhangig wordt gemaakt woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat. Als de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, blijft de bevoegdheidsregeling van de verordening in beginsel buiten toepassing. Daarop bestaan echter een aantal uitzonderingen, namelijk als sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel:
 18 lid 1 Brussel I bis: als sprake is van een consumentenovereenkomst en de consument eisende partij is dan is dit artikel van toepassing als de consument woonplaats heeft in een lidstaat,
 21 lid 2 Brussel I bis: als sprake is van een arbeidsovereenkomst en de werknemer eisende partij is dan is dit artikel van toepassing als de werknemer woonplaats heeft in een lidstaat
 24 Brussel I bis: de in dit artikel genoemde exclusieve fora gelden ongeacht de woonplaats van eiser en gedaagde binnen of buiten de Europese Unie
 25 Brussel I bis: als sprake is van een forumkeuzebeding dan geldt dit artikel ongeacht de woonplaats van eiser en gedaagde binnen of buiten de Europese Unie
 26 Brussel I bis: als sprake is van stilzwijgende aanvaarding van internationale bevoegdheid dan geldt dit artikel ongeacht de woonplaats van partijen binnen of buiten de Europese Unie, zie van HvJ EG 13 juli 2000, C-412/98, ECLI:EU:C:2000:399, Group Josi/UGIC,
 artikel 11 lid 2 Brussel I bis (verzekeringszaken), artikel 17 lid 2 Brussel I bis (consumentenovereenkomsten) en artikel 20 lid 2 Brussel I bis (arbeidsovereenkomsten): als de verzekeraar, de professionele wederpartij van de consument of de werkgever geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, maar in een lidstaat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt de verzekeraar, de professionele wederpartij van de consument of de werkgever voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht woonplaats te hebben op het grondgebied van die staat.
Deze uitzonderingen zijn limitatief.
Gedaagden ( [gedaagden] ) hebben geen woonplaats in een lidstaat en er is geen sprake van één van de hierboven genoemde uitzonderingen. Dit betekent dat Brussel I bis niet van toepassing is voor het bepalen van de rechtsmacht.


Dit artikel luidt als volgt:Onverminderd het omtrent rechtsmacht in verdragen en EG-verordeningen bepaalde en onverminderd artikel 13a van de Wet algemene bepalingen wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beheerst door de volgende bepalingen.


Artikel 6 Rv komt pas voor toepassing in aanmerking, als op artikel 2 Rv (dagvaardingprocedures) of artikel 3 Rv (verzoekschriftprocedures) geen rechtsmacht kan worden gebaseerd.





Het gaat om artikel 5 sub 3 EEX-Verdrag en artikel 5 sub 3 EVEX I en EVEX II. Bij de ‘omzetting’ van het EEX-verdrag in de EEX-Vo heeft artikel 5 onder 3 een kleine wijziging ondergaan en is tot uitdrukking gebracht dat ook een dreigende onrechtmatige daad onder deze bevoegdheidsgrond kan worden gebracht. Bij de Herschikking van de EEX-verordening (Brussel I bis) heeft de materie van artikel 5 onder 3 EEX-Vo geen wijziging ondergaan, maar is de bepaling vernummerd tot artikel 7 onder 2. Die laatste bepaling luidt als volgt:Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen: ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.


Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen ( Rome II )


Dit artikel luidt als volgt:
Het door deze verordening aangewezen recht is van toepassing, ongeacht of dit het recht van een lidstaat is.


Artikel 4 lid 1 Rome II Verordening luidt als volgt:1. Tenzij in deze verordening anders bepaald, is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.