Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:1058

2026-02-02 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11994790 \ CV EXPL 25-5124
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-02-02
Publicatiedatum
2026-02-02
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
11994790 \ CV EXPL 25-5124
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding - huurovereenkomst - ontruiming bedrijfsruimte wegens huurachterstand.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.584 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Maastricht



Zaaknummer: 11994790 \ CV EXPL 25-5124




Vonnis in kort geding van 2 februari 2026




in de zaak van





[verhuurder] V.O.F.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: mr. J.J.C. Delahaye,



tegen





[huurder] HODN [bedrijf],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
niet verschenen.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 5 januari 2026 met producties A en 1 tot en met 7;- de brief van [verhuurder] die bij de rechtbank is binnengekomen op 23 januari 2026 met bijlagen 1 tot en met 8;
- de brief van [verhuurder] die bij de rechtbank is binnengekomen op 23 januari 2026 met een ongenummerde productie;
- de spreekaantekeningen van mr. Delahaye;
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en bij gelegenheid waarvan [verhuurder] een e-mail d.d. 23 januari 2026 in het geding heeft gebracht.





2Het geschil


2.1.

[verhuurder] verhuurt met ingang van 1 juli 2024 aan [huurder] de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond in het pand aan [adres] (hierna: het gehuurde). De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van tien jaar tot 1 juli 2034. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW (2012) (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing. De huur bedraagt thans € 5.302,66 per maand (inclusief BTW) en is bij vooruitbetaling verschuldigd.



2.2.
Op basis van artikel 7 van de huurovereenkomst is [huurder] een waarborgsom van € 15.340,38 aan [verhuurder] verschuldigd, welke in twee termijnen moet worden voldaan. [huurder] heeft de tweede termijn ter grootte van € 4.090,38, welke uiterlijk op 1 oktober 2024 door hem moest zijn voldaan, onbetaald gelaten.



2.3.

[huurder] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Over de periode januari 2025 tot en met maart 2025 heeft [huurder] de huur gedeeltelijk voldaan en over de periode van april 2025 tot en met december 2025 heeft [huurder] geen huur voldaan.



2.4.
Op 12 mei 2025 heeft [huurder] een bedrag van € 5.150,00 betaald aan [verhuurder] .



2.5.

[verhuurder] heeft [huurder] onder meer op 28 juli 2025 per e-mail en op 7 oktober 2025 per aangetekende brief, reguliere brief en aangetekende e-mail gesommeerd om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. De brief van 7 oktober 2025 is ook naar de strafrechtadvocaat van [huurder] (mr. Maessen) gestuurd.



2.6.
Op 8 oktober 2025 heeft mr. Maessen per e-mail laten weten dat [huurder] in de PI [plaats 2] (Duitsland) verblijft. Op 20 oktober 2025 heeft mr. Maessen voorts per e-mail laten weten dat [huurder] de situatie netjes wil oplossen, maar dat dat pas mogelijk is zodra hij weer toegang heeft tot zijn bankrekeningen, waarop beslag vanuit justitie ligt.



2.7.
Tegen de achtergrond van deze feiten vordert [verhuurder] – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ontruiming van de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond in het pand aan [adres] en veroordeling van [huurder] tot betaling van:


€ 47.700,84 aan achterstallige huur tot en met december 2025;


€ 4.090,38 aan achterstallige waarborgsom;


€ 5.302,66 per maand vanaf 1 januari 2026 tot en met de ontruiming;


primair de wettelijke handelsrente, dan wel subsidiair de wettelijke rente, over de achterstallige huurtermijnen en waarborgsom;


primair € 7.768,68, dan wel subsidiair € 1.292,91, aan buitengerechtelijke incassokosten althans meer subsidiair een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;


een boete van € 28.250,00, althans € 18.850,00 althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;


een voorschot op de schadevergoeding ter hoogte van € 42.421,28 althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;


de proceskosten, met inbegrip van de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.







3De beoordeling


3.1.
Aangezien alle voorgeschreven formaliteiten en termijnen voor oproeping in acht zijn genomen, is tegen de niet verschenen [huurder] verstek verleend.



3.2.
Uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat het gaat om een spoedeisende zaak waarin, gelet op de belangen van [verhuurder] een onmiddellijke voorziening bij voorraad geboden is.


3.3.

[verhuurder] vordert zowel betaling van de contractuele boete als de wettelijke handelsrente. Een boete komt in de plaats van schadevergoeding uit de wet, tenzij anders overeengekomen is. Blijkens de wettekst zelf is de wettelijke (handels)rente een vorm van schadevergoeding die voortvloeit uit de wet. Nu van een afwijkende afspraak niet blijkt zal de wettelijke handelsrente worden afgewezen. Dit geldt ook voor de subsidiair gevorderde wettelijke rente.



3.4.

[verhuurder] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). In het onderhavige geval zijn partijen - gedaagde of beide partijen daarbij handelend in de uitoefening van beroep of bedrijf - echter in artikel 30.1 van de algemene bepalingen een vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. De vordering zal dan ook worden getoetst aan het rapport Voor-werk II, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De door [verhuurder] gevorderde vergoeding komt op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst in beginsel voor toewijzing in aanmerking. In het onderhavige geval acht de kantonrechter echter termen aanwezig om deze vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Rv te matigen. De vergoeding komt in ruime mate uit boven het tarief dat in het Besluit is bepaald en niet gesteld of gebleken is dat de werkelijke kosten voor [verhuurder] hoger zijn dan het toepasselijke tarief van het Besluit. Voorts kunnen de aard en de omvang van de gestelde buitengerechtelijke werkzaamheden de toewijzing van de gevorderde vergoeding niet rechtvaardigen. De vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten wordt dan ook gematigd toegewezen en wel tot het in het Besluit gehanteerde tarief (en subsidiair door [verhuurder] gevorderde bedrag) van € 1.292,91.



3.5.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is. De in het kader van de ontruiming gevorderde dwangsom wordt afgewezen, omdat [verhuurder] de ontruiming middels de grosse van dit vonnis kan bewerkstelligen.



3.6.
De overige door het verstek van [huurder] onweersproken vorderingen, die de kantonrechter onrechtmatig noch ongegrond voorkomen, zullen worden toegewezen.



3.7.

[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


156,75







- griffierecht


€


1.504,00







- salaris gemachtigde


€


577,00







- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.381,75











3.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





4De beslissing


De kantonrechter



4.1.
veroordeelt [huurder] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond in het pand aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurder] zijn, te verlaten, in casco staat ter vrije beschikking van [verhuurder] te stellen en de sleutels af te geven aan [verhuurder] ,



4.2.
veroordeelt [huurder] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [verhuurder] :


€ 47.700,84 aan achterstallige huur tot en met december 2025,


€ 4.090,38 aan achterstallige waarborgsom,


€ 5.302,66 per maand vanaf 1 januari 2026, steeds uiterlijk te voldoen op de eerste van de maand voor het eerst op 1 januari 2026, tot en met de datum van ontruiming,


€ 1.292,91 aan buitengerechtelijke incassokosten,


€ 28.250,00 aan boete,





4.3.

veroordeelt [huurder] om een voorschot op de schadevergoeding van € 42.421,28,
te betalen aan [verhuurder] ,




4.4.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 2.381,75, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,



4.5.
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



4.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.






Artikel 6:92 Burgerlijk Wetboek