Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:7118
2026-09-16
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/05/461164
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vordering tot nakoming betalingsverplichting uit overeenkomst toegewezen. Precieze uitleg en kwalificatie overeenkomst kan in midden blijven, omdat gedaagde betalingsverplichting heeft erkend. Beroep gedaagde op vernietiging op grond van art. 1:88 lid 1 onder c en art. 1:89 BW BW slaagt niet.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2021:1615 Hoge Raad 29-10-2021
- ECLI:NL:HR:2002:AE8201 Hoge Raad 29-11-2002
- ECLI:NL:HR:2021:274 Hoge Raad 19-02-2021
- ECLI:NL:HR:2011:BO9673 Hoge Raad 11-02-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (39.137 tekens)
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/461164 / HZ ZA 25-376
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. B.A.L.H. Robijns,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.P. Schouten.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 mei 2026,
- de akte met productie van [gedaagde] van 11 juni 2026,
- de akte met producties van [eiser] van 24 juli 2026,- de akte met producties van [eiser] van 27 juli 2026,
- de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser] . [naam] is een handelsnaam van [eiser] .
2.2.
[gedaagde] heeft in 2019 aan [persoon 1] voorgesteld om samen te investeren in vastgoed in Montenegro. Daarvoor was nodig dat in Montenegro een vennootschap werd opgericht, en dat een banklening zou worden verkregen. [eiser] heeft aan derden € 23.000 betaald voor de oprichting van de vennootschap, en € 60.000 voor een bankgarantie die nodig was voor verkrijging van de lening. Uiteindelijk is geen geldlening verkregen en de investering is niet doorgegaan. [eiser] heeft de betaalde bedragen niet terugontvangen.
2.3.
In 2023 stelde [gedaagde] opnieuw aan [persoon 1] voor om te investeren met een vergelijkbare constructie. [eiser] heeft in dat verband € 62.500 geleend van [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ). Daarvan is wederom € 60.000 aan derden betaald voor een bankgarantie. De resterende € 2.500 is overgemaakt aan [gedaagde] .
2.4.
In dat verband hebben [eiser] en [gedaagde] op 28 februari 2023 een document met de titel ‘Pandakte’ getekend (hierna: de pandakte). De pandakte vermeldt onder meer:
‘1. De heer [persoon 1] , (…), ten deze handelende als rechtsgeldig vertegenwoordiger van [eiser] B.V., die hierna zal worden aangeduid als “Geldgever”; en “Pandhouder”,
en
2. De heer [gedaagde] (…) ten deze handelend voor zich en als rechtsgeldig vertegenwoordiger van [bedrijf] B.V., hierna zal worden aangeduid als “Geldnemer” of “Pandgever”; (…)
IN AANMERKING NEMENDE:
- dat Geldnemer een garantstelling heeft gegeven aan Geldgever; (…)
- Dat deze pandakte de actuele garantstelling bevat en daarmee alle eerdere overeenkomsten vervangt.
ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN
Art. 1. Garantstelling
Geldnemer staat ten bedrage van €147.500,00 garant voor terugbetaling van de openstaande vordering aan geldnemer (zijnde €80.000,00 aan vordering ten bedrage van een eerdere garantstelling (bijlage 1) en €67.500,00 voor terugbetaling aan de heer [persoon 2] ten behoeve van de investering in een gezamenlijk financiële overeenkomst met derden (bijlage 2). (…).’
2.5.
Bij notariële akte van 14 april 2023 is een pandrecht gevestigd op 400 aandelen die [gedaagde] houdt in [bedrijf] B.V. De notariële akte verwijst naar onder meer de pandakte en de daarin opgenomen garantstelling.
2.6.
Bij brief van 8 februari 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] verzocht binnen tien bankdagen het verschuldigde bedrag van € 147.500 te betalen. In de brief wordt gerefereerd aan een mededeling van [gedaagde] over de verkoop van zijn huis in Griekenland en wordt om informatie daarover verzocht.
2.7.
Vervolgens heeft [gedaagde] met [eiser] en haar advocaat gecorrespondeerd over de verkoop van het huis in Griekenland. [gedaagde] heeft op 9 augustus 2024 aan [eiser] een bericht doorgestuurd van [persoon 3] (de betrokken notaris in Griekenland) waarin zij bevestigt dat de koper van het huis de koopsom van € 220.000 heeft overgeboekt naar haar ‘secured account’ bij een bank. Bij e-mail van 9 september 2024 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagde] laten weten dat zij heeft begrepen dat deze koopsom minus kosten zal worden overgemaakt aan een notaris in Nederland. Vervolgens merkt zij op:
‘De heer [persoon 1] heeft op basis van de gemaakte afspraken recht op een vergoeding van € 147.500,00. De heer [persoon 1] stelt voor om deze uitbetaling direct te laten geschieden via [notaris] zodra deze de gelden uit Griekenland heeft ontvangen. Na ontvangst van deze betaling, zijn de verplichtingen voldaan (…).
Graag verneem ik van u of u met vorenstaand voorstel kunt instemmen en verzoek ik u te verklaren dat u toestemming geeft dat [notaris] de betaling van € 147.500,00 zal verrichten aan de heer [persoon 1] .’
Op 27 september 2024 heeft [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] bericht dat sprake is van vertraging bij de afwikkeling van de verkoop van de woning in Griekenland, omdat het dossier bij de notaris in Griekenland nog niet compleet is. Verder schreef [gedaagde] :
‘Ik zal in overleg gaan met [notaris] en onderstaande bespreken.’
De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] bij e-mail van 30 september 2024 verzocht om een bevestiging van de notaris in Griekenland dat dit de status is, en een bericht van [notaris] over de afwikkeling van de vordering van [eiser] . Bij e-mail van 9 oktober 2024 heeft [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] een bericht van [persoon 3] doorgestuurd, waaruit blijkt dat zij nog wacht op benodigde gegevens van de ‘Land Registry Office’ in Corfu. In de begeleidende e-mail vermeldt [gedaagde] dat hij vanwege vakantie nog geen bericht heeft van [notaris] .
2.8.
Op 12 mei 2025 hebben [persoon 1] en [gedaagde] een document met de titel ‘Aanvullende overeenkomst’ getekend (hierna: de aanvullende overeenkomst). Dit document vermeldt als partijen ‘De heer [gedaagde] ’ en ‘De heer [persoon 1] ’, en bepaalt verder:
‘Artikel 1 – Verwijzing naar oorspronkelijke overeenkomst
Partijen verwijzen naar de overeenkomst gesloten op 28 februari 2023 te Apeldoorn, geregistreerd onder [kenmerk] .
Artikel 2 – Aanvullende afspraken
1. De heer [persoon 1] heeft een bestaande lening van € 30.000 verstrekt, welke nog niet is afgelost.
2. Daarnaast heeft de heer [persoon 1] aanvullende kosten op zich genomen ter hoogte van € 20.000, verband houdend met een extra lening of kosten voortvloeiend uit de hoofdovereenkomst.
3. De heer [gedaagde] verklaart zich akkoord met het opnemen van zowel de resterende schuld van € 30.000 als de aanvullende € 20.000 in de verplichtingen zoals genoemd in de oorspronkelijke overeenkomst, en verbindt zich tot terugbetaling van deze bedragen aan de heer [persoon 1] .
Artikel 3 – Termijnen
- De aflossing van de oude lening van € 30.000 dient uiterlijk te geschieden op 30 september 2025.
- De aflossing van de aanvullende lening van € 20.000 (inclusief eventueel toe te rekenen kosten) heeft een fatale termijn van 15 juni 2025.
Artikel 4 – Overige bepalingen
1. Deze aanvullende overeenkomst vormt een integraal onderdeel van de oorspronkelijke overeenkomst [kenmerk] . (…).’
De aanvullende overeenkomst is ondertekend door [gedaagde] , ook als vertegenwoordiger van [bedrijf] B.V. en door [persoon 1] .
2.9.
Eind juli 2025 hebben [gedaagde] en [eiser] gecorrespondeerd over een vergoeding van € 250.000 die [gedaagde] zou ontvangen bij de verkoop van een onderneming. Bij e-mail van 25 juli 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten:
‘Op het moment van uitbetaling zal ik jou per omgaande het verschuldigde bedrag van € 167.500 overmaken en zo voldoen aan onze overeenkomst.’
2.10.
Bij e-mail van 21 augustus 2025 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagde] een ingebrekestelling gestuurd. De ingebrekestelling vermeldt onder meer:
‘Zoals u weet sta ik de heer [persoon 1] bij die samen met u en zijn holding een samenwerking is aangegaan en ten behoeve van deze samenwerking aan u geld heeft geleend. Inmiddels is de termijn tot terugbetaling, dan wel prestatie ruimschoots verstreken en bent u gehouden om het volledige bedrag aan de heer [persoon 1] terug te betalen. Het volledig bedrag bedraagt op dit moment € 197.500, -exclusief al gemaakte advocaatkosten.’
2.11.
In reactie daarop heeft [gedaagde] bij e-mail van 3 september 2025 laten weten:
‘Bedankt voor uw email van 21 augustus die ik in goede orde heb ontvangen.
Graag bespreek ik telefonisch met u de stand van zaken
Wanneer schikt het u om e.e.a. door te spreken?’
2.12.
In een brief van 16 maart 2026 aan [eiser] heeft de echtgenote van [gedaagde] verklaard dat zij aanwijzingen heeft dat [gedaagde] met [eiser] een of meer overeenkomsten heeft gesloten waarvoor haar schriftelijke toestemming nodig is, dat zij die toestemming niet heeft verleend en ook niet bereid is die toestemming alsnog te verlenen, en dat zij de genoemde rechtshandelingen vernietigt.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert – na vermindering van eis tijdens de mondelinge behandeling – dat de rechtbank [gedaagde] zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt tot:
I. betaling van € 177.500, binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten, en met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening,
II. betaling van de kosten van het conservatoir beslag, binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis,
III. betaling van de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] heeft met [gedaagde] overeenkomsten, meer in het bijzonder overeenkomsten van geldlening, gesloten waaruit volgt dat [gedaagde] € 177.500 moet betalen. [eiser] wenst nakoming van deze betalingsverplichting door [gedaagde] . [gedaagde] verkeert in verzuim en daarom heeft [eiser] recht op wettelijke rente. [eiser] heeft geprobeerd tot een oplossing buiten rechte te komen, daarom heeft zij recht op buitengerechtelijke incassokosten. Tot slot heeft [eiser] recht op vergoeding van de kosten voor het onder [gedaagde] gelegde conservatoir beslag.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] vraagt de rechtbank om de dagvaarding nietig te verklaren, dan wel [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen of haar deze te ontzeggen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in proceskosten, met wettelijke rente vanaf tien dagen na betekening van het vonnis.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. De dagvaarding is zodanig gebrekkig dat [gedaagde] ernstig wordt belemmerd in zijn mogelijkheden om verweer te voeren. De dagvaarding moet worden aangemerkt als ‘obscuur libel’ en op die grond nietig worden verklaard. Inhoudelijk betwist [gedaagde] dat sprake is van overeenkomsten tussen [eiser] en hem. Voor zover wel sprake is van een overeenkomst is niet duidelijk wat de verplichtingen over en weer zijn. In ieder geval is geen sprake van een geldlening. Voor zover sprake is van een garantstelling heeft de echtgenote van [gedaagde] de overeenkomsten op de voet van art. 1:89 lid 1 BW vernietigd. [eiser] heeft haar vordering van buitengerechtelijke incassokosten niet onderbouwd en vordert geen concreet bedrag. [gedaagde] betwist dat sprake is van buitengerechtelijke incassokosten die niet vallen onder een proceskostenveroordeling.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
3.6.
[gedaagde] vordert – samengevat en onder de voorwaarde dat de vorderingen in conventie aan [eiser] worden ontzegd – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis opheft het op 1 december 2025 gelegde conservatoir beslag op de aan [gedaagde] in eigendom toebehorende (onverdeelde) helft van de onroerende zaak gelegen aan [adres] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, met wettelijke rente vanaf tien dagen na betekening van het vonnis.
3.7.
[gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat bij ontzegging van de vorderingen in conventie summierlijk de ondeugdelijkheid van die vorderingen vaststaat en dat dan het beslag moet worden opgeheven. [gedaagde] heeft belang bij de vordering, omdat het beslag niet direct van rechtswege vervalt als de vorderingen aan [eiser] worden ontzegd.
3.8.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Voor het geval dat de rechtbank het beslag zal opheffen, vraagt [eiser] de vordering tot vergoeding van proceskosten af te wijzen.
3.9.
[gedaagde] voert daartoe aan dat het conservatoir beslag komt te vervallen als de rechtbank de vorderingen in conventie afwijst. Met de vordering in reconventie wordt [eiser] onnodig betrokken in een extra procedure met proceskostenveroordeling.
3.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
Nietigheid dagvaarding
4.1.
[gedaagde] voert aan dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, omdat de in de dagvaarding opgenomen feiten en omstandigheden zeer gebrekkig zijn beschreven, en wat in die dagvaarding is omschreven bovendien in strijd is met wat uit de overgelegde producties blijkt, zodat [gedaagde] ernstig wordt belemmerd in zijn mogelijkheden om op een zinvolle wijze verweer te voeren.
4.2.
Een dagvaarding moet op grond van art. 111 lid 2 onder d Rv en art. 120 lid 1 Rv op straffe van nietigheid de eis en de gronden daarvan vermelden. Uit art. 122 lid 1 Rv volgt dat de rechter het beroep op nietigheid verwerpt als eventuele gebreken aan de dagvaarding de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen hebben geschaad.
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding erg summier is opgesteld en dat de feitelijke achtergrond van de zaak in de dagvaarding niet goed uit de verf komt. De dagvaarding is echter niet zo onduidelijk of tegenstrijdig dat [gedaagde] zich daartegen niet kon verweren. Het is voldoende duidelijk dat [eiser] betaling van een geldsom vordert, en dat zij de vordering baseert op een overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] . Bij conclusie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] voldoende inhoudelijk verweer kunnen voeren, zodat zij niet onredelijk in haar belangen is geschaad. In dat verband wijst de rechtbank erop dat bij tussenvonnis is aangekondigd dat de inhoud en achtergrond van de overeenkomst tijdens de mondelinge behandeling aan de orde zou komen, en dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [gedaagde] bekend was met de feitelijke achtergrond van de zaak. Van nietigheid van de dagvaarding is geen sprake.
Plan van behandeling
4.3.
[eiser] baseert zijn vordering op de pandakte en aanvullende overeenkomst. Hierna zal de rechtbank eerst beoordelen of sprake is van overeenkomsten tussen [eiser] en [gedaagde] waaruit een betalingsverplichting voor [gedaagde] voortvloeit. Als dat het geval is, zal de rechtbank ook beoordelen of sprake is van rechtshandelingen zoals bedoeld in art. 1:88 lid 1 onder c BW, en zo ja, of de echtgenote van [gedaagde] deze met succes heeft vernietigd.
Pandakte
4.4.
De pandakte vermeldt als partijen [eiser] (als geldgever) en [gedaagde] (als geldnemer). Voor zover [gedaagde] betwist dat [eiser] partij is bij de pandakte, acht de rechtbank deze betwisting onvoldoende onderbouwd in het licht van de uitdrukkelijke vermelding in de pandakte dat [persoon 1] handelt als vertegenwoordiger van [eiser] . De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat [eiser] en [gedaagde] partij zijn bij de pandakte.
4.5.
De pandakte vermeldt in de overwegingen dat zij de actuele garantstelling bevat en alle eerdere overeenkomsten vervangt, waarna in artikel 1 van de pandakte de garantstelling is opgenomen. Partijen verschillen van mening over de vraag wat de verplichtingen van [gedaagde] op grond van de garantstelling inhouden, in het bijzonder wanneer of onder welke voorwaarden [gedaagde] moet betalen, en of in dit geval aan de voorwaarden is voldaan.
4.6.
[eiser] voert aan dat de garantstelling in de pandakte bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste was [gedaagde] bij het aangaan van de pandakte in 2023 nog € 80.000 verschuldigd in verband met de investering uit 2019 en 2020. [eiser] stelt dat zij dit bedrag aan [gedaagde] heeft geleend, maar dat de lening niet schriftelijk is vastgelegd. Toen partijen in 2023 spraken over een nieuwe investering, heeft [eiser] aangegeven dat hij ook afspraken wilde maken over de nog verschuldigde € 80.000. Omdat partijen op dat moment de verwachting hadden dat de tweede investering winstgevend zou zijn, spraken zij af dat [gedaagde] voorlopig de € 80.000 niet behoefde terug te betalen, maar dat hij garant zou staan voor terugbetaling als het project in 2023 niet succesvol zou zijn. Ten tweede stond [gedaagde] garant voor € 67.500 in verband met de investering in 2023. Dit betrof de € 62.500 die [eiser] heeft geleend van [persoon 2] , vermeerderd met € 5.000 aan kosten van [eiser] . Volgens [eiser] geldt voor beide onderdelen van de garantstelling dat [gedaagde] verplicht wordt om te betalen als de investering in 2023 niet succesvol blijkt te zijn.
[eiser] meent dat aan deze voorwaarde is voldaan, omdat de investering geen succes is geworden en uiteindelijk is stopgezet. [eiser] heeft [gedaagde] na stopzetting van het project in februari 2024 formeel aangesproken tot betaling van € 147.500. Verder voert [eiser] aan dat [gedaagde] nooit heeft betwist dat hij de bedragen verschuldigd was, maar altijd heeft aangegeven te zullen betalen, met verschillende redenen waarom hij het benodigde geld zou krijgen (eerst de verkoop van het huis van [gedaagde] in Griekenland voor € 220.000 en vervolgens een commissie van € 250.000 die [gedaagde] zou verkrijgen in het kader van een verkoop van een onderneming). Bij e-mail van 25 juli 2025 heeft [gedaagde] erkend € 167.500 – waaronder de € 147.500 van de pandakte – verschuldigd te zijn.
4.7.
Volgens [gedaagde] is de inhoud van de afspraken anders. [gedaagde] betwist dat in 2019 en 2020 sprake was van geldleningen van [eiser] aan hem. Ten aanzien van de € 80.000 die [gedaagde] in verband met de eerste investering verschuldigd is, geldt volgens [gedaagde] de voorwaarde dat [eiser] er alles aan heeft gedaan om € 60.000 terug te krijgen van de tussenpersoon in Groot-Brittannië die de bankgarantie zou regelen. Omdat daartoe in 2023 nog mogelijkheden bestonden, hoefde [gedaagde] de € 80.000 in 2023 niet te betalen, maar is in de pandakte een garantstelling opgenomen. Ten aanzien van de tweede investering beroept [gedaagde] zich erop dat [eiser] verplicht was om elke redelijke inspanning te verrichten om het project aan de gang te krijgen.
Volgens [gedaagde] is niet gebleken dat [eiser] de inspanningen heeft geleverd die van haar mochten worden verlangd. [eiser] heeft zich niet ingespannen om de € 60.000 terug te vorderen van de tussenpersoon in Groot-Brittannië, terwijl in 2023 een bankgarantie is verkregen, maar op basis daarvan geen financiering is verkregen om redenen die liggen bij [eiser] . Bovendien betwist [gedaagde] dat het project is geëindigd. Volgens [gedaagde] is er nog steeds contact tussen [eiser] en de bij het tweede project betrokken partijen. [gedaagde] betwist ook dat de e-mail van 25 juli 2025 een erkenning van de verplichting tot betaling inhoudt. Het genoemde bedrag komt niet overeen met het bedrag dat in deze procedure wordt gevorderd, de e-mail is aan [persoon 1] in privé gericht, en het is een voorwaardelijke toezegging – alleen als [gedaagde] een bepaald bedrag krijgt uitbetaald – en aan de voorwaarde is niet voldaan. Verder voerde [persoon 2] de druk op [eiser] op om de lening van € 62.500 terug te betalen. [gedaagde] heeft per e-mail de toezegging gedaan dat hij het bedrag van € 167.500 zou betalen, uitsluitend om [persoon 1] te helpen en [persoon 2] – die bij [eiser] aandrong op terugbetaling van de lening – rustig te houden.
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven wat partijen precies hebben afgesproken over de voorwaarde waaronder [gedaagde] verplicht is tot betaling, omdat [gedaagde] bij e-mail van 25 juli 2025 aan [eiser] zelf uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij gehouden is tot betaling (met onderstrepingen van de rechtbank): ‘Op het moment van uitbetaling zal ik jou per omgaande het verschuldigde bedrag van € 167.500 overmaken en zo voldoen aan onze overeenkomst.’ Deze e-mail laat zich moeilijk anders uitleggen dan dat [gedaagde] erkent dat hij € 167.500 verschuldigd is, en daaruit volgt dus in beginsel dat ook volgens [gedaagde] is voldaan aan de voorwaarde waaronder hij verplicht is om de € 147.500 uit de pandakte – die deel uitmaakt van de in de e-mail genoemde € 167.500 – te betalen.
4.9.
[gedaagde] heeft weliswaar betwist dat de e-mail van 25 juli 2025 een erkenning van een betalingsverplichting inhoudt, maar aan die betwisting gaat de rechtbank voorbij. Het door [gedaagde] benoemde verschil van € 20.000 tussen de € 167.500 in de e-mail en de € 147.500 in de pandakte laat zich verklaren door het feit dat in de hierna te bespreken aanvullende overeenkomst staat dat [gedaagde] € 20.000 moest betalen met een fatale termijn op 15 juni 2025 – die dus ruim een maand vóór de e-mail was verstreken. Verder is de e-mail van 25 juli 2025 gericht aan [persoon 1] via het e-mailadres van [naam] . Omdat tussen partijen vaststaat dat dit een handelsnaam van [eiser] is, moet correspondentie tussen [gedaagde] en [persoon 1] via dat e-mailadres worden geacht te hebben plaatsgevonden tussen [eiser] en [gedaagde] . In ieder geval acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat hier sprake was van een e-mail aan [persoon 1] in privé. Dat sprake is van een voorwaardelijke toezegging tot betaling valt evenmin in te zien, omdat de verschuldigdheid van € 167.500 in de e-mail niet afhankelijk is gesteld van de ontvangst van een bedrag door [gedaagde] . In tegendeel: [gedaagde] schrijft over ‘het verschuldigde bedrag’ en geeft aan dat hij met betaling daarvan zal ‘voldoen aan onze overeenkomst’.
4.10.
[gedaagde] heeft tot slot niet voldoende onderbouwd dat hij deze e-mail uitsluitend heeft gestuurd om [persoon 1] te helpen richting [persoon 2] . Ook als wordt aangenomen dat [persoon 2] op enig moment [eiser] onder druk heeft gezet om de lening van € 62.500 terug te betalen, blijkt nergens uit dat dit de achtergrond was van de e-mail van [gedaagde] , laat staan de enige reden. Daarbij merkt de rechtbank op dat de toezegging van [gedaagde] niet alleen ziet op de € 62.500 die [eiser] aan [persoon 2] moest terugbetalen, maar ook op de resterende € 80.000 en € 5.000 uit de pandakte, en € 20.000 uit de aanvullende overeenkomst. Als het doel van de e-mail slechts was om druk van [persoon 2] op [eiser] te verminderen, valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom een toezegging tot betaling van € 167.500 nodig was.
Verder weegt de rechtbank mee dat [gedaagde] ook in de verdere correspondentie tussen (de advocaat van) [eiser] en [gedaagde] vanaf februari 2024 op geen enkel moment ervan blijk heeft gegeven dat hij betwist de € 147.500 verschuldigd te zijn. Integendeel, [gedaagde] heeft juist de indruk gewekt dat hij aan [eiser] zou betalen, in eerste instantie vanuit de opbrengst van de verkoop van het huis van [gedaagde] in Griekenland van € 220.000 (zie onder 2.7) en later uit de commissie van € 250.000 die [gedaagde] zou ontvangen bij de verkoop van een onderneming (zie onder 2.9). Bij die stand van zaken lag het op de weg van [gedaagde] om in deze procedure voldoende toe te lichten dat deze correspondentie anders moet worden begrepen dan dat hij steeds van plan is geweest om aan [eiser] te betalen, maar dit heeft [gedaagde] nagelaten. Dit draagt bij aan het oordeel dat [eiser] de e-mail van [gedaagde] van 25 juli 2025 redelijkerwijs mocht begrijpen als toezegging dat hij € 147.500 aan [eiser] zou betalen.
4.11.
Gelet op het voorgaande is de vordering tot betaling van € 147.500 op grond van de pandakte toewijsbaar, tenzij de echtgenote van [gedaagde] de pandakte heeft vernietigd (zie onder 4.17 e.v.).
Aanvullende overeenkomst
4.12.
De aanvullende overeenkomst vermeldt in artikel 2 lid 1 dat [persoon 1] aan [gedaagde] een lening van € 30.000 heeft verstrekt, die [gedaagde] nog niet heeft terugbetaald. Tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht dat het gaat om een lening uit een verder verleden, die los staat van de investeringspogingen. Volgens [eiser] was voor [gedaagde] duidelijk dat hij de aanvullende overeenkomst niet heeft gesloten met [persoon 1] in privé, maar met [eiser] , onder meer omdat correspondentie verliep via het zakelijke e-mailadres van [persoon 1] .
4.13.
[gedaagde] betwist niet zozeer dat hij de aanvullende overeenkomst heeft ondertekend en dat hij zich aldus heeft verbonden tot betaling van de € 30.000, maar wel dat sprake is van een overeenkomst met [eiser] . Uit de aanvullende overeenkomst blijkt niet dat [persoon 1] optrad namens [eiser] , en ook in verschillende e-mails en brieven wordt gesproken van betaling aan [persoon 1] , niet [eiser] . [persoon 1] is geen partij in deze procedure, en daarom kan volgens [gedaagde] geen nakoming worden gevorderd.
4.14.
Het antwoord op de vraag of [persoon 1] bij het aangaan van de aanvullende overeenkomst heeft gehandeld namens zichzelf of als vertegenwoordiger van [eiser] – en dus of [persoon 1] of [eiser] als partij bij de overeenkomsten moet worden beschouwd – is afhankelijk van wat [persoon 1] en [gedaagde] tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die daarbij in aanmerking moeten worden genomen, behoort de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden.
4.15.
De rechtbank stelt voorop dat beide partijen in hun onderlinge correspondentie niet consequent zijn in de aanduiding van [persoon 1] dan wel [eiser] als partij aan wie moet worden betaald. Het enkele feit dat [eiser] niet wordt genoemd in de aanvullende overeenkomst en dat daarin (en in correspondentie tussen partijen) wordt geschreven van betaling aan [persoon 1] , is naar het oordeel van de rechtbank niet beslissend.
In dit geval is van belang dat de in het dossier aanwezige correspondentie tussen partijen inderdaad steeds lijkt te hebben plaatsgevonden via het zakelijke e-mailadres van [persoon 1] (van [naam] , de handelsnaam van [eiser] , zie onder 2.1). Daar komt bij dat de aanvullende overeenkomst uitdrukkelijk verwijst naar de pandakte, waarvan vaststaat dat deze tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand is gekomen (zie onder 4.4). Zo bepaalt artikel 4 van de aanvullende overeenkomst dat deze een integraal onderdeel vormt van de oorspronkelijke overeenkomst, waarmee de pandakte is bedoeld. Dit is een aanwijzing dat de aanvullende overeenkomst tot stand is gekomen tussen dezelfde partijen als de pandakte. Tot slot heeft [gedaagde] in de hierboven genoemde e-mail van 25 juli 2025 aan [eiser] (zie onder 4.8) toegezegd dat hij € 167.500 zal betalen, waarbij [gedaagde] zelf de € 147.500 uit de pandakte en de € 20.000 uit de aanvullende overeenkomst (genoemd in artikel 2 lid 2 van de aanvullende overeenkomst, maar in deze procedure na eisvermindering niet meer gevorderd) samenvoegt tot één bedrag. Ook hieruit kan volgen dat [gedaagde] wel degelijk [eiser] als zijn wederpartij bij de aanvullende overeenkomst beschouwde. In het licht van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [eiser] partij is bij de aanvullende overeenkomst.
4.16.
Omdat [gedaagde] voor het overige niet (gemotiveerd) heeft betwist dat hij op grond van de aanvullende overeenkomst gehouden is tot betaling van € 30.000, is de vordering van [eiser] in zoverre toewijsbaar.
Geen vernietiging op grond van art. 1:88 en 1:89 BW
4.17.
Voor zover [gedaagde] zich in privé heeft verbonden voor een schuld van een derde, voert [gedaagde] het verweer dat zijn echtgenote de rechtshandelingen bij brief van 16 maart 2026 heeft vernietigd, omdat voor die rechtshandelingen toestemming van zijn echtgenote is vereist, en deze toestemming is niet gevraagd en gegeven. [eiser] brengt daartegenin dat de echtgenote van [gedaagde] bekend was met de verplichtingen die [gedaagde] op zich nam, en dat uit de notariële akte van verpanding ook de toestemming van de echtgenote blijkt.
4.18.
Op grond van art. 1:88 lid 1 onder c BW behoeft een echtgenoot toestemming van de andere echtgenoot voor overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van de derde verbindt. Het gaat er dus om dat de echtgenoot zich ten behoeve van de schuldeiser verbindt voor de schuld of gedragingen van een derde. Het toestemmingsvereiste moet niet ruim worden uitgelegd, maar geldt alleen voor handelingen die daadwerkelijk in art. 1:88 lid 1 BW worden genoemd. Uit art. 1:89 lid 1 BW volgt dat een rechtshandeling die in strijd met art. 1:88 lid 1 BW is verricht, vernietigbaar is.
4.19.
[eiser] heeft op zichzelf niet betwist dat sprake is van een overeenkomst waarop art. 1:88 BW van toepassing kan zijn, maar de rechter moet ambtshalve nagaan of de feiten die [gedaagde] aan zijn beroep op art. 1:88 lid 1 onder c BW ten grondslag heeft gelegd, dat beroep kunnen dragen.
In dit geval is niet gesteld of gebleken dat een situatie als bedoeld in art. 1:88 lid 1 onder c BW aan de orde is. Wat betreft de € 80.000 volgt uit de stellingen van partijen niet, althans niet voldoende concreet, dat [gedaagde] zich op een van de in art. 1:88 lid 1 onder c BW genoemde wijzen heeft verbonden voor een schuld van een derde aan [eiser] . Ten aanzien van de € 67.500 heeft [gedaagde] zich niet tegenover [persoon 2] (de schuldeiser) verbonden tot betaling van een bedrag, maar tot vergoeding aan [eiser] van wat zij [persoon 2] moet betalen. Daarop ziet art. 1:88 lid 1 BW niet. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvullende overeenkomst geen garantie inhoudt, zodat ook in dat verband art. 1:88 lid 1 BW geen rol speelt. Het beroep van [gedaagde] op vernietiging van de pandakte en aanvullende overeenkomst door zijn echtgenote slaagt niet.
Tussenconclusie
4.20.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [gedaagde] veroordelen tot betaling van € 147.500 (pandakte) en € 30.000 (aanvullende overeenkomst), in totaal € 177.500.
Wettelijke rente
4.21.
[eiser] vordert vergoeding van wettelijke rente met ingang van de dag van dagvaarding, in dit geval 15 december 2025. [gedaagde] betwist niet dat hij op die dag in verzuim verkeerde en vanaf die dag wettelijke rente verschuldigd is over het toe te wijzen bedrag. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Geen buitengerechtelijke incassokosten
4.22.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank wijst de vordering af, omdat [eiser] geen concreet bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten heeft gevorderd.
Geen beslagkosten
4.23.
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. De rechtbank wijst de vordering af, omdat zij onvoldoende is onderbouwd. [eiser] heeft namelijk de beslagstukken niet volledig in het geding gebracht.
Proceskosten
4.24.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,21
- griffierecht
€
6.348,00
- salaris advocaat
€
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
10.759,21
in voorwaardelijke reconventie
4.25.
[gedaagde] heeft zijn vordering in reconventie ingesteld onder de voorwaarde dat de vorderingen in conventie aan [eiser] worden ontzegd. Nu uit het voorgaande volgt dat niet aan de voorwaarde is voldaan, hoeft niet op de vordering in reconventie te worden beslist.
4.26.
Geen van beide partijen kan als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom moet als uitgangspunt een proceskostenveroordeling in reconventie achterwege blijven. In deze zaak zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot afwijking van dit uitgangspunt zouden moeten leiden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 177.500,00, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 15 december 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 10.759,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Russcher en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Zie HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615, onder 3.2.
Zie HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8201, onder 3.6.
Vgl. HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:274, onder 4.2.2.
Vgl. Hoge Raad 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9673, onder 5.2.
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/461164 / HZ ZA 25-376
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. B.A.L.H. Robijns,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.P. Schouten.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 mei 2026,
- de akte met productie van [gedaagde] van 11 juni 2026,
- de akte met producties van [eiser] van 24 juli 2026,- de akte met producties van [eiser] van 27 juli 2026,
- de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser] . [naam] is een handelsnaam van [eiser] .
2.2.
[gedaagde] heeft in 2019 aan [persoon 1] voorgesteld om samen te investeren in vastgoed in Montenegro. Daarvoor was nodig dat in Montenegro een vennootschap werd opgericht, en dat een banklening zou worden verkregen. [eiser] heeft aan derden € 23.000 betaald voor de oprichting van de vennootschap, en € 60.000 voor een bankgarantie die nodig was voor verkrijging van de lening. Uiteindelijk is geen geldlening verkregen en de investering is niet doorgegaan. [eiser] heeft de betaalde bedragen niet terugontvangen.
2.3.
In 2023 stelde [gedaagde] opnieuw aan [persoon 1] voor om te investeren met een vergelijkbare constructie. [eiser] heeft in dat verband € 62.500 geleend van [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ). Daarvan is wederom € 60.000 aan derden betaald voor een bankgarantie. De resterende € 2.500 is overgemaakt aan [gedaagde] .
2.4.
In dat verband hebben [eiser] en [gedaagde] op 28 februari 2023 een document met de titel ‘Pandakte’ getekend (hierna: de pandakte). De pandakte vermeldt onder meer:
‘1. De heer [persoon 1] , (…), ten deze handelende als rechtsgeldig vertegenwoordiger van [eiser] B.V., die hierna zal worden aangeduid als “Geldgever”; en “Pandhouder”,
en
2. De heer [gedaagde] (…) ten deze handelend voor zich en als rechtsgeldig vertegenwoordiger van [bedrijf] B.V., hierna zal worden aangeduid als “Geldnemer” of “Pandgever”; (…)
IN AANMERKING NEMENDE:
- dat Geldnemer een garantstelling heeft gegeven aan Geldgever; (…)
- Dat deze pandakte de actuele garantstelling bevat en daarmee alle eerdere overeenkomsten vervangt.
ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN
Art. 1. Garantstelling
Geldnemer staat ten bedrage van €147.500,00 garant voor terugbetaling van de openstaande vordering aan geldnemer (zijnde €80.000,00 aan vordering ten bedrage van een eerdere garantstelling (bijlage 1) en €67.500,00 voor terugbetaling aan de heer [persoon 2] ten behoeve van de investering in een gezamenlijk financiële overeenkomst met derden (bijlage 2). (…).’
2.5.
Bij notariële akte van 14 april 2023 is een pandrecht gevestigd op 400 aandelen die [gedaagde] houdt in [bedrijf] B.V. De notariële akte verwijst naar onder meer de pandakte en de daarin opgenomen garantstelling.
2.6.
Bij brief van 8 februari 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] verzocht binnen tien bankdagen het verschuldigde bedrag van € 147.500 te betalen. In de brief wordt gerefereerd aan een mededeling van [gedaagde] over de verkoop van zijn huis in Griekenland en wordt om informatie daarover verzocht.
2.7.
Vervolgens heeft [gedaagde] met [eiser] en haar advocaat gecorrespondeerd over de verkoop van het huis in Griekenland. [gedaagde] heeft op 9 augustus 2024 aan [eiser] een bericht doorgestuurd van [persoon 3] (de betrokken notaris in Griekenland) waarin zij bevestigt dat de koper van het huis de koopsom van € 220.000 heeft overgeboekt naar haar ‘secured account’ bij een bank. Bij e-mail van 9 september 2024 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagde] laten weten dat zij heeft begrepen dat deze koopsom minus kosten zal worden overgemaakt aan een notaris in Nederland. Vervolgens merkt zij op:
‘De heer [persoon 1] heeft op basis van de gemaakte afspraken recht op een vergoeding van € 147.500,00. De heer [persoon 1] stelt voor om deze uitbetaling direct te laten geschieden via [notaris] zodra deze de gelden uit Griekenland heeft ontvangen. Na ontvangst van deze betaling, zijn de verplichtingen voldaan (…).
Graag verneem ik van u of u met vorenstaand voorstel kunt instemmen en verzoek ik u te verklaren dat u toestemming geeft dat [notaris] de betaling van € 147.500,00 zal verrichten aan de heer [persoon 1] .’
Op 27 september 2024 heeft [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] bericht dat sprake is van vertraging bij de afwikkeling van de verkoop van de woning in Griekenland, omdat het dossier bij de notaris in Griekenland nog niet compleet is. Verder schreef [gedaagde] :
‘Ik zal in overleg gaan met [notaris] en onderstaande bespreken.’
De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] bij e-mail van 30 september 2024 verzocht om een bevestiging van de notaris in Griekenland dat dit de status is, en een bericht van [notaris] over de afwikkeling van de vordering van [eiser] . Bij e-mail van 9 oktober 2024 heeft [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] een bericht van [persoon 3] doorgestuurd, waaruit blijkt dat zij nog wacht op benodigde gegevens van de ‘Land Registry Office’ in Corfu. In de begeleidende e-mail vermeldt [gedaagde] dat hij vanwege vakantie nog geen bericht heeft van [notaris] .
2.8.
Op 12 mei 2025 hebben [persoon 1] en [gedaagde] een document met de titel ‘Aanvullende overeenkomst’ getekend (hierna: de aanvullende overeenkomst). Dit document vermeldt als partijen ‘De heer [gedaagde] ’ en ‘De heer [persoon 1] ’, en bepaalt verder:
‘Artikel 1 – Verwijzing naar oorspronkelijke overeenkomst
Partijen verwijzen naar de overeenkomst gesloten op 28 februari 2023 te Apeldoorn, geregistreerd onder [kenmerk] .
Artikel 2 – Aanvullende afspraken
1. De heer [persoon 1] heeft een bestaande lening van € 30.000 verstrekt, welke nog niet is afgelost.
2. Daarnaast heeft de heer [persoon 1] aanvullende kosten op zich genomen ter hoogte van € 20.000, verband houdend met een extra lening of kosten voortvloeiend uit de hoofdovereenkomst.
3. De heer [gedaagde] verklaart zich akkoord met het opnemen van zowel de resterende schuld van € 30.000 als de aanvullende € 20.000 in de verplichtingen zoals genoemd in de oorspronkelijke overeenkomst, en verbindt zich tot terugbetaling van deze bedragen aan de heer [persoon 1] .
Artikel 3 – Termijnen
- De aflossing van de oude lening van € 30.000 dient uiterlijk te geschieden op 30 september 2025.
- De aflossing van de aanvullende lening van € 20.000 (inclusief eventueel toe te rekenen kosten) heeft een fatale termijn van 15 juni 2025.
Artikel 4 – Overige bepalingen
1. Deze aanvullende overeenkomst vormt een integraal onderdeel van de oorspronkelijke overeenkomst [kenmerk] . (…).’
De aanvullende overeenkomst is ondertekend door [gedaagde] , ook als vertegenwoordiger van [bedrijf] B.V. en door [persoon 1] .
2.9.
Eind juli 2025 hebben [gedaagde] en [eiser] gecorrespondeerd over een vergoeding van € 250.000 die [gedaagde] zou ontvangen bij de verkoop van een onderneming. Bij e-mail van 25 juli 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten:
‘Op het moment van uitbetaling zal ik jou per omgaande het verschuldigde bedrag van € 167.500 overmaken en zo voldoen aan onze overeenkomst.’
2.10.
Bij e-mail van 21 augustus 2025 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagde] een ingebrekestelling gestuurd. De ingebrekestelling vermeldt onder meer:
‘Zoals u weet sta ik de heer [persoon 1] bij die samen met u en zijn holding een samenwerking is aangegaan en ten behoeve van deze samenwerking aan u geld heeft geleend. Inmiddels is de termijn tot terugbetaling, dan wel prestatie ruimschoots verstreken en bent u gehouden om het volledige bedrag aan de heer [persoon 1] terug te betalen. Het volledig bedrag bedraagt op dit moment € 197.500, -exclusief al gemaakte advocaatkosten.’
2.11.
In reactie daarop heeft [gedaagde] bij e-mail van 3 september 2025 laten weten:
‘Bedankt voor uw email van 21 augustus die ik in goede orde heb ontvangen.
Graag bespreek ik telefonisch met u de stand van zaken
Wanneer schikt het u om e.e.a. door te spreken?’
2.12.
In een brief van 16 maart 2026 aan [eiser] heeft de echtgenote van [gedaagde] verklaard dat zij aanwijzingen heeft dat [gedaagde] met [eiser] een of meer overeenkomsten heeft gesloten waarvoor haar schriftelijke toestemming nodig is, dat zij die toestemming niet heeft verleend en ook niet bereid is die toestemming alsnog te verlenen, en dat zij de genoemde rechtshandelingen vernietigt.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert – na vermindering van eis tijdens de mondelinge behandeling – dat de rechtbank [gedaagde] zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt tot:
I. betaling van € 177.500, binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten, en met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening,
II. betaling van de kosten van het conservatoir beslag, binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis,
III. betaling van de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] heeft met [gedaagde] overeenkomsten, meer in het bijzonder overeenkomsten van geldlening, gesloten waaruit volgt dat [gedaagde] € 177.500 moet betalen. [eiser] wenst nakoming van deze betalingsverplichting door [gedaagde] . [gedaagde] verkeert in verzuim en daarom heeft [eiser] recht op wettelijke rente. [eiser] heeft geprobeerd tot een oplossing buiten rechte te komen, daarom heeft zij recht op buitengerechtelijke incassokosten. Tot slot heeft [eiser] recht op vergoeding van de kosten voor het onder [gedaagde] gelegde conservatoir beslag.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] vraagt de rechtbank om de dagvaarding nietig te verklaren, dan wel [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen of haar deze te ontzeggen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in proceskosten, met wettelijke rente vanaf tien dagen na betekening van het vonnis.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. De dagvaarding is zodanig gebrekkig dat [gedaagde] ernstig wordt belemmerd in zijn mogelijkheden om verweer te voeren. De dagvaarding moet worden aangemerkt als ‘obscuur libel’ en op die grond nietig worden verklaard. Inhoudelijk betwist [gedaagde] dat sprake is van overeenkomsten tussen [eiser] en hem. Voor zover wel sprake is van een overeenkomst is niet duidelijk wat de verplichtingen over en weer zijn. In ieder geval is geen sprake van een geldlening. Voor zover sprake is van een garantstelling heeft de echtgenote van [gedaagde] de overeenkomsten op de voet van art. 1:89 lid 1 BW vernietigd. [eiser] heeft haar vordering van buitengerechtelijke incassokosten niet onderbouwd en vordert geen concreet bedrag. [gedaagde] betwist dat sprake is van buitengerechtelijke incassokosten die niet vallen onder een proceskostenveroordeling.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
3.6.
[gedaagde] vordert – samengevat en onder de voorwaarde dat de vorderingen in conventie aan [eiser] worden ontzegd – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis opheft het op 1 december 2025 gelegde conservatoir beslag op de aan [gedaagde] in eigendom toebehorende (onverdeelde) helft van de onroerende zaak gelegen aan [adres] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, met wettelijke rente vanaf tien dagen na betekening van het vonnis.
3.7.
[gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat bij ontzegging van de vorderingen in conventie summierlijk de ondeugdelijkheid van die vorderingen vaststaat en dat dan het beslag moet worden opgeheven. [gedaagde] heeft belang bij de vordering, omdat het beslag niet direct van rechtswege vervalt als de vorderingen aan [eiser] worden ontzegd.
3.8.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Voor het geval dat de rechtbank het beslag zal opheffen, vraagt [eiser] de vordering tot vergoeding van proceskosten af te wijzen.
3.9.
[gedaagde] voert daartoe aan dat het conservatoir beslag komt te vervallen als de rechtbank de vorderingen in conventie afwijst. Met de vordering in reconventie wordt [eiser] onnodig betrokken in een extra procedure met proceskostenveroordeling.
3.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
Nietigheid dagvaarding
4.1.
[gedaagde] voert aan dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, omdat de in de dagvaarding opgenomen feiten en omstandigheden zeer gebrekkig zijn beschreven, en wat in die dagvaarding is omschreven bovendien in strijd is met wat uit de overgelegde producties blijkt, zodat [gedaagde] ernstig wordt belemmerd in zijn mogelijkheden om op een zinvolle wijze verweer te voeren.
4.2.
Een dagvaarding moet op grond van art. 111 lid 2 onder d Rv en art. 120 lid 1 Rv op straffe van nietigheid de eis en de gronden daarvan vermelden. Uit art. 122 lid 1 Rv volgt dat de rechter het beroep op nietigheid verwerpt als eventuele gebreken aan de dagvaarding de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen hebben geschaad.
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding erg summier is opgesteld en dat de feitelijke achtergrond van de zaak in de dagvaarding niet goed uit de verf komt. De dagvaarding is echter niet zo onduidelijk of tegenstrijdig dat [gedaagde] zich daartegen niet kon verweren. Het is voldoende duidelijk dat [eiser] betaling van een geldsom vordert, en dat zij de vordering baseert op een overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] . Bij conclusie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] voldoende inhoudelijk verweer kunnen voeren, zodat zij niet onredelijk in haar belangen is geschaad. In dat verband wijst de rechtbank erop dat bij tussenvonnis is aangekondigd dat de inhoud en achtergrond van de overeenkomst tijdens de mondelinge behandeling aan de orde zou komen, en dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [gedaagde] bekend was met de feitelijke achtergrond van de zaak. Van nietigheid van de dagvaarding is geen sprake.
Plan van behandeling
4.3.
[eiser] baseert zijn vordering op de pandakte en aanvullende overeenkomst. Hierna zal de rechtbank eerst beoordelen of sprake is van overeenkomsten tussen [eiser] en [gedaagde] waaruit een betalingsverplichting voor [gedaagde] voortvloeit. Als dat het geval is, zal de rechtbank ook beoordelen of sprake is van rechtshandelingen zoals bedoeld in art. 1:88 lid 1 onder c BW, en zo ja, of de echtgenote van [gedaagde] deze met succes heeft vernietigd.
Pandakte
4.4.
De pandakte vermeldt als partijen [eiser] (als geldgever) en [gedaagde] (als geldnemer). Voor zover [gedaagde] betwist dat [eiser] partij is bij de pandakte, acht de rechtbank deze betwisting onvoldoende onderbouwd in het licht van de uitdrukkelijke vermelding in de pandakte dat [persoon 1] handelt als vertegenwoordiger van [eiser] . De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat [eiser] en [gedaagde] partij zijn bij de pandakte.
4.5.
De pandakte vermeldt in de overwegingen dat zij de actuele garantstelling bevat en alle eerdere overeenkomsten vervangt, waarna in artikel 1 van de pandakte de garantstelling is opgenomen. Partijen verschillen van mening over de vraag wat de verplichtingen van [gedaagde] op grond van de garantstelling inhouden, in het bijzonder wanneer of onder welke voorwaarden [gedaagde] moet betalen, en of in dit geval aan de voorwaarden is voldaan.
4.6.
[eiser] voert aan dat de garantstelling in de pandakte bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste was [gedaagde] bij het aangaan van de pandakte in 2023 nog € 80.000 verschuldigd in verband met de investering uit 2019 en 2020. [eiser] stelt dat zij dit bedrag aan [gedaagde] heeft geleend, maar dat de lening niet schriftelijk is vastgelegd. Toen partijen in 2023 spraken over een nieuwe investering, heeft [eiser] aangegeven dat hij ook afspraken wilde maken over de nog verschuldigde € 80.000. Omdat partijen op dat moment de verwachting hadden dat de tweede investering winstgevend zou zijn, spraken zij af dat [gedaagde] voorlopig de € 80.000 niet behoefde terug te betalen, maar dat hij garant zou staan voor terugbetaling als het project in 2023 niet succesvol zou zijn. Ten tweede stond [gedaagde] garant voor € 67.500 in verband met de investering in 2023. Dit betrof de € 62.500 die [eiser] heeft geleend van [persoon 2] , vermeerderd met € 5.000 aan kosten van [eiser] . Volgens [eiser] geldt voor beide onderdelen van de garantstelling dat [gedaagde] verplicht wordt om te betalen als de investering in 2023 niet succesvol blijkt te zijn.
[eiser] meent dat aan deze voorwaarde is voldaan, omdat de investering geen succes is geworden en uiteindelijk is stopgezet. [eiser] heeft [gedaagde] na stopzetting van het project in februari 2024 formeel aangesproken tot betaling van € 147.500. Verder voert [eiser] aan dat [gedaagde] nooit heeft betwist dat hij de bedragen verschuldigd was, maar altijd heeft aangegeven te zullen betalen, met verschillende redenen waarom hij het benodigde geld zou krijgen (eerst de verkoop van het huis van [gedaagde] in Griekenland voor € 220.000 en vervolgens een commissie van € 250.000 die [gedaagde] zou verkrijgen in het kader van een verkoop van een onderneming). Bij e-mail van 25 juli 2025 heeft [gedaagde] erkend € 167.500 – waaronder de € 147.500 van de pandakte – verschuldigd te zijn.
4.7.
Volgens [gedaagde] is de inhoud van de afspraken anders. [gedaagde] betwist dat in 2019 en 2020 sprake was van geldleningen van [eiser] aan hem. Ten aanzien van de € 80.000 die [gedaagde] in verband met de eerste investering verschuldigd is, geldt volgens [gedaagde] de voorwaarde dat [eiser] er alles aan heeft gedaan om € 60.000 terug te krijgen van de tussenpersoon in Groot-Brittannië die de bankgarantie zou regelen. Omdat daartoe in 2023 nog mogelijkheden bestonden, hoefde [gedaagde] de € 80.000 in 2023 niet te betalen, maar is in de pandakte een garantstelling opgenomen. Ten aanzien van de tweede investering beroept [gedaagde] zich erop dat [eiser] verplicht was om elke redelijke inspanning te verrichten om het project aan de gang te krijgen.
Volgens [gedaagde] is niet gebleken dat [eiser] de inspanningen heeft geleverd die van haar mochten worden verlangd. [eiser] heeft zich niet ingespannen om de € 60.000 terug te vorderen van de tussenpersoon in Groot-Brittannië, terwijl in 2023 een bankgarantie is verkregen, maar op basis daarvan geen financiering is verkregen om redenen die liggen bij [eiser] . Bovendien betwist [gedaagde] dat het project is geëindigd. Volgens [gedaagde] is er nog steeds contact tussen [eiser] en de bij het tweede project betrokken partijen. [gedaagde] betwist ook dat de e-mail van 25 juli 2025 een erkenning van de verplichting tot betaling inhoudt. Het genoemde bedrag komt niet overeen met het bedrag dat in deze procedure wordt gevorderd, de e-mail is aan [persoon 1] in privé gericht, en het is een voorwaardelijke toezegging – alleen als [gedaagde] een bepaald bedrag krijgt uitbetaald – en aan de voorwaarde is niet voldaan. Verder voerde [persoon 2] de druk op [eiser] op om de lening van € 62.500 terug te betalen. [gedaagde] heeft per e-mail de toezegging gedaan dat hij het bedrag van € 167.500 zou betalen, uitsluitend om [persoon 1] te helpen en [persoon 2] – die bij [eiser] aandrong op terugbetaling van de lening – rustig te houden.
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven wat partijen precies hebben afgesproken over de voorwaarde waaronder [gedaagde] verplicht is tot betaling, omdat [gedaagde] bij e-mail van 25 juli 2025 aan [eiser] zelf uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij gehouden is tot betaling (met onderstrepingen van de rechtbank): ‘Op het moment van uitbetaling zal ik jou per omgaande het verschuldigde bedrag van € 167.500 overmaken en zo voldoen aan onze overeenkomst.’ Deze e-mail laat zich moeilijk anders uitleggen dan dat [gedaagde] erkent dat hij € 167.500 verschuldigd is, en daaruit volgt dus in beginsel dat ook volgens [gedaagde] is voldaan aan de voorwaarde waaronder hij verplicht is om de € 147.500 uit de pandakte – die deel uitmaakt van de in de e-mail genoemde € 167.500 – te betalen.
4.9.
[gedaagde] heeft weliswaar betwist dat de e-mail van 25 juli 2025 een erkenning van een betalingsverplichting inhoudt, maar aan die betwisting gaat de rechtbank voorbij. Het door [gedaagde] benoemde verschil van € 20.000 tussen de € 167.500 in de e-mail en de € 147.500 in de pandakte laat zich verklaren door het feit dat in de hierna te bespreken aanvullende overeenkomst staat dat [gedaagde] € 20.000 moest betalen met een fatale termijn op 15 juni 2025 – die dus ruim een maand vóór de e-mail was verstreken. Verder is de e-mail van 25 juli 2025 gericht aan [persoon 1] via het e-mailadres van [naam] . Omdat tussen partijen vaststaat dat dit een handelsnaam van [eiser] is, moet correspondentie tussen [gedaagde] en [persoon 1] via dat e-mailadres worden geacht te hebben plaatsgevonden tussen [eiser] en [gedaagde] . In ieder geval acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat hier sprake was van een e-mail aan [persoon 1] in privé. Dat sprake is van een voorwaardelijke toezegging tot betaling valt evenmin in te zien, omdat de verschuldigdheid van € 167.500 in de e-mail niet afhankelijk is gesteld van de ontvangst van een bedrag door [gedaagde] . In tegendeel: [gedaagde] schrijft over ‘het verschuldigde bedrag’ en geeft aan dat hij met betaling daarvan zal ‘voldoen aan onze overeenkomst’.
4.10.
[gedaagde] heeft tot slot niet voldoende onderbouwd dat hij deze e-mail uitsluitend heeft gestuurd om [persoon 1] te helpen richting [persoon 2] . Ook als wordt aangenomen dat [persoon 2] op enig moment [eiser] onder druk heeft gezet om de lening van € 62.500 terug te betalen, blijkt nergens uit dat dit de achtergrond was van de e-mail van [gedaagde] , laat staan de enige reden. Daarbij merkt de rechtbank op dat de toezegging van [gedaagde] niet alleen ziet op de € 62.500 die [eiser] aan [persoon 2] moest terugbetalen, maar ook op de resterende € 80.000 en € 5.000 uit de pandakte, en € 20.000 uit de aanvullende overeenkomst. Als het doel van de e-mail slechts was om druk van [persoon 2] op [eiser] te verminderen, valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom een toezegging tot betaling van € 167.500 nodig was.
Verder weegt de rechtbank mee dat [gedaagde] ook in de verdere correspondentie tussen (de advocaat van) [eiser] en [gedaagde] vanaf februari 2024 op geen enkel moment ervan blijk heeft gegeven dat hij betwist de € 147.500 verschuldigd te zijn. Integendeel, [gedaagde] heeft juist de indruk gewekt dat hij aan [eiser] zou betalen, in eerste instantie vanuit de opbrengst van de verkoop van het huis van [gedaagde] in Griekenland van € 220.000 (zie onder 2.7) en later uit de commissie van € 250.000 die [gedaagde] zou ontvangen bij de verkoop van een onderneming (zie onder 2.9). Bij die stand van zaken lag het op de weg van [gedaagde] om in deze procedure voldoende toe te lichten dat deze correspondentie anders moet worden begrepen dan dat hij steeds van plan is geweest om aan [eiser] te betalen, maar dit heeft [gedaagde] nagelaten. Dit draagt bij aan het oordeel dat [eiser] de e-mail van [gedaagde] van 25 juli 2025 redelijkerwijs mocht begrijpen als toezegging dat hij € 147.500 aan [eiser] zou betalen.
4.11.
Gelet op het voorgaande is de vordering tot betaling van € 147.500 op grond van de pandakte toewijsbaar, tenzij de echtgenote van [gedaagde] de pandakte heeft vernietigd (zie onder 4.17 e.v.).
Aanvullende overeenkomst
4.12.
De aanvullende overeenkomst vermeldt in artikel 2 lid 1 dat [persoon 1] aan [gedaagde] een lening van € 30.000 heeft verstrekt, die [gedaagde] nog niet heeft terugbetaald. Tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht dat het gaat om een lening uit een verder verleden, die los staat van de investeringspogingen. Volgens [eiser] was voor [gedaagde] duidelijk dat hij de aanvullende overeenkomst niet heeft gesloten met [persoon 1] in privé, maar met [eiser] , onder meer omdat correspondentie verliep via het zakelijke e-mailadres van [persoon 1] .
4.13.
[gedaagde] betwist niet zozeer dat hij de aanvullende overeenkomst heeft ondertekend en dat hij zich aldus heeft verbonden tot betaling van de € 30.000, maar wel dat sprake is van een overeenkomst met [eiser] . Uit de aanvullende overeenkomst blijkt niet dat [persoon 1] optrad namens [eiser] , en ook in verschillende e-mails en brieven wordt gesproken van betaling aan [persoon 1] , niet [eiser] . [persoon 1] is geen partij in deze procedure, en daarom kan volgens [gedaagde] geen nakoming worden gevorderd.
4.14.
Het antwoord op de vraag of [persoon 1] bij het aangaan van de aanvullende overeenkomst heeft gehandeld namens zichzelf of als vertegenwoordiger van [eiser] – en dus of [persoon 1] of [eiser] als partij bij de overeenkomsten moet worden beschouwd – is afhankelijk van wat [persoon 1] en [gedaagde] tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die daarbij in aanmerking moeten worden genomen, behoort de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden.
4.15.
De rechtbank stelt voorop dat beide partijen in hun onderlinge correspondentie niet consequent zijn in de aanduiding van [persoon 1] dan wel [eiser] als partij aan wie moet worden betaald. Het enkele feit dat [eiser] niet wordt genoemd in de aanvullende overeenkomst en dat daarin (en in correspondentie tussen partijen) wordt geschreven van betaling aan [persoon 1] , is naar het oordeel van de rechtbank niet beslissend.
In dit geval is van belang dat de in het dossier aanwezige correspondentie tussen partijen inderdaad steeds lijkt te hebben plaatsgevonden via het zakelijke e-mailadres van [persoon 1] (van [naam] , de handelsnaam van [eiser] , zie onder 2.1). Daar komt bij dat de aanvullende overeenkomst uitdrukkelijk verwijst naar de pandakte, waarvan vaststaat dat deze tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand is gekomen (zie onder 4.4). Zo bepaalt artikel 4 van de aanvullende overeenkomst dat deze een integraal onderdeel vormt van de oorspronkelijke overeenkomst, waarmee de pandakte is bedoeld. Dit is een aanwijzing dat de aanvullende overeenkomst tot stand is gekomen tussen dezelfde partijen als de pandakte. Tot slot heeft [gedaagde] in de hierboven genoemde e-mail van 25 juli 2025 aan [eiser] (zie onder 4.8) toegezegd dat hij € 167.500 zal betalen, waarbij [gedaagde] zelf de € 147.500 uit de pandakte en de € 20.000 uit de aanvullende overeenkomst (genoemd in artikel 2 lid 2 van de aanvullende overeenkomst, maar in deze procedure na eisvermindering niet meer gevorderd) samenvoegt tot één bedrag. Ook hieruit kan volgen dat [gedaagde] wel degelijk [eiser] als zijn wederpartij bij de aanvullende overeenkomst beschouwde. In het licht van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [eiser] partij is bij de aanvullende overeenkomst.
4.16.
Omdat [gedaagde] voor het overige niet (gemotiveerd) heeft betwist dat hij op grond van de aanvullende overeenkomst gehouden is tot betaling van € 30.000, is de vordering van [eiser] in zoverre toewijsbaar.
Geen vernietiging op grond van art. 1:88 en 1:89 BW
4.17.
Voor zover [gedaagde] zich in privé heeft verbonden voor een schuld van een derde, voert [gedaagde] het verweer dat zijn echtgenote de rechtshandelingen bij brief van 16 maart 2026 heeft vernietigd, omdat voor die rechtshandelingen toestemming van zijn echtgenote is vereist, en deze toestemming is niet gevraagd en gegeven. [eiser] brengt daartegenin dat de echtgenote van [gedaagde] bekend was met de verplichtingen die [gedaagde] op zich nam, en dat uit de notariële akte van verpanding ook de toestemming van de echtgenote blijkt.
4.18.
Op grond van art. 1:88 lid 1 onder c BW behoeft een echtgenoot toestemming van de andere echtgenoot voor overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van de derde verbindt. Het gaat er dus om dat de echtgenoot zich ten behoeve van de schuldeiser verbindt voor de schuld of gedragingen van een derde. Het toestemmingsvereiste moet niet ruim worden uitgelegd, maar geldt alleen voor handelingen die daadwerkelijk in art. 1:88 lid 1 BW worden genoemd. Uit art. 1:89 lid 1 BW volgt dat een rechtshandeling die in strijd met art. 1:88 lid 1 BW is verricht, vernietigbaar is.
4.19.
[eiser] heeft op zichzelf niet betwist dat sprake is van een overeenkomst waarop art. 1:88 BW van toepassing kan zijn, maar de rechter moet ambtshalve nagaan of de feiten die [gedaagde] aan zijn beroep op art. 1:88 lid 1 onder c BW ten grondslag heeft gelegd, dat beroep kunnen dragen.
In dit geval is niet gesteld of gebleken dat een situatie als bedoeld in art. 1:88 lid 1 onder c BW aan de orde is. Wat betreft de € 80.000 volgt uit de stellingen van partijen niet, althans niet voldoende concreet, dat [gedaagde] zich op een van de in art. 1:88 lid 1 onder c BW genoemde wijzen heeft verbonden voor een schuld van een derde aan [eiser] . Ten aanzien van de € 67.500 heeft [gedaagde] zich niet tegenover [persoon 2] (de schuldeiser) verbonden tot betaling van een bedrag, maar tot vergoeding aan [eiser] van wat zij [persoon 2] moet betalen. Daarop ziet art. 1:88 lid 1 BW niet. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvullende overeenkomst geen garantie inhoudt, zodat ook in dat verband art. 1:88 lid 1 BW geen rol speelt. Het beroep van [gedaagde] op vernietiging van de pandakte en aanvullende overeenkomst door zijn echtgenote slaagt niet.
Tussenconclusie
4.20.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [gedaagde] veroordelen tot betaling van € 147.500 (pandakte) en € 30.000 (aanvullende overeenkomst), in totaal € 177.500.
Wettelijke rente
4.21.
[eiser] vordert vergoeding van wettelijke rente met ingang van de dag van dagvaarding, in dit geval 15 december 2025. [gedaagde] betwist niet dat hij op die dag in verzuim verkeerde en vanaf die dag wettelijke rente verschuldigd is over het toe te wijzen bedrag. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Geen buitengerechtelijke incassokosten
4.22.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank wijst de vordering af, omdat [eiser] geen concreet bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten heeft gevorderd.
Geen beslagkosten
4.23.
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. De rechtbank wijst de vordering af, omdat zij onvoldoende is onderbouwd. [eiser] heeft namelijk de beslagstukken niet volledig in het geding gebracht.
Proceskosten
4.24.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,21
- griffierecht
€
6.348,00
- salaris advocaat
€
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
10.759,21
in voorwaardelijke reconventie
4.25.
[gedaagde] heeft zijn vordering in reconventie ingesteld onder de voorwaarde dat de vorderingen in conventie aan [eiser] worden ontzegd. Nu uit het voorgaande volgt dat niet aan de voorwaarde is voldaan, hoeft niet op de vordering in reconventie te worden beslist.
4.26.
Geen van beide partijen kan als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom moet als uitgangspunt een proceskostenveroordeling in reconventie achterwege blijven. In deze zaak zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot afwijking van dit uitgangspunt zouden moeten leiden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 177.500,00, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 15 december 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 10.759,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Russcher en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Zie HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615, onder 3.2.
Zie HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8201, onder 3.6.
Vgl. HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:274, onder 4.2.2.
Vgl. Hoge Raad 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9673, onder 5.2.