Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:9379
2026-09-09
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12227298 \ CV EXPL 26-2549
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vernietiging rechtshandeling op grond van artikel 42 Fw door curator en vordering betaling aan de failliete boedel. Vorderingen afgewezen. Niet voldaan aan het in artikel 42 Fw vermelde vereiste van een onverplichte rechtshandeling. Niet gebleken van een (nog) niet-opeisbare vordering of het ontbreken van een rechtsgrond tot betaling.
Citeert (3)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2120 Gerechtshof Den Haag 02-11-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2015:1681 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-05-2015
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2989 Rechtbank Gelderland 15-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.328 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12227298 \ CV EXPL 26-2549
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eisende partij] Q.Q. in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AICO B.V.,
te Sittard,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] q.q.,
gemachtigde: mr. M.A.E. Wijnands,
tegen
[gedaagde partij] h.o.d.n. [bedrijf gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen; - de conclusie van antwoord met bijlagen;
- de e-mail van [gedaagde partij] met als bijlage de brief van mr. K. Roufs van 23 januari 2026;
- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026, ter gelegenheid waarvan [eisende partij] q.q. spreekaantekeningen heeft overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde partij] heeft bij factuur gedateerd 9 september 2025 aan Aico B.V. een bedrag van € 4.059,55 inclusief btw in rekening gebracht met als omschrijving
“werkzaamheden juli-augustus-september lopende projecten conform uw verzoek”. Op de factuur staat vermeld “Vervaldatum 23-09-2025”. De factuur is meteen op 9 september 2025 door Aico B.V. voldaan.
2.2.
Op 10 september 2025 heeft de (middellijk) bestuurder van Aico B.V.,
[persoon], het eigen faillissement van Aico B.V. aangevraagd. [gedaagde partij] was daarvan op de hoogte. [gedaagde partij] is de oom van [persoon].
2.3.
Op 30 september 2025 is het faillissement van Aico B.V. uitgesproken met aanstelling van [eisende partij] q.q. als curator.
2.4.
Per e-mail van 6 november 2025 is namens [eisende partij] q.q. aan [gedaagde partij] meegedeeld dat de rechtshandeling (de betaling van voornoemde factuur door Aico B.V.) werd vernietigd en is [gedaagde partij] gesommeerd het bedrag van € 4.059,55 aan de boedel terug te betalen.
2.5.
[gedaagde partij] is het daar niet mee eens en heeft het bedrag niet terugbetaald.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] q.q. vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde partij] veroordeelt om aan de boedel te betalen € 4.059,55, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 september 2025, althans vanaf de dag van dagvaarden, tot aan de dag van volledige betaling;
II. [gedaagde partij] veroordeelt om aan de bedoel te betalen € 530,96 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarden tot aan de dag van volledige betaling;
III. [gedaagde partij] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] q.q. legt aan de vordering ten grondslag dat de betaling door Aico B.V. aan [gedaagde partij] voorafgaand aan het faillissement is aan te merken als paulianeus en op grond van artikel 42 Faillissementswet (hierna: Fw) door hem kan worden en ook is vernietigd. De betaling was onverplicht, omdat de op de factuur vermelde betalingstermijn van 14 dagen bij betaling nog niet was verstreken. De vordering was daarom nog niet opeisbaar. Verder ontbreekt een rechtsgrond voor de betaling. De schuldeisers van Aico B.V. zijn door de betaling benadeeld en dit was ook bij [gedaagde partij] bekend. Nu de rechtshandeling door de curator op grond van artikel 42 Fw is vernietigd, moet [gedaagde partij] het bedrag van € 4.059,55 terugbetalen.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer en meent dat de vordering moet worden afgewezen.
Op 3 juli 2025 heeft de broer van [gedaagde partij] hem gevraagd om zaken voor Aico B.V. af te ronden, toen hij werd opgepakt om een straf uit te zitten. [gedaagde partij] heeft daarop ja gezegd, in het begin nog niet wetende hoeveel werk het was en wat het per uur zou moeten kosten. Er is meermaals toegezegd dat er voor de werkzaamheden van [gedaagde partij] betaald zou worden. Naar schatting zijn ongeveer 200 uur besteed. Er is slechts een klein deel in rekening gebracht. De boedel heeft er baat bij gehad, omdat de totale schuldenlast er enorm door is afgenomen. [gedaagde partij] beroept zich op de redelijkheid en billijkheid.
4De beoordeling
4.1.
Tussen partijen is in geschil of [eisende partij] q.q. de betaling van de factuur van [gedaagde partij] door Aico B.V. rechtsgeldig heeft vernietigd op grond van artikel 42 Fw.
4.2.
Voor een succesvol beroep op vernietiging krachtens artikel 42 Fw moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: er moet sprake zijn van (a) een onverplichte rechtshandeling, (b) benadeling van schuldeisers en (c) wetenschap van die benadeling bij schuldenaar en (in dit geval) schuldeiser.
4.3.
De stelplicht en bewijslast ten aanzien van alle elementen van de faillissementspauliana van artikel 42 Fw rusten op [eisende partij] q.q. als curator (vgl. ECLI:NL:GHDHA:2021:2120). [eisende partij] q.q. moet op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) voldoende stellen en, bij een gemotiveerde betwisting, bewijzen dat aan alle voorwaarden genoemd in artikel 42 Fw is voldaan. Dat geldt dus ook voor het in artikel 42 Fw genoemde vereiste dat sprake moet zijn van een onverplichte rechtshandeling.
4.4.
[eisende partij] q.q. stelt dat sprake is van een onverplichte rechtshandeling, ten eerste omdat de vordering op het moment van de betaling nog niet opeisbaar was. Dat de vordering niet opeisbaar was toen betaling plaatsvond, grondt [eisende partij] q.q. op de omstandigheid dat de factuur een vervaldatum bevat (die neerkomt op een betalingstermijn van 14 dagen).
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Een rechtshandeling is onverplicht als deze wordt verricht zonder dat daartoe een op de wet of overeenkomst berustende verplichting bestaat. Betaling van een niet-opeisbare schuld is steeds onverplicht. Betaling van een wel opeisbare schuld is een verplichte rechtshandeling. Wanneer partijen geen termijn voor betaling afspreken, is het uitgangspunt op grond van artikel 6:38 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dat terstond nakoming gevorderd kan worden en dat een dergelijke vordering dus direct opeisbaar is.
4.6.
Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde partij] en Aico B.V. afspraken hebben gemaakt over het moment dat [gedaagde partij] betaald zou worden. Gelet op het bepaalde in artikel 6:38 BW kon [gedaagde partij] terstond nakoming vorderen. De vordering tot betaling van de factuur, die de tegenprestatie betrof voor de door [gedaagde partij] verrichte werkzaamheden (ervan uitgaande dat hiervoor een rechtsgrond bestond, waarover hierna meer), was daarom direct opeisbaar.
4.7.
Volgens [eisende partij] q.q. ligt dat hier anders, omdat de op de factuur vermelde termijn voor betaling nog niet was verstreken. De kantonrechter ziet dat anders. De vermelding of aansporing dat binnen een bepaalde termijn moet worden betaald, is geen opschortende tijdsbepaling en brengt niet met zich dat pas van een opeisbare vordering sprake zou zijn na het verstrijken van de op de factuur vermelde en aan de schuldenaar gegunde termijn voor betaling. Een terecht verzonden factuur roept naar het oordeel van de kantonrechter direct een rechtsplicht in het leven voor de schuldenaar. De term vervaldatum duidt er ook op dat betaling moet plaatsvinden in de periode tussen het verzenden van de factuur en het verstrijken van de termijn, niet pas daarna. Betaling van de factuur van [gedaagde partij] binnen de gegunde betalingstermijn is dan ook geen onverplichte rechtshandeling in de zin van artikel 42 Fw (zie ook ECLI:NL:GHSHE:2015:1681, rechtsoverweging 4.5. en zie verder de noot van Eveleens-Van der Zwaag in JOR 2022/11 bij ECLI:NL:RBGEL:2022:2989).
4.8.
Ook voor de (tweede) stelling van [eisende partij] q.q. dat een rechtsgrond voor de betaling ontbreekt, en om die reden sprake is van een onverplichte rechtshandeling, geldt dat de stelplicht en bewijslast op [eisende partij] q.q. als curator rusten. De vraag is of [eisende partij] q.q. voldoende heeft gesteld, mede in het licht van de betwisting van [gedaagde partij], om tot het oordeel te kunnen komen dat er geen contractuele verplichting aan betaling van de factuur door
Aico B.V. ten grondslag lag.
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat [eisende partij] q.q. hiervoor op zichzelf en temeer in het licht van de betwisting van [gedaagde partij], onvoldoende heeft gesteld en overweegt daartoe als volgt.
4.10.
[eisende partij] q.q. heeft in de dagvaarding niet (veel) meer gesteld dan: “Voorop staat dat de Curator betwist dat sprake is van een overeenkomst tussen de Vennootschap en [bedrijf gedaagde] waar een betalingsverplichting uit voort zou kunnen vloeien. De Curator betwist, bij gebrek aan wetenschap, dat partijen een bedrag van EUR 4.059,55 zijn overeengekomen.”.
4.11.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde partij] verklaard dat, hoewel niet van meet af aan een prijs c.q. uurtarief is overeengekomen, hem wel telkens is toegezegd “dat het financieel wel in orde zou komen” en “we maken dit in orde, je hoeft dit niet voor niets te doen” of woorden van gelijke strekking. Hoeveel er betaald zou worden is, zo heeft [gedaagde partij] verder verklaard, vrijwel aan het eind in onderling overleg vastgesteld, waarbij van belang is dat er veel meer uren gewerkt zijn dan gefactureerd, wat [gedaagde partij] gezien de situatie voor lief neemt.
4.12.
In reactie hierop heeft [eisende partij] q.q. verklaard dat de mededeling dat ‘het wel goed zou komen’, onvoldoende is om te kunnen spreken van een grondslag voor betaling, vaststaat dat er vooraf geen afspraken zijn gemaakt en heeft hij de stelling dat er circa 200 uren gewerkt zijn betwist. Het moet volgens [eisende partij] q.q. om veel minder uren gaan, gelet op het feit dat er nog slechts 8 projecten liepen.
4.13.
De kantonrechter overweegt ten eerste dat de stellingen van [eisende partij] q.q., zoals weergegeven, niet de conclusie kunnen dragen dat er geen sprake is van een contractuele betalingsverplichting. [eisende partij] q.q. volstaat in wezen met het in vrij algemene zin in twijfel trekken van wat [gedaagde partij] erover heeft verklaard.
4.14.
Wat [gedaagde partij] erover heeft verklaard, komt neer op een gemotiveerde betwisting. Zijn stellingen komen er juridisch vertaald op neer, dat sprake is van een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW). De kantonrechter volgt [eisende partij] q.q. niet in zijn stelling dat de door [gedaagde partij] genoemde uitlatingen onvoldoende zijn om tot een betalingsverplichting te komen. De kantonrechter verwijst in dit kader naar artikel 7:405 BW, waarin als hoofdregel is neergelegd dat indien de overeenkomst door de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, de opdrachtgever hem loon is verschuldigd. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat normaal gesproken als bedoeling van partijen mag worden verondersteld dat aan de opdrachtnemer die buiten beroep of bedrijf handelt, geen loon is verschuldigd. In dit geval is op de mondelinge behandeling gebleken dat de door [gedaagde partij] gestelde uitgevoerde werkzaamheden in lijn liggen met zijn zakelijke activiteiten en zo bezien vallen binnen zijn beroep of bedrijf. Het enkele feit dat [gedaagde partij] zijn broer wilde helpen, is dan verder in het licht van de door [gedaagde partij] gestelde en niet gemotiveerd weersproken uitlatingen, niet voldoende om ervan uit te gaan dat partijen toch hebben bedoeld dat [gedaagde partij] geen loon zou voor zijn werkzaamheden zou krijgen en het enkel zou gaan om het uithelpen van familie. De gestelde en niet gemotiveerd weersproken uitlatingen wijzen op het tegendeel. Dat er niet is gesproken over de hoogte en/of er niet vooraf afspraken over zijn gemaakt, staat er niet aan in de weg dat er wel loon verschuldigd is. De kantonrechter verwijst daarvoor naar artikel 7:405 lid 2 BW: indien loon is verschuldigd maar de hoogte niet door partijen is bepaald, is de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon verschuldigd, of bij gebreke daarvan, een redelijk loon.
4.15.
[eisende partij] q.q. heeft, waar het gaat om de omvang van het loon, aangevoerd dat het
- samengevat - ongeloofwaardig is dat [gedaagde partij] 200 uren voor Aico B.V. zou hebben gewerkt. Of dat zo is of niet, kan in het midden blijven. In dat verband is van belang dat [gedaagde partij] onweersproken heeft aangevoerd dat er veel minder uren in rekening zijn gebracht dan 200. Waar het om gaat, is of de factuur een gebruikelijk of redelijk loon weerspiegelt, gelet op de werkzaamheden die zouden zijn uitgevoerd. Het is aan [eisende partij] q.q. om voldoende concreet te stellen dat en waarom dat hier niet het geval is. Dat heeft [eisende partij] q.q. niet gedaan. Daarom komt de kantonrechter ook niet toe aan bewijslevering.
4.16.
Slotsom is dat de kantonrechter er met deze stand van zaken niet vanuit kan gaan dat er geen contractuele betalingsverplichting aan de betaling ten grondslag ligt en dat het gefactureerde bedrag niet een gebruikelijk of redelijk loon weerspiegelt voor de uitgevoerde werkzaamheden. De kantonrechter komt daarom ook in dit opzicht niet tot een onverplichte rechtshandeling.
4.17.
Aan de beoordeling van de overige vereisten van artikel 42 Fw wordt gelet op het bovenstaande niet meer toegekomen. Omdat niet aan alle voorwaarden van artikel 42 Fw is voldaan, slaagt het beroep van [eisende partij] q.q. op vernietiging niet en wijst de kantonrechter de vorderingen af.
4.18.
[eisende partij] q.q. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- verletkosten
€
50,00
Totaal
€
50,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] q.q. af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] q.q. in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] q.q. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12227298 \ CV EXPL 26-2549
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eisende partij] Q.Q. in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AICO B.V.,
te Sittard,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] q.q.,
gemachtigde: mr. M.A.E. Wijnands,
tegen
[gedaagde partij] h.o.d.n. [bedrijf gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen; - de conclusie van antwoord met bijlagen;
- de e-mail van [gedaagde partij] met als bijlage de brief van mr. K. Roufs van 23 januari 2026;
- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026, ter gelegenheid waarvan [eisende partij] q.q. spreekaantekeningen heeft overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde partij] heeft bij factuur gedateerd 9 september 2025 aan Aico B.V. een bedrag van € 4.059,55 inclusief btw in rekening gebracht met als omschrijving
“werkzaamheden juli-augustus-september lopende projecten conform uw verzoek”. Op de factuur staat vermeld “Vervaldatum 23-09-2025”. De factuur is meteen op 9 september 2025 door Aico B.V. voldaan.
2.2.
Op 10 september 2025 heeft de (middellijk) bestuurder van Aico B.V.,
[persoon], het eigen faillissement van Aico B.V. aangevraagd. [gedaagde partij] was daarvan op de hoogte. [gedaagde partij] is de oom van [persoon].
2.3.
Op 30 september 2025 is het faillissement van Aico B.V. uitgesproken met aanstelling van [eisende partij] q.q. als curator.
2.4.
Per e-mail van 6 november 2025 is namens [eisende partij] q.q. aan [gedaagde partij] meegedeeld dat de rechtshandeling (de betaling van voornoemde factuur door Aico B.V.) werd vernietigd en is [gedaagde partij] gesommeerd het bedrag van € 4.059,55 aan de boedel terug te betalen.
2.5.
[gedaagde partij] is het daar niet mee eens en heeft het bedrag niet terugbetaald.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] q.q. vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde partij] veroordeelt om aan de boedel te betalen € 4.059,55, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 september 2025, althans vanaf de dag van dagvaarden, tot aan de dag van volledige betaling;
II. [gedaagde partij] veroordeelt om aan de bedoel te betalen € 530,96 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarden tot aan de dag van volledige betaling;
III. [gedaagde partij] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] q.q. legt aan de vordering ten grondslag dat de betaling door Aico B.V. aan [gedaagde partij] voorafgaand aan het faillissement is aan te merken als paulianeus en op grond van artikel 42 Faillissementswet (hierna: Fw) door hem kan worden en ook is vernietigd. De betaling was onverplicht, omdat de op de factuur vermelde betalingstermijn van 14 dagen bij betaling nog niet was verstreken. De vordering was daarom nog niet opeisbaar. Verder ontbreekt een rechtsgrond voor de betaling. De schuldeisers van Aico B.V. zijn door de betaling benadeeld en dit was ook bij [gedaagde partij] bekend. Nu de rechtshandeling door de curator op grond van artikel 42 Fw is vernietigd, moet [gedaagde partij] het bedrag van € 4.059,55 terugbetalen.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer en meent dat de vordering moet worden afgewezen.
Op 3 juli 2025 heeft de broer van [gedaagde partij] hem gevraagd om zaken voor Aico B.V. af te ronden, toen hij werd opgepakt om een straf uit te zitten. [gedaagde partij] heeft daarop ja gezegd, in het begin nog niet wetende hoeveel werk het was en wat het per uur zou moeten kosten. Er is meermaals toegezegd dat er voor de werkzaamheden van [gedaagde partij] betaald zou worden. Naar schatting zijn ongeveer 200 uur besteed. Er is slechts een klein deel in rekening gebracht. De boedel heeft er baat bij gehad, omdat de totale schuldenlast er enorm door is afgenomen. [gedaagde partij] beroept zich op de redelijkheid en billijkheid.
4De beoordeling
4.1.
Tussen partijen is in geschil of [eisende partij] q.q. de betaling van de factuur van [gedaagde partij] door Aico B.V. rechtsgeldig heeft vernietigd op grond van artikel 42 Fw.
4.2.
Voor een succesvol beroep op vernietiging krachtens artikel 42 Fw moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: er moet sprake zijn van (a) een onverplichte rechtshandeling, (b) benadeling van schuldeisers en (c) wetenschap van die benadeling bij schuldenaar en (in dit geval) schuldeiser.
4.3.
De stelplicht en bewijslast ten aanzien van alle elementen van de faillissementspauliana van artikel 42 Fw rusten op [eisende partij] q.q. als curator (vgl. ECLI:NL:GHDHA:2021:2120). [eisende partij] q.q. moet op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) voldoende stellen en, bij een gemotiveerde betwisting, bewijzen dat aan alle voorwaarden genoemd in artikel 42 Fw is voldaan. Dat geldt dus ook voor het in artikel 42 Fw genoemde vereiste dat sprake moet zijn van een onverplichte rechtshandeling.
4.4.
[eisende partij] q.q. stelt dat sprake is van een onverplichte rechtshandeling, ten eerste omdat de vordering op het moment van de betaling nog niet opeisbaar was. Dat de vordering niet opeisbaar was toen betaling plaatsvond, grondt [eisende partij] q.q. op de omstandigheid dat de factuur een vervaldatum bevat (die neerkomt op een betalingstermijn van 14 dagen).
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Een rechtshandeling is onverplicht als deze wordt verricht zonder dat daartoe een op de wet of overeenkomst berustende verplichting bestaat. Betaling van een niet-opeisbare schuld is steeds onverplicht. Betaling van een wel opeisbare schuld is een verplichte rechtshandeling. Wanneer partijen geen termijn voor betaling afspreken, is het uitgangspunt op grond van artikel 6:38 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dat terstond nakoming gevorderd kan worden en dat een dergelijke vordering dus direct opeisbaar is.
4.6.
Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde partij] en Aico B.V. afspraken hebben gemaakt over het moment dat [gedaagde partij] betaald zou worden. Gelet op het bepaalde in artikel 6:38 BW kon [gedaagde partij] terstond nakoming vorderen. De vordering tot betaling van de factuur, die de tegenprestatie betrof voor de door [gedaagde partij] verrichte werkzaamheden (ervan uitgaande dat hiervoor een rechtsgrond bestond, waarover hierna meer), was daarom direct opeisbaar.
4.7.
Volgens [eisende partij] q.q. ligt dat hier anders, omdat de op de factuur vermelde termijn voor betaling nog niet was verstreken. De kantonrechter ziet dat anders. De vermelding of aansporing dat binnen een bepaalde termijn moet worden betaald, is geen opschortende tijdsbepaling en brengt niet met zich dat pas van een opeisbare vordering sprake zou zijn na het verstrijken van de op de factuur vermelde en aan de schuldenaar gegunde termijn voor betaling. Een terecht verzonden factuur roept naar het oordeel van de kantonrechter direct een rechtsplicht in het leven voor de schuldenaar. De term vervaldatum duidt er ook op dat betaling moet plaatsvinden in de periode tussen het verzenden van de factuur en het verstrijken van de termijn, niet pas daarna. Betaling van de factuur van [gedaagde partij] binnen de gegunde betalingstermijn is dan ook geen onverplichte rechtshandeling in de zin van artikel 42 Fw (zie ook ECLI:NL:GHSHE:2015:1681, rechtsoverweging 4.5. en zie verder de noot van Eveleens-Van der Zwaag in JOR 2022/11 bij ECLI:NL:RBGEL:2022:2989).
4.8.
Ook voor de (tweede) stelling van [eisende partij] q.q. dat een rechtsgrond voor de betaling ontbreekt, en om die reden sprake is van een onverplichte rechtshandeling, geldt dat de stelplicht en bewijslast op [eisende partij] q.q. als curator rusten. De vraag is of [eisende partij] q.q. voldoende heeft gesteld, mede in het licht van de betwisting van [gedaagde partij], om tot het oordeel te kunnen komen dat er geen contractuele verplichting aan betaling van de factuur door
Aico B.V. ten grondslag lag.
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat [eisende partij] q.q. hiervoor op zichzelf en temeer in het licht van de betwisting van [gedaagde partij], onvoldoende heeft gesteld en overweegt daartoe als volgt.
4.10.
[eisende partij] q.q. heeft in de dagvaarding niet (veel) meer gesteld dan: “Voorop staat dat de Curator betwist dat sprake is van een overeenkomst tussen de Vennootschap en [bedrijf gedaagde] waar een betalingsverplichting uit voort zou kunnen vloeien. De Curator betwist, bij gebrek aan wetenschap, dat partijen een bedrag van EUR 4.059,55 zijn overeengekomen.”.
4.11.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde partij] verklaard dat, hoewel niet van meet af aan een prijs c.q. uurtarief is overeengekomen, hem wel telkens is toegezegd “dat het financieel wel in orde zou komen” en “we maken dit in orde, je hoeft dit niet voor niets te doen” of woorden van gelijke strekking. Hoeveel er betaald zou worden is, zo heeft [gedaagde partij] verder verklaard, vrijwel aan het eind in onderling overleg vastgesteld, waarbij van belang is dat er veel meer uren gewerkt zijn dan gefactureerd, wat [gedaagde partij] gezien de situatie voor lief neemt.
4.12.
In reactie hierop heeft [eisende partij] q.q. verklaard dat de mededeling dat ‘het wel goed zou komen’, onvoldoende is om te kunnen spreken van een grondslag voor betaling, vaststaat dat er vooraf geen afspraken zijn gemaakt en heeft hij de stelling dat er circa 200 uren gewerkt zijn betwist. Het moet volgens [eisende partij] q.q. om veel minder uren gaan, gelet op het feit dat er nog slechts 8 projecten liepen.
4.13.
De kantonrechter overweegt ten eerste dat de stellingen van [eisende partij] q.q., zoals weergegeven, niet de conclusie kunnen dragen dat er geen sprake is van een contractuele betalingsverplichting. [eisende partij] q.q. volstaat in wezen met het in vrij algemene zin in twijfel trekken van wat [gedaagde partij] erover heeft verklaard.
4.14.
Wat [gedaagde partij] erover heeft verklaard, komt neer op een gemotiveerde betwisting. Zijn stellingen komen er juridisch vertaald op neer, dat sprake is van een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW). De kantonrechter volgt [eisende partij] q.q. niet in zijn stelling dat de door [gedaagde partij] genoemde uitlatingen onvoldoende zijn om tot een betalingsverplichting te komen. De kantonrechter verwijst in dit kader naar artikel 7:405 BW, waarin als hoofdregel is neergelegd dat indien de overeenkomst door de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, de opdrachtgever hem loon is verschuldigd. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat normaal gesproken als bedoeling van partijen mag worden verondersteld dat aan de opdrachtnemer die buiten beroep of bedrijf handelt, geen loon is verschuldigd. In dit geval is op de mondelinge behandeling gebleken dat de door [gedaagde partij] gestelde uitgevoerde werkzaamheden in lijn liggen met zijn zakelijke activiteiten en zo bezien vallen binnen zijn beroep of bedrijf. Het enkele feit dat [gedaagde partij] zijn broer wilde helpen, is dan verder in het licht van de door [gedaagde partij] gestelde en niet gemotiveerd weersproken uitlatingen, niet voldoende om ervan uit te gaan dat partijen toch hebben bedoeld dat [gedaagde partij] geen loon zou voor zijn werkzaamheden zou krijgen en het enkel zou gaan om het uithelpen van familie. De gestelde en niet gemotiveerd weersproken uitlatingen wijzen op het tegendeel. Dat er niet is gesproken over de hoogte en/of er niet vooraf afspraken over zijn gemaakt, staat er niet aan in de weg dat er wel loon verschuldigd is. De kantonrechter verwijst daarvoor naar artikel 7:405 lid 2 BW: indien loon is verschuldigd maar de hoogte niet door partijen is bepaald, is de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon verschuldigd, of bij gebreke daarvan, een redelijk loon.
4.15.
[eisende partij] q.q. heeft, waar het gaat om de omvang van het loon, aangevoerd dat het
- samengevat - ongeloofwaardig is dat [gedaagde partij] 200 uren voor Aico B.V. zou hebben gewerkt. Of dat zo is of niet, kan in het midden blijven. In dat verband is van belang dat [gedaagde partij] onweersproken heeft aangevoerd dat er veel minder uren in rekening zijn gebracht dan 200. Waar het om gaat, is of de factuur een gebruikelijk of redelijk loon weerspiegelt, gelet op de werkzaamheden die zouden zijn uitgevoerd. Het is aan [eisende partij] q.q. om voldoende concreet te stellen dat en waarom dat hier niet het geval is. Dat heeft [eisende partij] q.q. niet gedaan. Daarom komt de kantonrechter ook niet toe aan bewijslevering.
4.16.
Slotsom is dat de kantonrechter er met deze stand van zaken niet vanuit kan gaan dat er geen contractuele betalingsverplichting aan de betaling ten grondslag ligt en dat het gefactureerde bedrag niet een gebruikelijk of redelijk loon weerspiegelt voor de uitgevoerde werkzaamheden. De kantonrechter komt daarom ook in dit opzicht niet tot een onverplichte rechtshandeling.
4.17.
Aan de beoordeling van de overige vereisten van artikel 42 Fw wordt gelet op het bovenstaande niet meer toegekomen. Omdat niet aan alle voorwaarden van artikel 42 Fw is voldaan, slaagt het beroep van [eisende partij] q.q. op vernietiging niet en wijst de kantonrechter de vorderingen af.
4.18.
[eisende partij] q.q. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- verletkosten
€
50,00
Totaal
€
50,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] q.q. af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] q.q. in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] q.q. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.