Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9905
2026-09-23
Civiel recht
C/03/347084 / HA ZA 25-482
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep op verkrijging van delen van percelen op grond van verjaring ex 3:99 BW of 3:105 BW gaat niet op. Er is geen sprake van goede trouw of bezit.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.590 tekens)
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/347084 / HA ZA 25-482
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
1 [eiser ] ,
te [plaats] ,2. [eiseres],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. E. Vels-Turan,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.M.S. Nass.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 25 februari 2026 waarbij een gerechtelijke plaatsopneming en mondelinge behandeling is gelast,- de akte overlegging producties van [eisers] met producties 19 t/m 26,- de akte overlegging producties van [gedaagde] met productie 17,- de akte vermeerdering van eis,
- het proces-verbaal van gerechtelijke plaatsopneming en mondelinge behandeling van
18 juni 2026,
- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling voorgedragen spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eisers] en [gedaagde] zijn eigenaren van aan elkaar grenzende percelen, deels met bebouwing. In de openbare registers zijn [eisers] geregistreerd als eigenaars van de percelen gemeente [plaats] , [sectie] nummers [perceel 1] en [perceel 2] en is [gedaagde] geregistreerd als eigenaar van de percelen gemeente [plaats] , [sectie] nummer [perceel 3] , [perceel 4] en [perceel 5] . De percelen zullen hierna alleen met voormelde cijfers worden aangeduid. Op de kadastrale tekeningen zijn deze percelen als volgt weergegeven, waarbij de rechtbank de cijfers van de op naam van [eisers] geregistreerde percelen oranje heeft gemarkeerd en de cijfers van de op naam van [gedaagde] geregistreerde percelen groen heeft gemarkeerd:
[afbeelding geanonimiseerd]
2.2.
Perceel [perceel 4] heeft een ontsluiting naar de openbare weg (de [straat] ). Om de openbare weg te bereiken vanaf percelen [perceel 2] en [perceel 1] (op naam van [eisers] ) dient te worden gegaan over perceel [perceel 4] (op naam van [gedaagde] ). Om vanaf perceel [perceel 5] (op naam van [gedaagde] ) via het eigen perceel [perceel 4] de openbare weg te bereiken, dient te worden gegaan over perceel [perceel 1] (op naam van [eisers] ).
2.3.
De op perceel [perceel 2] ingetekende bebouwing betreft een bouwval die niet meer in gebruik is. Op het overige deel van perceel [perceel 2] bevinden zich of hebben zich enkele roerende zaken van [gedaagde] bevonden, zoals een regenton en afvalbakken.
2.4.
[gedaagde] is op 22 december 2006 eigenaar geworden van zijn percelen. In de akte van levering wordt melding gemaakt van een ten behoeve van die percelen gevestigde ‘erfdienstbaarheid van voetpad om te komen van - en te gaan naar de [straat] - en van het heersend erf over het ter plaatse aanwezige voetpad zulks te voet en al of niet met tweewielige voertuigen aan de hand’.
2.5.
Op verzoek van [eisers] heeft het kadaster op 20 augustus 2025 de kadastrale grenzen van de verschillende percelen aangewezen. Dat heeft geleid tot een relaas van bevindingen waar de kadastrale grenzen zijn ingetekend.
3Het geschil
3.1.
Na vermeerdering van eis vorderen [eisers] – deels verkort weergegeven – dat de rechtbank:
I. voor recht verklaart dat de erfgrenzen tussen de percelen zijn zoals deze zijn gereconstrueerd door het kadaster op 20 augustus 2025 en zoals deze zijn weergegeven in het naar aanleiding hiervan opgestelde relaas van bevindingen.
II. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis al hetgeen zich op of over de kadastrale erfgrens van de percelen [perceel 1] en [perceel 2] bevindt te verwijderen en dit verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom en daarbij te
bepalen dat indien [gedaagde] alle dwangsommen heeft laten verbeuren, [eisers] de zaken die zich op zijn grond bevinden van [gedaagde] mag weghalen en afvoeren op kosten van [gedaagde] ,
III. bepaalt dat [gedaagde] in de uitoefening van zijn erfdienstbaarheid niet anders gebruik mag maken van het perceel [perceel 1] van [eisers] dan via de kortste weg, dat betekent dat [gedaagde] vanaf het punt waar hij voorheen het erf van [eisers] betrad het perceel dient te blijven betreden om van een naar de openbare weg te komen en bepaalt dat [gedaagde] geen gebruik meer mag maken van de onlangs door hem aangebrachte ingang, op straffe van een dwangsom,
IV. [gedaagde] veroordeelt om ervoor te zorgen dat [eisers] altijd een onbelemmerde doorgang hebben over perceel H492 met een minimale breedte van 1.20 m om van en naar de openbare weg te gaan dan wel een minimale breedte van het pad voorstelt zoals de rechtbank dat in deze zaak juist acht, op straffe van een dwangsom,
V. bepaalt dat [gedaagde] [eisers] op geen enkele wijze mag te hinderen of mag belemmeren wanneer [eisers] op eigen perceel een erfafscheiding plaatsen en [gedaagde] verbiedt de door [eisers] op eigen perceel te plaatsen erfafscheiding te verwijderen, verplaatsen, vernielen of hiervan op welke wijze dan ook gebruik te maken, op straffe van een dwangsom, met de bepaling dat [eisers] gerechtigd zijn om al hetgeen [gedaagde]
bevestigt aan hun schutting te verwijderen en af te voeren op kosten van [gedaagde] ,
met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, inclusief nakosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Vooraf
4.1.
De geschillen tussen partijen zien – kort gezegd – over de precieze loop van de erfgrenzen en de inhoud van erfdienstbaarheden. Deze geschillen zullen worden besproken aan de hand van de door [eisers] ingestelde vorderingen.
Vordering I: verklaring voor recht over de erfgrenzen
4.2.
[eisers] stellen zich op het standpunt dat de erfgrenzen tussen de percelen van partijen gelijk zijn aan de kadastrale grenzen zoals laatstelijk vastgesteld door het kadaster bij de grensaanwijzing in augustus 2025. Zij wensen dat vastgesteld te zien omdat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat de erfgrenzen deels anders lopen.
4.3.
[gedaagde] stelt dat hij als gevolg van verjaring eigenaar is geworden van delen van de percelen die behoren tot de kadastrale percelen die op naam van [eisers] staan. Hij stelt daartoe onder meer dat [eisers] en hun rechtsvoorgangers gedurende lange tijd het bezit van de betreffende delen van die kadastrale percelen hebben verloren en dat deze in bezit zijn genomen door [gedaagde] en zijn rechtsvoorgangers. Het gaat om een strook grond van ongeveer 60 cm breed parallel aan de kadastrale grens tussen percelen [perceel 4] en [perceel 1] en perceel [perceel 2] voor zover niet bebouwd. Beoordeeld moet dus worden of [eisers] of een van hun rechtsvoorgangers een deel van hun percelen hebben verloren als gevolg van verjaring.
4.3.1.
[gedaagde] beroept zich onder meer op artikel 3:99 BW, waaruit volgt dat het recht op een onroerende zaak door een bezitter te goeder trouw wordt verkregen door een onafgebroken bezit van tien jaren. Voor toepasselijkheid van dit artikel is dus vereist dat de betreffende bezitter te goeder trouw is. Dat kan hier niet worden aangenomen.
Ten aanzien van de strook op perceel [perceel 1] geldt dat [gedaagde] geen feiten heeft gesteld op grond waarvan hij of zijn rechtsvoorganger bij de gestelde aanvang van het bezit van deze strook mocht(en) aannemen dat hij/deze eigenaar was. Hij stelt dat hij ‘mede op basis van de kadastrale kaart/ tekeningen’ te goeder trouw is geweest, maar heeft dat niet verder uitgelegd. Het spreekt ook niet vanzelf, gegeven het feit dat de kadastrale kaart niet ogenschijnlijk een andere loop van de erfgrens laat zien dan de kadastrale grens zoals bevestigd met de grensvaststelling in augustus 2025.
Ten aanzien van perceel [perceel 2] geldt dat raadpleging van de openbare registers duidelijk zou hebben gemaakt dat [gedaagde] en zijn rechtsvoorgangers geen eigenaar waren van dit perceel, zodat er om die reden geen sprake kan zijn van bezit te goeder trouw.
Het beroep op artikel 3:99 BW slaagt dus niet.
4.3.2.
[gedaagde] heeft zich ook beroepen op verjaring op grond van artikel 3:105 BW, uit welke artikel volgt dat degene die een goed bezit op het moment waarop de verjaring van de rechtsvordering van de rechthebbende strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, het goed verkrijgt, ook al is deze bezitter niet te goeder trouw. De rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit het bezit verjaart na twintig jaar (artikel 3:306 BW). [gedaagde] stelt dat hij en zijn rechtsvoorgangers de betreffende perceelsdelen al meer dan dertig jaar in bezit hebben gehad.
Een voorwaarde voor een verjaring via deze wijze is dus dat de eigenlijke rechthebbende het bezit is verloren door bezitsoverdracht of inbezitneming door een ander. In dit geval zou dat volgens [gedaagde] zijn gebeurd door inbezitneming door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] . De maatstaf bij het beoordelen van de vraag of de oorspronkelijk rechthebbende het bezit heeft verloren als gevolg van inbezitneming door een ander, is of het bezit van de eigenlijke rechthebbende teniet is gedaan. Daarvoor volstaan enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen van een ander niet. Onderdeel van de vaststelling dat het bezit van de eigenlijk rechthebbende teniet is gegaan, kan zijn dat het perceel optisch deel uit is gaan maken van het perceel van een ander. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [gedaagde] verklaringen overgelegd van (voormalig) buurtbewoners en vrienden. Ook legde hij foto’s over.
De rechtbank stelt voorop dat de overgelegde verklaringen geen betrekking hebben op het deel van perceel [perceel 1] dat grenst aan perceel [perceel 4] . De inbezitneming van dat perceelsdeel is alleen onderbouwd met de verwijzing naar foto’s waarop te zien is dat er spullen liggen en staan (hout, een afvalbak en andere niet goed te duiden spullen), maar dat is onvoldoende om te concluderen dat het bezit van de oorspronkelijk rechthebbende teniet is gegaan. Er hoeft dus niet te worden onderzocht of deze situatie tenminste twintig jaren heeft bestaan.
De verklaringen en andere foto’s hebben betrekking op een tuin, waarmee [gedaagde] kennelijk doelt op perceel [perceel 2] . [eisers] hebben er terecht op gewezen dat de in de verklaringen vermelde activiteiten ten aanzien van deze tuin niet meer inhouden dan op zichzelf staande machtsuitoefeningen – zoals spelen of aanwezig zijn ter plaatse en feestjes houden – zodat daaruit dus geen eigendomspretentie kan worden afgeleid. Bovendien is niet duidelijk of die activiteiten zich (alle) hebben afgespeeld op perceel [perceel 2] of (deels) op het bij (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] in eigendom zijnde belendende perceel [perceel 5] . Dat er voorheen kennelijk geen afscheiding was opgericht tussen percelen [perceel 5] en [perceel 2] maakt niet dat daaruit een eigendomspretentie van de eigenaar van perceel [perceel 5] ten opzichte van perceel [perceel 2] kan worden afgeleid. [eisers] worden gevolgd in hun stelling dat daar veeleer een gedoogsituatie uit zou kunnen worden afgeleid, wat inbezitneming uitsluit. Er kan dus geen bezit worden vastgesteld, zodat niet worden toegekomen aan het onderzoek naar de eventuele duur van bezit.
Ook het beroep op artikel 3:105 BW slaagt dus niet.
4.4.
De conclusie is dat vordering I moet worden toegewezen, waarbij in het midden kan blijven of de hierna nog te bespreken herverkaveling de eventueel lopende verjaringstermijnen heeft doen eindigen.
Vordering II: verwijderen zaken
4.5.
Met vordering II beogen [eisers] kennelijk dat zaken die door [gedaagde] op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] zijn geplaatst daar verwijderd worden. Gelet op wat is beslist over vordering I, is ook deze vordering in zoverre toewijsbaar. [gedaagde] heeft er ook geen apart verweer tegen gevoerd. De rechtbank zal wel bepalen dat de termijn waarbinnen de zaken moeten worden verwijderd, aanvangt na betekening van dit vonnis. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als in het dictum bepaald.
Vordering III: omvang erfdienstbaarheid ten laste van perceel [perceel 1]
4.6.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] op grond van een erfdienstbaarheid van weg het recht heeft om over perceel [perceel 1] , via het eigen perceel [perceel 4] , naar de openbare weg te gaan. [eisers] stellen dat [gedaagde] in de praktijk van een groter deel van perceel [perceel 1] gebruik maakt dan waarop de erfdienstbaarheid recht geeft. Meer specifiek doelen [eisers] op een strook grond op perceel [perceel 1] parallel aan de grens met perceel [perceel 5] , ongeveer lopend tot aan het punt waar percelen [perceel 1] , [perceel 5] en [perceel 6] aan elkaar grenzen. Op de onder 2.1. weergegeven kaart is het cijfer van perceel [perceel 6] blauw gemarkeerd en voornoemd snijpunt rood gekleurd. [gedaagde] heeft daar een doorgang gemaakt, zodat op dat punt perceel [perceel 1] kon worden betreden vanuit perceel [perceel 5] , zij het dat [eisers] op perceel [perceel 1] nu een rieten haag hebben geplaatst die dat verhindert.
4.7.
[eisers] stellen dat [gedaagde] zich niet kan beroepen op de erfdienstbaarheid die is vermeld in de akte waarbij hem in 2006 zijn percelen zijn geleverd. Dit omdat de percelen van partijen vervolgens 2010 onderdeel zouden zijn geweest van een herverkaveling, waarbij de voorheen aan (de rechtsvoorgangers van) [eisers] en [gedaagde] toebehorende percelen weer aan dezen zijn toegedeeld. Een herverkaveling heeft volgens [eisers] titelzuiverende werking, wat zou betekenen dat bestaande erfdienstbaarheden zouden zijn vervallen.
[gedaagde] heeft ‘bij gebrek aan wetenschap’ betwist dat (onder andere) perceel [perceel 1] betrokken is geweest bij een herverkaveling. Hij wordt daarin niet gevolgd, gelet op het feit dat in de notariële akte waarmee perceel [perceel 1] is geleverd, is vermeld dat de verkoper deze uit wettelijke ruilverkaveling is verkregen met een verwijzing naar de akte van herverkaveling van 8 september 2010.
Herverkaveling is een zogenoemde originaire wijze van eigendomsverkrijging die titelzuivering tot gevolg heeft, wat – voor zover hier van belang – betekent dat voorheen bestaande erfdienstbaarheden vervallen. [gedaagde] kan zich dus niet beroepen op de voorheen gevestigde erfdienstbaarheid. In de akte van herverkaveling is echter vermeld dat ten laste van de huidige percelen [perceel 4] ( [gedaagde] ) en [perceel 1] ( [eisers] ) een erfdienstbaarheid van weg wordt gevestigd ‘om te komen van en te gaan naar de openbare weg over een strook van ongeveer vier meter’ ten behoeve van de – ten opzichte van de openbare weg achterliggende – percelen [perceel 2] en [perceel 1] ( [eisers] ) en percelen [perceel 5] en [perceel 3] ( [gedaagde] ). Dit betekent dat er in 2010 een erfdienstbaarheid is gevestigd met onder meer perceel [perceel 5] als heersend erf en perceel [perceel 1] als dienend erf, met als doel om van perceel [perceel 5] maar de openbare weg te kunnen gaan en andersom.
4.8.
Partijen zijn het erover eens dat de bewoordingen van de in 2010 gevestigde erfdienstbaarheid niet duidelijk zijn. Met name is niet helder wat wordt bedoeld met de zinsnede: ‘over een strook van ongeveer vier meter’. Niet in geschil is echter dat ook deze erfdienstbaarheid tot doel heeft (onder andere) perceel [perceel 5] te verbinden met de openbare weg. De discussie spitst zich toe op de vraag of de erfdienstbaarheid het recht geeft om vanaf de noordoostelijke punt van [perceel 5] (het dichtst bij de [straat] ) naar de [straat] te gaan of dat dit recht ook bestaat vanaf (een punt gelegen nabij) het zuidelijker gelegen perceel [perceel 6] . Vastgesteld is dat [eisers] niet de eigenaar is van [perceel 6] maar alleen van [perceel 5] . Dit betekent dat hij alleen als eigenaar van [perceel 5] rechten kan ontlenen aan de erfdienstbaarheid. Aangezien een erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze moet worden uitgeoefend en er geen aanwijzingen zijn dat het voor het bereiken van de met de erfdienstbaarheid nagestreefde doel noodzakelijke is dat een meer zuidelijk gelegen toegang tot perceel [perceel 1] bestaat, moet het standpunt van [eisers] worden gevolgd. De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen met inachtneming van dit oordeel. Ook het gevraagde verbod, zal worden toegewezen met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden beperkt als in het dictum bepaald en duidelijkheidshalve in het dictum zal worden bevestigd dat, gelet op artikel 611a lid 3 Rv, dwangsommen pas kunnen verbeuren na betekening van het vonnis.
Vordering IV: omvang erfdienstbaarheid ten laste van perceel [perceel 4]
4.9.
Zoals in 4.7. is vermeld, is in 2010 ook een erfdienstbaarheid gevestigd met perceel [perceel 1] als heersend erf en perceel [perceel 4] als dienend erf, met als doel om van perceel [perceel 1] maar de openbare weg te kunnen gaan en andersom. [eisers] stellen dat [gedaagde] die erfdienstbaarheid niet respecteert en op perceel [perceel 4] obstakels plaatst en handhaaft die verhinderen dat [eisers] met de kinderwagen of fietskar gebruik kunnen maken van de doorgang op perceel [perceel 4] naar perceel [perceel 1] . Zij vorderen dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt om ervoor te zorgen dat zij altijd een onbelemmerde toegang tot perceel [perceel 4] hebben van ten minste 1.20 m breed of een door de rechtbank te bepalen breedte.
4.10.
[gedaagde] heeft zich allereerst verzet tegen het feit dat deze vordering eerst bij de akte vermeerdering eis, ingediend op 10 juni 2026, is ingesteld. Het is volgens [gedaagde] niet duidelijk waarom deze eis zo laat is ingesteld en volgens hem is buitengerechtelijk geen verzoek gedaan over de doorgang.
Het verzet tegen de vermeerdering van eis wordt verworpen. Daarvoor is in ieder geval redengevend dat de aard van de vordering maakt dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling voldoende gelegenheid heeft gehad zich ertegen te verweren.
4.11.
Hoewel dus vaststaat dat ten gunste van perceel [perceel 1] het recht bestaat om te allen tijde via perceel [perceel 4] te komen en gaan naar de [straat] , blijkens nergens uit dat de doorgang tenminste (overal) 1.20 m breed moet zijn. Om die reden is de vordering in zoverre niet toewijsbaar. Verder is er geen aanleiding om een andere minimum breedte te bepalen. De erfdienstbaarheid bepaalt slechts dat er een doorgang moet zijn, terwijl partijen het erover eens zijn dat ook hier de verwijzing naar een strook van vier meter breed niet te plaatsen is en dus geen aanwijzing geeft voor een minimale breedte. Anders gezegd: er is geen reden om aan te nemen dat de erfdienstbaarheid een overal te hanteren minimale breedte voorschrijft. Wel moet worden aangenomen dat er altijd voldoende ruimte moet zijn om de doorgang te voet of met tweewielige voertuigen te gebruiken, aangezien [eisers] onweersproken hebben gesteld dat [gedaagde] dat hen als het toegestane gebruik heeft voorgehouden. [gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat een dergelijke doorgang, dus ook met een fiets, mogelijk is in de huidige situatie, die (nu) inhoudt dat die doorgang niet overal 1.20 m breed is. Er is al met al onvoldoende basis om de vordering toe te wijzen.
Vordering V: verbod hinderen plaatsen erfafscheiding en verwijderen erfafscheiding
4.12.
[eisers] hebben gesteld dat [gedaagde] heeft aangegeven de door [eisers] op perceel [perceel 1] , langs de grens met perceel [perceel 5] , geplaatste erfafscheiding te zullen vernielen/verwijderen. Kennelijk leggen zij dat ten grondslag aan de hier besproken vordering. [gedaagde] is er in het geheel niet op ingegaan, zodat deze vordering als onweersproken moet worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als in het dictum bepaald.
Vordering V: verwijderen van door [gedaagde] aan schutting [eisers] bevestigde zaken
4.13.
[eisers] vorderen ook dat de rechtbank bepaalt dat zij gerechtigd zijn om al hetgeen [gedaagde] bevestigt aan hun schutting te verwijderen en af te voeren op kosten van [gedaagde] . Deze vordering is van geen enkele onderbouwing voorzien. [eisers] hebben daarmee niet voldaan aan hun stelplicht, zodat deze vordering wordt afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad?
4.14.
[gedaagde] heeft zich verzet tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de vorderingen van [eisers] die daartoe geëigend zijn. Het belang van [eisers] bij uitvoerbaar bij voorraadverklaring spreekt vanzelf. Niet is gebleken van een rechtens relevant belang van [gedaagde] dat daar tegenover staat. Dat het in de weg zou staan aan het effectief kunnen instellen van een rechtsmiddel is wel gesteld, maar niet nader onderbouwd of anderszins gebleken. Het verzet wordt gepasseerd.
Proceskosten
4.15.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.972,14
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de erfgrenzen tussen de percelen van partijen zijn zoals deze zijn gereconstrueerd door het kadaster op 20 augustus 2025 en zoals deze zijn weergegeven in het naar aanleiding hiervan opgestelde relaas van bevindingen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis al hetgeen zich al dan niet deels op de kadastrale percelen [perceel 1] en [perceel 2] bevindt en hij daar heeft geplaatst of doen plaatsen, te verwijderen en verwijderd te houden en:
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt,
- bepaalt dat als [gedaagde] het maximum aan dwangsommen heeft laten verbeuren, [eisers] de betreffende zaken die zich op hun percelen bevinden mogen weghalen en afvoeren op kosten van [gedaagde] ,
5.3.
bepaalt dat [gedaagde] in de uitoefening van erfdienstbaarheid ten gunste van perceel [perceel 5] niet anders gebruik mag maken van perceel [perceel 1] dan via de kortste weg, wat betekent dat [gedaagde] vanaf de meest noordelijke punt van perceel [perceel 5] het perceel [perceel 1] dient te betreden om van en naar de openbare weg te komen en bepaalt dat [gedaagde] dus geen gebruik meer mag maken van de door hem aangebrachte toegang tot perceel [perceel 1] door het verwijderen van een deel van zijn haag op perceel [perceel 5] , om ter plaatse op perceel [perceel 1] te komen en veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij, na betekening van dit vonnis, niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt,
5.4.
bepaalt dat [gedaagde] , [eisers] op geen enkele wijze mag te hinderen wanneer of mag belemmeren dat [eisers] op eigen perceel een erfafscheiding plaatsen en verbiedt [gedaagde] de door [eisers] op eigen perceel te plaatsen erfafscheiding te verwijderen, te verplaatsen, te vernielen of hiervan op welke wijze dan ook gebruik te maken en veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij, na betekening van dit vonnis, niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.972,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. tot en met 5.6. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr.De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
productie 17 van [gedaagde]
productie 15 van [eisers]
productie 1 van [eisers]
waarvan onderdelen door [eisers] zijn overgelegd als productie 19
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/347084 / HA ZA 25-482
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
1 [eiser ] ,
te [plaats] ,2. [eiseres],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. E. Vels-Turan,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.M.S. Nass.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 25 februari 2026 waarbij een gerechtelijke plaatsopneming en mondelinge behandeling is gelast,- de akte overlegging producties van [eisers] met producties 19 t/m 26,- de akte overlegging producties van [gedaagde] met productie 17,- de akte vermeerdering van eis,
- het proces-verbaal van gerechtelijke plaatsopneming en mondelinge behandeling van
18 juni 2026,
- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling voorgedragen spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eisers] en [gedaagde] zijn eigenaren van aan elkaar grenzende percelen, deels met bebouwing. In de openbare registers zijn [eisers] geregistreerd als eigenaars van de percelen gemeente [plaats] , [sectie] nummers [perceel 1] en [perceel 2] en is [gedaagde] geregistreerd als eigenaar van de percelen gemeente [plaats] , [sectie] nummer [perceel 3] , [perceel 4] en [perceel 5] . De percelen zullen hierna alleen met voormelde cijfers worden aangeduid. Op de kadastrale tekeningen zijn deze percelen als volgt weergegeven, waarbij de rechtbank de cijfers van de op naam van [eisers] geregistreerde percelen oranje heeft gemarkeerd en de cijfers van de op naam van [gedaagde] geregistreerde percelen groen heeft gemarkeerd:
[afbeelding geanonimiseerd]
2.2.
Perceel [perceel 4] heeft een ontsluiting naar de openbare weg (de [straat] ). Om de openbare weg te bereiken vanaf percelen [perceel 2] en [perceel 1] (op naam van [eisers] ) dient te worden gegaan over perceel [perceel 4] (op naam van [gedaagde] ). Om vanaf perceel [perceel 5] (op naam van [gedaagde] ) via het eigen perceel [perceel 4] de openbare weg te bereiken, dient te worden gegaan over perceel [perceel 1] (op naam van [eisers] ).
2.3.
De op perceel [perceel 2] ingetekende bebouwing betreft een bouwval die niet meer in gebruik is. Op het overige deel van perceel [perceel 2] bevinden zich of hebben zich enkele roerende zaken van [gedaagde] bevonden, zoals een regenton en afvalbakken.
2.4.
[gedaagde] is op 22 december 2006 eigenaar geworden van zijn percelen. In de akte van levering wordt melding gemaakt van een ten behoeve van die percelen gevestigde ‘erfdienstbaarheid van voetpad om te komen van - en te gaan naar de [straat] - en van het heersend erf over het ter plaatse aanwezige voetpad zulks te voet en al of niet met tweewielige voertuigen aan de hand’.
2.5.
Op verzoek van [eisers] heeft het kadaster op 20 augustus 2025 de kadastrale grenzen van de verschillende percelen aangewezen. Dat heeft geleid tot een relaas van bevindingen waar de kadastrale grenzen zijn ingetekend.
3Het geschil
3.1.
Na vermeerdering van eis vorderen [eisers] – deels verkort weergegeven – dat de rechtbank:
I. voor recht verklaart dat de erfgrenzen tussen de percelen zijn zoals deze zijn gereconstrueerd door het kadaster op 20 augustus 2025 en zoals deze zijn weergegeven in het naar aanleiding hiervan opgestelde relaas van bevindingen.
II. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis al hetgeen zich op of over de kadastrale erfgrens van de percelen [perceel 1] en [perceel 2] bevindt te verwijderen en dit verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom en daarbij te
bepalen dat indien [gedaagde] alle dwangsommen heeft laten verbeuren, [eisers] de zaken die zich op zijn grond bevinden van [gedaagde] mag weghalen en afvoeren op kosten van [gedaagde] ,
III. bepaalt dat [gedaagde] in de uitoefening van zijn erfdienstbaarheid niet anders gebruik mag maken van het perceel [perceel 1] van [eisers] dan via de kortste weg, dat betekent dat [gedaagde] vanaf het punt waar hij voorheen het erf van [eisers] betrad het perceel dient te blijven betreden om van een naar de openbare weg te komen en bepaalt dat [gedaagde] geen gebruik meer mag maken van de onlangs door hem aangebrachte ingang, op straffe van een dwangsom,
IV. [gedaagde] veroordeelt om ervoor te zorgen dat [eisers] altijd een onbelemmerde doorgang hebben over perceel H492 met een minimale breedte van 1.20 m om van en naar de openbare weg te gaan dan wel een minimale breedte van het pad voorstelt zoals de rechtbank dat in deze zaak juist acht, op straffe van een dwangsom,
V. bepaalt dat [gedaagde] [eisers] op geen enkele wijze mag te hinderen of mag belemmeren wanneer [eisers] op eigen perceel een erfafscheiding plaatsen en [gedaagde] verbiedt de door [eisers] op eigen perceel te plaatsen erfafscheiding te verwijderen, verplaatsen, vernielen of hiervan op welke wijze dan ook gebruik te maken, op straffe van een dwangsom, met de bepaling dat [eisers] gerechtigd zijn om al hetgeen [gedaagde]
bevestigt aan hun schutting te verwijderen en af te voeren op kosten van [gedaagde] ,
met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, inclusief nakosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Vooraf
4.1.
De geschillen tussen partijen zien – kort gezegd – over de precieze loop van de erfgrenzen en de inhoud van erfdienstbaarheden. Deze geschillen zullen worden besproken aan de hand van de door [eisers] ingestelde vorderingen.
Vordering I: verklaring voor recht over de erfgrenzen
4.2.
[eisers] stellen zich op het standpunt dat de erfgrenzen tussen de percelen van partijen gelijk zijn aan de kadastrale grenzen zoals laatstelijk vastgesteld door het kadaster bij de grensaanwijzing in augustus 2025. Zij wensen dat vastgesteld te zien omdat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat de erfgrenzen deels anders lopen.
4.3.
[gedaagde] stelt dat hij als gevolg van verjaring eigenaar is geworden van delen van de percelen die behoren tot de kadastrale percelen die op naam van [eisers] staan. Hij stelt daartoe onder meer dat [eisers] en hun rechtsvoorgangers gedurende lange tijd het bezit van de betreffende delen van die kadastrale percelen hebben verloren en dat deze in bezit zijn genomen door [gedaagde] en zijn rechtsvoorgangers. Het gaat om een strook grond van ongeveer 60 cm breed parallel aan de kadastrale grens tussen percelen [perceel 4] en [perceel 1] en perceel [perceel 2] voor zover niet bebouwd. Beoordeeld moet dus worden of [eisers] of een van hun rechtsvoorgangers een deel van hun percelen hebben verloren als gevolg van verjaring.
4.3.1.
[gedaagde] beroept zich onder meer op artikel 3:99 BW, waaruit volgt dat het recht op een onroerende zaak door een bezitter te goeder trouw wordt verkregen door een onafgebroken bezit van tien jaren. Voor toepasselijkheid van dit artikel is dus vereist dat de betreffende bezitter te goeder trouw is. Dat kan hier niet worden aangenomen.
Ten aanzien van de strook op perceel [perceel 1] geldt dat [gedaagde] geen feiten heeft gesteld op grond waarvan hij of zijn rechtsvoorganger bij de gestelde aanvang van het bezit van deze strook mocht(en) aannemen dat hij/deze eigenaar was. Hij stelt dat hij ‘mede op basis van de kadastrale kaart/ tekeningen’ te goeder trouw is geweest, maar heeft dat niet verder uitgelegd. Het spreekt ook niet vanzelf, gegeven het feit dat de kadastrale kaart niet ogenschijnlijk een andere loop van de erfgrens laat zien dan de kadastrale grens zoals bevestigd met de grensvaststelling in augustus 2025.
Ten aanzien van perceel [perceel 2] geldt dat raadpleging van de openbare registers duidelijk zou hebben gemaakt dat [gedaagde] en zijn rechtsvoorgangers geen eigenaar waren van dit perceel, zodat er om die reden geen sprake kan zijn van bezit te goeder trouw.
Het beroep op artikel 3:99 BW slaagt dus niet.
4.3.2.
[gedaagde] heeft zich ook beroepen op verjaring op grond van artikel 3:105 BW, uit welke artikel volgt dat degene die een goed bezit op het moment waarop de verjaring van de rechtsvordering van de rechthebbende strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, het goed verkrijgt, ook al is deze bezitter niet te goeder trouw. De rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit het bezit verjaart na twintig jaar (artikel 3:306 BW). [gedaagde] stelt dat hij en zijn rechtsvoorgangers de betreffende perceelsdelen al meer dan dertig jaar in bezit hebben gehad.
Een voorwaarde voor een verjaring via deze wijze is dus dat de eigenlijke rechthebbende het bezit is verloren door bezitsoverdracht of inbezitneming door een ander. In dit geval zou dat volgens [gedaagde] zijn gebeurd door inbezitneming door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] . De maatstaf bij het beoordelen van de vraag of de oorspronkelijk rechthebbende het bezit heeft verloren als gevolg van inbezitneming door een ander, is of het bezit van de eigenlijke rechthebbende teniet is gedaan. Daarvoor volstaan enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen van een ander niet. Onderdeel van de vaststelling dat het bezit van de eigenlijk rechthebbende teniet is gegaan, kan zijn dat het perceel optisch deel uit is gaan maken van het perceel van een ander. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [gedaagde] verklaringen overgelegd van (voormalig) buurtbewoners en vrienden. Ook legde hij foto’s over.
De rechtbank stelt voorop dat de overgelegde verklaringen geen betrekking hebben op het deel van perceel [perceel 1] dat grenst aan perceel [perceel 4] . De inbezitneming van dat perceelsdeel is alleen onderbouwd met de verwijzing naar foto’s waarop te zien is dat er spullen liggen en staan (hout, een afvalbak en andere niet goed te duiden spullen), maar dat is onvoldoende om te concluderen dat het bezit van de oorspronkelijk rechthebbende teniet is gegaan. Er hoeft dus niet te worden onderzocht of deze situatie tenminste twintig jaren heeft bestaan.
De verklaringen en andere foto’s hebben betrekking op een tuin, waarmee [gedaagde] kennelijk doelt op perceel [perceel 2] . [eisers] hebben er terecht op gewezen dat de in de verklaringen vermelde activiteiten ten aanzien van deze tuin niet meer inhouden dan op zichzelf staande machtsuitoefeningen – zoals spelen of aanwezig zijn ter plaatse en feestjes houden – zodat daaruit dus geen eigendomspretentie kan worden afgeleid. Bovendien is niet duidelijk of die activiteiten zich (alle) hebben afgespeeld op perceel [perceel 2] of (deels) op het bij (de rechtsvoorgangers van) [gedaagde] in eigendom zijnde belendende perceel [perceel 5] . Dat er voorheen kennelijk geen afscheiding was opgericht tussen percelen [perceel 5] en [perceel 2] maakt niet dat daaruit een eigendomspretentie van de eigenaar van perceel [perceel 5] ten opzichte van perceel [perceel 2] kan worden afgeleid. [eisers] worden gevolgd in hun stelling dat daar veeleer een gedoogsituatie uit zou kunnen worden afgeleid, wat inbezitneming uitsluit. Er kan dus geen bezit worden vastgesteld, zodat niet worden toegekomen aan het onderzoek naar de eventuele duur van bezit.
Ook het beroep op artikel 3:105 BW slaagt dus niet.
4.4.
De conclusie is dat vordering I moet worden toegewezen, waarbij in het midden kan blijven of de hierna nog te bespreken herverkaveling de eventueel lopende verjaringstermijnen heeft doen eindigen.
Vordering II: verwijderen zaken
4.5.
Met vordering II beogen [eisers] kennelijk dat zaken die door [gedaagde] op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] zijn geplaatst daar verwijderd worden. Gelet op wat is beslist over vordering I, is ook deze vordering in zoverre toewijsbaar. [gedaagde] heeft er ook geen apart verweer tegen gevoerd. De rechtbank zal wel bepalen dat de termijn waarbinnen de zaken moeten worden verwijderd, aanvangt na betekening van dit vonnis. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als in het dictum bepaald.
Vordering III: omvang erfdienstbaarheid ten laste van perceel [perceel 1]
4.6.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] op grond van een erfdienstbaarheid van weg het recht heeft om over perceel [perceel 1] , via het eigen perceel [perceel 4] , naar de openbare weg te gaan. [eisers] stellen dat [gedaagde] in de praktijk van een groter deel van perceel [perceel 1] gebruik maakt dan waarop de erfdienstbaarheid recht geeft. Meer specifiek doelen [eisers] op een strook grond op perceel [perceel 1] parallel aan de grens met perceel [perceel 5] , ongeveer lopend tot aan het punt waar percelen [perceel 1] , [perceel 5] en [perceel 6] aan elkaar grenzen. Op de onder 2.1. weergegeven kaart is het cijfer van perceel [perceel 6] blauw gemarkeerd en voornoemd snijpunt rood gekleurd. [gedaagde] heeft daar een doorgang gemaakt, zodat op dat punt perceel [perceel 1] kon worden betreden vanuit perceel [perceel 5] , zij het dat [eisers] op perceel [perceel 1] nu een rieten haag hebben geplaatst die dat verhindert.
4.7.
[eisers] stellen dat [gedaagde] zich niet kan beroepen op de erfdienstbaarheid die is vermeld in de akte waarbij hem in 2006 zijn percelen zijn geleverd. Dit omdat de percelen van partijen vervolgens 2010 onderdeel zouden zijn geweest van een herverkaveling, waarbij de voorheen aan (de rechtsvoorgangers van) [eisers] en [gedaagde] toebehorende percelen weer aan dezen zijn toegedeeld. Een herverkaveling heeft volgens [eisers] titelzuiverende werking, wat zou betekenen dat bestaande erfdienstbaarheden zouden zijn vervallen.
[gedaagde] heeft ‘bij gebrek aan wetenschap’ betwist dat (onder andere) perceel [perceel 1] betrokken is geweest bij een herverkaveling. Hij wordt daarin niet gevolgd, gelet op het feit dat in de notariële akte waarmee perceel [perceel 1] is geleverd, is vermeld dat de verkoper deze uit wettelijke ruilverkaveling is verkregen met een verwijzing naar de akte van herverkaveling van 8 september 2010.
Herverkaveling is een zogenoemde originaire wijze van eigendomsverkrijging die titelzuivering tot gevolg heeft, wat – voor zover hier van belang – betekent dat voorheen bestaande erfdienstbaarheden vervallen. [gedaagde] kan zich dus niet beroepen op de voorheen gevestigde erfdienstbaarheid. In de akte van herverkaveling is echter vermeld dat ten laste van de huidige percelen [perceel 4] ( [gedaagde] ) en [perceel 1] ( [eisers] ) een erfdienstbaarheid van weg wordt gevestigd ‘om te komen van en te gaan naar de openbare weg over een strook van ongeveer vier meter’ ten behoeve van de – ten opzichte van de openbare weg achterliggende – percelen [perceel 2] en [perceel 1] ( [eisers] ) en percelen [perceel 5] en [perceel 3] ( [gedaagde] ). Dit betekent dat er in 2010 een erfdienstbaarheid is gevestigd met onder meer perceel [perceel 5] als heersend erf en perceel [perceel 1] als dienend erf, met als doel om van perceel [perceel 5] maar de openbare weg te kunnen gaan en andersom.
4.8.
Partijen zijn het erover eens dat de bewoordingen van de in 2010 gevestigde erfdienstbaarheid niet duidelijk zijn. Met name is niet helder wat wordt bedoeld met de zinsnede: ‘over een strook van ongeveer vier meter’. Niet in geschil is echter dat ook deze erfdienstbaarheid tot doel heeft (onder andere) perceel [perceel 5] te verbinden met de openbare weg. De discussie spitst zich toe op de vraag of de erfdienstbaarheid het recht geeft om vanaf de noordoostelijke punt van [perceel 5] (het dichtst bij de [straat] ) naar de [straat] te gaan of dat dit recht ook bestaat vanaf (een punt gelegen nabij) het zuidelijker gelegen perceel [perceel 6] . Vastgesteld is dat [eisers] niet de eigenaar is van [perceel 6] maar alleen van [perceel 5] . Dit betekent dat hij alleen als eigenaar van [perceel 5] rechten kan ontlenen aan de erfdienstbaarheid. Aangezien een erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze moet worden uitgeoefend en er geen aanwijzingen zijn dat het voor het bereiken van de met de erfdienstbaarheid nagestreefde doel noodzakelijke is dat een meer zuidelijk gelegen toegang tot perceel [perceel 1] bestaat, moet het standpunt van [eisers] worden gevolgd. De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen met inachtneming van dit oordeel. Ook het gevraagde verbod, zal worden toegewezen met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden beperkt als in het dictum bepaald en duidelijkheidshalve in het dictum zal worden bevestigd dat, gelet op artikel 611a lid 3 Rv, dwangsommen pas kunnen verbeuren na betekening van het vonnis.
Vordering IV: omvang erfdienstbaarheid ten laste van perceel [perceel 4]
4.9.
Zoals in 4.7. is vermeld, is in 2010 ook een erfdienstbaarheid gevestigd met perceel [perceel 1] als heersend erf en perceel [perceel 4] als dienend erf, met als doel om van perceel [perceel 1] maar de openbare weg te kunnen gaan en andersom. [eisers] stellen dat [gedaagde] die erfdienstbaarheid niet respecteert en op perceel [perceel 4] obstakels plaatst en handhaaft die verhinderen dat [eisers] met de kinderwagen of fietskar gebruik kunnen maken van de doorgang op perceel [perceel 4] naar perceel [perceel 1] . Zij vorderen dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt om ervoor te zorgen dat zij altijd een onbelemmerde toegang tot perceel [perceel 4] hebben van ten minste 1.20 m breed of een door de rechtbank te bepalen breedte.
4.10.
[gedaagde] heeft zich allereerst verzet tegen het feit dat deze vordering eerst bij de akte vermeerdering eis, ingediend op 10 juni 2026, is ingesteld. Het is volgens [gedaagde] niet duidelijk waarom deze eis zo laat is ingesteld en volgens hem is buitengerechtelijk geen verzoek gedaan over de doorgang.
Het verzet tegen de vermeerdering van eis wordt verworpen. Daarvoor is in ieder geval redengevend dat de aard van de vordering maakt dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling voldoende gelegenheid heeft gehad zich ertegen te verweren.
4.11.
Hoewel dus vaststaat dat ten gunste van perceel [perceel 1] het recht bestaat om te allen tijde via perceel [perceel 4] te komen en gaan naar de [straat] , blijkens nergens uit dat de doorgang tenminste (overal) 1.20 m breed moet zijn. Om die reden is de vordering in zoverre niet toewijsbaar. Verder is er geen aanleiding om een andere minimum breedte te bepalen. De erfdienstbaarheid bepaalt slechts dat er een doorgang moet zijn, terwijl partijen het erover eens zijn dat ook hier de verwijzing naar een strook van vier meter breed niet te plaatsen is en dus geen aanwijzing geeft voor een minimale breedte. Anders gezegd: er is geen reden om aan te nemen dat de erfdienstbaarheid een overal te hanteren minimale breedte voorschrijft. Wel moet worden aangenomen dat er altijd voldoende ruimte moet zijn om de doorgang te voet of met tweewielige voertuigen te gebruiken, aangezien [eisers] onweersproken hebben gesteld dat [gedaagde] dat hen als het toegestane gebruik heeft voorgehouden. [gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat een dergelijke doorgang, dus ook met een fiets, mogelijk is in de huidige situatie, die (nu) inhoudt dat die doorgang niet overal 1.20 m breed is. Er is al met al onvoldoende basis om de vordering toe te wijzen.
Vordering V: verbod hinderen plaatsen erfafscheiding en verwijderen erfafscheiding
4.12.
[eisers] hebben gesteld dat [gedaagde] heeft aangegeven de door [eisers] op perceel [perceel 1] , langs de grens met perceel [perceel 5] , geplaatste erfafscheiding te zullen vernielen/verwijderen. Kennelijk leggen zij dat ten grondslag aan de hier besproken vordering. [gedaagde] is er in het geheel niet op ingegaan, zodat deze vordering als onweersproken moet worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als in het dictum bepaald.
Vordering V: verwijderen van door [gedaagde] aan schutting [eisers] bevestigde zaken
4.13.
[eisers] vorderen ook dat de rechtbank bepaalt dat zij gerechtigd zijn om al hetgeen [gedaagde] bevestigt aan hun schutting te verwijderen en af te voeren op kosten van [gedaagde] . Deze vordering is van geen enkele onderbouwing voorzien. [eisers] hebben daarmee niet voldaan aan hun stelplicht, zodat deze vordering wordt afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad?
4.14.
[gedaagde] heeft zich verzet tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de vorderingen van [eisers] die daartoe geëigend zijn. Het belang van [eisers] bij uitvoerbaar bij voorraadverklaring spreekt vanzelf. Niet is gebleken van een rechtens relevant belang van [gedaagde] dat daar tegenover staat. Dat het in de weg zou staan aan het effectief kunnen instellen van een rechtsmiddel is wel gesteld, maar niet nader onderbouwd of anderszins gebleken. Het verzet wordt gepasseerd.
Proceskosten
4.15.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.972,14
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de erfgrenzen tussen de percelen van partijen zijn zoals deze zijn gereconstrueerd door het kadaster op 20 augustus 2025 en zoals deze zijn weergegeven in het naar aanleiding hiervan opgestelde relaas van bevindingen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis al hetgeen zich al dan niet deels op de kadastrale percelen [perceel 1] en [perceel 2] bevindt en hij daar heeft geplaatst of doen plaatsen, te verwijderen en verwijderd te houden en:
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt,
- bepaalt dat als [gedaagde] het maximum aan dwangsommen heeft laten verbeuren, [eisers] de betreffende zaken die zich op hun percelen bevinden mogen weghalen en afvoeren op kosten van [gedaagde] ,
5.3.
bepaalt dat [gedaagde] in de uitoefening van erfdienstbaarheid ten gunste van perceel [perceel 5] niet anders gebruik mag maken van perceel [perceel 1] dan via de kortste weg, wat betekent dat [gedaagde] vanaf de meest noordelijke punt van perceel [perceel 5] het perceel [perceel 1] dient te betreden om van en naar de openbare weg te komen en bepaalt dat [gedaagde] dus geen gebruik meer mag maken van de door hem aangebrachte toegang tot perceel [perceel 1] door het verwijderen van een deel van zijn haag op perceel [perceel 5] , om ter plaatse op perceel [perceel 1] te komen en veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij, na betekening van dit vonnis, niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt,
5.4.
bepaalt dat [gedaagde] , [eisers] op geen enkele wijze mag te hinderen wanneer of mag belemmeren dat [eisers] op eigen perceel een erfafscheiding plaatsen en verbiedt [gedaagde] de door [eisers] op eigen perceel te plaatsen erfafscheiding te verwijderen, te verplaatsen, te vernielen of hiervan op welke wijze dan ook gebruik te maken en veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij, na betekening van dit vonnis, niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.972,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. tot en met 5.6. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr.De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
productie 17 van [gedaagde]
productie 15 van [eisers]
productie 1 van [eisers]
waarvan onderdelen door [eisers] zijn overgelegd als productie 19