Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:7818
2026-07-22
Civiel recht
C/03/350745 / FA RK 26-645
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beëindiging gezag vader op verzoek van partner van overleden moeder. Benoeming partner tot voogd. Art. 1:266-1:267 BW, art. 3 IVRK, art. 8 EVRM. Partner en moeder nooit samengewoond. Ontvankelijkheid. Rol Raad Kinderbescherming. Bijzondere omstandigheden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.036 tekens)
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 22 juli 2026
C/03/350745 / FA RK 26-645Zaaknummer: C/03/350745 / FA RK 26-645
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:
[de moeder] ,
verzoekster, verder te noemen: de moeder,
bij leven laatstelijk wonend in [plaats 1] ,
overleden in [plaats 2] op [datum 1] 2026,
advocaat mr. R.H.I. Degens, gevestigd in Klimmen, gemeente Voerendaal,
en
[de man] ,
verzoeker, verder te noemen: de man,
wonend in [plaats 3] ,
advocaat mr. R.H.I. Degens, gevestigd in Klimmen, gemeente Voerendaal ,
en:
[de vader] ,
wederpartij, verder te noemen: de vader,
wonend in [plaats 4] ,
geen advocaat.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bij deze zaak betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht,
verder te noemen: de raad.
1Het verloop van de procedure
1.1
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van de moeder, binnengekomen bij de rechtbank op 23 maart 2026;
- het bericht van de moeder, binnengekomen bij de rechtbank op 30 maart 2026;
- de aanvullende stukken van de moeder, binnengekomen bij de rechtbank op 16 april 2026;
- de berichten van de moeder, binnengekomen bij de rechtbank op 8 mei 2026 en 11 mei 2026;
- de berichten met bijlage(n) van mr. Degens, binnengekomen bij de rechtbank op 28 mei 2026 en 1 juni 2026;
- het bericht van mr. Degens, tevens verzoek van de man, met bijlage, binnengekomen bij de rechtbank op 15 juni 2026;
- de mondelinge behandeling op 18 juni 2026 waarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door mr. Degens,
een vertegenwoordigster van de raad.
De vader, volgens de wettelijke voorschriften opgeroepen, is niet verschenen.
- het bericht van de man, tevens wijziging van het verzoek, binnengekomen bij de rechtbank op 24 juni 2026;
- de referteverklaring van de vader, binnengekomen bij de rechtbank op 25 juni 2026.
2De feiten
2.1
[de minderjarige] is geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2010 uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader.
2.2
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.3
Op [datum 1] 2026 is de moeder overleden.
2.4
De moeder en de vader waren gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .
2.5
De vader heeft van rechtswege alleen het gezag over [de minderjarige] na het overlijden van de moeder.
2.6
[de minderjarige] verblijft bij de man.
3Het verzoek van de moeder
3.1
De moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad:
het gezamenlijk gezag te beëindigen in die zin dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] ;
te bepalen dat de vader de proceskosten dient te dragen.
3.2
Nu de moeder is overleden, wordt het verzoek ingetrokken.
4Het verzoek van de man
4.1
De man verzoekt, na wijziging van het verzoek, uitvoerbaar bij voorraad:
het gezag van de vader over [de minderjarige] te beëindigen;
de man te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
4.2
De man stelt dat hij in de relatie met de moeder al tien jaar is betrokken bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , zijn geschiedenis kent en een stabiele factor is in het leven van [de minderjarige] . [de minderjarige] is groot geworden met de man in zijn leven. De man en de moeder hebben altijd hun eigen woning gehad. De man en de moeder en [de minderjarige] zijn veel samen geweest, vaak in de woning van de moeder, omdat de man geen tweede slaapkamer heeft. De man ging een keer in de week, meestal op woensdag, bij de moeder en [de minderjarige] eten. Elk weekend waren de moeder en [de minderjarige] en de man samen. De man ging dan op vrijdag naar de woning van de moeder tot zondagavond. Er werden veel activiteiten ondernomen en de moeder en [de minderjarige] en de man gingen altijd samen op vakantie in zomer. Als [de minderjarige] schoolvakantie had, nam de man ook wel eens een week vrij en was dan bij de moeder en [de minderjarige] . De kosten van vakanties en boodschappen werden altijd gedeeld door de man en de moeder. De man is ook altijd degene geweest die met de moeder meeging naar schoolgesprekken van [de minderjarige] en naar zijn zwemlessen. De man overhoorde [de minderjarige] bij het maken van huiswerk en ging mee naar de sporten van [de minderjarige] . Het probleem voor de man nu is dat hij niets kan regelen voor of namens [de minderjarige] . De man en de moeder hadden beiden een huurwoning. De man wil zijn huurwoning opzeggen en zijn intrek nemen bij [de minderjarige] in de huurwoning van de moeder. Dat is ook het beste voor [de minderjarige] . De gemeente wil wel meewerken, maar wil dat laten afhangen van het gezag. De kindregelingen voor [de minderjarige] zijn ook stopgezet, onder andere omdat de man (op papier) niet op hetzelfde adres woont als [de minderjarige] . De man heeft overleg gehad met de raad. De raad heeft de man meegedeeld om zijn verzoek in te dienen. Het is de man niet duidelijk geworden of de raad (ook) een verzoek gaat indienen.
4.3
De vader is al jarenlang niet betrokken bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noch bij het nemen van belangrijke beslissingen over [de minderjarige] . De vader heeft geen beeld van hoe het met [de minderjarige] gaat, hoe hij zich ontwikkelt en wat in zijn belang is. Daardoor is de vader in zijn geheel niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen noch om (gezags)beslissingen te nemen die in het belang zijn van [de minderjarige] . Beslissingen over belangrijke aangelegenheden over [de minderjarige] zijn jarenlang door de moeder genomen zonder overleg met de vader. De moeder is vooraf aan het nemen van dergelijke beslissingen juist altijd in overleg met de man gegaan. De vader is al jaren uit beeld, geeft geen invulling aan zijn gezag en er is geen contact tussen [de minderjarige] en de vader. Als de vader ergens zijn handtekening voor moest zetten, ging dat in eerste instantie altijd via de advocaat van de vader en later via de familie van de vader. [de minderjarige] heeft tijdens de relatie tussen de moeder en de man veiligheid, betrouwbaarheid, structuur en voorspelbaarheid genoten en er is ingezet op het behouden van contact met de familie van de vader. De vader heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder. Sterker nog, de vader heeft verklaard af te zien van het gezag en geen bezwaar te hebben tegen toekenning van het gezag aan de man. De belangen van [de minderjarige] worden geschaad als de man geen gezagsbeslissingen zou kunnen nemen. De beëindiging van het gezag van de vader zal ertoe leiden dat een gezagsvoorziening over [de minderjarige] komt te ontbreken. Door de gezagsbeëindiging is sprake van een inmenging in het familie- en gezinsleven van [de minderjarige] en de vader. Deze inmenging is bij wet voorzien. Volgens de man is deze inmenging in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk en ook proportioneel en gerechtvaardigd, omdat de man de (gezags)beslissingen die voor [de minderjarige] nodig zijn alleen kan nemen. De grootouders vaderszijde hebben tegen de vader gezegd dat hij er voor [de minderjarige] moet zijn. Daarop heeft de vader gezegd dat de man het gezag maar moet uitoefenen. Tot 2022 was er een contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] , maar die liep niet goed. Tegenwoordig ziet en spreekt [de minderjarige] de vader vluchtig op verjaardagen van de familie van de vader.
5Het verweer
5.1
De vader heeft geen verweer gevoerd. Namens de vader is een referteverklaring overgelegd door een advocaat.
6De mening van [de minderjarige]
6.1
is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven, waarvan hij op 3 juni 2026 mondeling gebruik heeft gemaakt.
6.2
Naar omstandigheden gaat het redelijk goed met [de minderjarige] . [de minderjarige] woont nu samen met de man in het huis van de moeder. [de minderjarige] kent de man al bijna tien jaar. [de minderjarige] is blij dat hij de man heeft als vaderfiguur. Als [de minderjarige] mag kiezen dan mag de man de voogdij over hem krijgen. Hoe dat tot stand komt, maakt voor [de minderjarige] niet uit, als het er maar komt. De vader heeft het leven van [de minderjarige] niet echt gemakkelijk gemaakt. [de minderjarige] kreeg altijd steun en hulp van de man. De vader heeft zijn eigen leven niet op de rit, dus hij kan niet voor [de minderjarige] zorgen. Hij heeft in het verleden ook weleens moeilijk gedaan om toestemming te geven, bijvoorbeeld om te reizen naar het buitenland. [de minderjarige] vindt het belangrijk dat de raad over deze feiten en omstandigheden hoort, mocht de raad voornemens zijn om actie te ondernemen.
7Het advies van de raad
7.1
De raad begrijpt dat het vooral een juridisch verhaal is. De opvoedrol ligt bij de man. Het ligt voor de hand dat de juridische situatie gelijk gaat lopen met de feitelijke situatie. De raad vindt het passend dat de man de voogdij krijgt over [de minderjarige] . Dat is in het belang van [de minderjarige] . De raad kan een onderzoek doen, maar de vraag is of dat nodig is. De raad zal dan dezelfde informatie krijgen die er nu ook is. De vader speelt geen rol in het leven van [de minderjarige] en kan geen beslissingen nemen. Daarbij is de wachtlijst voor een onderzoek door de raad op dit moment zes tot negen maanden, maar nu worden praktische zaken voor [de minderjarige] niet geregeld. De raad adviseert om binnen de mogelijkheden van de wet de man de voogdij met belasten. Er zijn veel samenlevingsvormen en bij co-ouderschap verblijven kinderen ook niet in dezelfde woning, maar worden kinderen wel samen opgevoed. Het is wel van belang dat de vader in de toekomst informatie over [de minderjarige] blijft ontvangen.
8De beoordeling
8.1
Het verzoek van de moeder
8.1.1
Op grond van artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag bedoeld in een aantal limitatief opgesomde wettelijke bepalingen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In het tweede lid is bepaald dat – onder meer – artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing is. Dit houdt in dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
8.1.2
Zolang de rechtbank geen beschikking heeft gegeven, kunnen partijen hun (neven)verzoeken intrekken. De intrekking heeft als gevolg dat het verzoek niet meer kan worden onderzocht. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek van de moeder afwijzen.
8.2
Het verzoek van de man
8.2.1
De man heeft in zijn verzoekschrift noch desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling (expliciet) een rechtsgrond genoemd. Op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vult de rechter ambtshalve de rechtsgronden aan. De man beoogt met zijn verzoek het gezag van de vader te beëindigen. De rechtbank begrijpt het verzoek van de man daarom als een verzoek op grond van artikel 1:266 BW.
8.2.2
Op grond van artikel 1:266 lid 1 BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
8.2.3
De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind gekeken moet worden naar de periode van onzekerheid over de vraag in welk gezin het verder zal opgroeien, die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade voor zijn ontwikkeling op te lopen Het is afhankelijk van de leeftijd en de ontwikkeling van het kind wat een redelijke termijn is, zodat de bepaling van die termijn maatwerk is. De aanvaardbare termijn voor jongere kinderen is in het algemeen korter dan voor oudere kinderen.
8.2.4
Op grond van artikel 1:267 lid 1 BW kan beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de raad of het openbaar ministerie. Tevens is degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad niet tot een verzoek overgaat.
8.2.5
Allereerst moet worden beoordeeld of de man ontvankelijk is in zijn verzoek. De eerste vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of de raad niet tot een verzoek is overgegaan. In dat kader is van belang dat de man voorafgaand aan de mondelinge behandeling contact heeft gehad met de raad, waarbij de raad de man heeft geadviseerd om zijn verzoek in te dienen. Dat is niet weersproken door de raad. Daarbij komt dat de raad tijdens de mondelinge behandeling er evenmin blijk van heeft gegeven, ondanks de gegeven omstandigheden, enig verzoek in te (zullen) dienen ten aanzien van het gezag. De raad heeft weliswaar benoemd dat het voor de hand ligt de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie, het passend te vinden dat de man de voogdij krijgt over [de minderjarige] , en het advies gegeven om binnen de mogelijkheden van de wet de voogdij aan de man te geven, maar dat heeft de raad er niet toe bewogen om daadwerkelijk een verzoek te doen dan wel aan te kondigen een verzoek te willen doen. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de raad niet tot een verzoek is overgegaan en ook niet zal overgaan.
8.2.6
Vervolgens moet worden beoordeeld of de man [de minderjarige] gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. In dat kader blijkt dat de man en de moeder nooit hebben samengewoond en in die zin nooit een gezin (onder één dak) hebben gevormd waartoe [de minderjarige] behoorde. In beginsel betekent dit naar het oordeel van de rechtbank dat daarmee niet is voldaan aan de voorwaarde dat de man [de minderjarige] ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed als behorende tot zijn gezin. Echter, in dit geval is de rechtbank van oordeel dat ook gekeken moet worden naar de zeer bijzondere omstandigheden waaronder dit verzoek tot stand is gekomen. Immers, als de moeder niet was overleden had de man dit verzoek nooit aan de rechtbank hoeven voor te leggen. Daarbij komt dat nu de vader niet of nauwelijks is betrokken in het leven van [de minderjarige] , maar er wel zaken voor [de minderjarige] moeten worden geregeld, in die uitzonderlijke situatie de rechtbank ook alle bijkomende feiten en omstandigheden zal betrekken bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek. Die feiten en omstandigheden zijn dat de man en de moeder tien jaar lang een stabiele relatie hebben gehad tot het overlijden van de moeder, waarbij de man onweersproken stelt dat zij elk weekend bij elkaar waren, tijdens de zomervakantie op vakantie gingen, doordeweeks meestal eenmaal samen aten, de man meeging naar schoolgesprekken van [de minderjarige] , het huiswerk van [de minderjarige] overhoorde, meeging naar zijn zwem- en sportlessen, en dat de moeder (gezags)beslissingen over [de minderjarige] met de man besprak. Dit is niet alleen niet weersproken, maar vindt ook steun in de informatie zoals die blijkt van de grootouders moederszijde. Het is dan ook aannemelijk dat de man feitelijk een opvoedende en verzorgende taak vervulde in het leven van [de minderjarige] . Tevens valt uit de overgelegde stukken af te leiden dat de grootouders vaderszijde het fijn vinden dat de man na het overlijden van de moeder een opvoedende rol gaat vervullen in het leven van [de minderjarige] . Tot slot blijkt dat de man onmiddellijk na het overlijden van de moeder zijn intrek heeft genomen bij [de minderjarige] in de woning van de moeder en de man van plan is om zijn eigen huurwoning op te zeggen en definitief zijn intrek bij [de minderjarige] te nemen, zodra dit mogelijk is. In de hiervoor genoemde bijzondere feiten en omstandigheden, waarbij onder andere is meegewogen het recente overlijden van de moeder waardoor nu veel moet worden geregeld voor [de minderjarige] , maar waarbij de vader afwezig is, de duur van de relatie en de mate van betrokkenheid bij de opvoeding van [de minderjarige] door de man, en de intentie van de man om bij [de minderjarige] te gaan wonen, in samenhang met artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind waaruit volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen, ziet de rechtbank voldoende grond om het verzoek van de man niet af te wijzen op grond van het bepaalde in 1:267 BW en hem, gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van de zaak, ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek.
8.2.7
Het verzoek moet vervolgens inhoudelijk worden beoordeeld. Gebleken is dat de vader al jaren niet betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . In het verlengde daarvan speelt de vader ook al jaren geen actieve rol bij het nemen van belangrijke beslissingen over [de minderjarige] . Weliswaar zet de vader, indien nodig, een handtekening voor bepaalde beslissingen, maar daarvoor is wel altijd de tussenkomst nodig van een derde, op dit moment vooral de familie van vaderszijde. Sinds het overlijden van de moeder is de vader alleen belast met het gezag over [de minderjarige] en is hij degene die alle belangrijke beslissingen voor en over [de minderjarige] moet nemen. Omdat de vader geen rol speelt in het leven van [de minderjarige] , weet hij echter (te) weinig over de ontwikkeling van [de minderjarige] en wat [de minderjarige] nodig heeft, zodat het voor de vader niet mogelijk is om dergelijke beslissingen voor [de minderjarige] weloverwogen te nemen. Uit het voorgaande volgt dat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.
8.2.8
Verder is voldoende gebleken dat [de minderjarige] door de man een opvoedingsomgeving krijgt geboden die hij nodig heeft om zich goed te ontwikkelen. [de minderjarige] lijkt geen onzekerheid over zijn verblijf bij de man te ervaren, maar uit het gesprek met [de minderjarige] volgt wel dat hij vindt dat hoe dan ook geregeld moet worden dat de man de voogdij over [de minderjarige] krijgt en dat niet de vader degene is die beslissingen over hem moet (kunnen) nemen. Die duidelijkheid kunnen de mensen rondom [de minderjarige] hem niet bieden op dit moment. [de minderjarige] is hier wel mee bezig. Het is daarom van belang dat ook de belangrijke mensen om hem heen, zoals de man en de grootouders moederszijde en de grootouders vaderszijde [de minderjarige] die duidelijkheid kunnen geven. Gelet op al deze feiten en omstandigheden staat daarmee vast dat de vader niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen binnen een voor de persoon en ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.
8.2.9
De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan.
8.2.10
Volgens vaste rechtspraak over artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens blijkt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel is dat slechts sprake kan zijn van een beëindiging van het gezag op het moment dat gebleken is dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Gebleken is dat voortzetting van de gezagsband schadelijk is voor [de minderjarige] , gelet op de langdurige afwezigheid van de vader in zijn leven. Mede gelet op de referteverklaring van de vader is er geen reden om aan te nemen dat dit binnen afzienbare tijd verandert. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een lichtere maatregel dan de beëindiging van het gezag (subsidiariteitsbeginsel) en staat deze maatregel in redelijke verhouding tot het doel dat met de gezagsbeëindiging wordt nagestreefd (proportionaliteitsbeginsel). Gelet hierop is voldaan aan de afweging van de belangen van [de minderjarige] en de vader.
8.2.11
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader toewijzen.
8.2.12
Omdat de beëindiging van het gezag van de vader ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [de minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over hem te benoemen. De man verzoekt om hem te belasten met het gezag. Echter, de man kan niet met het gezag worden belast, maar wel met de voogdij over [de minderjarige] . Dit is niet weersproken en niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich daartegen verzet. De rechtbank zal daarom de man met de voogdij over [de minderjarige] belasten.
9De beslissing
De rechtbank:
9.1
beëindigt het gezag van:
[de vader] , geboren op [geboortedag 2] 1975 in [geboorteplaats 1] ,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
9.2
benoemt tot voogd over genoemde minderjarige:
[de man] , geboren op [geboortedag 3] 1974 in [geboorteplaats 2] ;
9.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
9.4
wijst af het meer of anders verzochte;
9.5
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Geerman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Heijnens, griffier, op 22 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 22 juli 2026
C/03/350745 / FA RK 26-645Zaaknummer: C/03/350745 / FA RK 26-645
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:
[de moeder] ,
verzoekster, verder te noemen: de moeder,
bij leven laatstelijk wonend in [plaats 1] ,
overleden in [plaats 2] op [datum 1] 2026,
advocaat mr. R.H.I. Degens, gevestigd in Klimmen, gemeente Voerendaal,
en
[de man] ,
verzoeker, verder te noemen: de man,
wonend in [plaats 3] ,
advocaat mr. R.H.I. Degens, gevestigd in Klimmen, gemeente Voerendaal ,
en:
[de vader] ,
wederpartij, verder te noemen: de vader,
wonend in [plaats 4] ,
geen advocaat.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bij deze zaak betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht,
verder te noemen: de raad.
1Het verloop van de procedure
1.1
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van de moeder, binnengekomen bij de rechtbank op 23 maart 2026;
- het bericht van de moeder, binnengekomen bij de rechtbank op 30 maart 2026;
- de aanvullende stukken van de moeder, binnengekomen bij de rechtbank op 16 april 2026;
- de berichten van de moeder, binnengekomen bij de rechtbank op 8 mei 2026 en 11 mei 2026;
- de berichten met bijlage(n) van mr. Degens, binnengekomen bij de rechtbank op 28 mei 2026 en 1 juni 2026;
- het bericht van mr. Degens, tevens verzoek van de man, met bijlage, binnengekomen bij de rechtbank op 15 juni 2026;
- de mondelinge behandeling op 18 juni 2026 waarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door mr. Degens,
een vertegenwoordigster van de raad.
De vader, volgens de wettelijke voorschriften opgeroepen, is niet verschenen.
- het bericht van de man, tevens wijziging van het verzoek, binnengekomen bij de rechtbank op 24 juni 2026;
- de referteverklaring van de vader, binnengekomen bij de rechtbank op 25 juni 2026.
2De feiten
2.1
[de minderjarige] is geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2010 uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader.
2.2
[de minderjarige] is erkend door de vader.
2.3
Op [datum 1] 2026 is de moeder overleden.
2.4
De moeder en de vader waren gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .
2.5
De vader heeft van rechtswege alleen het gezag over [de minderjarige] na het overlijden van de moeder.
2.6
[de minderjarige] verblijft bij de man.
3Het verzoek van de moeder
3.1
De moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad:
het gezamenlijk gezag te beëindigen in die zin dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] ;
te bepalen dat de vader de proceskosten dient te dragen.
3.2
Nu de moeder is overleden, wordt het verzoek ingetrokken.
4Het verzoek van de man
4.1
De man verzoekt, na wijziging van het verzoek, uitvoerbaar bij voorraad:
het gezag van de vader over [de minderjarige] te beëindigen;
de man te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
4.2
De man stelt dat hij in de relatie met de moeder al tien jaar is betrokken bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , zijn geschiedenis kent en een stabiele factor is in het leven van [de minderjarige] . [de minderjarige] is groot geworden met de man in zijn leven. De man en de moeder hebben altijd hun eigen woning gehad. De man en de moeder en [de minderjarige] zijn veel samen geweest, vaak in de woning van de moeder, omdat de man geen tweede slaapkamer heeft. De man ging een keer in de week, meestal op woensdag, bij de moeder en [de minderjarige] eten. Elk weekend waren de moeder en [de minderjarige] en de man samen. De man ging dan op vrijdag naar de woning van de moeder tot zondagavond. Er werden veel activiteiten ondernomen en de moeder en [de minderjarige] en de man gingen altijd samen op vakantie in zomer. Als [de minderjarige] schoolvakantie had, nam de man ook wel eens een week vrij en was dan bij de moeder en [de minderjarige] . De kosten van vakanties en boodschappen werden altijd gedeeld door de man en de moeder. De man is ook altijd degene geweest die met de moeder meeging naar schoolgesprekken van [de minderjarige] en naar zijn zwemlessen. De man overhoorde [de minderjarige] bij het maken van huiswerk en ging mee naar de sporten van [de minderjarige] . Het probleem voor de man nu is dat hij niets kan regelen voor of namens [de minderjarige] . De man en de moeder hadden beiden een huurwoning. De man wil zijn huurwoning opzeggen en zijn intrek nemen bij [de minderjarige] in de huurwoning van de moeder. Dat is ook het beste voor [de minderjarige] . De gemeente wil wel meewerken, maar wil dat laten afhangen van het gezag. De kindregelingen voor [de minderjarige] zijn ook stopgezet, onder andere omdat de man (op papier) niet op hetzelfde adres woont als [de minderjarige] . De man heeft overleg gehad met de raad. De raad heeft de man meegedeeld om zijn verzoek in te dienen. Het is de man niet duidelijk geworden of de raad (ook) een verzoek gaat indienen.
4.3
De vader is al jarenlang niet betrokken bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noch bij het nemen van belangrijke beslissingen over [de minderjarige] . De vader heeft geen beeld van hoe het met [de minderjarige] gaat, hoe hij zich ontwikkelt en wat in zijn belang is. Daardoor is de vader in zijn geheel niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen noch om (gezags)beslissingen te nemen die in het belang zijn van [de minderjarige] . Beslissingen over belangrijke aangelegenheden over [de minderjarige] zijn jarenlang door de moeder genomen zonder overleg met de vader. De moeder is vooraf aan het nemen van dergelijke beslissingen juist altijd in overleg met de man gegaan. De vader is al jaren uit beeld, geeft geen invulling aan zijn gezag en er is geen contact tussen [de minderjarige] en de vader. Als de vader ergens zijn handtekening voor moest zetten, ging dat in eerste instantie altijd via de advocaat van de vader en later via de familie van de vader. [de minderjarige] heeft tijdens de relatie tussen de moeder en de man veiligheid, betrouwbaarheid, structuur en voorspelbaarheid genoten en er is ingezet op het behouden van contact met de familie van de vader. De vader heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder. Sterker nog, de vader heeft verklaard af te zien van het gezag en geen bezwaar te hebben tegen toekenning van het gezag aan de man. De belangen van [de minderjarige] worden geschaad als de man geen gezagsbeslissingen zou kunnen nemen. De beëindiging van het gezag van de vader zal ertoe leiden dat een gezagsvoorziening over [de minderjarige] komt te ontbreken. Door de gezagsbeëindiging is sprake van een inmenging in het familie- en gezinsleven van [de minderjarige] en de vader. Deze inmenging is bij wet voorzien. Volgens de man is deze inmenging in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk en ook proportioneel en gerechtvaardigd, omdat de man de (gezags)beslissingen die voor [de minderjarige] nodig zijn alleen kan nemen. De grootouders vaderszijde hebben tegen de vader gezegd dat hij er voor [de minderjarige] moet zijn. Daarop heeft de vader gezegd dat de man het gezag maar moet uitoefenen. Tot 2022 was er een contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] , maar die liep niet goed. Tegenwoordig ziet en spreekt [de minderjarige] de vader vluchtig op verjaardagen van de familie van de vader.
5Het verweer
5.1
De vader heeft geen verweer gevoerd. Namens de vader is een referteverklaring overgelegd door een advocaat.
6De mening van [de minderjarige]
6.1
is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven, waarvan hij op 3 juni 2026 mondeling gebruik heeft gemaakt.
6.2
Naar omstandigheden gaat het redelijk goed met [de minderjarige] . [de minderjarige] woont nu samen met de man in het huis van de moeder. [de minderjarige] kent de man al bijna tien jaar. [de minderjarige] is blij dat hij de man heeft als vaderfiguur. Als [de minderjarige] mag kiezen dan mag de man de voogdij over hem krijgen. Hoe dat tot stand komt, maakt voor [de minderjarige] niet uit, als het er maar komt. De vader heeft het leven van [de minderjarige] niet echt gemakkelijk gemaakt. [de minderjarige] kreeg altijd steun en hulp van de man. De vader heeft zijn eigen leven niet op de rit, dus hij kan niet voor [de minderjarige] zorgen. Hij heeft in het verleden ook weleens moeilijk gedaan om toestemming te geven, bijvoorbeeld om te reizen naar het buitenland. [de minderjarige] vindt het belangrijk dat de raad over deze feiten en omstandigheden hoort, mocht de raad voornemens zijn om actie te ondernemen.
7Het advies van de raad
7.1
De raad begrijpt dat het vooral een juridisch verhaal is. De opvoedrol ligt bij de man. Het ligt voor de hand dat de juridische situatie gelijk gaat lopen met de feitelijke situatie. De raad vindt het passend dat de man de voogdij krijgt over [de minderjarige] . Dat is in het belang van [de minderjarige] . De raad kan een onderzoek doen, maar de vraag is of dat nodig is. De raad zal dan dezelfde informatie krijgen die er nu ook is. De vader speelt geen rol in het leven van [de minderjarige] en kan geen beslissingen nemen. Daarbij is de wachtlijst voor een onderzoek door de raad op dit moment zes tot negen maanden, maar nu worden praktische zaken voor [de minderjarige] niet geregeld. De raad adviseert om binnen de mogelijkheden van de wet de man de voogdij met belasten. Er zijn veel samenlevingsvormen en bij co-ouderschap verblijven kinderen ook niet in dezelfde woning, maar worden kinderen wel samen opgevoed. Het is wel van belang dat de vader in de toekomst informatie over [de minderjarige] blijft ontvangen.
8De beoordeling
8.1
Het verzoek van de moeder
8.1.1
Op grond van artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag bedoeld in een aantal limitatief opgesomde wettelijke bepalingen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In het tweede lid is bepaald dat – onder meer – artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing is. Dit houdt in dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
8.1.2
Zolang de rechtbank geen beschikking heeft gegeven, kunnen partijen hun (neven)verzoeken intrekken. De intrekking heeft als gevolg dat het verzoek niet meer kan worden onderzocht. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek van de moeder afwijzen.
8.2
Het verzoek van de man
8.2.1
De man heeft in zijn verzoekschrift noch desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling (expliciet) een rechtsgrond genoemd. Op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vult de rechter ambtshalve de rechtsgronden aan. De man beoogt met zijn verzoek het gezag van de vader te beëindigen. De rechtbank begrijpt het verzoek van de man daarom als een verzoek op grond van artikel 1:266 BW.
8.2.2
Op grond van artikel 1:266 lid 1 BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
8.2.3
De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind gekeken moet worden naar de periode van onzekerheid over de vraag in welk gezin het verder zal opgroeien, die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade voor zijn ontwikkeling op te lopen Het is afhankelijk van de leeftijd en de ontwikkeling van het kind wat een redelijke termijn is, zodat de bepaling van die termijn maatwerk is. De aanvaardbare termijn voor jongere kinderen is in het algemeen korter dan voor oudere kinderen.
8.2.4
Op grond van artikel 1:267 lid 1 BW kan beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de raad of het openbaar ministerie. Tevens is degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad niet tot een verzoek overgaat.
8.2.5
Allereerst moet worden beoordeeld of de man ontvankelijk is in zijn verzoek. De eerste vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of de raad niet tot een verzoek is overgegaan. In dat kader is van belang dat de man voorafgaand aan de mondelinge behandeling contact heeft gehad met de raad, waarbij de raad de man heeft geadviseerd om zijn verzoek in te dienen. Dat is niet weersproken door de raad. Daarbij komt dat de raad tijdens de mondelinge behandeling er evenmin blijk van heeft gegeven, ondanks de gegeven omstandigheden, enig verzoek in te (zullen) dienen ten aanzien van het gezag. De raad heeft weliswaar benoemd dat het voor de hand ligt de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie, het passend te vinden dat de man de voogdij krijgt over [de minderjarige] , en het advies gegeven om binnen de mogelijkheden van de wet de voogdij aan de man te geven, maar dat heeft de raad er niet toe bewogen om daadwerkelijk een verzoek te doen dan wel aan te kondigen een verzoek te willen doen. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de raad niet tot een verzoek is overgegaan en ook niet zal overgaan.
8.2.6
Vervolgens moet worden beoordeeld of de man [de minderjarige] gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. In dat kader blijkt dat de man en de moeder nooit hebben samengewoond en in die zin nooit een gezin (onder één dak) hebben gevormd waartoe [de minderjarige] behoorde. In beginsel betekent dit naar het oordeel van de rechtbank dat daarmee niet is voldaan aan de voorwaarde dat de man [de minderjarige] ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed als behorende tot zijn gezin. Echter, in dit geval is de rechtbank van oordeel dat ook gekeken moet worden naar de zeer bijzondere omstandigheden waaronder dit verzoek tot stand is gekomen. Immers, als de moeder niet was overleden had de man dit verzoek nooit aan de rechtbank hoeven voor te leggen. Daarbij komt dat nu de vader niet of nauwelijks is betrokken in het leven van [de minderjarige] , maar er wel zaken voor [de minderjarige] moeten worden geregeld, in die uitzonderlijke situatie de rechtbank ook alle bijkomende feiten en omstandigheden zal betrekken bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek. Die feiten en omstandigheden zijn dat de man en de moeder tien jaar lang een stabiele relatie hebben gehad tot het overlijden van de moeder, waarbij de man onweersproken stelt dat zij elk weekend bij elkaar waren, tijdens de zomervakantie op vakantie gingen, doordeweeks meestal eenmaal samen aten, de man meeging naar schoolgesprekken van [de minderjarige] , het huiswerk van [de minderjarige] overhoorde, meeging naar zijn zwem- en sportlessen, en dat de moeder (gezags)beslissingen over [de minderjarige] met de man besprak. Dit is niet alleen niet weersproken, maar vindt ook steun in de informatie zoals die blijkt van de grootouders moederszijde. Het is dan ook aannemelijk dat de man feitelijk een opvoedende en verzorgende taak vervulde in het leven van [de minderjarige] . Tevens valt uit de overgelegde stukken af te leiden dat de grootouders vaderszijde het fijn vinden dat de man na het overlijden van de moeder een opvoedende rol gaat vervullen in het leven van [de minderjarige] . Tot slot blijkt dat de man onmiddellijk na het overlijden van de moeder zijn intrek heeft genomen bij [de minderjarige] in de woning van de moeder en de man van plan is om zijn eigen huurwoning op te zeggen en definitief zijn intrek bij [de minderjarige] te nemen, zodra dit mogelijk is. In de hiervoor genoemde bijzondere feiten en omstandigheden, waarbij onder andere is meegewogen het recente overlijden van de moeder waardoor nu veel moet worden geregeld voor [de minderjarige] , maar waarbij de vader afwezig is, de duur van de relatie en de mate van betrokkenheid bij de opvoeding van [de minderjarige] door de man, en de intentie van de man om bij [de minderjarige] te gaan wonen, in samenhang met artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind waaruit volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen, ziet de rechtbank voldoende grond om het verzoek van de man niet af te wijzen op grond van het bepaalde in 1:267 BW en hem, gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van de zaak, ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek.
8.2.7
Het verzoek moet vervolgens inhoudelijk worden beoordeeld. Gebleken is dat de vader al jaren niet betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . In het verlengde daarvan speelt de vader ook al jaren geen actieve rol bij het nemen van belangrijke beslissingen over [de minderjarige] . Weliswaar zet de vader, indien nodig, een handtekening voor bepaalde beslissingen, maar daarvoor is wel altijd de tussenkomst nodig van een derde, op dit moment vooral de familie van vaderszijde. Sinds het overlijden van de moeder is de vader alleen belast met het gezag over [de minderjarige] en is hij degene die alle belangrijke beslissingen voor en over [de minderjarige] moet nemen. Omdat de vader geen rol speelt in het leven van [de minderjarige] , weet hij echter (te) weinig over de ontwikkeling van [de minderjarige] en wat [de minderjarige] nodig heeft, zodat het voor de vader niet mogelijk is om dergelijke beslissingen voor [de minderjarige] weloverwogen te nemen. Uit het voorgaande volgt dat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.
8.2.8
Verder is voldoende gebleken dat [de minderjarige] door de man een opvoedingsomgeving krijgt geboden die hij nodig heeft om zich goed te ontwikkelen. [de minderjarige] lijkt geen onzekerheid over zijn verblijf bij de man te ervaren, maar uit het gesprek met [de minderjarige] volgt wel dat hij vindt dat hoe dan ook geregeld moet worden dat de man de voogdij over [de minderjarige] krijgt en dat niet de vader degene is die beslissingen over hem moet (kunnen) nemen. Die duidelijkheid kunnen de mensen rondom [de minderjarige] hem niet bieden op dit moment. [de minderjarige] is hier wel mee bezig. Het is daarom van belang dat ook de belangrijke mensen om hem heen, zoals de man en de grootouders moederszijde en de grootouders vaderszijde [de minderjarige] die duidelijkheid kunnen geven. Gelet op al deze feiten en omstandigheden staat daarmee vast dat de vader niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen binnen een voor de persoon en ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.
8.2.9
De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan.
8.2.10
Volgens vaste rechtspraak over artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens blijkt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel is dat slechts sprake kan zijn van een beëindiging van het gezag op het moment dat gebleken is dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Gebleken is dat voortzetting van de gezagsband schadelijk is voor [de minderjarige] , gelet op de langdurige afwezigheid van de vader in zijn leven. Mede gelet op de referteverklaring van de vader is er geen reden om aan te nemen dat dit binnen afzienbare tijd verandert. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een lichtere maatregel dan de beëindiging van het gezag (subsidiariteitsbeginsel) en staat deze maatregel in redelijke verhouding tot het doel dat met de gezagsbeëindiging wordt nagestreefd (proportionaliteitsbeginsel). Gelet hierop is voldaan aan de afweging van de belangen van [de minderjarige] en de vader.
8.2.11
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader toewijzen.
8.2.12
Omdat de beëindiging van het gezag van de vader ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [de minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over hem te benoemen. De man verzoekt om hem te belasten met het gezag. Echter, de man kan niet met het gezag worden belast, maar wel met de voogdij over [de minderjarige] . Dit is niet weersproken en niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich daartegen verzet. De rechtbank zal daarom de man met de voogdij over [de minderjarige] belasten.
9De beslissing
De rechtbank:
9.1
beëindigt het gezag van:
[de vader] , geboren op [geboortedag 2] 1975 in [geboorteplaats 1] ,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
9.2
benoemt tot voogd over genoemde minderjarige:
[de man] , geboren op [geboortedag 3] 1974 in [geboorteplaats 2] ;
9.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
9.4
wijst af het meer of anders verzochte;
9.5
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Geerman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Heijnens, griffier, op 22 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.