Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:162

2026-01-14 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11810685 \ CV EXPL 25-3279
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-01-14
Publicatiedatum
2026-01-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11810685 \ CV EXPL 25-3279
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

wateroverlast kelder; geen gebrek; vorderingen huurder afgewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.965 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Roermond



Zaaknummer: 11810685 \ CV EXPL 25-3279




Vonnis van 14 januari 2026




in de zaak van





[huurder]
,
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [huurder],
gemachtigde: mr. S.L.T.A. Scheepers,



tegen




STICHTING WONEN LIMBURG,
te Roermond,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Wonen Limburg,
gemachtigde: mr. C.J.P. Schellekens.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de akte van Wonen Limburg- de mondelinge behandeling van 16 december 2025


1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[huurder] huurt sinds 2 december 1999 een woning van Wonen Limburg. De woning is omstreeks 1966 gebouwd.



2.2.

[huurder] heeft voor het eerst (vanaf aanvang huurovereenkomst) in november 2023 wateroverlast gehad in de kelder. In de kelder heeft een laag water op de keldervloer gestaan.



2.3.
Als gevolg van de hevige en/of langdurige regenval in die periode en de verhoogde grondwaterstand, is in veel andere woningen sprake geweest van wateroverlast in (onder meer) de kelder.



2.4.

[huurder] heeft de wateroverlast gemeld bij Wonen Limburg.



2.5.
Bij e-mail van 15 februari 2024 laat Wonen Limburg aan [huurder] (voor zover hier van belang) het navolgende weten. [huurder] heeft de wateroverlast niet onderbouwd. In het Bouwbesluit 2012 worden geen specifieke eisen gesteld aan de vochtigheid van kelders en kruipruimtes. De aanwezigheid van water in de kelder betekent niet dat er sprake is van een bouwkundig gebrek. Wonen Limburg betwist dat hiervan sprake zou zijn. De kelder heeft als functie om spullen op te slaan en niet als verblijfsruimte. De aanvullende eisen van waterdichtheid conform artikel 3:26 Bouwbesluit 2012 zijn daarom niet van toepassing. Bewoners dienen zelf zorg te dragen voor het leegmaken van de kelder bij wateroverlast, inclusief het leegpompen van de kelder en het verwijderen van spullen. Om schimmels en onaangename geuren te voorkomen is voortdurende ventilatie van de kelder noodzakelijk. Wonen Limburg is niet aansprakelijk voor enige schade. De grondwaterstand in de gemeente Peel en Maas is buitengewoon hoog. Zelfs na enkele droge dagen neemt de grondwaterstand nauwelijks af vanwege de hoge verzadigingsgraad van de grond.



2.6.

ZNEB Expertise en Taxatie B.V. (hierna: ZNEB) heeft in opdracht van [huurder] een onderzoek gedaan en gerapporteerd op 16 april 2024.
ZNEB heeft op de onderzoeksvragen navolgende (samengevat en voor zover hier van belang) antwoorden gegeven:


1. Waardoor wordt de wateroverlast veroorzaakt?
De uitwendige scheidingsconstructie van de kelder is niet afdoende waterdicht. Naarmate de hoeveelheid neerslag afneemt, neemt ook de mate van wateroverlast af. De waterinstroom is te verklaren vanuit niet waterdichte aansluitingen van de keldervloer op de kelderwanden en/of een niet waterdichte keldervloer.

2. Is er sprake van een (constructief) gebrek in de kelder?

In de basis behoort een uitwendige scheidingsconstructie waterdicht te zijn, echter worden zoals Wonen Limburg aangeeft in haar bericht van 15 februari 2024 geen specifieke eisen gesteld aan opslagruimten gelet op het bepaalde in het Bouwbesluit 2012. Het gebrekenboek van de huurcommissie, versie 5 oktober 2016, stelt echter zwaardere eisen. Onder categorie C worden de “overige ernstige gebreken aan en tekortkomingen ten aanzien van de woonruimte zelf” genoteerd in voormeld gebrekenboek. Onder punt V “Vochtoverlast” deelpunt V4 is vermeld:

“Een tot de woonruimte behorende ruimte is door vochtprobleem niet meer (geheel) bruikbaar voor het doel waarvoor hij bestemd is.”

Met als omschrijving/toelichting:

“Bijvoorbeeld een kelder waar
veelvuldig
(onderstreping kantonrechter) water op de vloer staat. Met bestemming wordt niet het feitelijk gebruik door de huurder bedoeld maar de bestemming die bij aanvang van de verhuring tussen partijen is afgesproken of is bedoeld.”

Gelet op het van buitenaf kunnen binnendringen van water op de keldervloer achten wij een gebrek aan de uitwendige scheidingsconstructie aangetoond.


3. Waarom is er juist nu sprake van wateroverlast?
Omdat 2023 een uitzonderlijk nat jaar was, zijn er meer lekkageklachten in kelders gemeld dan normaal. De natte weersinvloeden van 2023 hebben een belangrijke rol gespeeld bij de wateroverlast.

4. Hoe kan het probleem worden opgelost?
Het vochtwerend behandelen van de kelder, waarbij gedacht dient te worden aan waterdichte injecties. Gelet op het oppervlak van het beton achten wij een herstel middels het aanbrengen van een waterdichte laag op de keldervloer tot en met een nader te bepalen hoogte tegen de kelderwanden het meest opportuun.

5. ZNEB heeft ten slotte geconcludeerd dat de kelder onvoldoende waterdicht is om de waterbelasting vanuit de buitenzijde afdoende te kunnen weren. Volgens ZNEB is er daarom sprake van een gebrek aan te duiden als categorie C van het gebrekenboek van de Huurcommissie.



2.7.
Bij mail van 14 juni 2024 heeft Wonen Limburg aan [huurder] (samengevat en voor zover hier van belang) laten weten dat het afgelopen jaar uitzonderlijk veel neerslag is gevallen. De bovengrond is verzadigd geraakt met water. Het regenwater kon daarom niet snel genoeg naar de ondergrond wegzakken en heeft een weg omhoog gezocht door scheuren en kieren van de woning. De grondwaterstand staat historisch hoog. In veel woningen is er sprake van wateroverlast in kelders, bergingen en kruipruimtes, terwijl dit eerder niet het geval was. Omdat er voor het eerst sprake is van wateroverlast, adviseert Wonen Limburg om de situatie aan te kijken. Wonen Limburg verwacht dat er sprake is van een incidenteel voorval. De door ZNEB geadviseerde oplossingen acht Wonen Limburg kort door de bocht. Een kelder injecteren heeft enkel zin als het om tussen-of binnenmuren gaat. Als de muur in contact staat met vochtige aarde, heeft een injectie geen zin. Het gaat dan om doorslaand vocht en niet om opstijgend vocht. Het injecteren van de kelder heeft dan een negatief effect op de rest van de woning. Verdere maatregelen zijn wellicht niet nodig, omdat het om een incident gaat. Wonen Limburg betwist dat er sprake is van een gebrek onder categorie C. omdat daarin gesproken wordt over “veelvuldig”. Hier is sprake van een incident. In de afgelopen 40 jaar heeft het grondwaterpeil niet zo hoog gestaan. Er is geen sprake van een gebrek, omdat de kelderruimte (hier kan men niet in staan) niet bedoeld is voor gebruik behorende bij de woning.



2.8.
Bij e-mail van 17 juni 2024 heeft [huurder] (kort gezegd) aan Wonen Limburg laten weten het standpunt van Wonen Limburg niet te delen. [huurder] handhaaft zijn standpunt onder verwijzing naar de bevindingen van ZNEB. [huurder] laat weten recht te hebben op een huurprijsvermindering. [huurder] stelt Wonen Limburg nog eenmaal in de gelegenheid het gebrek te herstellen. Indien dit niet gebeurt, zal [huurder] een huurprijsvermindering toepassen en een procedure starten.



2.9.
Bij e-mail van 9 augustus 2024 laat Wonen Limburg aan [huurder] weten mede vanuit maatschappelijk oogpunt een tijdelijke huurprijsverlaging van € 58,67 toe te passen (totdat er geen water meer in de kelder staat). Ook geeft Wonen Limburg aan een dompelpomp te leveren (voor de tijd dat er water in de kelder staat), de ventilatie in de kelder te verbeteren en de schade aan de muur te herstellen. Wonen Limburg laat weten bij haar standpunt te blijven dat er geen sprake is van een gebrek. Ten slotte vraagt Wonen Limburg aan [huurder] of hij hiermee kan instemmen, zodat een procedure voorkomen kan worden.



2.10.

Bij brief van 21 augustus 2024 laat [huurder] - onder verwijzing naar het rapport van ZNEB - weten niet akkoord te zijn met het voorstel van Wonen Limburg. [huurder] zal een procedure starten. Om escalatie te voorkomen zal [huurder] de door Wonen Limburg voorgestelde huurkorting toepassen (onder voorbehoud van al zijn rechten en weren).

[huurder] vraagt voor het laatst om een passende oplossing om een procedure te voorkomen.




2.11.
Op 13 september 2024 heeft Deltadok Bouwfysica (hierna: Deltadok) een onderzoek gedaan in de kelder van [huurder]. Bij rapport van 26 september 2024 heeft Deltadok vochtmetingen uitgevoerd. Deltadok heeft geconstateerd dat de vloer en ongeveer de 1e meter vanaf de keldervloer zeer vochtig tot en met nat is. Hoe hoger er gemeten wordt, hoe droger de constructies zijn. De hoek keldervloer/aanzet wanden vertonen hoge vochtgehaltes. Na een analyse van de grondwaterstanden in de directe omgeving heeft Deltadok geconcludeerd dat het grondwaterpeil vanaf het 4e kwartaal van 2023 aanzienlijk gestegen is. Meerdere woningen en gebouwen hebben daardoor te maken gekregen met wateroverlast door drukkend grondwater. De kelder van [huurder] is, op de problematiek ten gevolge van de verhoogde grondwaterstand na, niet noemenswaardig vochtig voor het feit dat het een opbergkelder is onder een woning uit 1966. Deltadok concludeert dat de natte keldervoer/de plasvorming op de keldervloer (hetgeen sinds kwartaal 4 van 2023 het geval is) het gevolg is van een verhoogde grondwaterstand die het afgelopen jaar is opgetreden. Vochtmetingen tonen aan dat de vloer en aanzet van de kelderwanden zeer vochtig zijn. Hoger in de kelderconstructie worden volledige droge wanden gemeten. Deze problematiek is op dit moment bij veel gebouwen het geval. Deltadok stelt voor om in overleg te treden met de gemeente over de mogelijkheden tot het permanent verlagen van de grondwaterstand. Dit is een probleem dat in grote delen van [plaats] speelt. Het volledig waterdicht maken van de kelder is gevolgbestrijding en naar de mening van Deltadok geen optie.



2.12.

[huurder] is het niet eens met de conclusies van Deltadok.



2.13.
Wonen Limburg heeft aan [huurder] gevraagd om een huurachterstand te voldoen in verband met de door [huurder] toegepaste huurprijsverlaging. [huurder] heeft laten weten daarmee niet akkoord te zijn.





3Het geschil



in conventie




3.1.

[huurder] vordert - samengevat - :


Wonen Limburg te veroordelen de voorzieningen te treffen die leiden tot opheffing van de gebreken als omschreven onder punt 17 tot en met 20 en 31 tot en met 32 van de dagvaarding, op straffe van een dwangsom;


de door [huurder] verschuldigde huurprijs van € 547,74 per maand te verminderen met 30% zijnde een bedrag van € 382,42 per maand ingaande 1 oktober 2024 tot aan de dag waarop de gebreken zijn verholpen;


Wonen Limburg te veroordelen in de proceskosten (waaronder nakosten), vermeerderd met rente.





3.2.


[huurder] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
Er is sprake van gebreken aan het gehuurde die Wonen Limburg dient te verhelpen. Er is sprake geweest van wateroverlast in de kelder. Er is nog steeds sprake van schimmelvorming (onder meer) op de wanden en aantasting daarvan. Als gevolg van de schimmel is er sprake van vieze geur. Omdat er sprake is van deze gebreken heeft [huurder] recht op een huurprijsvermindering.




3.3.
Wonen Limburg voert verweer. Wonen Limburg concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [huurder], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [huurder], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [huurder] in de kosten van deze procedure.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.



in reconventie





3.5.

Wonen Limburg vordert - samengevat - :

Primair:

I. Te verklaren voor recht dat de door [huurder] gestelde gebreken aan het gehuurde, zoals beschreven in randnummer 4 van de conclusie van antwoord geen gebreken zijn in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW, zodat van een verplichting tot herstel daarvan en een recht op huurprijsvermindering geen sprake kan zijn;

Subsidiair:

II. Te verklaren voor recht dat de door [huurder] gestelde gebreken zoals beschreven in randnummer 4 van de conclusie van antwoord geen recht geven op huurprijsvermindering;

Primair en subsidiair:

III. [huurder] te veroordelen tot betaling van € 352,03 uit hoofde van de huurovereenkomst berekend tot en met 23 september 2025, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag dat het bedrag opeisbaar is geworden tot de dag van algehele betaling;

Meer subsidiair:

IV. Te verklaren voor recht dat de door [huurder] gestelde gebreken zoals beschreven in randnummer 4 van de conclusie van antwoord slechts recht geven op een zeer beperkte huurprijsvermindering;
V. [huurder] te veroordelen om aan Wonen Limburg te betalen het bedrag dat [huurder] uit hoofde cab de huurovereenkomst berekend tot en met 23 september 2025, met inhouding van een eventueel door de kantonrechter bepaalde huurprijsvermindering, aan Wonen Limburg verschuldigd is, vermeerderd met rente.

Primair, subsidiair en meer subsidiair:

VI. [huurder] te veroordelen in de proceskosten (waaronder nakosten).




3.6.

[huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Wonen Limburg, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Wonen Limburg, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Wonen Limburg in de kosten van deze procedure.



3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



in conventie





Waar gaat het over?



4.1.

[huurder] huurt van Wonen Limburg woonruimte voor € 547,74 per maand. [huurder] heeft wateroverlast gehad in de kelder. Als gevolg van de wateroverlast is sprake van schimmelvorming, aantasting van de wanden en bijhorende bedompte vieze geur. [huurder] vindt dat Wonen Limburg - onder verwijzing naar het rapport van ZNEB - de wateroverlast dient op te lossen. De kelder dient vochtwerend behandeld te worden, waarbij gedacht dient te worden aan waterdichte injecties. Als gevolg van deze gebreken heeft [huurder] een verminderd huurgenot. [huurder] maakt daarom aanspraak op een huurprijsvermindering van 30%. Volgens Wonen Limburg is er geen sprake van een gebrek, en als er al een gebrek zou zijn, dat het geen substantieel gebrek is. De kantonrechter is van oordeel dat er geen sprake is van enig gebrek. De vorderingen van [huurder] dienen daarom afgewezen te worden. De kantonrechter zal zijn beslissingen hieronder uitleggen.



Wettelijk kader




4.2.
Een gebrek is een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft.



Wateroverlast





geen sprake van een gebrek




4.3.

Vast staat dat er op dit moment geen sprake meer is van wateroverlast in de kelder van [huurder]. Eveneens staat vast dat [huurder] vanaf het aangaan van de huurovereenkomst gedurende 24 jaren geen last heeft gehad van wateroverlast in de kelder.
De kantonrechter stelt vast dat [huurder] vanaf november 2023 gedurende enkele maanden wateroverlast heeft gehad in de kelder. Ten tijde van het onderzoek door Deltadok op 13 september 2024 is er nog water geconstateerd op de keldervloer.
De kantonrechter stelt daarom vast dat er sprake is geweest van wateroverlast in elk geval van november 2023 tot en met ongeveer september 2024.




4.4.
Ter zitting heeft [huurder] eveneens verklaard dat hij in de periode december 2024 tot en met maart 2025 – af en toe - last heeft gehad van geringe wateroverlast. Omdat Wonen Limburg dit heeft betwist en [huurder] zijn stelling niet nader heeft onderbouwd, gaat de kantonrechter hieraan voorbij. Dit betekent dat de kantonrechter enkel uitgaat van de wateroverlast in de periode november 2023 tot en met (circa) september 2024.



4.5.

Omdat er op dit moment geen sprake meer is van wateroverlast, kan er dus ook geen sprake zijn van genotsbeperking en dus ook niet van een “gebrek”. Op Wonen Limburg rust daarom ook niet de plicht om de wateroverlast, die er niet meer is, te verhelpen. De vordering tot het verhelpen van dit gebrek dient daarom afgewezen te worden. De gevorderde huurprijsvermindering treft hetzelfde lot. Immers,
een huurder kan alleen vermindering van de huurprijs vorderen als sprake is van vermindering van het huurgenot als gevolg van een gebrek. Geen gebrek is dus geen recht op huurprijsvermindering. De zaak waarnaar [huurder] ter zitting heeft verwezen, waarin de Amsterdamse kantonrechter heeft geoordeeld dat er sprake is van een gebrek leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan in deze zaak was er in de Amsterdamse zaak nog steeds sprake van wateroverlast in de kelder.




4.6.
Nu rijst de vraag of [huurder] recht heeft op huurprijsvermindering gedurende voormelde periode van november 2024 tot en met (circa) september 2025. Een huurder kan vermindering van de huurprijs vorderen als sprake is van vermindering van het huurgenot als gevolg van een gebrek. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Ook als aangenomen zou worden dat er sprake is van een gebrek gedurende deze periode, geeft niet ieder gebrek recht op huurprijsvermindering. Het gebrek moet substantieel zijn, zoals Wonen Limburg terecht aanvoert. De wateroverlast is aan de orde geweest bij [huurder] (en ook bij vele anderen) als gevolg van hevige (en/of langdurige) regenval en verhoogde grondwaterstand in die betreffende periode. Hoewel de wateroverlast in de kelder van [huurder] vervelend is geweest, betrof dit echter een periode van enkele maanden op een plek die niet als verblijfsruimte dient. Zoals Wonen Limburg aanvoert, lijkt dit een incident te zijn. Onder deze gegeven omstandigheden, is de kantonrechter van oordeel dat deze wateroverlast geen substantieel gebrek is. Een huurprijsvermindering is daarom niet aan de orde.



4.7.

Ook als de kantonrechter aanneemt dat sprake is van een substantieel gebrek stuit de vordering af op de wettelijke vervaltermijn, waarop Wonen Limburg zich terecht heeft beroepen. Op grond van artikel 7:257 BW dient een huurder binnen zes maanden nadat hij de verhuurder in kennis heeft gesteld van het gebrek een vordering instellen bij de rechter of een verzoek in te dienen bij de huurcommissie. Wanneer een huurder deze termijn laat verstrijken, heeft de huurder uitsluitend recht op een huurprijsvermindering vanaf de datum die zes maanden ligt voor het instellen van de vordering of het indienen van het verzoek. Artikel 7:257 lid 3 BW betreft immers een vervaltermijn die niet vatbaar is voor stuiting.
Nu de dagvaarding op 11 juli 2025 is betekend, kan een eventuele huurprijsvermindering niet eerder ingaan dan per 11 januari 2025. De wateroverlast is van vóór 11 januari 2025, zodat er geen sprake kan zijn van huurprijsvermindering vóór 11 januari 2025.




4.8.
De conclusie is dat de vorderingen van [huurder] met betrekking tot de wateroverlast afgewezen dienen te worden.





Vochtige kelder/ Schimmelvorming/Aantasting muren/Stankoverlast





4.9.

Om te beoordelen of schimmel en andere vochtklachten aangemerkt kunnen worden als een gebrek zal [huurder] voldoende informatie hierover dienen te verschaffen.
De kantonrechter stelt vast dat de rapportages van ZNEB en Deltadoc (vooral) zien op de wateroverlast. De door [huurder] gestelde vochtklachten (waaronder schimmel) zijn een gevolg van de wateroverlast. Gesteld noch gebleken is echter wat de concrete omvang is van deze klachten en in hoeverre dit een genotsbeperking oplevert. De kantonrechter weet bijvoorbeeld niet hoe groot de schimmelplekken/aangetaste wanden zijn en hoe vochtig het op dit moment in de kelder is. De enkele verwijzing van [huurder] naar het rapport van ZNEB, waaruit zou volgen dat sprake is van schimmelvorming op zowel de vloer als de wanden van de kelderruimte, is in dit kader onvoldoende. Anders dan [huurder] aanvoert, kan de kantonrechter hieruit niet de conclusie trekken dat gezien de totale oppervlakte van de kelder sprake is van een minimum van 0,25 vierkante meter.
De vordering met betrekking tot deze gebreken is onvoldoende onderbouwd en zal daarom worden afgewezen.




Eindconclusie




4.10.
De vorderingen van [huurder] dienen gelet op al het voorgaande afgewezen te worden.



Proceskosten




4.11.

[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wonen Limburg worden begroot op:









- salaris gemachtigde


€


542,00


(2 punten × € 271,00)




- nakosten


€


135,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


677,00











4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



in reconventie





4.13.

Wonen Limburg vordert voor recht te verklaren dat de door [huurder] gestelde gebreken aan het gehuurde, zoals beschreven in randnummer 4 van de conclusie van antwoord geen gebreken zijn in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW, zodat van een verplichting tot herstel daarvan en een recht op huurprijsvermindering geen sprake kan zijn.
In conventie heeft de kantonrechter de vorderingen van [huurder] tot herstel van de gebreken en toekenning van huurprijsvermindering, afgewezen. Onduidelijk is daarom welk belang Wonen Limburg nog heeft bij de gevorderde verklaring voor recht. De kantonrechter zal bij gebreke van een belang aan de zijde van Wonen Limburg diens vordering afwijzen.




4.14.
De door Wonen Limburg gevorderde huurachterstand is – gelet op de beslissing in conventie – toewijsbaar. De kantonrechter zal de wettelijke rente toewijzen vanaf de dag van dagvaarding.



4.15.

[huurder] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Wonen Limburg worden begroot op € 82,00 (½ x 2 punten × € 82,00) aan salaris gemachtigde.





5De beslissing


De kantonrechter




in conventie




5.1.
wijst de vorderingen van [huurder] af,



5.2.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



5.3.
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



in reconventie





5.4.
veroordeelt [huurder] tot betaling van € 352,03, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling;



5.5.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 82,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



in conventie en in reconventie





5.6.
veroordeelt [huurder] tot betaling van de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de hiervoor genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,



5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.





Zie artikel 7:204 lid 2 BW


Aangaan huurovereenkomst 1999; 1e keer wateroverlast [huurder] in november 2023


ECLI:NL:RBAMS:2025:6005


artikel 7:207 BW